ARR:BM 4071.508
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-10-07
🌐 FR
Vonnis
vrijspraak
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 2
In de
zaak van het openbaar ministerie en de EISER TOT HERSTEL :
GEMEENTELIJK STEDENBOUWKUNDIG INSPECTEUR VAN
met kantoor te
eiser tot herstel, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
tegen de BEKLAAGDE:
, RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
beklaagde, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
TENLASTELEGGING
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
geheel of gedeeltelijk wijzigen van hoofdfunctie van bebouwd onroerend goed zonder of in
strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een
bebouwd onroerend goed, indien de Vlaamse Regering deze functiewijziging als
vergunningsplichtig heeft aangemerkt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige
vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige
handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de
betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken
van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
namelijk een pand met handelsfunctie en appartement te hebben omgevormd tot een
gastenverblijf en appartement,
op een perceel gelegen te
, kadastraal gekend als , in eigendom toebehorend aan
(art. 4.2.1., 6°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 3
te ) in
de periode van 1 januari 2020 tot en met 19 november
2021
PROCEDUR
E
De dagvaarding werd op 21 maart 2023 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is
van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de
wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1.
De bekl
aagde is eigenares van een pand gelegen aan de
. Het pand is gelegen in woongebied.
Op 28 oktober 2010 werd voor het pand een regularisatievergunning verleend voor “het
inrichten van een aangevraagde en goedgekeurde handelsruimte op het gelijkvloers tot een
handels- en/of kantoorruimte met binnenkoer ”.
Op 14 juni 2011 werd door een brief verstuurd naar de beklaagde en haar
toenmalige echtgenoot waarin vermeld werd dat op 2 februari 2009 een PV
werd opgemaakt voor de uitvoering van diverse wederrechtelijke werken in het pand
waaronder de inrichting van een badkamer daar waar de keuken/kitchenette was voorzien en
inrichting van een keuken daar waar het kantoor/ de handelsruimte was voorzien. De
eigenaars werden in deze brief gewezen op de bijzondere voorwaarde opgenomen in de
regularisatievergunning: “ de omvorming van het handelsgelijkvloers tot een afzonderlijke
woonentiteit is niet toegelaten. Het feit dat een personeelskeuken en een sanitaire ruimte voor
het persoon voorzien worden mag hiertoe geen aanleiding geven ” (stuk 15) .
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 4
Op 15 j
uli 2019 werd een PV opgesteld voor het gebruik van de handelsfunctie als
woonentiteit. Bij een controle op 21 januari 2020 werd vastgesteld dat de handelsfunctie leeg
stond en er geen bewoning meer was en er de intentie was om het pand als handels-of
bureauruimte te verhuren.
Op 19 augustus 2021 weigerde het college van burgemeester van schepenen een
omgevingsvergunning te verlenen voor de omvorming van het pand met handelsfunctie en
een appartement tot een gastenverblijf en appartement.
2.
Op 3 augustus 2022 stelde , verbalisant ruimtelijke ordening, van
vast dat de functie van de handelswoning gelegen te ,
wederrechtelijk omgevormd werd van gelijkvloerse handelsruimte naar
verblijfsrecreatie onder de vorm van vakantielogies onafhankelijk van de woongelegenheid op
de hogere verdiepingen. Het gelijkvloers was gemeubeld en ingericht als woonentiteit. De
tweede kamer, eerder ook als slaapkamer ingericht, was als aparte zitplaats ingericht, terwijl
dit enkel als berging kon worden gebruikt. Aangezien er in de keuken en slaapkamer lichten
aan waren concludeerde de verbalisant ruimtelijke ordening dat er sprake was van een recent
gebruik van de entiteit als logies.
De verbalisant vermeldt in het PV dat er reeds meerdere aanvragen werden ingediend voor
het desbetreffende pand waaronder ook onvolledig verklaarde dossiers inzake het aanvragen
voor een bijkomende woonentiteit, flex-bureau, autonoom vakantie- en gastenverblijf
telkenmale met alle faciliteiten van een appartement.
De verbalisant stelde een PV te hebben opgesteld daar het vast zou staan dat de huidige
inrichting erop wijst dat de beklaagde niet de intentie zou hebben om het pand te gebruiken
of te verhuren overeenkomstig de vergunde toestand.
3.
De beklaagde werd verhoord op 21 oktober 2022. In dit verhoor verklaarde ze het pand
aanvankelijk gekocht te hebben samen met van wie ze sedert 2017 gescheiden
is. Na de scheiding verkreeg ze het pand in eigendom. Ze heeft enkel geverfd en wat
opfrissingswerken gedaan. Ze heeft een regularisatieaanvraag ingediend om er beneden een
vakantiewoning van te maken maar dat werd geweigerd ingevolge een negatief advies van de
brandweer. Ze heeft dan een brandladder laten plaatsen in oktober 2021 maar er werd
opnieuw een negatief advies gegeven. Ze is nu bezig met een procedure bij de
beroepscommissie van toerisme. Op de vraag wie de opdracht heeft gegeven voor het
uitvoeren van de wederrechtelijke werken stelde ze dat dit haar ex Arnold De Buck was. Hij
was aannemer van bouwwerken en hij voerde de werken uit in 2010-2011. De toestand op
vandaag is nog steeds dezelfde, behoudens de brandladder die ze heeft laten plaatsen.
Door het openbaar ministerie werd een dossier ter info gevoegd waaruit blijkt dat er op 18 juli
2019 een PV werd opgesteld lastens de beklaagde en voor de functiewijziging
van het pand van handelsfunctie op het gelijkvloers naar woonfunctie nadat huurders
er werden aangetroffen.
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 5
4.
Op 8 maa
rt 2023 formuleerde haar herstelvordering meer bepaald de staking
van het strijdig gebruik en het herstel in de oorspronkelijke toestand meer bepaald het herstel
naar een eengezinswoning met handelsruimte op het gelijkvloers en een woongedeelte op de
verdiepingen. De Hoge Raad voor de Handhavingsuitvoering verleende positief advies op 21
april 2023.
Op 22 juni 2023 werd opnieuw de omgevingsvergunning voor dezelfde omvorming van het
pand geweigerd. Hiertegen werd geen beroep aangetekend.
Op 28 februari 2025 ging het parket over tot dagvaarding van de beklaagde.
De zaak werd ingeleid op 1 april 2025 voor deze rechtbank en kamer en voor behandeling
uitgesteld naar de zitting van 2 september 2025.
Op 25 augustus 2025 stelde namens dat het pand thans in gebruik is
als handelspand/kantoor zodat de herstelvordering zonder voorwerp is geworden.
2. Beoordeling van de tenlastelegging
De bekl
aagde moet zich voor de rechtbank verantwoorden wegens de wederrechtelijke
omvorming van een pand met handelsfunctie en appartement naar een gastenverblijf en
appartement. De ten laste gelegde periode betreft de periode van 1 januari 2020 tot en met
19 november 2021.
De beklaagde verzocht om de vrijspraak. Ze stelt na de vaststellingen van 2 februari 2009 een
schrijven van van 14 juni 2011 ontvangen te hebben waarin gemeld werd dat het
bouwmisdrijf voor hen opgeheven was.
Ook bij een controle op 21 januari 2020 werd vastgesteld dat de betreffende entiteit leeg staat
en er geen bewoning was. Na deze datum en ook in de haar ten laste gelegde
incriminatieperiode heeft zij geen vergunningsplichtige werken of wijzigingen meer uitgevoerd
behoudens de plaatsing van een brandtrap op de buitenkoer. Zij heeft wel verschillende
vergunningsaanvragen ingediend om een functiewijziging te bekomen en in afwachting stelde
ze het pand te huur als kantoor (hetgeen tevens vastgesteld werd door ). De
beklaagde legde stukken voor die deze stelling zoals tevens ontwikkeld in conclusies
bevestigen.
Het openbaar ministerie stelde op de behandelende terechtzitting van 2 september 2025 dat
het strafdossier inderdaad geen aanwijzingen bevat dat de beklaagde in de haar ten laste
gelegde periode het pand met handelsfunctie en appartement wederrechtelijk heeft
omgevormd tot gastenverblijf en appartement. Het openbaar ministerie verzocht de vrijspraak
van de beklaagde.
De rechtbank stelt vast dat het strafdossier geen bewijzen bevat op grond waarvan besloten
kan worden dat de beklaagde in de haar ten laste gelegde periode bepaalde handelingen heeft
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 6
gesteld waarbij de vergunde functie van het pand met handelsfunctie en appartement
wederrechtelijk omgevormd werd tot een gastenverblijf met appartement. Het aantreffen van
huurders situeerde zich vóór de huidige incriminatieperiode met name op 18
juli 2019 en de initiële vaststellingen waarvoor de beklaagde thans gedagvaard werd dateren
van 3 augustus 2022, hetgeen zich situeert nà de huidige incriminatieperiode.
Bij gebrek aan bewijzen aan gestelde strafbare handelingen binnen de incriminatieperiode
zoals omschreven in de dagvaarding dient de beklaagde dan ook te worden vrijgesproken.
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 191, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen aangehaald in de
tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van
Spreekt
vrij voor de tenlastelegging.
Laat de kosten gevallen aan de zijde van het openbaar ministerie ten laste van de Staat, tot
heden begroot op 350,15 EUR.
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
Dit v
onnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 7 oktober 2025 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
- , rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting ,
met bijstand van griffier .