Naar hoofdinhoud

ARR:BM 4129.206

🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent 📅 2025-10-21 🌐 FR Vonnis

Rechtsgebied

strafrecht

Geciteerde wetgeving

1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950

Volledige tekst

Rolnumme Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent In de zaak van het openbaar ministerie tegen: BEKLAAGDEN : 1. 2. RRN geboren van Belgische nationaliteit ingeschreven te eerste beklaagde , bijgestaan door meester loco meester RRN geboren van Belgische nationaliteit ingeschreve n te Vonnisnr advocaat te advocaat te I p.2 tweede beklaagde, vertegenwoordigd door meester advocaalt te TENLASTELEGGING Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek; optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning nnet verzwarende omstandigheden buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd , hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk op het perceel gelegen te eigendom van te kadastraal gekend als geboren wonende• te bij aankoopakte van 22/10/2019 verleden door notaris Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr I p.3 een vergunningsplichtige houten omheining met betonplaten en -palen van 1,90m hoog te hebben geplaatst (art. 4.1.1., 3° en 9°1 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende: de omgevingsvergunning) Wat betreft met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumentereinde ambtenaar, vastgoedmakelaar of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroe1p of activiteit onroerende goederen koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoopt of verhuurt, bouwt of vaste of verplaatsbare inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als tussenpersoon optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep. (art. 6.2.1. lid 2 en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening) in de periode van 1 januari 2022 tot en met 31 januari 2022 door PROCEDURE De dagvaarding werd op 19 februari 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het voorwerp is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de wetgeving inzake hypotheken. De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting. De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal. De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwe;~ige partijen. Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting. BEOORDELING OP STRAFGEBIED 1. Overzicht van de feiten 1. Naar aanleiding van een melding van een hoge afsluiting aan het perceel ging de politie op 27 juli 2022 ter plaatse. Eerste beklaagde, naar van het perceel sinds 22 oktober 2019. s ei1ge- Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen , afdellng Gent Vonnlsnr I p.4 ----------------------------------- De woning op het perceel betreft een open bebouwing. In de bocht werd een houten omhei­ ning geplaatst van 1,90 meter hoog waardoor de zichtbaarhe id voor het verkeer nihil was. Er bleek geen vergunning te zijn. Uit een foto van de zomer voordien bleek er toen een lage doorzicht ige draadafsluiting gestaan te hebben. Op 3 augustus 2022 werd eerste beklaagde verhoord. Ze verklaarde de omheining geplaatst te hebben om haar privé te kunnen behouden. Haar buurman van 1ad ook al zo een omheining en ze wou hierop aansluiten. Niemand had haar gezegd dat dit niet mo,cht. Vroeger stond er al een omheining en de huidige stond nog dichter bij haar woning. z.e had in september 2021 een brief ontvangen dat ze haar omheining moest verplaatsen omdat deze op openbaar domein stond. Ze ging geen verdere stappen ondernemen. De omheining werd geplaatst door en de werken hadden drie dagen geduurd. Op 12 augustus 2022 werd tweede beklaagde, verhoord. Hij verklaarde me·de- zaakvoerder te zijn van Eerste beklaagde had gevraagd om Ieen omheining te plaatsen rond haar erf. Ze hadden aangegeven dat de omheining lager diend•:! te zijn dan twee meter ter hoogte van de bocht maar eerste beklaagde stemde hier niet mee! in. Hij had gezegd dat ze een vergunning nodig had. Ze had hem gezegd dat ze naar de gemeente was gegaan, maar ze had geen vergunning getoond. Hij was op haar woord afgegaan. Bij nazicht op 18 oktober 2023 bleek de situatie ongewijzigd. 2. De gemeentelijk stedenbouwkundig inspecteur leidde een herstelvordering in bij het parket met brief van 19 december 2023. Het aanpassen van de omheining werd gevorderd als volgt: • Ofwel het aanpassen van de houten afsluiting naar een gesloten houten afsluiting met een maximale hoogte van 1 meter in de voortuin. (artikel 2.1, 7° Vrijstellingsbesluit ) • Ofwel door het aanpassen van de houten afsluiting naar een open afsluiting met ca?en maximale totale hoogte van 2 meter in de voortuin. (artikel 2.1, 6° Vrijstellingsbesluit) De Hoge Raad voor de handhavingsuitvoering verleende een positief advies en verwees naar de visueel-vormelijke hinder en de onaanvaardbare mobiliteitsimpact. De GSI stelt een hersteltermijn van drie maanden voor en vordert een dwangsom van 150 euro per dag vertraging. 2. Bespreking van de schuldvraag 1. Beklaagden moeten zich voor de rechtbank verantwoorden wegens het plaatsen van «:!en omheining zonder vergunning in de periode van 1 tot en met 31 januari 2022. Tweede be­ klaagde moet zich bovendien verantwoorden voor de verzwarende omstandigheid dat hij han­ delde als professional in vastgoed. Rolnumme1 Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr / p.S Eerste beklaagde betwist de feiten niet. Zij stelt dat zij niet wist dat er een vergunning no,dig was. Zij wijst er op dat er vroeger een hoge haag stond waar niemand moeilijk over deed" Zij stelt dat tweede beklaagde haar niet had ingelicht over het feit dat er een vergunning no,dig was. Tweede beklaagde verzocht om de vrijspraak. Hij stelt dat hij eerste beklaagde uiteraard had geïnformeerd over de vergunningsplicht en dat eerste beklaagde hem mondeling had mede­ gedeeld dat zij een vergunning had. Gelet op hun vertrouwensband als buren had hij niet aan­ gedrongen om de vergunning te zien. Hij stelt dat hij geen intentie had om een misdrlj1f te plegen. 2. Het besluit van de Vlaamse Regering van 16 juli 2010 tot bepaling van stedenbouwkund ige handelingen waarvoor geen omgevingsvergunning nodig is, bepaalt duidelijk dat enkel geslo­ ten afsluitingen tot een hoogte van 1 meter in de voortuin vrijgesteld zijn. Beklaagden hebben een afsluiting van-1,90 meter hoog in de voortuin geplaatst zonder vergunning wat manifest In strijd is met het vrijstellingsbeslu it. Eerste beklaagde stelt dat niemand haar gezegd had dat er een vergunning nodig was. Eerste beklaagde had echter zelf een onderzoekspl icht. Zij heeft nagelaten dit te doen. De VCRO bevat geen aanduiding nopens het moreel element zodat het bewust en vrijwiillig handelen volstond. Dat van dit laatste sprake is wordt voor het ten laste gelegde misdrijf ver­ ondersteld bij het plegen van de materiële handeling, die als de uiting van de vrije en bewuiste wil van de beklaagde moet worden aangezien. De beklaagde maakt het bestaan van E~en schulduitsluitingsgrond, zoals overmacht of onoverkomelijke dwaling, of van een rechtvaa1rdi­ gingsgrond , zoals noodtoestand, niet enigszins geloofwaardig. De schuld van eerste beklaagde aan de ten laste gelegde feiten is bewezen. Tweede beklaagde wist dat er een vergunning nodig was voor een dergelijk hoge afsluiting In de voortuin maar plaatste niettemin deze afsluiting zonder vergunning. Dat hij niet de intentie had om zich schuldig te maken aan een stedenbouwkundig misdrijf, is zonder relevantie. De tenlastelegging vereist geen bijzonder opzet. Indien het schuldbestan ddeel van een misdrijf bestaat in opzet, dit is het wetens en willens aannemen van een strafbare gedraging, is het opzet af te leiden uit het door de dader gepleegde materiële feit en de vaststelling dat dit feit hem of haar kan worden toegerekend, met dien verstande dat de dader vrijuit gaat wanneer hij rechtvaardiging, schuldontheffing of niet­ toerekeningsvatbaarheid enigszins aannemeli jk maakt. De feiten zijn hem in casu wel degeilijk toe te rekenen. Beklaagde maakt rechtvaardiging, schuldontheffing of niiet­ toerekeningsvatbaarheid niet enigszins aannemelijk . De stelling dat eerste beklaagde hem gezegd had dat er een vergunning was maar dat hij niet had aangedrongen om deze te zien gelet op hun vertrouwensband is slechts een boude bewering die uit niet blijkt en wordt tegengesproken door eerste beklaagde. Indien er een vergunning was, had tweede beklaagde deze zeker wel kunnen vragen zodat hij conform de vergunning kon bouwen. Tweede beklaagde handelde allerminst als een voorzichtige aannemer . Tweede beklaagde toont geen overmacht of onoverwinneli jke dwaling aan. Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdetlng Gent Vonnlsnr I p.6 Ook de verzwarende omstandigheid is in hoofde van tweede beklaagde bewezen nu beklaa,gde aannemer Is. Hij is als aannemer een persoon die in de uitoefening van zijn beroep onroereinde goederen bouwt of vaste inrichtingen ontwerpt of opstelt. Van dergelijke personen wordt terecht een grotere kennis en voorzicht igheid verwacht bij vergunningsplichtige handeling ;en. 3. Straftoemeting 1. Bij de straftoemeting houdt de rechtbank rekening met de aard en de objectieve ernst van de bewezen verklaarde feiten, de begeleidende omstandigheden, de eventuele strafverzwa­ rende factoren, de doelen van de straf zoals opgenomen in artikel 7 §2 Sw. en de persoonlijk ­ heid van beklaagden zoals die blijkt uit het strafrechtelijk verleden, gezinstoestand en arbeids­ situatie, voor zover de rechtbank die kent. De straf heeft niet alleen een vergeldende functie, ze moet ook preventief werken: ze moet beklaagden ertoe aanzetten in de toekomst geen misdrijven meer te plegen. 2. Beklaagden realiseerden zonder een vergunning een veel te hoge ondoorzichtige afslui1ting in de voortuin die zorgde voor visuele hinder en een bijzonder gevaarlijke verkeerssituatie. Zij dachten enkel aan hun eigen belangen. Meer dan drie jaar verder is de situatie inog ongewijzigd. Eerste beklaagde stelt dat zij al vele stappen heeft ondernomen maar er wonden enkel een paar mailtjes voorgelegd van april 2025. Eerste beklaagde wil blijkbaar haar omheining zolang mogelijk in stand houden en denkt vooral aan haar financiële belanger1 en haar hond en niet aan de onveilige verkeerssituatie die elk moment kan leiden tot onnodige slachtoffers . De rechtbank houdt er bij de straftoemeting rekening mee dat tweede beklaagde tot het vonnis zelf geen actie kan ondernemen om de situatie te regulariseren. De straf moet beklaagden duidelijk maken dat de naleving van de stedenbouwkundige regels ernstig te nemen is in het belang van een goede ruimtelijke ordening. 3. Eerste beklaagde is jaar oud en werd reeds tweemaal veroordeeld wegens verkeersinbreuken . Gelet op het feit dat er nog geen enkel begin van herstel is gaat de rechtbank niet in op de vraag van eerste beklaagde om haar de gunst van de opschorting ·van de uitspraak van de veroordeling te verlenen. De hierna bepaalde geldboete zal haar dioen inzien dat de naleving van de stedenbouwkundige regels ernstig te nemen zijn In het belang van de goede ruimtelijke ordening. De rechtbank zal een deel van de geldboete opleggen met de gunst van het gewoon uitstel nu zij nog een relatief gunstig strafverleden heeft. Eeirste beklaagde moet beseffen dat dit uitstel kan worden herroepen indien zij nieuwe misdrijven zou plegen gedurende de proefperiode die de rechtbank bepaalt op drie jaar. Tweede beklaagde is jaar oud en werd reeds éénmaal correctioneel veroordee ld en éénmaal wegens een verkeersinb reuk. De rechtbank gaat in op de vraag van tweede beklaagde om hem de gunst van de opschorting te verlenen. Beklaagden werden voor de rechtbank gedagvaard jaren na de vaststellingen omdat eerste beklaagde als eigenaar manifest weigerde om iets te veranderen aan de situatie. Aan dit stilzitten heeft tweede beklaagde geen schuld. Bovendien blijkt tweede beklaagde ondanks zijn lange carrière nog geen enkel stedenbouwkundig misdrijf begaan te hebben. De rechtbank is van oordeel dat de gunst ·van Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr I rechtbank van eerste aanieg uost-Vlaanderen, afdellng Gent p. 7 de opschorting van de uitspraak van de veroordeling voor deze beklaagde voldoende is om recidive in de toekomst te vermijden. HERSTEL De rechtbank stelt vast dat er geen aanwijzing is dat de afsluiting werd verwijderd of aangepast waardoor de herstelvordering nog actueel is. De rechtbank is van oordeel dat de herstelvordering niet gesteund is op motieven die vreemd zijn aan de goede ruimtelijke ordening of die uitgaan van een opvatting over de goede ruimte­ lijke ordening die kennelijk onredelijk is. De schade die door het bouwmisdrijf is berokkend aan de goede ruimtelijke ordening, kan worden opgeheven door het uitvoeren van aanpassingswerken. Het betalen van een mi:!er­ waarde lost de problematiek van de verkeersonveilige situatie niet op en Is dus niet dienstig. Een herstelvordering voor de strafrechter Is niet gericht tegen een bepaalde beklaagde doch geldt in rem: zij heeft betrekking op de plaats die dient hersteld te worden. Zowel eerste als tweede beklaagde zijn als veroordeelden tot het stedenbouwkundig misdrijf gehouden tot het herstel. Nu eerste beklaagde in het verleden talmde om tot het herstel over te gaan of een regularisatie aan te vragen, wordt terecht de verbeurte van een dwangsom lastens haar gevorderd bij niet naleving van het bevel tot herstel. De hierna uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en noodzakelijke aansporing van eerste beklaagde om tot herstel over te gaan indien regulari­ satie niet mogelijk is. Rekening houdend met de omvang van de uit te voeren herstelwerken, voorziet de rechtbank in een hersteltermijn van 6 maanden. De lange tijd sedert dewelke beklaagden al konden overgaan tot het herstel en de ruiime termijn welke hen hiertoe nog wordt verleend, brengt mee dat er geen reden is om bij toepassing van artikel 1385bis, laatste alinea, Gerechtelijk Wetboek nog een zekere termijn te bepalen. De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester om ambtshalve in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagden dit niet zelf binnen de ge­ stelde termijn zouden doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening). BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED Omdat het door beklaagden gepleegde misdrijf mogelijk schade heeft veroorzaakt, houdt de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomst ig artikel 4 van de Vooraf­ gaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.). Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr / p.8 =~'''"'""" _______________________________ _ TOEGEPASTE WETTEN De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestandde len van de misdrijven en de strafmaat bepalen, en het taalgebru ik in gerechtszaken regelen: art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935; art. 4 Wet van 17 april 1878 -Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van Strafvordering; art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering; art. 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41,66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven; art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952; art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985; art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de juridische tweedelijnsbijstand; art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen reglement van de gerechtskosten in strafzaken; art. 1 (§1, 2° en §2), 3, 5, 6"8, 13, 14 §1 Wet van 29 juni 1964; DE RECHTBANK: op tegenspraak ten aanzien van OP STRAFGEBIED Ten aanzien van eerste beklaagde Verklaart de feiten van de enige tenlastelegging bewezen. Veroordeelt voor de enige tenlastelegging: tot een geldboete van 4.000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een gevangenisstraf van 3 maanden. Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft deze geldboete voor een termijn van 3 jaar, doch slechts voor een gedeelte van 1.600,00 EUR, zijnde 200,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen. Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnlsnr / p.9 • -~,------------------------------ Veroordeelt tot betaling van: -een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders -een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor Juridische tweedelijnsbijstand -een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR -solidair met medeveroordeelde heden begroot op 386,78 EUR. Ten aanzien van tweede beklaagde tot de kosten van de strafvordering, op Verl<!aart de tenlastelegging lastens bewezen. Gelast ten voordele van de OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling meteen proeftijd van 3 jaar. Veroordeelt tot betaling van: -een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische tweed el ij nsbijsta nd -een vaste vergoeding voor beheerskosten in strahaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 EUR -solidair met medeveroordeelde heden begroot op 386,78 EUR. HERSTEL tot de kosten van de strafvordering, op Beveelt aan )p vordering van de gemeentelijk stedenbouwkund ig inspecteur het herstel door het uitvoeren van aanpassingswerken in de voortuin van de wo- ning gelegen tE kadastraal gekend als meer concreet: Rolnummer Dertigste kamer rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnlsnr / p.10 ' ......... ,..,._.,.....,.,,,..A,':~------------------------------- • Ofwel het aanpassen van de houten afsluiting naar een gesloten houten afslui­ ting met een maximale hoogte van 1 meter in de voortuin. (artikel 2.1, 7"' Vrij­ stellingsbes luit) • Ofwel door het aanpassen van de houten afsluiting naar een open afsluiting met een maximale totale hoogte van 2 meter in de voortuin. (artikel 2.1" 6° Vrijstellingsbesl u lt) Beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van zes maanden na het In kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom lastiens eerste beklaagde van 50 euro per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn. De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester van om ambtshalve in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagden dit niet :zelf binnen de gestelde termijn zou doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening). OP BURGERLIJK GEBIED De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan. Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 21 oktober 2025 door de rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI: rechter in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal vani de terechtzitting, met bijstand van griffier

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot