ARR:WI 21.HV002
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Brussel
📅 2025-10-30
🌐 FR
gegrond
Rechtsgebied
strafrecht
burgerlijk_recht
Geciteerde wetgeving
15 juni 1935, Gerechtelijk Wetboek
Volledige tekst
In de zaak van:
DE WOONINSPECTEUR VAN HET VLAAMSE GEWEST, met kantoor te 1000 Brussel, Havenlaan
88 bus 22;
eiseres,
ter zitting vertegenwoordigd door mr. , advocaat met kantoor te
En:
1. , met nationaal nummer wonende tE
2.
verweerders , en
KBO nr.
ter zitting vertegenwoord igd door mr. , met zetel te
, advocaat met kantoor te
be.
3. , met nationaal nummer , wonende te
4. , met nationaal nummer , wonende te
verweerders, .,
ter zitting vertegenwoordigd door mr.
kantoor tE loco mr. :, advocaat met
*
In deze zaak spreekt de rechtbank het volgende vonnis uit.
Het vonnis wordt uitgesproken in eerste aanleg, na tegenspraak.
4d• kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.2
Artikel 2 van de wet van 15 juni 1935 op het taalgebruik in gerechtszaken werd toegepast voor
het opmaken van de akten van rechtspleging die aan dit vonnis voorafgingen.
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken van de rechtspleging, en in het bijzonder
van de dagvaarding, betekend op 2 april 2024, alsook de laatste besluiten van partijen en de
door hen neergelegde stukken.
Op de openbare terechtzitting van 16 oktober 2025 werden de advocaten van de partijen in
hun pleidooi gehoord, waarna het debat werd gesloten en de zaak in beraad werd genomen.
A. Nopens de feiten en procedurele voorgaanden
1. De Wooninspecteur van het Vlaamse gewest heeft en haar
toenmalige zaakvoerder, , alsook de eigenaars van het onroerend
goed gelegen te ,, met name
, bij exploot betekend op 2 april 2024
gedagvaard teneinde een herstelmaatregel te zien uitspreken op grond van overtredingen op
de Vlaamse Wooncodex.
2. Bij proces-verbaal nr. van 28 januari 2021 werd ten laste van
de verwerende partijen, vastgesteld dat het onroerend goed gelegen
, werd bewoond door 7 personen waarvan 6 personen met de
nationaliteit en één persoon met de nationaliteit. Op het ogenblik van de zoeking
waren er tevens nog drie andere personen aanwezig.
De zoeking heeft plaatsgevonden ingevolge een melding op 27 Januari 2021 van de sociaal
inspecteur cel ECOSOC, Cel Economische uitbuiting, Mensenhande l en Sociale Fraude, dewelke
had vernomen dat er op voornoemd adres 7 personen van afkomst waren
gehuisvest en dienden te leven in erbarmelijke omstandigheden, zonder sanitair en
verwarming.
3. Op datum van 8 maart 2021 wordt door de wooninspecteur een herstelvorder ing
opgesteld opdat de rechtbank de overtreders zou bevelen om werken uit te voeren om de
conformiteit in de zin van artikel 1.3§1,8° van de Vlaamse Codex Wonen van het pand, zijnde
het gebouw met de aanwezige woonentiteiten, te herstellen en eventuele overbewoning te
beèlndigen.
4. Bij schrijven van 8 maart 2021 wordt aan de betrokkenen door de wooninspecteur
meegedeeld dat er een herstelvordering werd ingediend bij het parket.
5. Bij schrijven van 23 december 2021 deelt de procureur des Konings mee dat de zaak
op strafrechtelijk gebied zonder gevolg werd geklasseerd.
4d• kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.3
6. Bij schrijven van 19 april 2022 deelt de wooninspecteur aan partijen mee dat er alsnog
geen herstel kon worden vastgesteld en dat het dossier werd overgem aakt aan het
hoofdbestuur te voor burgerlijke dagvaarding, doch dat ZIJ alsnog een allerlaatste kans
werden toegekend om de gebreken volledig te herstellen (zie stuk 7 bundel wooninspecteu r).
7. Op 6 september 2022 worden er door de woon Inspecteur opnieuw brieven verstuurd
aan betrokkenen teneinde een hercontrole van het pand mogeliJk te maken.
8. Ingevolge een schrijven uitgaande van de raadsman van
van 20 september 2024, wordt er op 7 oktober 2024 een controlebezoek
uitgevoerd In aanwezigheid van waarbij werd vastgesteld (zie proces
verbaal van 8 oktober 2024 -stuk 10 bundel wooninspecteur): "De plaatsgesteldheid is
gewuzigd ten opzichte van de navolgende vaststellingen dd. 18/04/2023: W11 stelden vast dat
het pand werd omgevormd naar magazijn. De douche werd ontmanteld en de aan-en
afvoerleidingen van de douche werden verwijderd. Ter plaatse maakt onze woningcontroleur
12 Jota's ter verduidelijking van onze technische vaststellingen, dewelke wij voegen in bijlage
2. Wij stelden vast dat de herstelvordenng d.d. 08/03/2021 zonder voorwerp is."
9. Na deze controle op 7 oktober 2024 heeft de woonlnspecteur aldus op 6 november
2024 een proces-verbaal van vaststelling van uitvoering van de herstelvordering kunnen
opstellen overeenkomstig artikel 3.46 van de Vlaamse Codex Wonen van 2021. Dit proces
verbaal van uitvoering geldt als conformiteitsattest. De herstelvordering van 8 maart 2021 is
dientengevolge zonder voorwerp.
10. De zaak werd dienvolgens nog behandeld op de openbare terechtzitting van 16
oktober 2025 om reden dat partIJen geen akkoord konden treffen omtrent de
procedurekosten.
B. Eisen
11. De wooninspecteur vordert m laatste besluiten:
"Te zeggen voor recht dat de herstelvordering d.d. 8 maart 2021 zonder voorwerp is
geworden zoals vastgesteld bij navolgend proces-verbaal d.d 6 november 2024;
Verweerders In solidum, minstens de ene bij gebreke aan de andere, te veroordelen tot de
kosten van het gedmg, zijnde de dagvaardingskosten, kosten van overschrijving van het
exploot tot inleiding van het geding in de registers van het kantoor rechtszekerheid en de
kosten van kantmefding van de gewezen eindbeslissing op het overgeschreven exploot,
alsook een rechtsplegingsvergoeding in casu begroot op 1800,00 euro;"
12. vorderen in laatste besluiten om: "De
vordering van de Woonmspecteur zonder voorwerp te verklaren;
4d• kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.4
Te zeggen voor recht dat bij gebreke aan een partij die in het ongelijke wordt gesteld in de zin
van art 1022 Ger. Wb., er geen aan/eIdmg is tot veroordeling tot kosten / respectieve/ijk
rechtsplegingvergoeding;
Ondergeschikt:
• de WOON/NSPECTEUR VAN HET VLAAMS GEWEST te veroordelen tot de kosten;
• de rechtsp/eglngsvergoeding te bepalen op het minimumtarief voor de niet In geld
waarneembare zaken (112,50 euro);
13. Namens • worden er geen besluiten neergelegd.
Op het proces-verbaal van de zitting wordt op verzoek van de raadsman van
nog genoteerd dat zij akkoord gaan dat de herstelvorde ring zonder
voorwerp Is, dat zij weigeren rechtsplegingsvergoeding te betalen en er zelf geen aanspraak
op maken.
c. Beoordeling
14. Er bestaat tussen partijen aldus geen betwisting omtrent de vaststelling dat de
herstelvordering van 8 maart 2021 werd uitgevoerd. In besluiten argumenteren
in een 'eerste middel' dat "de eis van de Wooninspecteur tot
verwijdering van één functie op drie {WC, bad of keukentje} op zich niets te maken heeft met
het ontmantelen van een woonfunctie, aangezien de gezegde functies reeds bestaande waren
sinds 2008 in het kader van de handelshuur en dus hoegenaamd niet te maken hadden met de
woonfunctie." Ondergeschikt wordt geargumentee rd dat de zaak kon worden geregeld zonder
besluiten en dat er enkel een mmimumrechtsplegingsvergoeding kan verschuldigd zijn. In een
'tweede middel' stellen en dat er geen
rechtsplegingsvergoedmg kan verschuldigd zijn aan de eigenaars van het onroerend goed.
15. De wooninspecteur stelt dat de inbreuken bewezen zijn en verwijst hierbij naar het
proces-verbaal van 28 januari 2021, de herstelvordering van 8 maart 2021, de brieven die aan
betrokkenen werden verzonden tot melding van de herstelplicht en de hercontrole en
uiteindelijk het navolgend proces-verbaal van 8 oktober 2024 en het proces-verbaal van
uitvoering van de herstelvorde ring van 6 november 2024 (zie stukken 1-11 bundel
wooninspecteur).
16. De dagvaarding werd betekend op 2 april 2024, dus op een ogenblik dat er geen
discussie bestaat omtrent de vaststelling dat de woning niet conform was aan de bepalingen
van de Vlaamse Codex Wonen van 2021.
De eerste en tweede verwerende partijen betwisten voor alle duidehjkheid de initiële
inbreuken op de Vlaamse Codex Wonen niet, doch zij stellen dat inbreuken werden hersteld
voorafgaand aan de dagvaarding op 2 april 2024. Het enige herstel dat de verwerende partijen
nog dienden uit te voeren zou er volgens hun hebben m bestaan dat zij "de drie functies
(WC/keuken/bad)" eveneens moesten verwijderen.
4d• kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.S
De woonlnspecteur argumenteert hieromtrent echter terecht dat ZIJ verzocht heeft om alle
tekenen van bewoning uit het pand te verwiJderen, hetgeen betekent dat hiermee de
herbestemming wordt bekomen.
Er kan echter geen betwisting bestaan omtrent de vaststelling in het proces-verbaal van 28
januari 2021 en in de herstelvordering van 8 maart 2021, dat het onroerend goed effectief
werd bewoond en dit met volledige miskenning van de voorschriften van de Vlaamse Codex
Wonen.
Anders dan eerste en tweede verweerders voorhouden tn besluiten, werd door de
wooninspecteur reeds bij schrijven van 30 augustus 2021 aan partijen verzocht om een
afspraak te willen maken om de uitvoering van de herstelvordering te controleren en dus om
een hercontrole van het pand uit te voeren. De eerste en tweed verwerende partijen stellen
eveneens in besluiten dat "Bi/ mailwissel met de administratie heeft de zaakvoerder van
in december 2021 ook aan de Woon inspecteur bevestigd dat het pand helemaal
terug in haar oorspronkelijke stand was gebracht;", doch brengen hieromtrent geen enkel
bew1Jsstuk biJ.
Er wordt door verweerders geen enkel dossierstuk bijgebracht waaruit zou dienen te blijken
dat de vastgestelde inbreuken niet met de realiteit zouden overeenstemmen .
De dagvaarding waarbij de veroordeling wordt gevorderd "tot het geven van een andere
bestemming overeenkomstig de bepalingen van de VCRO, hetzij het pand te slopen, tenzij de
sloop verboden is wegens wettelijke, decretale of reglementa,re bepalmgen; En voor zover het
pand een vergunde woonfunctie zou behouden, verweerster te veroordelen tot het uitvoeren
van renovatie-, verbeterings- en/of aanpassingswerkzaamheden {d.1. het herstel van de
conform1te1t zoals beschreven in artikel 1.3, §1, 8° VCW) waardoor het pand voldoet aan de
minimale kwaliteitsvereisten. Na het uitgevoerde herstel mag de woonentiteit geen gebreken
van categorie Il of Il/ meer vertonen en mag er geen sprake zijn van overbewonin g", is zonder
enige twijfel uitgebracht op een ogenblik dat deze werken alsnog niet werden uitgevoer d.
In de mate de argumentatie van verweerders al geen betrekking heeft op de grond van de
zaak, kan de rechtbank enkel vaststellen dat de herstelvorderi ng toelaatbaar Is en geenszins
zonder voorwerp was op het ogenblik van het inleiden van huidige procedure .
Het is pas biJ proces-verbaal van 8 oktober 2024 dat kon worden vastgesteld dat alle b1J de
herstelvordering gevraagde werken waren uitgevoerd . Het proces-verbaal van vaststelling van
uitvoering van een herstelvordering (stuk 12 bundel woonlnspecteur) dateert van 6 november
2024.
17. De rechtbank kan verder enkel u1tzonderliJk vaststellen dat verwerende partijen veel
ruimte en tijd kregen van de Wooninspec teur om de inbreuken te herstellen en dat de
verwerende partijen zelf geen enkel initiatief hebben genomen om de Woonlnspecteur,
voorafgaand aan de dagvaarding, uit te nodigen teneinde vast te stellen dat de vereiste
herstelwe rken zouden zijn uitgevoerd, wel integendeel.
Het is de Woon inspecteur zelf die telkenmale om een controlebezoek heeft verzocht.
4d• kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.6
Het is pas ingevolge de controle op 7 oktober 2024, ingevolge een mailbericht van de raadsman
van eerst en tweede verwerende partijen, dat het pand werd omgevormd naar magazijn.
Het feit dat de herstelvordering na dagvaarding zonder voorwerp is geworden is het gevolg
van de uitvoering van de in de herstelvorderi ng opgelegde werken, waarvan het
conformiteitsattest werd toegekend bij proces-verbaal van vaststelling van uitvoering van een
herstelvordering op 6 november 2024.
18. Uit de voorgelegde gegevens blijkt afdoende dat de verwerende partijen een gebouw
ter beschikking hebben gesteld voor bewoning dat niet voldeed aan de minimale
kwaliteitsnormen waarbij de woning ernstige gebreken vertoonde die de gezondheid- en/of
veiligheid van de bewoners in het gedrang brachten.
Verweerders tonen niet aan dat de renovatie -en herstelwerken werden uitgevoerd
voorafgaand aan de dagvaarding en dienen dan ook te worden beschouwd als de in het
ongelijk gestelde part1Jen.
19. leder eindvonnis verwijst de in het ongelijk gestelde partij in de kosten (artikel 1017
van het Gerechtelijk Wetboek) . In de rechtsverhouding tussen de wooninspecteur en de
verwerende partijen zijn laatst genoemden in het ongelijk gesteld en moeten zij de
gerechtskosten van de eisende partij betalen.
De kosten voor de eisende partij worden begroot op 1.883,72 euro rechtsplegi ngsvergoeding
(basisbedrag niet In geld waardeerbare vordering), de kosten overschrijving kantoor
rechtszeke rheid ten bedrage van 570,00 euro en de dagvaardingskosten ten bedrage van
516,53 euro.
De rechtbank ziet geen enkel reden om de aan de eisende partij toekomende
rechtsplegingsvergoeding te beperken tot het minimumbedrag.
De verwerende partijen, die in het ongelijk zijn gesteld, dienen hun eigen kosten zelf te dragen.
De verwerende partijen worden tevens veroordeeld tot betaling aan de Belgische Staat van
het rolrecht van 165 euro, te innen door de FOD Financiën.
OP GROND VAN DEZE OVERWEGINGEN BESLIST DE RECHTBANK :
Na tegenspraak, in eerste aanleg en in openbare zitting;
De vordering van de Woonlnspecteu r van het Vlaamse gewest is toelaatbaar en gegrond als
volgt;
.,
worden in solidum veroordee ld tot betaling aan de eisende partij van 1.883,72 euro
4d• kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.7
rechtsplegingsvergoeding, de kosten overschrijving kantoor rechtszekerheid ten bedrage van
570,00 euro en de dagvaardingskosten ten bedrage van 516,53 euro.
Partijen worden van het meer-of anders gevorderde afgewezen .
De rechtbank beveelt dat dit vonnis wordt ingeschreven op de kant van de overgeschreven
dagvaarding op de wijze, bepaald m artikel 84 van de Hypotheekwet, op kosten van
verweerders;
worden in solidum veroordeeld tot betaling van de rolrechten van 165 euro, te innen door de
FOD Financiën overeenkomstig het l<.B. van 28 januari 2019 betreffende de uitvoering van het
wetboek der registratie-, hypotheek -en griffierechten en het houden van de registers in de
griffies der hoven en rechtbanken.
*
Dit vonnis wordt uitgesproken tijdens de openbare zitting van de 4dc kamer van de
Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel van 30 oktober 2025, door
, rechter, in aanwezigheid van mevrouw
4de kamer Nederlandstalige rechtbank van eerste aanleg Brussel - p.8