ARR:WI 22.GE017
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-11-18
🌐 FR
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr I
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 2
In de zaak van het openbaar ministerie
en de EISER TOT HERSTEL :
WOON INSPECTEUR
met kantoren gevestigd te 1210 Brussel, Koning Albert Il-laan 15 bus 253
KBO 0316.380.841
eiser tot herstel, vertegenwoordigd door meester
,, beiden advocaat te
en de BURGERLIJKE PARTIJEN:
1.
2.
tegen: geboren
van Bulgaarse nationaliteit
ingeschreven te
eerste burgerlijke partij, bijgestaan door meester
geboren
van Bulgaarse nationaliteit
ingeschreven te
tweede burgerlijke partij, verschijnt niet
BEKLAAGDEN :
1.
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
eerste beklaagde, bijgestaan door meester
beiden advocaat te loco meester
•, advocaat te
en meester
Rol nummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaandere n, afdeling Gent
2.
met maatschappe lijke zetel gevestigd te
ingeschreven onder het ondernemingsnummer
Actief Normale toestand
BTW-nummer. Vonnisnr I
p.3
Tweede beklaagde, vertegenwoordigd door meester
, beiden advocaat te en meester
TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A verhuren, te huur of ter beschikking stellen, met het oog op bewoning, van niet-conforme
of overbewoonde woning met verzwarende omstandigheden
als verhuurder, als eventuele onderverhuurder of als persoon die een woning ter beschikking
stelt, een niet-conforme of overbewoonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon te
hebben verhuurd, te huur gesteld of ter beschikking gesteld met het oog op bewoning,
(art. 3.34. Vlaamse Codex Wonen van 2021)
met de omstandigheid dat van de betrokken activiteit een gewoonte wordt gemaakt,
(art. 3.36, 1 ° Vlaamse Codex Wonen van 2021)
periode van 20 april 2020 tot en met 9 maart 2022,
door in de
ten nadele van
van ·, geboren
, geborer , ten nadele
woning
te is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis
-oppervlakte ooa 63ca) en
Aangekocht bij akte d.d. 26/06/2023, notaris
Verkoper: te
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 4
• •-,•~.~-~ ~--------------------------------
kadastraal gekend als In de
periode van 14 oktober 2020 tot en met 9 maart 2022,
door
ten nadele van , geboren , ten nadele van
, geboren
woning
is voor de geheelheld volle eigenaar van het huis
te
Aangekocht bij akte d.d. 26/06/2023, notaris
Verkoper:
periode van 2 oktober 2020 tot en met 9 maart 2022,
door
ten nadele van , geboren
woning te
in de
is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis
te
Aangekocht bij akte d.d. 26/06/2023, notaris
Verkoper:
4te
in de periode van 11 mei 2018 tot en met 10 mei 2023,
door
ten nadele van , geboren te
is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis te
Aangekocht bij akte d.d. 24/08/2006, notaris
Verkoper: te
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
5 te
periode van 19 oktober 2020 tot en met 8 juni 2023,
door
ten nadele van geboren ten nadele van
, geboren
) is voor de ge heelheid volle eigenaar van het huis te
Aangekocht bij akte d.d. 11/12/2002, notaris
Verkopers : te
in de periode van 4 juni 2023 tot en met 8 juni 2023,
door
ten nadele van ,, geboren
, geboren , ten nadele var
, ten nadele van /
p. 5
in de
geboren , ten nadele van
, ten nadele van , geboren
,, geboren
.) is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis
te
Aangekocht bij akte d.d. 26/06/2023, notaris
Verkoper:
7 k. te
in de periode van 9 juni 2018 tot en met 8 iuni 2023,
door
ten nadele van , geboren
is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis te
Aangekocht bij akte d.d. 16/03/2004, notaris
Verkoper: te ) .
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr
rechtbank van eerste aanleg Oo5t-Vlaanderen, afdeling Gent
door
ten nadele van
geboren , kadastraal gekend als
in de periode van 1 oktober 2020 tot en met 8 juni 2023,
,, geboren , ten nadele var
1) is voor de ge heelheid volle eigenaar van het huis te I
p.6
-oppervlakte 00a 44ca).
Aangekocht bij akte d.d. 24/02/2005, notaris
Verkopers :
op 8 juni 2023
door
ten nadele van ,, geboren
De huwgemeenschap
Is voor de geheel heid volle eigenaar van het huis te
-oppervlakte 0la 00ca). te
Aangekocht bij akte d.d. 11/12/2023, notari5 te
Verkoper:
10 te kadastraal gekend als
in de periode van 9 juni 2018 tot en met 8 juni 2023,
door
ten nadele van
nadele van , geboren
, seboren
is voor de ge heelheid volle eigenaar van het huis te
oppervlakte ooa 38ca).
Aangekocht bij akte d.d. 09/12/2002, notaris
Verkopers: te , ten
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr I
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
11 te kadastraal gekend als
in de periode van 9 juni 2018 tot en met 8 juni 2023.
door
ten nadele van :, geboren , ten nadele van
1, geboren
te is voor de geheelheid volle eigenaar van het hu is
-oppervlakte ooa 37ca).
Aangekocht bij akte d.d. 26/06/2023, notaris
Verkoper te
12 1.§__
door , kadastraal gekend al~
in de periode van 20 mei 2023 tot en met 19 juni 2023, L
ten nadele van
nadele van , geboren te ·, geboren , ten
, ten nadele
van ,, geboren
is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis te
Aangekocht bij akte d.d. 18/06/2008, notari~
Verkoper: -oppervlakte Oa 88ca).
te
(art. 3.34. Vlaamse Codex Wonen van 2021, inbreuken voor 1/1/2021 werden strafbaar ge
steld door art. 2 § 1, 31", en 20 § 1 lid 1 Decreet 15 juli 1997 houdende de Vlaamse Woon
code)
B opsplitsen van woning of in gebouw aantal woongelegenheden wijzigen zonder of in strijd
met een geldige vergunning met verzwarende omstandigheden
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het opsplitsen van een woning of het wijzigen in een gebouw van het
aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een g-ezin of
een alleenstaande , ongeacht of het gaat om een eengezinswoning, een etagewoning, een
flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer, hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwku ndige vergunning, verkavelingsvergunn ing, omgevingsvergunning voor
stedenbouwkund ige handelingen of omgevingsvergunn ing voor het verkavelen van gronden,
hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval,
vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval
van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.8
(art. 4.2.1., 7°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening; art. 5, 1 °, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
met de omstandigheid dat het in artikel 6.2.1. lid 1 van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening
vermelde misdrijf gepleegd werd door een instrumenterende ambtenaar, vastgoedmakelaar
of een andere persoon die in de uitoefening van zijn beroep of activiteit onroerende goederen
koopt, verkavelt, te koop of te huur zet, verkoopt of verhuurt, bouwt of vaste of verplaatsbare
inrichtingen ontwerpt en/of opstelt of een persoon die bij die verrichtingen als tussenpersoon
optreedt, bij de uitoefening van zijn beroep.
(art. 6.2.1. lid 2 en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening)
kadastraa l gekend als
in de periode van 4 juni 2023 tot en met 8 juni 2023,
door
Is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis
te (
oppervlakte Ola OOca).
Aangekocht bij akte d.d. 26/06/2023, notaris
Verkoper: te
2 te met samenhang te 1 kadastraal gekend als
in de periode van 20 mei 2023 tot en met 19 juni 2023,
door
0
te is voor de geheelheid volle eigenaar van het huis
-oppervlakte OOa 37ca).
Aangekocht bij akte d.d. 26/06/2023, notaris
Verkoper:
VERMOGENSVOORDEEL: Art. 42 en 43 Bis S.W.B. te
Beklaagden eveneens gedagvaard teneinde zich overeenkomstig art. 42 en 43bis van het
Strafwetboek, te horen veroordelen tot de bijzondere verbeurdverklaring van € 200.634,
zijnde 100.317 elk,
1; hetzij de vermogensvoordelen die rechtstreeks uit het misdrijf zijn verkregen,
2. hetzij goederen en waarden die in de plaats ervan zijn gesteld,
3. hetzij Inkomsten uit belegde voordelen,
waarbij de rechter, indien de zaken niet kunnen worden gevonden in het vermogen van de
beklaagde, de geldwaarde ervan dient te ramen ( het equivalent bedrag).
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaandere n, afdeling Gent
Berekening:
huuropbrengst gedurende de incriminatieperiode:
A.1: €6.500
A.2: €10.000
A.3: €10.200
GE.66.Wl.101700/2022 -stuk 10 en 11
A.4 -Wl.101700/2023 -stuk 5
60 maanden x €430= €25.800
A.S-Wl.102300/2023 -stuk 5
(19.200
A.7-Wl.102600/2023 -stuk 5
55 maanden x €440 (= €24.200) + 5 maanden x €561, 74 (=2.808, 7)= €27 .008, 7
A.8-Wl.102700/2023 -stuk 6
€23.925
A.10-Wl.102900/2023 -stuk 5
60 maanden x €550 = €33.000
A.11-Wl.103000/2023 -stuk 5
€45.000
PROCEDURE Vonnisnr I
p.9
De dagvaarding werd op 10 januari 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
. Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van de onroerende goederen die het voorwerp
zijn van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven door de
wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
Rolnumme Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
1. Overzicht van de feiten
1. Op 9 maart 2022 ging de wooninspectie op controle in het pand gelegen te Vonnlsnr /
p.10
Het pand heeft twee adressen en twee ingan-
gen. Er zouden daar drie gezinnen wonen in slechte woonomstandigheden en de
buren zouden vochtschade hebben door lekkende waterleidingen In dit pand.
De bewoners van de drie woningen waren aanwezig en gaven toestemmi ng tot huiszoeking.
Aan de buitengevels waren er op meerdere plaatsen barsten. Er was een risico op overbelas
ting van het circuit met mogelijks kortsluiting/brand tot gevolg door het gebruik van verschil
lende verdeelstekkers als vaste opstelling en de aansluiting van een elektrisch fornuis op een
gewoon stopcontact. Er werd losse bekabeling vastgesteld met blote geleiders en zekeringen
onder spanning die niet afgeschermd waren. Er was kans op elektrocutie.
De gasleiding was onvoldoende bevestigd, de gaskraan noch de hoofdwaterkraan was bereik
baar en in de drie keukens was de inbouwkookplaat of het mobiel gasfornuis aangesloten met
een niet toegelaten zwarte elastomeren gasslang. Er waren geen rookmelders.
In de gemeenschappelijke inkomhal ontbrak in de kelderopeni ng een trap, er was onvoldoende
veilige borstwering rond de trapopen ing op de eerste verdieping en in woning en waren er
lage ramen zonder borstwering. Er was valgevaar.
Het gebouw had 2 kleine gebreken, 1 ernstig gebrek van categorie Il en 1 gebrek van categorie
111 dat een direct gevaar opleverde voor de veiligheid of gezondhe id of mensonwaardige le
vensomstandigheden creëerde.
Woning had 11 kleine gebreken, 6 ernstig gebreken van categorie Il en 4 gebreken van
categorie III die een direct gevaar opleverde voor de veiligheid of gezondheid of mensonwaar
dige levensomstandigheden creëerde.
Woning had 4 kleine gebreken, 6 ernstige gebreken van categorie 11 en 3 gebreken van
categorie 111 die een direct gevaar opleverden voor de veiligheid of gezondhe id of menson
waardige levensomstandigheden creëerden .
Woning had 9 kleine gebreken , 6 ernstig gebreken van categorie Il en 3 gebreken van cate
gorie 111 die een direct gevaar opleverden voor de velligheld of gezondhe id of mensonwaardige
levensomstandigheden creëerden.
Er werden onder meer volgende gebreken vastgesteld: schimmel, vochtschade, barstvorming,
gebruik van stopcontacten met aardpennen die niet aangesloten zijn op een aardgeleider, ge
brekkige verluchtingsmogelijkheden, lichtpunten te dicht bij bad/douche, geen EPC, geen dif
ferentieelschakelaar In woning met kans op elektrocutie tot gevolg, uitwerpse len van muizen
in woning geen dubbel glas in woning
In woning en werd de bezettingsnorm overschreden doch niet in die mate dat er sprake
was van overbewoning.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11 ,,..,,.,..,,,,_,...,,.,., ________________ _____________ _
De bewoners verklaarden dat de verhuurders betroffen. Ze be
taalden 600 of 650 euro per maand en hadden verschillende klachten (muizen, vocht, proble
men elektriciteit).
De wooninspecteur vorderde het principiële herstel, namelijk het uitvoeren van werken zodat
de woningen conform zijn.
Op 22 juni 2022 werd eerste beklaagde verhoord. Hij verklaarde dat eigenaar is
en hij zaakvoerder is van de '. De drie woningen waren al bewoond en verhuurd toen het
pand door hen werd aangekocht. Hij had dubbel glas gestoken en CV geplaatst. Het pand
vraagt een grondige renovatie. Hij had de huurders gevraagd iets anders te zoeken. Hij wou
alles zo snel mogelijk oplossen.
In maart 2023 werd het pand verkocht en stond het leeg. De akte werd verleden op 26 juni
2023.
Op 27 februari 2024 deed de nieuwe eigenaar een melding van herstel. Er bleken echter nog
een aantal gebreken van categorie Il te zijn.
Na een volgende melding van herstel kon de conformiteit worden vastgesteld op 8 april 2024.
2. en zijn vennootschap bleken in het bezit te zijn van 56 panden. Er
werden een aantal panden geselecteerd waarbij er vermoedens waren van inbreuken op de
Vlaamse Wooncode om de nodige vaststellingen te laten doen door de wooninspectie.
3. Op 10 mei 2023 ging de wooninspectie op controle in de woning In
:. Het betrof een zeer kleine rijwoning verhuurd aan sinds 1 de-
cember 2016 aan 430 euro per maand. Hij had problemen met een raam dat openwaaide en
met vocht.
Het gebouw had 2 ernstige gebreken van categorie Il en 1 gebrek van categorie 111.
De woning had 7 kleine gebreken, 9 gebreken van categorie Il en 4 gebreken van categorie 111.
Er waren onder meer vocht-en verluchtingsproblemen, loden waterleiding, enkel glas, geen
rookmelder, geen EPC en een zeer onstabiele draaitrap.
Door de gebreken was er kans op elektrocutie, een gaslek, een vals gevoel van veiligheid, risico
op overbelasting van het elektrisch circuit/brand/kortsluiting, CO-vergiftiging en valgevaar.
De woning was ongeschikt en onbewoonbaar.
De wooninspecteur vorderde het principiële herstel, namelijk het uitvoeren van werken zodat
de woning conform zou zijn.
Op 16 juli 2025 ontving de wooninspectie een melding van herstel. Op 28 augustus 2025 werd
bij een controle nog altijd vocht gemeten in een muur in de woonkamer. Aan het raam in de
slaapkamer werd een borstwering geplaatst maar die zat te los waardoor er nog steeds valge
vaar was. De woning voldeed niet aan de minimale netto vloeroppervlakte van 18 m2• In totaal
waren er drie ernstige gebreken.
De woning was niet geschikt voor bewoning.
Op het ogenblik van controle werd de woning niet bewoond.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 12
....... ,w:,o,~ •• ~••w.-=:=. •--- ---------------------------
4. Op 8 juni 2023 deed de wooninspectie controle in acht verschillende panden van beklaag-
den: ,
en
Alle woningen werden verhuurd, vertoonden vele gebreken en waren onbewoonbaar.
Het betroffen allen ééngezinswon ingen, zij het dat de woning In de
werd gebruikt als kamerwoning door werknemers van nationaliteit die daar
door hun werkgever werden gehuisvest en elkaar voorafgaand niet kenden.
Ook het pand in de werd gebruikt als kamerwoning voor
niet-verwante buitenlandse arbeidskrachten. Er stond niemand ingeschreven.
Voor deze twee panden vorderde de wooninspecteur het herstel in de vorm van herbestem
ming of sloop.
De woningen in werden verkocht
alvorens deze te herstellen aar
Na melding van herstel door de nieuwe eigenaar werd op 10 december 2024 de conformite it
vastgesteld van de woning ln
Na melding van herstel door de nieuwe eigenaar werd op 10 juli 2024 ter plaatse gegaan door
de wooninspecteur in :. De woning werd niet meer gebruikt
als kamerwoning en stond te koop als ééngezinswoning . Er dienden nog een aantal borstwe
ringen geplaatst te worden en in de inkomhal ontbrak een deksel van de zekeringenkast. Op
13 november 2024 waren er enkel nog een aantal kleine gebreken. De woning was conform.
De woning in de werd door de verkocht aan
;. Deze eigenaar deelde mee aan de wooninspectie dat hij al 85 % van
de werken had uitgevoerd en dat hij hoopte alles klaar te hebben in januari 2025. Op 8 oktober
2025 werd na melding van herstel een nacontrole uitgevoerd. Er werden enkel nog gebreken
van categorie I vastgeste ld. De woning was niettemin conform.
De woning in de werd verkocht aan
alvorens het herstel werd vastgesteld. De wooninspectie informeerde naar de
stand van zaken. Op 27 november 2024 lleten zij weten dat de herstellingen in een laatste fase
zaten. In het voorjaar van 2025 zouden zonnepanelen geplaatst worden, de elektriciteit wor
den gekeurd en een EPC aangevraagd worden. Er was nog geen melding van herstel.
De woning in werd op 4 decembe r 2024 verkocht
aar . Zij was van plan om na aankoop meteen te starten met renoveren
maar de wooninspecteur ontving nog geen melding van herstel.
Na melding van herstel werd door de wooninspecteur op 28 augustus 2025 vastgesteld dat de
woning in conform was. Er waren wel nog twee
kleine gebreken aanwezig. Het pand werd teruggebracht naar de vergunde toestand, zijnde
een eengezinswoning.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 13
Na melding van herstel ging de wooninspecteur op 28 augustus 2025 ter plaatse in de woning
in :. Er werd 1 gebrek vastgesteld dat een direct gevaar opleverde
voor de veiligheid of gezondheid of mensonwaard ige levensomstandigheden veroorzaakt. De
toevoerleiding van aardgas aan de schouw In de slaapkamer op de eerste verdieping aan de
straatzijde was immers niet bevestigd aan de muur. Door manipulatie zouden er beschadigin
gen kunnen optreden. Dit gebrek werd reeds bij de eerste controle op 8 juni 2023 vastgesteld.
De woning was aldus nog niet conform. Na een nieuwe melding van herstel ging de woonin
spectie op 8 oktober 2025 op controle. Er werden geen gebreken meer vastgesteld. De woning
was conform.
Na melding van herstel ging de woon inspecteur op 28 augustus 2025 ter plaatse in de woning
in . Er werden enkel nog vier kleine gebreken vastgesteld waar
door de woning conform was.
2. Bespreking van de schuldvraag
1. Beklaagden moeten zich voor de rechtbank verantwoorden wegens de verhuur van 12 niet
conforme woningen in tien verschillende panden met de verzwarende omstandigheid dat hier
van een gewoonte werd gemaakt en wegens het opsplitsen van twee panden zonder vergun
ning met de verzwarende omstandigheid dat beklaagden professionals zijn in de vastgoedwe
reld.
De misdrijven werden indien bewezen gepleegd in de periode van 11 mei 2018 tot en met 19
juni 2023.
2. De tenlasteleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, A.S, A. 7, A.81 A.10 en A.11 voor wat betreft de peri
odes voor 1 januari 2021 hebben betrekking op het als verhuurder, eventuele onderverhuur
der of persoon die een woning ter beschikking stelt, verhuren, te huur stellen of ter beschik
king stellen van een woning of een specifieke woonvorm als vermeld in artikel 5, § 3, eerste lid
van de toenmalige Vlaamse Wooncode, die niet voldoet aan de vereisten en normen, vastge
steld met toepassing van artikel 5 Vlaamse Wooncode.
De strafbaarstelling voor inbreuken op de woonkwaliteitsvereisten is sinds 1 januari 2021 ver
vat in artikel 3.34, eerste lid, Vlaamse Codex Wonen van 2021 en luidt: "Als een niet-conforme
of overbewoonde woning rechtstreeks of via tussenpersoon wordt verhuurd, te huur gesteld of
ter beschikking gesteld met het oog op bewoning, wordt de verhuurder, de eventuele onder
verhuurder of diegene die de woning ter beschikking stelt, gestraft met een gevangenisstraf
van zes maanden tot drie jaar en een geldboete van 500 tot 25.000 euro of met een van die
straffen alleen."
Zo er sprake is van een gewoonte worden ze bestraft met een gevangenisstraf van een jaar tot
vijf jaar en een geldboete van 1.000 euro tot 100.000 euro, of met een van die straffen alleen
(art. 3.36 Vlaamse Codex Wonen van 2021). Artikel 20, § 1, derde lid, 1 °, Vlaamse wooncode,
bepaalde tot 1 januari 2021 hetzelfde.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.14
De ten laste gelegde feiten van de tenlasteleggingen A.1, A.2, A.3, A.4, A.S, A.7, A.8, A.10 en
A.11 in de periode voor 1 januari 2021 zijn aldus vanaf 1 januari 2021 strafbaar gebleven . De
strafmaten zijn dezelfde gebleven.
3. Beklaagden verzochten de rechtbank de strafvordering onontvankelijk te verklaren wegens
strijdigheid met artikel 6 EVRM. In ondergeschikte orde verzochten zij de vrijspraak bij gebrek
aan wettig vergaard bewijs. Eerste beklaagde verzocht ondergeschikt de vrijspraak op basis
van gerede twijfel. Minstens verzochten beklaagden de vrijspraak voor de tenlasteleggingen
B.1 en 8.2.
Voorafqaandeliik
4. Het onderzoek nam een aanvang nadat de wooninspectie door de Dienst Toezicht Wonen
werd gecontacteerd omwille van vermoedens dat het pand in
niet aan de woonkwaliteitsnormen voldeed. Deze ver
moedens waren gesteund op een klacht van een buurtbewoner en werden bevestigd door een
contactname met de buurtinspecteur die meedeelde dat het pand bewoond werd
door drie gezinnen en dat er wel degelijk sprake was van slechte woningkwaliteit.
Om die reden werd er beslist om een woningkwaliteitsonderzoek te doen op 9 maart 2.022.
Beklaagden zijn van oordeel dat deze aanvang van het onderzoek duister is en hierdoor niet
aan tegenspraak kan worden onderworpen. Zij voelen zich geschaad in hun rechten van ver
dediging.
Noch artikel 6 EVRM, noch het recht van verdediging of het recht op een eerlijk proces verzet
ten zich ertegen dat informatie louter als een inlichting in aanmerking wordt genomen die
toelaat het onderzoek in een bepaalde richting te oriënteren en vervolgens op autonome wijze
bewijzen te verzamelen, zonder dat concreet wordt verduidelijkt hoe de inlichting werd ver
kregen, voor zover niet aannemelijk wordt gemaakt dat zulks op onregelmatige wijze is ge
schied. Het gegeven dat anonieme klachten geen eigenlijke bewijswaarde hebben, belet niet
dat op grond daarvan autonoom bewijzen kunnen worden verzameld. De vernoemde klacht
van de buur of mededeling van de buurtinspecteur wordt dan niet beschouwd als een bewijs
middel dat aan de tegenspraak moet worden onderworpen, doch wel als een indicatie van het
bestaan van een misdrijf dat verder dient te worden onderzocht en dient te worden gestaafd
met eigenlijke bewijsmiddelen, waaromtrent de partijen wel tegenspraak kunnen voeren. Bij
het uitoefenen van hun toezichtrechten mogen de wooninspecteurs gebruik maken van infor
matie die hen door derden wordt verschaft, ook wanneer de aangever anoniem Is. Dergelijke
informatie kan in het bijzonder worden gebruikt om gericht te werk te gaan bij het uitoefenen
van toezicht.
Het strafdossier bevat de klacht van de buurtbewoner niet. Uit niets blijkt echter dat de woon
inspectie de informatie van de Dienst Toezicht Wonen op een onregelmatige wijze
zou verkregen hebben. De strafvordering is niet gesteund op de klacht van de buur of de me
dedeling van de buurtinspecteur, maar op de autonome vaststellingen van de wooninspectie.
De klacht van de buur en de mededeling van de buurtinspecteur maken geen belastend bewijs
uit zoals gesteld door de verdediging. Er is geen reden om de strafvordering onontvankelijk te
verklaren bij gebrek aan verdere gegevens over de klacht van de buur of de mededeling van
de buurtinspecteur. De voeging van de klacht van de buur of de voeging van de communicatie
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 15
tussen de woon inspecteur, de Dienst Toezicht Wonen en is niet dienstig
om de waarheid te achterhalen. Er is geen schending van artikel 6 EVRM.
De rechtbank oordeelt dat om diezelfde redenen de communicaties voorafgaand aan de on
derzoeken van de woon inspectie van de overige panden niet moeten worden gevoegd.
Ten overvloede merkt de rechtbank op dat de woon inspecteur zelf kan beslissen om een wo
ning te controleren en een inspectie uit te voeren. Hij moet daartoe niet noodzakelijk een op
dracht krijgen, noch moet de controle gesteund zijn op een voorafgaande screening, klachten,
vermoedens of aanwijzingen. Onaangekondigde controles van panden en woningen zijn een
essentiële onderzoeksmaatregel van de wooninspectie. Ook zonder voorafgaande informatie
of communicatie was de wooninspectie bevoegd om de inspecties uit te voeren.
5. Beklaagden zijn van oordeel dat het onderzoek door de wooninspectie partijdig en deloyaal
werd gevoerd. Voor de rechtbank blijkt dit geenszins zo te zijn.
Sinds 1 januari 2021 vervangt de Codex Wonen 2021 de Vlaamse Wooncode. De verwijzing in
de conclusie van tweede beklaagde naar het artikel 20 §3 van de Vlaams Wooncode aan
gaande de toepasselijke regels omtrent de huiszoeking door de wooninspecteur is niet dienstig
nu alle vaststellingen van de woonînspectie in voorliggend dossier gebeurden na 1 januari
2021. Sinds 1 januari 2021 bepaalt artikel 3.38 Codex Wonen 2021 dat de wooninspecteurs
toegang hebben tot de bouwplaatsen en de gebouwen om alle nodige opsporingen en vast
stellingen te verrichten. Als de verrichtingen de kenmerken van een huiszoeking dragen, mo
gen ze alleen worden uitgevoerd op voorwaarde dat de politierechter daartoe een machtiging
heeft verstrekt.
Vanaf 1 januari 2023 is de bevoegdheid van de woon inspectie om woningen te betreden vervat
in artikel 10 van het Kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handhaving:
"Art. 10
§1
Behalve in de gevallen, vermeld in paragraaf 2, heeft de toezichthouder het recht om bij dag
en bij nacht, zonder voorafgaande aankondiging, elke plaats, met inbegrip van vervoermidde
len, vrij te betreden.
§2
De toezichthouder heeft toegang tot de bewoonde ruimtes in een van de volgende gevallen:
1 • de persoon die het werkelijk genot heeft van de ruimte heeft er voorafgaandelijk en schrif
telijk zijn toestemming voor gegeven;
2° de politierechter heeft daarvoor vooraf een machtiging tot betreding verleend. Betreding is
enkel moge/Uk tussen 5 uur en 21 uur, tenzij de rechter op gemotiveerd verzoek de betreding
ook buiten die uren heeft toegestaan, met opgave van de toezichtrechten die daarbij mogen
worden ingezet en de bijzondere redenen waarom dit enkel doelmatig kan buiten die uren.
( ... )"
Artikel 30, § 1 van het Kaderdecreet van 22 maart 2019 bepaalt uitdrukkelijk dat na betrapping
op heterdaad de opsporingsagenten zonder toestemming of machtiging kunnen overgaan tot
betreding. Daarnaast blijven de andere gemeenrechtelijke mogelijkheden om tot huiszoeking
over te gaan, bestaan: huiszoeking met bevel van de onderzoeksrechter, huiszoeking met toe
stemming van de bewone~ en huiszoeking na betrapping op heterdaad (voor die ambtenaren
die de rang van hulpofficier van de procureur des Konings hebben).
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 16
De wooninspectie is aldus bevoegd om woningen te betreden en gebreken vast te stellen en
heeft dit in voorliggend dossier gedaan binnen haar bevoegdheden . Uit de enkele vermelding
van de zin dat 'De betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan het misdrijf omschreven in ar
tikel 3.34 van de Vlaamse Codex Wonen' kan geen deloyale houding of tunnelvisie in het on
derzoek worden afgeleid. Het is normaal dat in een proces-verbaal de geviseerde overtreden
wetsartikelen worden vermeld.
Evenmin blijkt dat de wooninspectie op onrechtmatige wijze de woningen betrad om vaststel
lingen te doen en een vals relaas zou gegeven hebben van verklaringen van bewoners. Bij de
woningen waar de wooninspectie een bewoner aantrot noteerden zij in het proces-verbaal
dat zij door de bewuste bewoner te woord werden gestaan. Zij toonden hun dienstkaart en
gaven kennis van hun naam, hoedanigheid en doel van hun komst. Zij vermeldden dat zij voor
afgaandelijke en schriftelijke toestemming van de bewoners kregen en zij vervolgens de woon
gelegenheid onderzochten. Zij betraden dus de betrokken woonentiteit in het bijzijn van de
aangetroffen bewoner. Niet enkel verkregen zij dus een schriftelijke toestemming, doch zij be
traden de woonentiteit ook feitelijk met toestemming van de bewoner. Uit niets volgt dat een
bewoner protesteerde toen de betrokken opsporingsambtenaren hun woning betraden en het
nazicht deden. Ook nadien heeft geen enkele bewoner zich erover beklaagd dat de woning
zonder toestemming werd betreden.
Verschillende toestemmingsformulieren zijn in het Nederlands opgesteld, andere zijn in een
andere taal opgesteld. Alle toestemmingsformulieren dragen een handtekening van de betrok
ken bewoner die toestemming tot huiszoeking gaf. Dat verschillende bewoners geen Neder
lands spreken/verstaan doet geen afbreuk aan de geldigheid van hun toestemming, gezien
deze niet louter steunde op het formele document, maar zoals vermeld ook op de feitelijke
uitvoering van de huiszoeking en de betreding door de wooninspecteur en -controleur, van
elke betrokken woonentiteit, zonder protest van de bewoner.
De wooninspectie werd te woord gestaan door de betrokken bewoner. Dit impliceert dat zij
eerst met die bewoner een kort gesprek voerden, waarbij zij hun hoedanighe id kenbaar maak
ten, toelichting gaven over de reden van hun komst en de reden waarom zij toegang tot de
woonst vroegen. Er kan dan ook redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat de betrokken be
woner wetens en willens toestemming gaf tot huiszoeking . Uit niets volgt dat een onderzoeker
met bedrieglijk inzicht de betrokken bewoners onder druk hebben gezet.
De wooninspecteur heeft nergens doen uitschijnen dat de bewoners de toestemmingsdocu
menten zelf invulden, terwijl ze nochtans het Nederlands niet machtig waren. Er wordt enkel
gesteld dat de bewoners zelf toestemming gaven. Uit de vaststelling dat de wooninspectie in
haar proces-verbaal niet vermeldde dat zij zelf de toestemmingsdocumenten invulde en ver
klaringen neerschreef, kan geen deloyale houding of valsheid worden afgeleid. Beklaagden
maken ook niet concreet wat er precies niet overeenstemt met de werkelijkheid in de neerge
schreven verklaringen van de bewoners.
Beklaagden voeren aan dat de handtekening var op het toestemmingsfor-
mulier verschilt van deze onder haar verklaring en dus één van deze handtekeningen vals moet
zijn. Men moet echter geen schriftdeskund ige zijn om te weten dat niet elke handtekening
identiek is en er een natuurlijke variatie is waarbij enkel een aantal specifieke kenmerken
steeds terugkeren zoals bijvoorbeeld de manier waarop letters verbonden zijn. De rechtbank
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. l7
stelt vast dat de verschillen tussen de twee handtekeningen dermate klein zijn dat een onre
gelmatigheid of valsheid totaal niet aannemelijk wordt gemaakt.
Beklaagden voeren aan dat geen geldige toestemming kon geven tot huiszoe-
king van het pand in aangezien zij slechts een bezoeker
was. Artikel 10 van het Kaderdecreet van 22 maart 2019 betreffende de bestuurlijke handha
ving stelt dat de wooninspectie toegang mag nemen tot bewoonde ruimtes wanneer de per
soon die het werkelijk genot heeft van de ruimte voorafgaandelijk en schriftelijk toestemming
heeft gegeven. De rechtbank leidt uit de verklaring van Vivian Animbom af dat zij op het mo
ment van het onderzoek het werkelijk genot had van de woning. Zij was daar immers alleen
aanwezig terwijl haar vriend nog tot 22u moest werken. De toestemming kon door haar wel
degelijk geldig worden verleend.
Gelet op al het bovenstaande is er voor de rechtbank kennelijk geen sprake van valsheid in de
toestemmingsformulieren en is de valsheidsvordering manifest ongegrond.
6. Op 8 juni 2023 betrad de wooninspectie de kamers in
op basis van hun bevoegdheid als officier van gerechtelijke politie en hulpofficier
van de procureur des Konings in geval van betrapping op heterdaad . In het proces-verbaal
wordt, anders dan door de verdediging gesteld, wel degelijk aangegeven wat de voorafgaan
delijke betrapping inhield. De wooninspec tie noteerde immers: "Uit volgende omstandighe
den bleek dat het pand met zekerheid niet kan voldoen aan de minimale kwaliteitsvereisten:
-De afschermkap van de zekeringskast in de inkom ontbreekt. Er is een risico op elektrocutie .
De zekerfngenkast moet worden afgeschermd met een passende kap of deksel.
-In inkom hangt de lichtschakelaar los in de muur. Er bestaat een risico op elektrocutie . De
lîchtschakelaar moet voldoende vast in de muur gemonteerd worden. De bedrading zit los in
de schakelaar, er bestaat een risico op kortsluiting ."
Er was in casu dus sprake van heterdaad aangezien door de wooninspectie vooraf in de ge
meenschappelijke ruimten van het pand -waarvoor geen huiszoekingsbevel of toestemming
van de bewoners vereist is -al voldoende ernstige gebreken werden vastgesteld waardoor ook
de kamers in elk geval niet conform waren. De wooninspecteur had dus het
misdrijf reeds vastgesteld alvorens de privatieve en door artikel 15 van de Grondwet en artikel
8 EVRM beschermde ruimten te betreden.
Een gelijkaard ige situatie deed zich voor op 19 juni 2023 in het pand in
elbeke. Ook hier werden voorafgaand aan de huiszoeking van kamer ge-
breken vastgesteld In de gemeenschappelijke delen, namelijk de aanwezigheid van een zwarte
elastomeren gasslang in de gemeenschappelijke keuken (gebrek categorie 11) en de afwezig
heid van een trapleuning van de eerste naar de tweede verdieping (gebrek categorie Il). Door
deze gebreken was kamer in elk geval reeds niet conform. De wooninspecteur had dus
reeds een misdrijf in kamer vastgesteld alvorens de kamer te betreden.
Deze huiszoekingen gebeurden aldus regelmatig.
7. Beklaagden hekelen het feit dat de wooninspecteur bij de controle van de woning in de
:, de identiteit van de "huurster" die hen te woord stond
niet noteerden . Bij lezing van het proces-verbaal blijkt echter zeer duidelijk dat de huurster
betreft. Zij was degene die toestemm ing gaf om de nodige vaststellingen te
doen. Ze verklaarde de huurovereenkomst te hebben aangegaan (zie bijlage bij pv: huurcon
tract tussen en ) en er te wonen me1 en vier kinderen.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 18
······~·~-------------------------------
Over de identiteit van de huurster die verklaringen aflegde kan in die omstandigheden geen
enkele twijfel bestaan.
8. Beklaagden slagen er niet in het bestaan van de aangevoerde onregelmatigheden enigszins
aannemelijk te maken.
Het is bijzonder kwalijk te noemen dat beklaagden de wooninspectie gratuit beschuldigen van
het neerpennen van valse verklaringen en toestemmingen zonder ook maar een begin van
concreet bewijs van valsheid aan te brengen. (Welke bewoner heeft er onder druk toegestemd
en begreep de toedracht niet? Welke verklaring van welke bewoner bevat een vermelding die
niet werd gezegd?)
De rechtbank wijst er nog op dat de persoonlijke en zintuiglijke vaststellingen in het pv van de
wooninspecteur een bijzondere bewijswaarde hebben en gelden tot het bewijs van het tegen
deel. De rechter moet deze vaststellingen voor waar aannemen, tenzij beklaagde het tegen
bewijs levert. De rechtbank kan enkel maar vaststellen dat beklaagden het tegenbewijs wat
betreft de afgelegde verklaringen en toestemmingen van de bewoners in het geheel niet leve
ren.
9. Naar het oordeel van de rechtbank is er geen aanleiding tot het horen van de onderzoekers
of bewoners als getuigen.
Allereerst is artikel 6.3.d EVRM vreemd aan het onderzoek van de ontvankelijkheid van de
strafvordering dat de bewijswaardering voorafgaat. Verder volgt uit de rechtspraak van het
EHRM betreffende de artikelen 6.1 en 6.3.d EVRM en het daardoor gewaarborgde recht om
een getuige à charge onder ede te horen op de rechtszitting, dat de criteria ter beoordeling
van het al dan niet bestaan van de verplichting om de getuige te horen, enkel gelden voor een
getuige die tijdens het vooronderzoek belastende verklaringen heeft afgelegd betreffende de
schuld van beklaagden aan de hen ten laste gelegde feiten. Beklaagden verzoeken het horen
van de wooninspecteurs, wooncontroleurs en politieambtenaren die betrokken waren bij het
onderzoek louter betreffende de regelmatighe id van de procedure, waaronder de bewijsver
zameling. De rechtbank dient dit verzoek niet te toetsen aan de criteria en oordeelt dat het
horen van die getuigen niet noodzake lijk is voor de beoordeling van de regelmatigheid van de
procedure. Beklaagden slagen er niet in het bestaan van de aangevoerde onregelmatig heid
enigszins aannemeli jk te maken. De wooninspecteur heeft immers nergens doen uitschijnen
dat sommige bewoners de toestemm ingsdocumenten zelf invulden, terwijl ze het Nederlands
niet machtig waren, noch deed ze uitschijnen dat sommige bewoners de toestemmingsdocu
menten in een taal ontvingen, alsof ze deze taal machtig waren, terwijl dit in werkelijkheid niet
zo was. Evenmin is het foutief, onregelmatig of vals dat zij in haar proces-verbaal niet ver
meldde dat zij zelf de toestemmingsdocumenten invulde, evenals de schriftelijke verklaring.
De handelswijze van de wooninspecteur en de woningcontroleur zijn volstrekt normaal en le
gitiem. Het vormt geen valsheid dat de betrokken bewoners niet zelf de toestemmingsformu
lieren invulden en dat de woon inspecteur de verklaringen vooraf opschreef. Zoals hiervoor al
opgemerkt, heeft de woonlnspecteur eerst een gesprek gehad met de respectieve bewoners
die toestemming tot huiszoeking gaven. De rechtbank besliste hiervoor trouwens al dat er ken
nelijk geen sprake was van valsheid, zodat het verhoor van de wooninspecteu r en woningcon
troleur niet noodzakelijk is.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 19
De noodzaak om de bewoners die verklaringen aflegden te horen moet de rechtbank beoor
delen aan de hand van de drie criteria gehanteerd door het EHRM en in deze volgorde: (i) of
er ernstige redenen zijn voor het niet-horen van de getuige, dit wil zeggen feitelijke of juridi
sche gronden die de afwezigheid van de getuige op de rechtszitting kunnen verantwoorden,
(ii) of de belastende verklaring het enige of doorslaggevende element is waarop de schuldig
verklaring steunt, waarbij onder doorslaggevend wordt verstaan bewijs dat dermate belangrijk
is dat het aannemelijk is dat dit het resultaat van de zaak heeft bepaald, (iii) of er voor het niet
kunnen ondervragen van de getuige voldoende compenserende factoren zijn met inbegrip
van sterke procedurele waarborgen, tenzij één van de criteria van dermate overwegend belang
is dat dit criterium volstaat om uit te maken of het strafproces in zijn geheel beschouwd al dan
niet eerlijk verloopt (Art. 6.1 en 6.3, d EVRM).
De rechtbank oordeelt dat het horen van deze getuigen zich niet opdringt omdat de door hen
afgelegde verklaringen in geen geval doorslaggevend zijn voor de schuldigverklaring van be
klaagden en de vastgestelde non~conformiteiten hun bewijs vinden in de vaststellingen van de
wooninspecteur die een bijzondere bewijswaard hebben. Bovendien stelt de rechtbank vast
dat het niet gemakkelijk zou zijn om al de aangeduide bewoners op te roepen gelet op hun
vaak administratief precair statuut.
Om alle voorgaande redenen is de strafvordering ontvankelijk en dringt een bijkomend
onderzoek, de voeging van bijkomende stukken, het uitsluiten van bewijs of het horen van
getuigen zich niet op.
Ten gronde
1. Gelet op de vaststellingen van de wooninspectle staat het voor de rechtbank vast dat de 12
woningen opgesomd onder de tenlasteleggingen A.1 tot en met A.12 niet In overeenstemming
waren met de woonkwaliteltsnormen en zij verhuurd werden in strijd met de Vlaamse Woon
code/Codex Wonen 2021.
2. Eerste beklaagde stelt dat de wooninspectie een aantal foutieve vaststellingen deed. De
rechtbank weerlegt deze middelen.
-In zou er volgens eerste beklaagde wel degelijk een brievenbus geweest zijn
in tegenstell ing tot de vaststelling van de woon inspecteur. De rechtbank leest dit gebrek echter
niet in het pv en er is een foto van de brievenbus in de deur in het strafdossier. Ook in de
was er inderdaad een brievenbus. Dit gebrek werd evenmin vermeld door de
woonlnspecteur. Wel stelde de wooninspectie vast dat de deurbel van beide panden niet
werkte. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan deze vaststellingen aangaande de
deurbel. Het gebrek in rubriek 236 'de woning beschikt n;et over een brievenbus en bel' dient
aangekruist te worden zodra er geen functionerende deurbel Is (artikel 87, §3 van het MB van
26 november 2020 houdende regels voor het invullen van technische verslagen van het on
derzoek van de kwaliteit van woningen door een woningcontroleur zoals van toepassing tot 1
januari 2025).
-In werd enkel vastgesteld dat er bij gebrek aan EPC niet kon worden
vastgesteld of de daken geïsoleerd waren. Dit is een correcte vaststelling, zelfs indien er wel
degelijk isolatie was. Het ministerieel besluit van 26 november 2020 houdende regels voor het
invullen van technische verslagen van het onderzoek van de kwaliteit van woningen door een
woningcontroleur bepaalde ten tijde van de vaststellingen dat rubriek 251 wordt aangevinkt
Rol nummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen , afdeling Gent Vonnlsnr /
p.20
indien de woning niet over de vereiste dakisolatie beschikt, OF wanneer de aanwezigheid er
van niet kan worden aangetoond {dit is doormidde l van een EPC of visueel zonder destructief
onderzoek). Aangezien er geen EPC aanwezig was bij de vaststellingen werd ook correct ru
briek 252 aangeduid, namelijk het ontbreken van dubbele beglazing.
-Eerste beklaagde is van oordeel dat het ontbreken van een aardgeleider bij stopcontacten
geen kwalijk gebrek is. Het is echter niet aan eerste beklaagde om de ernst van dit gebrek te
beoordelen. De wetgeving hieromtrent is duidelijk. Dit betreft een gebrek van categorie ll. Dit
betreft bovendien een structureel gebrek waarvoor de verhuurder verantwoordelijk is. Het
zelfde geldt voor de aanwezigheid van aanraakbare delen onder spanning, het gebruik van
elastomeren gasslangen, de afwezigheid van onafsluitbare verluchtingsroosters bij een gaska
chel type B en de gebreken aan trappen, overlopen en borstweringen. De mening van be
klaagde dat deze gebreken niet erg zouden zijn en daarom niet zouden mogen genoteerd wor
den door de wooninspecteur, is niet relevant.
-Eerste beklaagde voert aan dat de wooninspectie eenzijdig een derde categorie van risico
toevoegt bij de controle van de veillgheid van elektrische installaties, namelijk 'kortsluiting'.
De wooninspectie vermeldt echter steeds kortsluiting/brand nu kortsluiting aanleiding kan ge
ven tot brand. Het betreft aldus enkel een verdere concretisering van het risico brand en
geenszins een derde categorie van risico.
-Eerste beklaagde stelt dat hij er als verhuurder geen aandeel in heeft wanneer verdeelstek
kers worden gebruikt. Ongeacht wie deze verdeelstekkers plaatste, kan de woonlnspecteur dit
echter wel degelijk als gebrek noteren. Beklaagde kan omtrent zijn schuld tegenspraak voeren.
De rechtbank stelt wel vast dat er in verschillende woningen een tekort aan vrije geaarde stop
contacten werd vastgesteld, zodat beklaagde hier in die omstandigheden onrechtstreeks wel
degelijk een aandeel in had.
Met betrekking tot de zeer concrete betwistingen aangaande de vastgestelde gebreken door
eerste beklaagde zoals opgenomen in zijn stuk 4 bij de algemene stukken gevoegd aan zijn
conclusie 1 stelt de rechtbank bijkomend het volgende:
Wanneer contactpunten niet zijn afgeschermd Is er wel degelijk een reëel risico op
elektrocutie.
Vochtschade door opstijgend vocht of doorslaand vocht maakt een gebrek uit los van
de oorzaak hiervan. Uit foto 9 (dossier ) blijkt dat de vochtwaarden wel de
gelijk werden gemeten.
De raamkruk in de Haanstraat was kapot waardoor het raam niet kon worden gesloten.
Dit maakt een gebrek uit van categorie ll. Het blijkt niet dat de huurder dit stuk maakte.
Er werd in elk geval ook vastgesteld dat dit raam verweerd was. Het moest uiteindelijk
volledig worden vervangen.
Dat er reeds bij aankoop van bepaalde panden gebreken aanwezig waren, werkt niet
schuld bevrijdend. Het is aan de verhuurder om de woonkwaliteit blijvend te garande
ren ook bij nieuwe wetgeving. De stelling dat beklaagden er bij aankoop toch mochten
vanuit gaan dat de panden die reeds verhuurd waren conform waren is niet ernstig.
De foto's aangaande te grote openingen in de borstweringen aan de trap in de Haan
straat zijn voor de rechtbank wel duidelijk. Op de foto's wordt er een plooimeter bij
gehouden zodat een goede inschatting kan gemaakt worden van de grootte van de
openingen. Deze openingen zijn van die aard dat er iemand kan doorvallen.
In hingen er naakte geleiders aan het plafond. Dit moet reeds zo ge
weest zijn bij de start van de verhuring en betreft een verantwoordelijkheid van de
verhuurder .
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.21
In werd vocht vastgesteld in de keuken op de achterste muur en aan
de muur grenzend met de badkamer en in de achterste slaapkamer op de eerste ver
dieping op de linkse buitenmuur. De wooninspectie voegde foto's waarop vlekken op
de muren te zien zijn. De zintuiglijke vaststellingen van de wooninspectie hebben bij
zondere bewijswaarde. De foto's in het strafdossier ondersteunen deze vaststellingen
in sterke mate. Eerste beklaagde stelt in stuk 4 bij de conclusie 'ik heb dat niet kunnen
vaststellen'. Deze stelling op zich toont echter niet aan dat er op 8 juni 2023 geen vocht
was in deze muren. Eerste beklaagde slaagt er niet in om de vaststellingen van de
wooninspectie te weerleggen.
Het is niet correct om te stellen dat een defect aan een rolluik per definitie valt onder
de onderhoudsplicht van de huurder. Indien een rolluik door ouderdom of slijtage de
fect is -zoals hier klaarblijkelijk het geval is-, valt dit onder de verantwoordel ijkheid van
de verhuurder.
-In werd het gebrek 132 aangekruist, 'Afwerking van de onderste
draagv/oeren' . Eerste beklaagde voert aan dat de gebroken tegel de veilige beloop
baarheid niet in het gedrang bracht en dit gebrek dus niet mocht worden aangeduid.
De rechtbank merkt hierbij op dat er ook verschillende ontbrekende plinten werden
opgemerkt en dat dit gebrek expliciet wordt opgesomd In artikel 43 §2, 2° d) van het
ministerieel besluit van 26 november 2020: 'de noodzakelijke plinten ontbreken geheel
of gedeeltelijk'. De rubriek 132 werd in die omstandigheden in elk geval terecht aan
gekruist. Anders dan eerste beklaagde aanvoert staat er in het besluit niet dat het ont
breken van plinten enkel een gebrek vormt wanneer dit in meerdere ruimtes zo is en
in aanzienlijke mate voorkomt.
-De barst in de tegel in de badkamer in is duidelijk niet te wijten aan
een normaal uitdrogingsproces. Het ministerieel besluit vermeldt hier uitdrukkelijk dat
het moet gaan om kleine barstjes in bijvoorbeeld pleisterwerk of randvoege n bij gips
platen. Een badkamertegel moet nu eenmaal niet uitdrogen.
In werd opstijgend vocht opgemerkt in de linkse muur in de woonka
mer. De wooninspectie quoteerde dit in categorie ll. Deze quotering wordt door eerste
beklaagde betwist maar eerste beklaagde slaagt er niet in om het tegendeel te bewij
zen. Het vocht kwam reeds boven de lambrisering wat de grootschaligheid en de hin
der aannemelijk maakt. De rechtbank twijfelt niet aan de zintuiglijke vaststelling van
de wooninspectie. Eenzelfde redenering geldt voor het vocht dat werd gezien en ge
meten in de woonkamer in de muur grenzend met de badkamer. Uit de foto blijkt in
elk geval een groot oppervlak met vocht.
-De ontbrekende afwerking in de keuken van betreft geen ontbrekend
behang of schilderwerk, maar ontbrekend pleisterwerk, tegels of andere noodzake lijke
bekleding.
-Door loden leidingen kunnen giftige stoffen in het drinkwater terecht komen. Het is
van geen belang of er maar een klein stukje van de leiding in lood is of een groot stuk.
Het verhindert wel degelijk het normaal gebruik van de keukenfunctie.
-In werd vastgesteld dat het toilet in de badkamer onvoldoende kan
worden afgesloten van de keuken. Er was volgens de wooninspecteur een schuifdeur
aanwezig met gebreken. Er was een opening onder de schuifdeur en de deur sloot
moeilijk. Eerste beklaagde betwist dit gebrek en meent dat dit in overeenstemming is
met artikel 61 van het MB waarin staat dat een gleuf van 1 cm tussen vloer en deurblad
wordt toegestaan. De rechtbank merkt echter op dat foto 38 in het strafdossier er geen
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 22
enkele twijfel over laat bestaan dat de opening onder de schuifdeur veel ruimer is en
minstens 15cm bedraagt.
Eerste beklaagde is van oordeel dat het doorzakkend plafond in Biezenstuk hoogstens
als een afwerkingsprobleem kan worden aanzien. De rechtbank stelt vast dat de woon
inspecteur dit gebrek ook onder de categorie 'Afwerking van de bovenste plafonds'
heeft geplaatst zodat het verweer doelloos is.
Eerste beklaagde meent dat er bij de beoordeling van verluchtingsmogelijkheid reke
ning moet gehouden worden met de aanwezighe id van kieren en deuren naar andere
ruimtes. Het is echter niet aan eerste beklaagde om de duidelijke regelgeving en wijze
van quotering anders te gaan toepassen. De wet voorziet duidelijk dat elk woonlokaal
beschikt ofwel over minstens één raam naar de buitenlucht of een verluchtingsrooster
in verbinding met de buitenlucht. Nergens is bepaald dat de inspecteur andere zaken
in rekening moet brengen.
3. Ook al zouden sommige gebreken mogelijks te wijten zijn aan de huurders zelf (zoals het
aansluiten van bepaalde apparaten), dan nog moet worden vastgesteld dat het merendeel van
de gebreken structuree l van aard waren en betrekking hadden op de uitrusting van de wonin
gen, zoals die moet worden voorzien door de verhuurder.
Beklaagden kunnen er zich niet achter verschuilen dat de huurders hen de gebreken niet zou
den hebben gemeld. Als verhuurders hadden ze de opdracht de toestand van de woning op
geregelde tijdstippen te controleren.
Een louter contractueel document als de plaatsbeschrijving kan geen afbreuk doen aan objec
tieve vaststellingen van de wooninspectie en is zonder relevantie voor de huidige beoordeling.
Voor de rechtbank zijn de foto's gemaakt door de wooninspectie niet vaag, onscherp of niet
representatief. De gebreken werden telkens duidelijk omschreven en de foto's ondersteunen
deze vaststellingen.
4. In elke woning werden voldoende ernstige gebreken vastgesteld van minstens categorie Il
waardoor de rechtbank besluit tot de niet-conformiteit van de 12 woningen in de tien verschil
lende panden die door beklaagden werden verhuurd.
Eerste beklaagde voert terecht aan dat de incrlminatleperiode van de tenlastelegging A.1 geen
steun vindt in het strafdossier. De bewoners verklaarden op 9 maart 2022 een jaar te huren en
uit een stuk blijkt dat er op 1 april 2021 een plaatsbeschrijving werd opgemaakt. De rechtbank
zal om die reden beklaagden vrijspreken voor de periode van 20 april 2020 tot en met 31 maart
2021.
Gelet op het overmaken van de huurovereenkomst door eerste beklaagde van het pand in de
Hagelandkaai, is de lncriminatieperiode van de tenlastelegging A.11 niet correct. D€ huur
startte klaarblijkelijk pas op 1 juli 2018 in plaats van op 8 juni 2018. De rechtbank zal beklaag
den vrijspreken voor de periode van 8 juni 2018 tot en met 30 juni 2018.
De incriminatieperiodes werden voor het overige correct bepaald en gaan terug tot de start
van de verhuur voor zover gekend. Aangezien in elk vah de verhuurde woningen structurele
gebreken (waarvan minstens één van categorie Il) aanwezig waren, staat het voor de recht
bank vast dat deze er reeds waren bij de start van de verhuur. De rechtbank somt hieronder
per tenlastelegging een aantal van dergelijke structurele gebreken op die gelet op hun aard
zonder twijfel reeds van bij de start van de verhuring aanwezig waren.
Rolnumme r Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 23
* A.1, A.2 en A.3: losse bekabeling en niet afgeschermde zekeringhouders in de Inkomhal, geen
trap naar de kelder, geen reukafsnijder aan de gootsteen in de keuken, geen differentieelscha
kelaar, stopcontacten zonder aardgeleider, lichtpunt te dicht bij bad.
* A.4: geen differentieelschakelaar, lichtpunt te dicht bij bad, stopcontacten zonder aardgelei
der, zwarte elastomeren gasslang, toevoerleiding gas onvoldoende bevestigd aan muur, valge
vaar bij draaitrap, loden leiding, onvoldoende verluchtingsmogelijkheden, geen onafsluitbaar
verluchtingsrooster, geen borstwering aan raam, enkele beglazing.
* A.5: contactpunten aan lichtpunt niet afgeschermd, te steile trappen zonder leuning, valge
vaar bij borstwering, ontbreken borstwering aan raam, geen dubbel glas.
* A.6: geen afschermkap aan zekeringskast, geen lavabo's met warm en koud water op de ka
mers, ontbrekend deel trapleuning, kamers niet afsluitbaar, geen individuele bellen en bussen,
te kleine oppervlakte van de kamers, tekort aan borstweringen.
* A. 7: geen verluchtingsmogelijkheid in woonkamer, meerdere stopcontacten zonder aanslui
ting op aardgeleider.
* A.8: lichtpunt te dicht bij douche, stopcontact niet aangesloten op aardgeleider, zwarte elas
tomeren slang, te grote openingen in borstwering, trapleuning onvolledig, ontbrekende borst
wering in slaapkamers, geen verluchting naar buitenomgeving in woonkamer, badkamer en
wc, enkele beglazing.
* A.9: te steile trap, ongelijke hoogtes van de treden, onvoldoende verluchting in woonkamer
en toilet, onvoldoende borstwering.
* A.10: stopcontacten zonder aardgeleider, gekoppelde gasslangen, toevoerleiding gas niet be
vestigd aan muur, te steile trap, onvoldoende verluchtingsmo gelijkheden in woonkamer, bad
kamer en keuken.
* A.11: loshangende bedrading met blote geleiders onder spanning, te grote openingen in
borstwering , onvoldoende natuurlijke verlichting in slaapkamer, onvoldoende borstwering
met valgevaar.
* A.12: zwarte elastomeren slang, geen lavabo's met warm en koud water op de kamers, ka
mers niet afsluitbaar, geen individuele bellen en bussen, ongelijke hoogtes van de treden, te
kleine kamers, onvoldoende borstwering, lichtpunt te dicht bij bad/douche .
S. Het moreel element van het misdrijf onder de tenlastelegging A vereist enkel (algemeen)
opzet, dit is in casu niet te doen wat door de vermelde bepalingen geboden is te doen. De
Vlaamse Wooncode tot 1 Januari 2021 en vanaf dan de Vlaamse Codex Wonen van 2021 geven
geen aanduiding nopens het moreel element, zodat het bewust en vrijwillig handelen volstaat.
Dat van dit laatste sprake is wordt verondersteld bij het plegen van de materiële handeling,
die als de uiting van de vrije en bewuste wil van beklaagden moet worden aanzien, wanneer
deze het bestaan van een schulduitsluitingsgrond, zoals overmacht of onoverkomelijke dwa
ling, of van een rechtvaardigingsgrond, zoals noodtoestand, niet enigszins geloofwaardig ma
ken.
Eerste beklaagde voert overmacht aan maar maakt deze niet aannemelijk. Hij stelt zelf dat hij
de panden niet controleerde zolang er geen klachten van de bewoners kwamen. In die zin
heeft de dijbeenbreuk of later ontwikkelde depressie geen invloed op de verhuur van gebrek
kige woningen door eerste beklaagde. Bovendien hebben beklaagden voldoende personeel en
financiële middelen ter beschikking om controles en werken te laten uitvoeren door derden.
Beklaagden voeren geen andere verschonings- of rechtvaard igingsgronden aan. Het verweer
dat er geen kwade wil zou zijn is volstrekt irrelevant.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.24
Tweede beklaagde betwist de verzwarende omstandigheid dat van de betrokken activiteit een
gewoonte werd gemaakt omdat de vennootschap nog nooit eerder werd veroordeeld voor
dergelijke misdrijven en totaal verrast werd door de vaststellingen. Eerste beklaagde betwist
evenzeer de verzwarende omstandigheid omdat de panden die in dit dossier opgenomen zijn
slechts een klein deel uitmaken van het groot aantal panden dat hij bezit en verhuurt.
Gelet op het bijzonder grote aantal woningen dat in zeer slechte staat werd verhuurd door
beklaagden, is de verzwarende omstandigheid voor de rechtbank wel degelijk bewezen. Dat
beklaagden totaal verrast zouden zijn en klaarblijkelijk niet op de hoogte waren van de regel
geving omtrent de woonkwaliteit of deze In elk geval niet toepasten Is bijzonder verontrustend
gelet op het grote aantal panden (minstens 50) dat zij verhuurden. De regelgeving niet opvol
gen, de panden niet controleren en aanwezige gebreken niet herstellen is wel degelijk intenti
oneel voor professionele verhuurders.
Eerste beklaagde is de enige bestuurder, voorheen zaakvoerder, var en had de
beslissingsmacht met betrekking tot de verhuur en de woonkwaliteitsnormen van de onroe
rende eigendommen en hij had tevens de bevoegdheid om een einde te stellen aan de weder
rechtelijke toestanden, wat hij in de bewezen verklaarde periodes naliet te doen. Hij handelde
wetens en willens.
De misdrijven van de tenlasteleggingen A.1, A.2, A.3, A.5, A.6, A.7, A.8, A.9, A.10, A.11 en A.12
werden gepleegd voor rekening van tweede beklaagde en hielden verband met het doel vah
deze rechtspersoon. Binnen deze rechtspersoon was er duidelijk onvoldoende aandacht voor
de naleving van de woonkwaliteitsnormen wat een eigen strafrechtelijke fout van de rechts
persoon was.
De rechtbank merkt op dat de woning in de eigendom was van eerste beklaagde
en door hem werd verhuurd met tussenkomst van ,, een andere vastgoedvennoot-
schap waarvan eerste beklaagde bestuurder is. Nu niet blijkt dat iets te maken
had met deze verhuur, zal de rechtbank tweede beklaagde vrijspreken voor de tenlastelegging
A.4.
6. De schuld van eerste beklaagde aan de ten laste gelegde misdrijven van de tenlasteleggin
gen A.1 tot en met A.12 staat vast voor de in de dagvaarding opgenomen incriminatieperiodes
(mits gedeeltelijke vrijspraak voor A.1 en A.11) en de verzwarende omstandigheid dat van de
activiteit een gewoonte werd gemaakt.
De schuld van tweede beklaagde aan de ten laste gelegde misdrijven van de tenlasteleggingen
A.1, A.2, A.3, A.5, A.6, A.7, A.81 A.9, A.10, A.11 en A.12 staat vast voor de in de dagvaarding
opgenomen incriminatieperiodes (mits gedeeltelijke vrijspraak voor A.1 en A.11) en de ver
zwarende omstandigheid dat van de activiteit een gewoonte werd gemaakt.
Al de overige eventueel niet concreet beantwoorde punten aangevoerd In de bijzonder uitge
breide conclusies van beklaagden doen de rechtbank niet twijfelen aan de schuld van beklaag
den,
7. Beklaagden betwisten zich schuldig gemaakt te hebben aan de tenlasteleggingen B.1 en
B.2 .. Beklaagden zouden er niet van op de hoogte geweest zijn dat er meerdere werknemers
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.25 ,,. .. v.=.--~..,.._,,,,e.., ____________________________ _
in de woning in zouden wonen. Het contract werd enkel
afgesloten met de onderneming . Er wordt een verklaring voorge-
legd van de vertegenwoordiger van deze firma, namelijk , waarin
deze stelt dat eerste beklaagde nooit op de hoogte werd gesteld van het aantal werknemers
dat er woonde en dat eerste beklaagde het pand niet had onderverdeeld in verschillende een
heden.
Terecht werd als startdatum van de incriminatieperiode van de tenlastelegging B.1 de datum
van 4 juni 2023 weerhouden. Bewoner verklaarde dat ze
zondag 4 juni 2023 waren toegekomen in het gebouw en hun baas hen gezegd had dat ze daar
konden verblijven: deze datum dient als start te worden beschouwd waarop het aantal woon
gelegenheden in de ééngezinswoning werd gewijzigd, nu vanaf dan vaststond dat meerdere
personen, in casu werklieden, er in verschillende kamers zouden gaan wonen.
Correct werd als startdatum van de incriminat ieperiode van de tenlastelegging B.2 de datum
van 20 mei 2023 weerhouden. Op 19 juni 2023 verklaarden de aanwezige bewoners dat zij al
een maand in het pand woonden. De firma regelde hun
huisvesting. Deze incriminatieperiode werd eveneens correct bepaald.
Voor het misdrijf bedoeld in artikel 4.2.1, 7° VCRO is niet vereist dat er materiële aanpassingen
of verbouwingen plaatsvinden; de wijziging van het aantal woongelegenheden, wat kan blijken
uit het gebruik dat van het gebouw wordt gemaakt, volstaat. Dit gebruikt blijkt zeer goed uit
de vaststellingen van de wooninspectie ter plaatse.
Beklaagden maken het helemaal niet aannemelijk dat zij totaal niet wisten dat de woning zou
gebruikt worden voor het vestigen van verschillende werknemers van de firma en dus per de
finitie zou gebruikt worden als kamerwoning. Dat zij hiervan op de hoogte waren blijkt genoeg
zaam uit het feit dat zij deze ééngezinswoning verhuurden aan een bouwfirma.
Klaarblijkelijk werd er door beklaagden niet geïnformeerd naar welk gezin de woning zou be
trekken. Beklaagden maken niet aannemelijk dat zij onoverwinnelijk dwaalden.
Eerste beklaagde is de enige bestuurder, voorheen zaakvoerder , var die deze
twee panden in eigendom had en verhuurde. Eerste beklaagde had binnen de vennootschap
de beslissingsmacht met betrekking tot de verhuur van deze twee eigendommen en hij had
tevens de bevoegdheid om een einde te stellen aan de wederrechtelijke opsplitsing, wat hij in
de bewezen verklaarde periodes naliet te doen. Hij handelde wetens en willens.
De misdrijven van de tenlastelegg ingen 8.1 en B.2 werden gepleegd voor rekening van tweede
beklaagde en hielden verband met het doel van deze rechtspersoon. Binnen de rechtspersoon
was er duidelijk onvoldoende aandacht voor de naleving van de regelgeving in het belang van
de goede ruimtelijke ordening wat een eigen strafrechtelijke fout van de rechtspersoon uit
maakt.
De tenlasteleggingen B.1 en B.2 zijn bewezen in hoofde van beide beklaagde n. Ook de verzwa
rende omstandigheid dat beklaagden handelden als professionals in vastgoed is bewezen en
kan niet ernstig worden betwist.
Rolnumme Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaandere n, afdeling Gent p.26
3. Straftoemeting
l. Beklaagden pleegden de voor elk van hen bewezen tenlasteleggingen met een zelfde
misdadig opzet, zodat de rechtbank overeenkomstig artikel 65, eerste lid, Strafwetboek voor
deze misdrijven samen één straf uitspreekt voor elke beklaagde, met name de zwaarste.
2. De strafdoelstellingen kunnen onder meer bestaan in het uiting geven aan de
maatschappelijke afkeuring ten aanzien van de overtreding van de strafwet, de bescherming
van de maatschappij, het bevorderen van het herstel van het maatschappelijk evenwicht, het
herstel van de door het misdrijf veroorzaakte schade en het bevorderen van de
maatschappelijke rehabilitatie en re-integratie van de dader. Geen enkele verdragsrechtelijke
of wettelijke bepaling of algemeen rechtsbeginsel verzet zich ertegen dat de rechtbank ook de
vergeldende of de algemene of specifieke preventieve werking die van een straf kunnen
uitgaan als een strafdoelstelling hanteert, naast andere, en het zijn straftoemetingsbesl issing
erop afstemt.
De regelgeving over het Vlaamse woonbeleid beoogt onder meer het waarborgen van het
fundamenteel recht op menswaardig wonen. Personen die onroerende goederen verhuren
met winstoogmerk moeten bij de verhuur of terbeschikkingstelling van woningen de door de
overheid opgelegde kwaliteitsnormen en -vereisten strikt naleven en mogen niet besparen
op investeringen hiertoe.
3. Eerste beklaagde is jaar oud en werd reeds éénmaal veroordeeld voor een kleine
verkeersinbreu k.
Tweede beklaagde werd opgericht op 10 oktober 2022 met als doel aankoop/verkoop/verhuur
van onroerende goederen . is de enige bestuurder. De vennootschap heeft een
blanco strafverleden.
Ondergeschikt verzochten beklaagden om de gunst van de opschorting of meer ondergesch ikt
om een straf met uitstel. Zij verzochten om geen verbeurdverklaring uit te spreken of deze te
beperken.
Uit niets blijkt dat beklaagden financiële problemen hebben, integendeel blijkt uit de
kadastrale gegevens dat zij op 19 januari 2024 samen nog in het bezit waren van 40
onroerende eigendommen, waaronder twee hotels.
Gelet op de economische aard van de misdrijven, is een geldboete en de verbeurdverklaring
van de vermogensvoordelen, zoals hierna besproken, de meest passende straf. De straf moet
beklaagden doen afzien van economische afwegingen inzake pakkans, bestraffing en
economisch voordeel en hen ertoe aanzetten voortaah bij verhuring of het ter beschikking
stellen van woningen alle veiligheids-en kwaliteitsnormen in het belang van de bewoners In
acht te nemen. Het gelasten van de opschorting van de uitspraak van de veroordeling is hiertoe
niet passend of effectief. De gepleegde misdrijven onder de tenlastelegging A zijn uitgebreid,
werden gedurende lange tijd gepleegd en bovendien werd er een gewoonte van gemaakt. De
misdrijven onder de tenlastelegging B zijn bijzonder afkeurenswaardig en enkel bedoeld om
grotere winsten te maken bij de verhuur van een ééngezinswoning en bovendien werden zij
gepleegd met verzwarende omstandigheden. Nu beklaagden nog steeds professioneel actief
zijn als verhuurders van vele panden zou de gunst van de opschorting hen maar beperkt
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 27
aanzetten tot een wijziging van hun gedrag. Bovendien zal de opgelegde geldboete eerste
beklaagde niet sociaal declasseren of zijn sociale reclassering disproportioneel belemmeren.
Opdat beklaagden de ernst van de gepleegde misdrijven vatten, moet de geldboete in beginsel
effectief zijn en gelast de rechtbank geen uitstel van de tenuitvoerlegg ing ervan. De rechtbank
houdt in het voordeel van beklaagden rekening met het reeds grotendeels uitgevoerde herstel
en de persoonlijke omstandigheden van eerste beklaagde die mogelijks een rol speelden bij
het trager uitgevoerde herstel.
De hierna bepaalde verbeurdverklaring van het equivalent van de vermogensvoordelen, die
schriftelijk door het openbaar ministerie werd gevorderd, belet dat beklaagden vruchten
genieten uit de door hen gepleegde misdrijven. De rechtbank houdt bij de berekening rekening
met de periodes van de tenlasteleggingen A.1 en A.11 waarvoor beklaagden worden
vrijgesproken en met de vrijspraak van tweede beklaagde voor de tenlastelegging A.4. Het
door de rechtbank in billijkheid bepaald bedrag als equivalent van de vermogensvoordelen
houdt tevens rekening met het feit dat de verbeurdverklaring geen onredelijke straf mag zijn,
evenals met het feit dat inmiddels het herstel grotendeels werd gerealiseerd. De hierna
bepaalde bedragen, naast de opgelegde geldboetes, zijn niet buitensporig en vormen geen
disproportionele inmenging in het eigendomsrecht van beklaagden en maakt geen schending
uit van het artikel 1 of 3 van het EVRM.
Overeenkomstig artikel 43bis, derde lid, Strafwetboek wijst de rechtbank de
verbeurdverklaring van het equivalent van de vermogensvoordelen toe aan de hierna
vermelde burgerlijke partijen, in de hierna vermelde mate, namelijk ten belope van de
toegekende schadevergoeding.
HERSTEL
1. Op heden werd er nog geen herstel vastgesteld door de woonlnspecteur in de panden in de
.,
De herstelvordering met betrekking tot de overige panden is zonder voorwerp gelet op de
inmiddels vastgestelde conformiteit door de wooninspecteur.
De wooninspecteur vordert het principiële herstel van de resterende drie panden, namelijk
het herstel naar de conformiteit door het uitvoeren van renovatie- verbeterings- en
aanpassingswerken.
De verkoop van het pand in en het pand in
staat de veroordeling tot herstel van beklaagden niet in de weg. Op de overtreders rust de
plicht tot herstel van de gebreken. Het feit dat een goed verkocht werd, doet voor de
overtreder in beginsel niet de onmogelijkheid ontstaan om gevolg te geven aan de verplichting
tot herstel. Wie het herstel uiteindelijk uitvoert, speelt geen rol.
De rechtbank zal beklaagden veroordelen tot dit herstel wat betreft de panden in
en :. De rechtbank zal enkel eerste bekJaagde
veroordelen tot het herstel van het pand in gelet op de vrijspraak voor de
tenlastelegg ing A.4 van tweede beklaagde .
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 28
2. De hierna uitgesproken modaliteiten vormen een gepaste en hoodzakelijke aansporing van
beklaagden om tot herstel over te gaan. Een vrijwillige uitvoering ,van de opgelegde
herstelmaatregelen verdient vanuit het oogpunt van het algemeen belang de voorkeur, gezien
een ambtshalve uitvoering van de herstelmaatregelen kosten voor de gemeenschap
veroorzaakt, waarbij er geen enkele zekerheid bestaat over de recuperatie van deze kosten.
Beklaagden krijgen een hersteltermijn zoals hierna bepaald vooraleer de dwangsom verbeurt,
terwijl de hersteltermijn pas loopt vanaf het In kracht van gewijsde gaan van dit vonnis.
Een dwangsom van 100 euro per dag vertraging is naar het oordeel van de rechtbank passend
om beklaagden ertoe aan te zetten het opgelegde herstel tijdig uit te voeren of te laten
uitvoeren.
De lange tijd waarin beklaagden al konden overgaan tot het volledige herstel van de panden
en de ruime termijn die hen hiertoe nog wordt verleend, brengt mee dat er geen reden is om
bij toepassing van artikel 1385bis, laatste alinea, Gerechtelijk Wetboek nog een zekere termijn
te bepalen.
De rechtbank machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van
tot ambtshalve uitvoering over te gaan, voor het geval het herstel
niet binnen de gestelde termijn wordt uitgevoerd, overeenkomstig artikel 3.47 Vlaamse Codex
Wonen.
De rechtbank machtigt de wooninspecteuren het college van burgemeester en schepenen van
ook om de kosten van een eventuele herhuisvesting, bedoeld In
artikel 3.33 Vlaamse Codex Wonen, te verhalen op beklaagden.
Er is thans geen voldoende reden om deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Het
blijkt niet dat er thans personen wonen in de drie panden in onveilige of ongezonde situaties.
BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
• Vordering
1. stelde zich burgerlijke partij lastens eerste beklaagde op de inleidingszitting
van 18 februari 2025. Deze vordering is tijdig en regelmatig . Ze is ontvankelijk.
vordert 15.000 euro vermeerderd met interesten. Er werd hieromtrent geen
verdere toelichting gegeven.
Beklaagden hebben geen concrete betwisting gevoerd.
2. Artikel 44 Strafwetboek bepaalt dat de veroordeling tot de bij de wet gestelde straffen altijd
wordt uitgesproken, onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan partijen
mochten zijn verschuldigd.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p.29
Artikel 161 Wetboek van Strafvordering, dat eveneens van toepassing is in correctionele zaken,
bepaalt dat indien een beklaagde schuldig wordt bevonden aan een misdrijf, de rechtbank de
straf uitspreekt en bij hetzelfde vonnis beslist over de vorderingen tot teruggave en tot scha
devergoeding.
De door deze bepalingen bedoelde teruggave houdt, naast het louter teruggeven van goe
deren die aan de eigenaar werden ontnomen en die in handen van het gerecht zijn gekomen,
elke maatregel in die beoogt de materiële gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf teniet
te doen, met als doel het herstel van de feitelijke toestand zoals die bestond voor het plegen
van het bewezen verklaarde misdrijf en dus de vrijwaring van het algemeen belang. De terug
gave kan ook bestaan uit de nietigverklaring van een (huur)overeenkomst.
De vordering van deze burgerlijke partij is gebaseerd op het misdrijf van de tenlastelegging A.2
dat is bewezen verklaard, namelijk het verhuren van een woning die niet voldeed aan de woon
kwaliteitsnormen van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (en voor 1 januari 2021 de Vlaamse
Wooncode). De rechtbank kan de huurovereenkomst nietig verklaren, zo het vaststelt dat de
huurovereenkomst is verkregen door het misdrijf. Aangezien dit het geval is nu de woning
reeds ongeschikt, onbewoonbaar en niet conform was op het moment van het aangaan van
de huurovereenkomst op 14 oktober 2020 verklaart de rechtbank de huurovereenkomst nietig
en veroordee lt zij beklaagden tot de teruggave van de huurgelden (10.000 euro) aan
. De rechtbank verwijst hiervoor naar de uitspraak van het Hof van Cassatie van 24 juni
2025 (Nr.
Nu de rechtbank geen kennis heeft van de oorzaak van het meer gevorderde, wijst de recht
bank het meer gevorderde af als ongegrond.
De vergoeding is te vermeerderen met interesten vanaf de gemiddelde datum die de recht
bank bepaalt op 30 juni 2021.
• Vordering
1. stelde zich burgerlijke partij lastens beide beklaagden. Deze vordering is tijdig
en regelmatig. Ze is ontvankelijk.
vordert 16.200 euro vermeerderd met interesten.
Beklaagden hebben betwisting gevoerd.
2. Artikel 44 Strafwetboek bepaalt dat de veroordeling tot de bij de wet gestelde straffen altijd
wordt uitgesproken, onverminderd de teruggave en de schadevergoeding die aan partijen
mochten zijn verschuld igd.
Artikel 161 Wetboek van Strafvordering, dat eveneens van toepassing is in correctionele zaken,
bepaalt dat indien een beklaagde schuldig wordt bevonden aan een misdrijf, de rechtbank de
straf uitspreekt en bij hetzelfde vonnis beslist over de vorderingen tot teruggave en tot scha
devergoeding .
Rolnummet Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr /
p.30
De door deze bepalingen bedoelde teruggave houdt, naast het louter teruggeven van goe
deren die aan de eigenaar werden ontnomen en die in handen van het gerecht zijn gekomen,
elke maatregel in die beoogt de materiële gevolgen van het bewezen verklaarde misdrijf teniet
te doen, met als doel het herstel van de feitelijke toestand zoals die bestond voor het plegen
van het bewezen verklaarde misdrijf en dus de vrijwaring van het algemeen belang. De terug
gave kan ook bestaan uit de nietigverklaring van een overeenkomst.
De vordering van deze burgerlijke partij is gebaseerd op het misdrijf van de tenlastelegging A.3
dat is bewezen verklaard, namelijk het verhuren van een woning die niet voldeed aan de woon
kwaliteitsnormen van de Vlaamse Codex Wonen van 2021 (en voor 1 januari 2021 de Vlaamse
Wooncode). De rechtbank kan de huurovereenkomst nietig verklaren, zo het vaststelt dat de
huurovereenkomst is verkregen door het misdrijf. Aangezien dit het geval is nu de woning
reeds niet conform was op het moment van het aangaan van de huurovereenkomst op 2 ok
tober 2020, verklaart de rechtbank de huurovereenkomst nietig en veroordeelt zij beklaagden
tot teruggave van de huurgelden (10.200 euro) aan . De rechtbank verwijst hier
voor naar de uitspraak van het Hof van Cassatie van 24 juni 2025 (Nr. Nu de in
criminatieperiode slechts loopt tot en met 9 maart 2022 zal de rechtbank geen teruggave doen
van eventueel nadien nog betaalde huurgelden. De rechtbank heeft niet te oordelen over de
huurwaarborg die zich op een geblokkeerde rekening bevindt nu dit geen eigendom is van de
verhuurder.
De rechtbank bepaalt de morele schade in billijkheid op 500 euro.
Deze burgerlijke partij heeft in totaal recht op een schadevergoeding van 10. 700 euro.
De vergoeding is te vermeerderen met interesten vanaf de gemiddelde datum die de recht
bank bepaalt op 30 juni 2021.
• Overige burqerliike belangen
Omdat de door beklaagden gepleegde misdrijven mogelijk nog andere schade hebben veroor
zaakt, houdt de rechtbank de overige burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig
artikel 4 van de Voorafgaande Titel wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.).
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de
misdrijven en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 -Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 191, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 31
art. 1, 2, 3, 5, 7, 7bis, 38, 39, 40, 41, 41bis, 42, 43, 43bis, 44, 45, 65, 66, 100 Strafwetboek;
alsmede de artikelen en wetsbepalingen aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor
omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van S maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1382 e.v. Oud Burgerlijk Wetboek;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van • eerste beklaagde
Spreekt vrij voor de tenlasteleggingen A.1 (voor wat betreft de periode van 20
april 2020 tot en met 31 maart 2021) en A.11 (voor wat betreft de periode van 9 juni 2018 tot
en met 30 juni 2018).
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A.1 (periode van 1 april 2021 tot en met 9-maart
2022), A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, A.7, A.8, A.9, A.10, A.11 (periode van 1 juli 2018 tot en met 8 juni
2023) en A.12 met de verzwarende omstandigheid dat er van de activiteit een gewoonte werd
gemaakt bewezen.
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen B.1 en B.2 met inbegrip van de verzwarende
omstandigheid bewezen.
Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.1 (periode van
1 april 2021 tot en met 9 maart 2022), A.2, A.3, A.4, A.5, A.6, A.7, A.81 A.9, A.10, A.11 (periode
van ljuli 2018 tot en met 8 jun] 2023}, A.12, B.1 en B.2, allen met inbegrip van de verzwarende
omstandigheid:
tot een geldboete van 80.000,00 EUR, zijnde 10.000,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke vah betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
re<:htbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 32
Bijzondere verbeurdverklaring
Beveelt de bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de artikelen 42 en 43bis
Strafwetboek van een bedrag van 60.000,00 EUR, zijnde de vermogensvoordelen die recht
streeks uit het misdrijf zijn verkregen.
Krachtens artikel 43bis, 3de lid van het Strafwetboek wijst de rechtbank de lastens de beklaagde
verbeurd verklaarde som van 10.000,00 EUR aan de burgerlijke partij, Penka lvanova, en de
verbeurd verklaarde som van 5.350,00 EURO aan de burgerlijke partij Erna Petkova toe.
Kosten
Veroordeelt tot betaling van:
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsb ljstand
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
-de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 191,73 EUR, ondeelbaar
veroorzaakt door de bewezen verklaarde tenlasteleggingen.
Ten aanzien van tweede beklaagde
Spreekt vrij voor de tenlasteleggingen A.1 (enkel wat betreft de periode van
20 april 2020 tot en met 31 maart 2021), A.4 en A.11 (enkel wat betreft de periode van 9 juni
2018 tot en met 30 juni 2018),
Verklaart de feiten van de tenlasteleggingen A.1 (periode van 1 april 2021 tot en met 9 maart
2022), A.2, A.3, A.5, A.6, A. 7, A.8, A.9, A.10, A.11 (periode van 1 juli 2018 tot en met 8 juni
2023) en A.12 met de verzwarende omstandigheid dat er van de activiteit een gewoonte werd
gemaakt bewezen.
Verklaart de tenlasteleggingen B.l en B.2 met inbegrip van de verzwarende omstandigheid
bewezen.
Rolnumme r Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 33
Veroordeelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A.1 (periode
van 1 april 2021 tot en met 9 maart 2022), A.2, A.3, A.5, A.6, A.7, A.8, A.9, A.10, A.11 (periode
van 1 juli 2018 tot en met 8 juni 2023) en A.12, B.1 en B.2, allen met inbegrip van de
verzwarende omstandigheid:
tot een geldboete van 80.000,00 EUR, zijnde 10.000,00 EUR verhoogd met 70
opdeciemen.
Bij'zondere verbeurdverklaring
Beveelt de bijzondere verbeurdverklaring overeenkomstig de artikelen 42 en 43bis
Strafwetboek van een bedrag van 60.000,00 EUR, zijnde de vermogensvoordelen die recht
streeks uit het misdrijf zijn verkregen .
Krachtens artikel 43bis, 3de lid van het Strafwetboek wijst de rechtbank de lastens de beklaagde
verbeurd verklaarde som van 5.350,00 EURO aan de burgerlijke partij Erna Petkova toe.
Kosten
Veroordee lt tot betaling van:
-een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR, zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
-een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
-een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
-de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 192,13 EUR, ondeelbaar
veroorzaakt door de bewezen verklaarde tenlastelegg ingen.
HERSTEL
Stelt vast dat de herstelvorderingen tnet betrekking tot de panden in
zonder voorwerp
zijn.
Rolnummer Dertigste kamer Vonnlsnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaander en, afdeling Gent p.34
... ,•,. .. -.t:,:-.~--=----------------------------
Beveelt aan het pand gelegen te :, kadastraal
gekend als ,, te herstellen door de nodige renovatie-,
verbeterings- of aanpassingswerken uit te voeren zodat de woning conform is aan de
veiligheids-, gezondheids- en woonkwaliteitsvereisten bedoeld in artikel 3.1 Vlaamse Codex
Wonen 2021;
beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van 10 maanden
na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 100
euro per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn;
machtigt, voor het geval het pand niet binnen de opgelegde termijn werd hersteld, de
wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van
ambtshalve in de uitvoering van de bevolen herstelmaatregel te voorzien, met de
daaraan verbonden kosten ten laste van de veroordeelde;
machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van
orn de kosten van eventuele herhuisvesting, bedoeld in artikel 3.33 Vlaamse
Codex Wonen, te verhalen op de veroordeelde.
Beveelt aan het pand gelegen te
:, kadastraa l gekend ., te herstellen door de
nodige renovatie-, verbeterings-of aanpassingswerken uit te voeren zodat de woning conform
is aan de veiligheids-, gezondhe ids-en woonkwaliteitsvereisten bedoeld in artikel 3.1 Vlaamse
Codex Wonen 2021;
beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van 12 maanden
na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 100
euro per veroordeelde en per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen
de gestelde termijn;
machtigt, voor het geval het pand niet binnen de opgelegde termijn werd hersteld, de
woon inspecteu r en het college van burgemeester en schepenen var ambtshalve
in de uitvoering van de bevolen herstelmaatregel te voorzien, met de daaraan verbonden
kosten ten laste van de veroordeelden;
machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van
om de kosten van eventuele herhuisvesting, bedoeld In artikel 3.33 Vlaamse Codex Wonen, te
verhalen op de veroordeelden .
Beveelt aan . het pand gelegen
:, kadastraa l gekend , te herstellen door de
nodige renovatie-, verbeterings- of aanpassingswe rken uit te voeren zodat de woning conform
is aan de veiligheîds-, gezondheids -en woonkwallteitsvereisten bedoeld in artikel 3.1 Vlaamse
Codex Wonen 2021;
Rolnummer Dertigste kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaandere n, afdeling Gent p. 35
beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van 12 maanden
na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 100
euro per veroordeelde en per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen
de gestelde termijn;
machtigt, voor het geval het pand niet binnen de opgelegde termijn werd hersteld, de
wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van de stad Gent ambtshalve
in de uitvoering van de bevolen herstelmaatregel te voorzien, met de daaraan verbonden
kosten ten laste van de veroordeelden;
machtigt de wooninspecteur en het college van burgemeester en schepenen van
om de kosten van eventuele herhuisvesting, bedoeld in artikel 3.33 Vlaamse Codex Wonen, te
verhalen op de veroordeelden.
OP BURGERLIJK GEBIED
• VorderinG
Verklaart de vordering van de burgerlijke partij
Verklaart de huurovereenkomst tussen
nietig. ontvankelijk en deels gegrond.
, met als zaakvoerder
Veroordeelt om aan de burgerlijke partij een bedrag van 10.000
euro te betalen voor de geleden schade, te vermeerderen met de vergoedende interesten aan
de wettelijke interestvoet vanaf 30 juni 2021 tot de datum van dit vonnis en vanaf dan te ver
meerderen met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke interestvoet tot de datum van
algehele betaling.
Zegt voor recht dat de aan de burgerlijke partij in toepassing van artikel 43bis,
3e lid Sw. toegewezen en betaalde sommen in mindering moeten worden gebracht van de
toegekende burgerlijke vordering .
• VorderinG
Verklaart de vordering van de burgerlijke partij
Verklaart de huurovereenkomst tussen
nietig. ontvankelijk en deels gegrond.
, met als zaakvoerder
Veroordeelt hoofdelijk om aan de burgerlijke partij
een bedrag van 10.700 euro te betalen voor de geleden schade, te vermeerderen met de ver
goedende interesten aan de wettelijke interestvoet vanaf 30 juni 2021 tot de datum van dit
Rolnummer Dertigste kamer
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent Vonnisnr I
p.36
vonnis en vanaf dan te vermeerderen met de gerechtelijke interesten aan de wettelijke inte
restvoet tot de datum van algehele betaling.
Zegt voor recht dat de aan de burgerlijke partij In toepassing van artikel 43bis, 3e
lid Sw. toegewezen en betaalde sommen In mindering moeten worden gebracht van de toe
gekende burgerlijke vordering.
• Overige burqer/iike belangen
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 18 november 2025 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30D1:
, rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van
de terechtzitting,
met bijstand van griffier