ARR:BM 4248.171
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Dendermonde
📅 2025-11-03
🌐 FR
Vonnis
veroordeling
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
15 juni 1935, 18 juli 2025, 29 juni 1964, Strafwetboek
Volledige tekst
Rolnummer Derti ende kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank p. 2
In de z
aak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDE
, RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
beklaagde, vertegenwoordigd door meester , advocaat te
1. TENLASTELEGGINGEN
Als dader
of mededader in de zin van artikel 66 van het Strafwetboek;
A. Optrekken of plaatsen van constructie zonder of in strijd met een geldige vergunning - feiten vanaf
01 maart 2018
Buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening, het optrekken of plaatsen van een constructie, met uitzondering van onderhoudswerken,
hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het
verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na
verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van
schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk :
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning, vóór 1 maart 2018 strafbaar door art. 6.1.1. lid 1, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening )
op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, eigendom van , geboren
, wonende te , bij akte d.d. 6 augustus 2015 verleden
door notaris te
1. door een bijgebouw met dakoppervlakte van ca. 56 m ² in de achtertuin te hebben opgericht
Te in de periode van 9 februari 2016 (stuk 70 - datum stedenbouwkundige vergunning voor
het verbouwen van de woning) tot en met 9 oktober 2018 (stuk 2 - datum 1e vaststellingen)
2. d
oor een carport met een hoogte van 2,5 meter en een oppervlakte van 40 m ² in de rechtse
bouwvrije strook te hebben opgericht
Te in de periode van 9 februari 2016 (stuk 70 - datum stedenbouwkundige vergunning voor
het verbouwen van de woning) tot en met 9 oktober 2018 (stuk 2 - datum 1e vaststellingen)
Rolnummer Derti ende kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank p. 3
B.
Functioneel samenbrengen van materialen tot constructie zonder of in strijd met een geldige
vergunning - feiten vanaf 01 maart 2018
Buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening, het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat, met
uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning
te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende
vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
namelijk :
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, b), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning, vóór 1 maart 2018 strafbaar door art. 6.1.1. lid 1, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening )
op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, eigendom van , geboren
, wonende te , bij akte d.d. 6 augustus 2015 verleden
door notaris te
door verhardingen te hebben aangelegd in de volledige voortuinstrook en beide zijtuinstroken in
klinkerverharding aflopend naar de straatzijde, waarbij de verharding werd aangelegd tot tegen de
weggrens
Te in de periode van 9 februari 2016 (stuk 70 - datum stedenbouwkundige vergunning voor
het verbouwen van de woning) tot en met 9 oktober 2018 (stuk 2 - datum 1e vaststellingen)
C.
Aanmerkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning - feiten
vanaf 01 maart 2018
Buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te
vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt,
hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het
verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na
verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van
schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd, namelijk :
(art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ;
art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning, vóór 1 maart 2018
strafbaar door art. 6.1.1. lid 1, 1° Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening )
op het perceel gelegen te , kadastraal gekend als
, eigendom van , geboren
, wonende te , bij akte d.d. 6 augustus 2015 verleden
door notaris te
Rolnummer Derti ende kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank p. 4
doo
r aanzienlijke reliëfwijzigingen te hebben uitgevoerd op de linker perceelsgrens, waarbij het niveau
aan de linkerzijde met ca. 1 meter werd verhoogd
Te in de periode van 9 februari 2016 (stuk 70 - datum stedenbouwkundige vergunning voor
het verbouwen van de woning) tot en met 9 oktober 2018 (stuk 2 - datum 1e vaststellingen)
*
* *
2. PROCEDURE
De r
echtbank nam kennis van de dagvaarding waardoor de zaak bij haar werd aanhangig gemaakt.
De dagvaarding werd overgeschreven op het bevoegde kantoor Rechtszekerheid.
De zaak werd behandeld op de openbare terechtzitting van 6 oktober 2025. De rechtbank hernam de
zaak van bij het begin, gelet op haar gewijzigde samenstelling.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde de aanwezige partijen ,
inclusief het openbaar ministerie in de persoon van , eerste substituut-procureur des Konings,
in haar vordering.
3. BEOORDELING OP STRAFGEBIED
3.1
. Overzicht van de feiten
Op 9
oktober 2018 werden een aantal bouwovertredingen vastgesteld bij de verbouwing van een
woning in de . De werken waren nog in uitvoering. De bouwfirma
was bezig aan de voortuin en de oprit. Aan de oprit links was de firma bezig met het leggen van stabilisé
en vervolgens stenen. Aan de voortuin was de firma bezig met het metselen van bloembakken en het
plaatsen van een stenen trap.
De eigenaar, beklaagde, stond aan de voordeur. Zij verklaarde dat ze niet wist dat ze voor de werken
een vergunning nodig had. De werken werden stilgelegd.
Beklaagde verklaarde dat ze bezig was met een renovatie van de oprit en de voortuin. Ze had een
architect aangenomen, , die vervolgens een aannemer aansprak, namelijk bouwfirma
3.2. Bespreking van de schuldvraag
1.
1.1.
Beklaag
de moet zich voor de rechtbank verantwoorden voor verscheidene stedenbouwkundige
inbreuken.
2.2.
De rechtbank merkt op dat tenlasteleggingen A tot en met C voorzien in incriminatieperiodes van een
zekere duur, terwijl het in casu gaat om aflopende misdrijven. Om die reden zal de rechtbank de initiële
dagvaarding verbeteren door telkens na de incriminatieperiode de woorden “ op een niet nader
bepaalde datum” toe te voegen. Deze verbetering wijzigt de ten laste gelegde feiten niet en het
verweer had er betrekking op.
Rolnummer Derti ende kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank p. 5
2.3.
Si
nds 1 maart 2018 is het Decreet van 25 april 2014 betreffende de handhaving van de
omgevingsvergunning in werking. De Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening werd grondig gewijzigd.
De handelingen vermeld onder tenlastelegging en A, B en C zijn nog steeds strafbaar gesteld. De
rechtbank verwijst hiervoor naar de artikelen zoals opgesomd in de dagvaarding. De straffen zijn
dezelfde gebleven.
2.
De rechtbank stelt vast dat beklaagde zich schuldig maakte aan het optrekken van verschillende
onvergunde constructies, met name een bijgebouw (tenlastelegging A.1) en een carport
(tenlastelegging A.2), dat zij onvergund verhardingen aanbracht (tenlastelegging B) alsook een
reliëfwijziging (tenlastelegging C).
De materialiteit van deze tenlasteleggingen werd in conclusie en op de terechtzitting van 6 oktober
2025 ook niet betwist. Wel voerde beklaagde aan dat zij zich liet bijstaan door een architect en een
aannemer en verzocht ze de vrijspraak bij gebrek aan moreel element.
De rechtbank merkt echter op dat, los van het feit dat beklaagde geen enkel stuk voorlegt waaruit blijkt
noch aannemelijk gemaakt wordt dat zij foutief zou zijn geadviseerd, beklaagde ter zake een
onderzoeksplicht heeft. Het blijft haar verantwoordelijkheid als bouwheer om zich op correcte wijze te
informeren en te onderzoeken of voor de concreet door h aar voorgehouden werkzaamheden een
stedenbouwkundige vergunning is vereist overeenkomstig de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening.
De rechtbank acht de feiten van tenlasteleggingen A, B en C bewezen in hoofde van beklaagde. De
feiten zijn haar toerekenbaar en de rechtbank zal h aar hiervoor veroordelen.
3.3. Straftoemeting
1.
De
rechtbank legt beklaagde overeenkomstig artikel 65, eerste lid Strafwetboek één straf op voor de
feiten van tenlasteleggingen A, B en C samen.
Bij het bepalen van straf en strafmaat houdt de rechtbank rekening met de aard, de objectieve ernst
en de omstandigheden waarin de feiten werden gepleegd, alsook met de persoon van beklaagde. De
rechtbank houdt tevens rekening met de doelen van de bestraffing zoals bepaald in artikel 7 van het
Strafwetboek, zoals gewijzigd bij wet van 18 juli 2025 houdende maatregelen met het oog op de
vermindering van de overbevolking in de gevangenissen en tot invoering van de principiële
onmogelijkheid om het elektronisch toezicht uit te voeren op de plaats waar het slachtoffer verblijft
(B.S. 4 augustus 2025, in werking getreden op 4 augustus 2025) dat ingevolge artikel 2 van het
Strafwetboek als mildere strafwet van toepassing is.
2.
Beklaagde stoorde zich niet aan de stedenbouwkundige vergunningsplicht. Zij startte de bewezen
verklaarde werken zonder vergunning. Beklaagde plaatste daarmee haar eigenbelang en profijt boven
het belang van een goede ruimtelijke ordening.
3.
Beklaagde verzocht in ondergeschikte orde om de gunst van de opschorting. Het openbaar ministerie
adviseerde ter zake positief.
Rolnummer Derti ende kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank p. 6
De r
echtbank kent beklaagde de gunst van de opschorting toe, gelet op het gegeven dat zij nog niet
eerder voor soortgelijke feiten werd veroordeeld en gelet op het feit dat beklaagde zich intussen
volledig in regel stelde. Indien zij nieuwe misdrijven pleegt, kan de opschorting worden herroepen, met
alle gevolgen van dien. Hopelijk werkt deze gedachte preventief.
Gelet op de relatieve ernst van de bewezen verklaarde feiten, bepaalt de rechtbank de duur van de
opschorting op 3 jaar.
4. HERSTELVORDERING
Gelet
op de tussengekomen regularisatievergunning en op het tussengekomen herstel, verklaart de
rechtbank de herstelvordering – zoals door het openbaar ministerie gevorderd op de terechtzitting van
6 oktober 2025 – zonder voorwerp.
5. BEOORDELING OP BURGERLIJK GEBIED
Omda
t de door beklaagde gepleegde en bewezen verklaarde feiten mogelijk schade hebben
veroorzaakt, houdt de rechtbank de burgerlijke belangen ambtshalve aan, overeenkomstig artikel 4 van
de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering (art. 4 V.T.Sv.).
6. TOEGEPASTE WETTEN
De b
ijzondere wetten zoals vermeld in punt 1. Tenlasteleggingen;
Wet van 15 juni 1935, art. 2, 11 tot 14, 21 tot 24, 31 tot 37, 40, 41;
Wetb. van strafvordering, art. 162, 182, 184, 185, 189, 190, 190ter, 194, 195;
Strafwetboek, art. 2, 65, eerste lid, 66;
Art. 6 Programmawet II van 27.12.2006;
Wet van 29 juni 1964, art. 3 en 6; gew.W. 10.2.1994 & W.22.3.99; (opschorting);
BESLISSING
De rechtbank beslist OP TEGENSPRAAK ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
De r
echtbank:
- VERBETERT de dagvaarding door telkens na de incriminatieperiode in tenlasteleggingen A, B
en C de woorden “op een n iet nader bepaalde datum ” toe te voegen;
- verklaa
rt beklaagde SCHULDIG aan de feiten van tenlasteleggingen A, B en C;
- GELAST de GEWONE OPSCHORTING van de uitspraak van de veroordeling van beklaagde
gedurende een proeftermijn van 3 jaar .
Rolnummer Derti ende kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, sectie correctionele rechtbank p. 7
Bij
drage - vergoeding - kosten
De r
echtbank veroordeelt beklaagde tot betaling van:
- een bijdrage van 26,00 euro aan het Begrotingsfonds voor juridische tweedelijnsbijstand;
- een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt 61,01 euro;
- de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 297,01 euro .
HERSTEL
De r
echtbank verklaart de herstelvordering zonder voorwerp .
OP BURGERLIJK GEBIED
De r
echtbank houdt de beslissing over de burgerlijke belangen ambtshalve aan.
Alles gebeurde in de Nederlandse taal overeenkomstig de wet van 15 juni 1935.
Dit vonnis is in openbare terechtzitting uitgesproken op 3 NOVEMBER 2025 door de rechtbank van
eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Dendermonde, D13M kamer, samengesteld uit:
, rechter, voorzitter van de D13M kamer,
In aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting,
Met bijstand van griffier