ARR:BM 4299.120
🏛️ Rechtbank eerste aanleg Gent
📅 2025-11-04
🌐 FR
Vonnis
Rechtsgebied
strafrecht
Geciteerde wetgeving
1 augustus 1985, 15 juni 1935, 17 april 1878, 19 maart 2017, 28 december 1950
Volledige tekst
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 2
In de
zaak van het openbaar ministerie tegen:
BEKLAAGDE:
, RRN
geboren
van Belgische nationaliteit
ingeschreven te
beklaagde, bijgestaan door meester , advocaat te ,
, loco meester advocaat te
en meester loco meester ,
beiden advocaat te .
TENLASTELEGGINGEN
Als dader of mededader in de zin van artikel 66 van het strafwetboek;
A afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van constructie zonder of in strijd met
een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een
constructie, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor
stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden,
hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval,
vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval
van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3°, 6°, 9° en 12°, 4.2.1., 1°, c), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende
de omgevingsvergunning)
namelijk door een woonhuis en een landbouwstal te hebben verbouwd,
op een perceel gelegen te kadastraal gekend als
eigendom van ( ), verleden bij
akte dd. 20/12/2019 bij notaris te , verkoper
te in de periode van 1 april 2021 tot en met 27 september 2021
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 3
B functi
oneel samenbrengen van materialen tot constructie zonder of in strijd met een
geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een
constructie ontstaat, met uitzondering van onderhoudswerken, hetzij zonder voorafgaande
stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor
stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden,
hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval,
vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval
van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.1.1., 3° en 9°, 4.2.1., 1°, b), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de
omgevingsvergunning)
namelijk door 376m2 grindverharding te hebben aangelegd,
op een perceel gelegen te kadastraal gekend als
eigendom van verleden bij
akte dd. 20/12/2019 bij notaris te verkoper
te in de periode van 1 april 2021 tot en met 27 september 2021
C gewoo
nlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van grond voor opslaan van gebruikte of
afgedankte voertuigen, allerlei materialen, materieel of afval zonder of in strijd met een
geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het gewoonlijk gebruiken, aanleggen of inrichten van een grond voor
het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of
afval, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning, verkavelingsvergunning,
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of omgevingsvergunning voor
het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende vergunning te hebben
uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de termijn van de betreffende
vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende vergunning, verder te hebben
uitgevoerd,
(art. 4.2.1., 5°, a), 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
namelijk door houten balken, kunstof afvoerbuizen, steenpuin, houtafval, boilers, oud ijzer
en andere bouwmaterialen te hebben opgeslagen,
op een perceel gelegen te kadastraal gekend als
eigendom van ), verleden bij
akte dd. 20/12/2019 bij notaris te , verkoper
te in de periode van 1 april 2021 tot en met 27 september 2021
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 4
D aanm
erkelijk wijzigen van reliëf van bodem zonder of in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door
de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie
van het terrein wijzigt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige vergunning,
verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of
omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de betreffende
vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken van de
termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.2.1., 4°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
namelijk door achter de landbouwstal een ophoging van 40 cm van het terrein te hebben
gedaan en door een drainagesleuf te hebben gegraven,
op een perceel gelegen te kadastraal gekend als
eigendom van ), verleden bij
akte dd. 20/12/2019 bij notaris te , verkoper
te in de periode van 1 april 2021 tot en met 27 september 2021
E gehe
el of gedeeltelijk wijzigen van hoofdfunctie van bebouwd onroerend goed zonder of
in strijd met een geldige vergunning
buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2. tot en met 4.2.4. van de Vlaamse Codex
Ruimtelijke Ordening, het geheel of gedeeltelijk wijzigen van de hoofdfunctie van een
bebouwd onroerend goed, indien de Vlaamse Regering deze functiewijziging als
vergunningsplichtig heeft aangemerkt, hetzij zonder voorafgaande stedenbouwkundige
vergunning, verkavelingsvergunning, omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige
handelingen of omgevingsvergunning voor het verkavelen van gronden, hetzij in strijd met de
betreffende vergunning te hebben uitgevoerd, hetzij na verval, vernietiging of het verstrijken
van de termijn van de betreffende vergunning, hetzij in geval van schorsing van de betreffende
vergunning, verder te hebben uitgevoerd,
(art. 4.2.1., 6°, 4.2.2., 4.2.3., 4.2.4., 6.2.1. lid 1, 1°, en 6.3.1. § 1 Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening ; art. 5, 1°, a), en 6 lid 1 Decreet 25 april 2014 betreffende de omgevingsvergunning)
namelijk door de functie van een varkensstal te hebben gewijzigd van landbouw naar
wonen, door de stal te verbouwen tot bewoonbare hobbyruimte met keuken, toilet,
badkamer en living,
op een perceel gelegen te , kadastraal gekend als
eigendom van verleden bij
akte dd. 20/12/2019 bij notaris te verkoper
te in de periode van 1 april 2021 tot en met 27 september 2021
Rolnummer Dertigst e kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 5
PROCEDURE
D
e dagvaarding werd op 18 februari 2025 overgeschreven op het kantoor Rechtszekerheid te
. Zij vermeldt de kadastrale omschrijving van het onroerend goed dat het
voorwerp is van de tenlasteleggingen en identificeert de eigenaar ervan zoals voorgeschreven
door de wetgeving inzake hypotheken.
De behandeling en de debatten van de zaak hadden plaats in openbare terechtzitting.
De rechtspleging verliep in de Nederlandse taal.
De rechtbank nam kennis van de stukken van de rechtspleging en hoorde alle aanwezige
partijen.
Het openbaar ministerie heeft haar vordering geformuleerd ter zitting.
BEOORDELING OP STRAFGEBIED
Overzicht van de feiten
x. De bekl
aagde is de eigenaar van het perceel gelegen te
Het perceel is gelegen in Natuurgebied en in het habitatrichtlijngebied
Het is tevens gedeeltelijk gelegen in het VEN –
gebied ‘ ’.
x. Op 3 februari 1986 werd voor het perceel een vergunning verleend voor het bouwen van
een kweekvarkensstal. Op 2 juli 1992 werd een vergunning geweigerd voor het uitbreiden van
de bestaande zeugenstal. Op 5 mei 2020 was er een aanmaning van het VLM voor het lozen
van mest en op 27 mei 2020 werd daarvoor een PV opgesteld.
x. Op 8 juni 2021 ging , verbalisant ruimtelijke ordening verbonden aan de
afdeling Handhaving van het Departement Omgeving , ter plaatse daar ANB
een klacht indiende over de aanleg van een soort weg naast de stal en de verbouwing van een
woning. Die dag stelde ze vast dat achter de stal een reliëfwijziging werd doorgevoerd waarbij
her en der een hoop aarde over het talud werd gestort. Ter hoogte van de achtergevel werd
een sleuf, deels gevuld met steenslag, aangelegd. De beklaagde werd op 25 augustus 2021
door het departement Omgeving – Handhaving aangemaand wegens het uitvoeren van
grondwerken en het verbouwen van een stal zonder omgevingsvergunning in natuurgebied
(stuk 63). De beklaagde werd aangemaand om de schending ongedaan te maken door ofwel
binnen de drie maanden een regularisatievergunning te bekomen en het daarna uitvoeren van
deze vergunning dan wel binnen een termijn van drie maanden de toestand in oorspronkelijke
staat te herstellen dan wel het aanvragen van een minnelijke schikking gevolgd door het
herstel in overleg met de stedenbouwkundig inspecteur of burgmeester.
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 6
x. Op 27
september 2021 vond een nacontrole plaatst in het bijzijn van de vader van de
beklaagde en (medewerker van het bedrijf en
voormalig schepen en op het ogenblik van de controle gemeenteraadslid van ). Er werd
vastgesteld dat:
- het dak van het bijgebouw, horend bij de hoeve, afgebroken werd;
- de voormalige hoeve afgebroken werd;
- op het binnenplein verschillende stapels steenpuin, houtafval, houten balken, kunst-
stof afvoerbuizen, werkmateriaal, oud ijzer, isolatie, dakpannen, paletten, nieuwe snel-
bouwstenen op paletten, stellingen, metserschoren, oude boilers, bouwma-
chientjes,…lagen;
- aan het hoofdgebouw van de hoeve op het gelijkvloers een raamopening gewijzigd
werd en op het eerste verdiepwaren er werken in uitvoering waren aan een raamope-
ning;
- het dak van het bijgebouw, aanpalend aan het hoofdgebouw, volledig verwijderd werd,
er werden nieuwe raam- of deuropeningen gemaakt, de binnenruimte werd herbouwd
en geïsoleerd, er stonden verschillende metserschoren en stellingen;
- in gebouw D werd afbraakmateriaal gestapeld.
deelden mee dat het niet de bedoeling was om de
werken zo uitgebreid te doen maar door het uitvoeren van binnenwerken merkten ze de zeer
slechte staat van het gebouw op en zo werd telkenmale meer en meer afgebroken om dan
terug te bouwen met hetzelfde volume. De eigenaar, de beklaagde, zou niet geweten hebben
dat deze werken vergunningsplichtig waren.
Verder werd ter plaatse vastgesteld dat in de stal nieuwe ramen werden aangebracht waaraan
rolgordijnen werden aangebracht, dat er een laminaatvloer werd gelegd, dat de muren
bepleisterd waren en dat er electriciteitsvoorzieningen waren. Meerdere raamopeningen
werden dichtgemetseld. In de grond langs de stal buiten werd een drainage aangelegd met de
bedoeling deze op te vullen met steenslag. In het pad langs de stal werden her en der grote
steenbrokken aangetroffen. Er werd vastgesteld dat de stal verkleind werd en dat in de zijgevel
een grote poort en deur werd aangebracht, zonder verguning. Ook de grond werd verhard met
steenslag. Het dak van de stal werd vernieuwd met geïsoleerde dakplaten en er werden
werken uitgevoerd aan de raamopeningen. Er werden twee grote stenen regenwaterputten in
de grond aangebracht. Aangezien de stal gesloten was en er geen sleutels beschikbaar waren,
kon dit pand niet betreden worden.
x. Op 27 september 2021 werd een stakingsbevel voor het verbouwen van een woonhuis en
de varkensstal ter plaatse mondeling opgelegd (stuk 25). De vader van de beklaagde
ondertekende de kennisname van dit bevel. De gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur
heeft dit stakingsbevel bekrachtigd op 4 oktober 2021. De staking werd bevolen ten aanzien
van alle werken, handelingen en wijzigingen. Het stakingsbevel werd gegeven om verdere
schade aan de goede ruimtelijke ordening in natuurgebied te voorkomen (stuk 28-29). Foto’s
van de verrichte vaststellingen op 8 juni 2021, 27 september 2021 werden aan het dossier
gevoegd.
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 7
x. Op 13
oktober 2021 deelde de natuurinspecteur aan
mee dat zij bij het graven van drie putjes op het talud achter de varkensstal
vaststelde dat er sprake was van een ophoging van zeker 40 cm. Op de wandelweg was er
erosie door de opgehoogde aarde die afspoelde. Op het talud lag er aarde op de vegetatie.
Foto’s van deze vaststellingen werden gevoegd (stuk 66 ev).
x. De beklaagde werd op 7 januari 2022 met bijstand van zijn raadsman verhoord. Hij
verklaarde de enige eigenaar van het perceel te zijn en zelf de werken te hebben uitgevoerd.
Hij begon daarmee eind juli 2021 tot de stillegging van de werken op 26 september 2021 d.m.v.
het stakingsbevel. Hij heeft nadien geen werken meer uitgevoerd. Voor de werken was er geen
toezicht door een architect en werd er geen aannemer gecontacteerd. Hij heeft thans een
architect geraadpleegd met de bedoeling een regularisatiedossier in te dienen. Hij ging ervan
uit dat hij geen omgevingsvergunning voor de werken nodig had aangezien het slechts een
verbouwing betreft binnen de bestaande volumes. De werken zijn privématig, hij heeft de
bedoeling om daar later te gaan wonen.
x. Er werd een nacontrole verricht op 25 januari 2022. Er werd vastgesteld dat het
stakingsbevel gerespecteerd werd. In het bijzijn van de beklaagde werd een rondgang in de
stal verricht. Daarbij werd vastgesteld dat één vijfde van de stal omgebouwd werd tot een
hobbyruimte met keuken, badkamer, toilet en living. In deze ruimte waren de muren
gepleisterd en lag er een vloer. Er is elektriciteit, verlichting en verwarming aanwezig. Foto’s
van deze vaststellingen werden gevoegd.
x. Op 9 februari 2022 liet de natuurinspecteur weten dat de ophoging en de verbreding aan
de talud langs de stal onveranderd was. De sleuf tegen de achtergevel van de stal werd dicht
gedaan met aarde.
x. Op 19 maart 2022 diende de beklaagde een aanvraag tot regularisatievergunning in voor
het verbouwen van een eengezinswoning en woningbijgebouw en de exploitatie van een
klasse 3 inrichting voor het stallen van 6 voertuigen en/of aanhangwagens. Op 13 september
2022 verleende het College van Burgemeester en Schepenen een voorwaardelijke vergunning.
De regularisatie voor (1) de functiewijziging van de varkensstal naar een opslagruimte voor
oldtimers; (2) de wijziging van de exploitantenwoning naar een residentiële eengezinswoning,
(3) de functiewijziging van de aangebouwde stalling aan de exploitantenwoning naar
woningbouw en (4) de aanleg van de grindverharding van 376 vierkante meter naar de
varkensstal dienende voor de opslagruimte voor oldtimers werd afgewezen: “ Conclusie: uit
bovenstaande motivering blijkt dat de aanvraag in strijd is met de geldende wettelijke en
reglementaire bepalingen en bijgevolg eveneens de goede plaatselijke ordening en zijn
onmiddellijke omgeving in het gedrang brengt. ” De zes stelplaatsen voor oldtimer-tractoren
werd voorwaardelijk vergund waaronder het naleven van het voorwaardelijk advies van het
Agentschap voor Natuur en Bos van 7 juni 2022: “de groenafwerking tov het VEN-gebied moet,
zoals aangegeven, voorzien worden en in stand gehouden blijven”.
Tegen de weigeringsbeslissing voor het verbouwen van een eengezinswoning en
woningbijgebouw werd beroep aangetekend bij de Deputatie. De Deputatie besliste op 2
maart 2023 dat: “De aanvraag doorstaat de erfgoedtoets, natuurtoets, juridische toets en de
toetsing aan de voorwaarden IIOA niet. Op basis van de aanvraag met de
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 8
omgevingsvergunning – referentie ingediend door . dient de
omgevingsvergunning te worden geweigerd.
x. Op 28 maart 2022 werd een nacontrole uitgevoerd. Er werd vastgesteld dat het
stakingsbevel omtrent de bouwwerken aan de hoeve gerespecteerd werd en er geen verdere
werken gebeurden. De beklaagde verklaarde dat de stal nog steeds gebruikt wordt voor het
stallen van landbouwvoertuigen en materiaal. De talud was onveranderd. Op het binnenplein
lagen er nog steeds verschillende stapels steenpuin, houtafval, en ander bouwafval. Uit
navraag bij de dienst Burgerzaken en de lokale wijkinspecteur blijk dat de beklaagde toen
woonachtig was in de stal. De vaststellingen werden gevoegd aan het dossier.
x. Op 9 oktober 2023 leidde de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur een herstelvordering
in bij het parket, meer bepaald het herstel in de oorspronkelijke staat door:
- het verwijderen van aangebouwde stalling (in opbouw) aan de exploitantenwoning en de
grondig herbouwde varkensstal. Dit houdt eveneens het opvullen van de bouwput met zuivere
teelaarde en de verwijdering van alle afbraakmaterialen naar een daartoe bestemde
stortplaats in;
- het herstel van de gevelopeningen in de linkerzijgevel en achtergevel van de woning in de
oorspronkelijke staat, dit impliceert
het dichten van de deuropening en het herplaatsen van de raamopening in de achter-
gevel, cfr. bijgevoegde gevelaanzichten (bestaande toestand regularisatie aanvraag)
het dichten van twee gevelopeningen in de linkerzijgevel
- het verwijderen van de aanzienlijke verharding (deels tweede toegangsweg naar varkensstal)
én de doorgevoerde reliëfwijziging ten oosten van de woning voor de stalling tot het
oorspronkelijke maaiveld;
- het afgraven van het bovenste vlakke gedeelte van de talud, de blekere laag, over een diepte
van 40cm, en de talud zelf over ongeveer 18cm, daar waar de vegetatie niet meer zichtbaar is;
het verwijderen van de door erosie reeds afgespoelde opgehoogde aarde op de wandeweg;
- het verwijderen van alle materiaal/materieel en afval, zoals het bouwmateriaal, de
herashekkens, etc.
Een uitvoeringstermijn van 12 maanden wordt ruimschoots voldoende geacht. Een dwangsom
van 250 euro per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van het vonnis/arrest binnen de
gestelde termijn wordt gevorderd.
Op grond van artikel 6.3.4 §1 VCRO wordt tevens gevraagd om de burgemeester en de
stedenbouwkundig inspecteur machtiging te verlenen tot het uitvoeren van het bevolen
herstel op kosten van de veroordeelde.
x. Uit de stukken door de beklaagde neergelegd op de zitting van 2 september 2025 blijkt dat
het College van Burgemeester en Schepenen op 9 september 2024 een voorwaardelijke
omgevingsvergunning verleende. Hiertegen werd beroep aangetekend en op 24 april 2025
werd een weigering verleend voor onder meer de werken aan de woning, woningbijgebouw
en functiewijziging van de stal. Deze beslissing in beroep wordt door de beklaagde niet
gevoegd als stuk. De beklaagde heeft op 12 juni 2025 een verzoekschrift ingediend tot
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 9
nietigverklaring van deze weigeringsbeslissing van de Deputatie bij de Raad voor
Vergunningsbetwistingen. Hierover blijkt nog geen uitspraak te zijn.
Bespreking van de tenlasteleggingen
Tenlastel
egging A
Onder deze tenlastelegging wordt de beklaagde vervolgd voor het verbouwen van een
woonhuis en een landbouwstal zonder omgevingsvergunning, te in de periode van 1
april 2021 tot en met 27 september 2021.
De beklaagde stelt dat de dagvaarding niet verduidelijkt welke verbouwingswerken er exact
geviseerd worden onder deze tenlastelegging. Hij vraagt in ieder geval te worden vrijgesproken
voor de vrijgestelde stedenbouwkundige handelingen indien de rechtbank zou menen
hiervoor gevat te zijn onder deze tenlastelegging.
De rechtbank stelt vast dat zij niet gevat is om te oordelen over vrijgestelde
stedenbouwkundige handelingen zoals opgesomd onder punt 49 van de conclusies van de
beklaagde aangezien deze handelingen duidelijk uitgesloten worden in de aanhef van de
tenlastelegging A: “buiten de gevallen bedoeld in de artikelen 4.2.2 tot en met 4.2.4 van de
Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (….)”. De rechtbank dient dan ook de door de beklaagde
opgesomde vrijgestelde werken niet verder te ontmoeten nu zij niet gevat is om daarover te
oordelen.
Wat betreft de vergunningsplichtige handelingen, stelt de rechtbank vast dat er ten gronde
geen discussie wordt gevoerd. De beklaagde werpt wel op dat de redelijke termijn
overschrijden is zonder te stellen dat de strafvordering hierdoor onontvankelijk is. D e
eventuele overschrijding van de redelijke termijn wordt dan ook nader ontmoet bij de
motivering inzakede straftoemeting.
De rechtbank oordeelt verder ten gronde op grond van de gegevens van het strafdossier en
meer bepaald:
- de diverse vaststellingen ter plaatse van de bevoegde verbalisant ruimtelijke ordening
Natasja Timmerman,
- de fotodossiers die deze vaststellingen staven;
- de aanmaning van de beklaagde dd. 25 augustus 2021 dewelke door hem niet betwist
werd;
- de motivering van het stakingsbevel dd. 27 september 2021 zoals bekrachtigd door de
gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur op 4 oktober 2021;
- de verklaring van de beklaagde in zijn verhoor waarbij hij niet betwist het woonhuis en
de landbouwstal te hebben verbouwd zonder voorafgaande omgevingsvergunning;
dat de feiten zoals omschreven onder deze tenlastelegging en met de daarin voorziene
incriminatieperiode bewezen is in hoofde van de beklaagde. De verklaring van de beklaagde
dat hij ervan uitging dat hij geen vergunning nodig had voor deze werken, toont de
onachtzaamheid aan waarmee hij gehandeld heeft. Onachtzaamheid volstaat om het
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 10
constitutief moreel bestanddeel van het aan hem ten laste gelegde misdrijf b ewezen te
verklaren.
De tenlastelegging is bewezen.
Tenlastelegging B
Onder deze tenlastelegging wordt de beklaagde vervolgd voor het aanleggen van 376
vierkante meter grindverharding te in de periode van 1 april 2021 tot en met 27
september 2021, zonder voorafgaande omgevingsvergunning, te in de periode van 1
april 2021 tot en met 27 september 2021.
De beklaagde stelt dat uit de tenlastelegging niet duidelijk blijkt over welke grindverharding
het gaat. Het kan volgens hem gaan om de grindverharding op de binnenkoer (332,28
vierkante meter) dan wel om de grindverharding naar de stal. In beide gevallen dringt volgens
hem zijn vrijspraak op nu de grindverharding op de binnenkoer geacht wordt vergund te zijn
en de verharding van de weg naar de stal een strikt noodzakelijke toegang betreft hetgeen
vrijgesteld zou zijn van vergunning op grond van artikel 2.1.9 Vrijstellingsbesluit.
De rechtbank stelt vast dat het ten laste gelegde feit onder deze tenlastelegging wel degelijk
de grindverharding van 376 vierkante meter naar de varkensstal betreft. De beklaagde weet
dit ook maar al te goed gelet ook dit feit deel uitmaakte van zijn regularisatieaanvraag
ingediend op 19 maart 2022: “er wordt een grindverharding aangelegd naar de varkensstal,
die opslagruimte voor oldtimers wordt: om de stal toegankelijk te maken, werd een
grindverharding aangelegd met een oppervlakte van 376,00 vierkante meter ”.
De beklaagde kan zich wat betreft deze feiten niet nuttig steunen op artikel 2.1.9°
Vrijstellingenbesluit aangezien het perceel gelegen is in natuurgebied hetgeen een ruimtelijk
kwetsbaar gebied (artikel 12/1.1 Vrijstellingenbesluit) en derhalve niet voor vrijstelling in
aanmerking komt.
Gelet op de vaststellingen van de bevoegde verbalisant ruimtelijke ordening en de foto’s die
deze vaststelling inzake de aangebrachte grindverharding staven, zijn de feiten onder deze
tenlastelegging zoals gekwalificeerd met de daarin voorziene incriminatieperiode bewezen in
hoofde van de beklaagde.
Tenlastelegging C
Onder deze tenlastelegging wordt de beklaagde vervolgd voor het gewoonlijk gebruik,
aanleggen of inrichten van grond voor opslag van allerlei materialen, materieel of afval zonder
omgevingsvergunning namelijk door houten balken, kunststof afvoerbuizen, steenpuin,
houtafval, boilers, oud ijzer en andere bouwmaterialen te hebben opgeslagen; te Brakel in de
periode van 1 april 2021 tot en met 27 september 2021.
De beklaagde betwist deze tenlastelegging en stelt dat het gaat om een tijdelijke opslag van
afval en materialen in het kader van de tijdelijke afbraak- en verbouwingswerken zodat geen
vergunning nodig is. Hij vraagt voor deze tenlastelegging te worden vrijgesproken.
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 11
Op grond
van de gegevens van het strafdossier en in het bijzonder gelet op de meerdere
vaststellingen van de bevoegde inspectiediensten waarbij telkenmale werd vastgesteld dat de
beklaagde de grond op de in de dagvaarding geviseerde perceel in de hem ten laste gelegde
periode stelselmatig en onafgebroken gebruikte voor de opslag van allerhande materiaal en
materieel dienende voor het uitvoeren van de illegale bouwwerken ter plaatste, is er naar het
oordeel van de rechtbank wel degelijk sprake van een gewoonlijk gebruik van deze grond in de
zin van artikel 4.2.1,5° en 6.1.1, eerste lid, 1° VCRO en waren deze handelingen
vergunningsplichtig. Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de beklaagde voor deze
werken geen omgevingsvergunning had.
De feiten onder deze tenlastelegging met de daarin voorziene incriminatieperiode zijn
bewezen in hoofde van de beklaagde.
Tenlastelegging D
Onder deze tenlastelegging wordt de beklaagde vervolgd voor de aanmerkelijke reliëfwijziging
van de bodem meer bepaald door achter de landbouwstal een ophoging van 40cm van het
terrein te hebben gedaan en door een drainagesleuf te hebben gegraven, te in de
periode van 1 april 2021 tot en met 27 september 2021.
De beklaagde argumenteert ook hier dat deze werken vrijgestelde onderhoudswerken zijn.
Uit de gegevens van het strafdossier blijkt dat de ophoging van de grond achter de
landbouwstal maar liefst 40 centimeter bedroeg en dat een drainagesleuf werd gegraven. Deze
werken betreffen geen loutere onderhoudswerken zoals geargumenteerd door de beklaagde.
Deze werken gaan immers verder dan het louter bewaren van de grond in goede staat van
onderhoud. De rechtbank steunt zich daarbij op de vaststellingen van de natuurinspecteur en
de foto’s waaruit blijkt dat het wel degelijk om een aanmerkelijke reliëfwijziging gaat. Deze
werken zijn bovendien niet vrijgesteld van vergunning gelet deze uitgevoerd werden op een
perceel gelegen in natuurgebied.
De feiten onder deze tenlastelegging met de daarin voorziene incriminatieperiode zijn
bewezen in hoofde van de beklaagde.
Tenlastelegging E
Onder deze tenlastelegging wordt de beklaagde vervolgd voor de wijziging van de hoofdfunctie
van bebouwd onroerend goed namelijk door de functie van een varkensstal te hebben
gewijzigd van landbouw naar wonen, door de stal te verbouwen tot bewoonbare hobbyruimte
met keuken, toilet, badkamer en living, te in de periode van 1 april 2021 tot en met 27
september 2021.
De beklaagde heeft omtrent deze tenlastelegging geen betwisting gevoerd.
De rechtbank oordeelt op grond van de gegevens van het strafdossier en meer bepaald:
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 12
- de diverse vaststellingen ter plaatse van de bevoegde verbalisant ruimtelijke ordening
,
- de f
otodossiers die deze vaststellingen staven;
- de aanmaning van de beklaagde dd. 25 augustus 2021 dewelke door hem niet betwist
werd;
- de motivering van het stakingsbevel dd. 27 september 2021 en bekrachtigd door de
gewestelijke stedenbouwkundig inspecteur op 4 oktober 2021;
- de verklaring van de beklaagde in zijn verhoor waarbij hij niet betwist de functie van
de varkensstal en stal naar een woonfunctie zoals omschreven in de tenlastelegging,
dat de feiten onder deze tenlastelegging met de daarin voorziene incriminatieperiode
bewezen in hoofde van de beklaagde.
De straftoemeting
De bewe
zen feiten van de telastleggingen A, B, C, D en E werden gepleegd met eenzelfde
misdadig opzet in hoofde van de beklaagde, zodat voor deze feiten samen overeenkomstig
artikel 65, eerste lid Strafwetboek één straf moet worden toegepast.
Bij de straftoemeting houdt de rechtbank naast de ernst van de feiten tevens rekening met de
begeleidende omstandigheid, de eventuele strafverzwarende factoren en de individuele
persoonlijkheid van de beklaagde zoals die kan blijken uit zijn strafverleden.
De door de beklaagde gepleegde en bewezen verklaarde misdrijven vertonen een objectieve
ernst. Als eigenaar van een perceel gelegen in natuurgebied en VEN-gebied te
waarop een woonhuis en landbouwstal staan, heeft de beklaagde bij het uitvoeren van
verbouwingen in het licht om daar zelf residentieel te gaan wonen en oldtimers te stallen, geen
oog gehad voor de verplichtingen die gelden voor de handelingen die hiermee gepaard gaan.
Hij had enkel zijn eigen doel voor ogen en heeft zich op geen enkel ogenblik ingelicht omtrent
de voorafgaande vergunningsplicht van de door hem uitgevoerde werken. Het gebied is
nochtans gelegen in het Habitatrichtlijngebied
alsook is het gedeeltelijk gelegen in een VEN-gebied. Dergelijke gebieden
genieten terecht een prioritaire behandeling omwille van hun ruimtelijke kwetsbaarheid.
Uit de gegevens van het dossier blijkt bovendien dat beklaagde op een vrij amateuristische
wijze tewerk ging nu er geen opvolging door een architect was en de beklaagde het terrein
langdurig gebruikte met materieel en materialen in functie van de aan gang zijnde illegale
werken. Hij had daarbij geen aandacht voor de belangen van de omgeving, die van belang is
voor de gemeenschap. De beklaagde heeft bovendien het reliëf van de bodem aanzienlijk
gewijzigd door deze 40 centimeter op te hogen en een drainagesleuf aan te brengen. Deze
werken zijn nefast in een natuurgebied wanneer deze op ongecontroleerde wijze uitgevoerd
worden. Deze nefaste gevolgen blijken ten andere ook afdoende uit de bijgevoegde foto’s van
de inspectie.
De handelswijze van de beklaagde bracht kosten voor de gemeenschap tot gevolg, onder meer
in de vorm van de inzet van diverse inspectie- en justitiële diensten.
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 13
Bij he
t bepalen van de strafmaat houdt de rechtbank rekening met de nog jonge leeftijd van
de beklaagde op het ogenblik van het plegen van de feiten zijnde jaar oud en zijn
blanco strafverleden. Tevens houdt de rechtbank rekening met het gegeven dat de beklaagde
het stakingsbevel van 27 september 2021 steeds gerespecteerd heeft met die nuance dat uit
het strafdossier wel blijkt dat de beklaagde nog ter plaatse is blijven wonen doorheen het
opsporingsonderzoek.
De verdediging van de beklaagde stelt dat de redelijke termijn in deze zaak is geschonden. De
rechtbank sluit zich aan bij deze stelling van de verdediging. De aanvang van de redelijke
termijn situeert zich op 27 september 2021 (zijnde het stakingsbevel). Nadien waren er
verschillende vaststellingen van de inspectiediensten en heeft de beklaagde een
regularisatieaanvraag ingediend waarmee het parket rekening hield bij de behandeling van het
dossier. Toen de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur haar herstelvordering op 9 oktober
2023 bij het parket inleidde, besliste het parket vrij vlug met name op 7 december 2023 om
tot dagvaarding van de beklaagde over te gaan. Desalniettemin blijkt het dossier dan één jaar
en twee maanden te hebben stil gelegen nu de dagvaarding pas op 28 januari 2025 lastens de
beklaagde werd opgesteld.
De rechtbank stelt dan ook vast dat er sprake is van een schending van de redelijke termijn
doch naar het oordeel van de rechtbank blijft een bestraffing nog steeds maatschappelijk
noodzakelijk en verantwoord en volstaat niet enkel de veroordeling bij eenvoudige
schuldigverklaring.
Op de vraag van de beklaagde om hem de gunst van de opschorting te verlenen, wordt niet
ingegaan. Deze gunst zou de beklaagde niet afdoende op het absoluut ontoelaatbare van de
door hem gepleegde stedenbouwmisdrijven gelegen in ruimtelijk kwetsbaar gebied met
natuur- en VEN gebied wijzen. Bovendien blijkt de beklaagde ondanks het stakingsbevel de
wederrechtelijk omgevormde stal tot woning te hebben blijven bewoond. Bovendien wordt
het door de verdediging niet aannemelijk gemaakt dat het niet verlenen van de opschorting
zou leiden tot een sociale declassering van de beklaagde noch brengt het zijn sociale
reclassering op onevenredige wijze in het gedrang.
Indien de redelijke termijn in strafzaken niet zou zijn overschreden zou volgens de rechtbank
voor de beklaagde een geldboete van 1.000,00 euro passend en noodzakelijk zijn geweest. Als
passend rechtsherstel voor de overschrijding vermindert de rechtbank deze geldboete voor de
beklaagde naar het bedrag van 500,00 euro hetwelk integraal met uitstel kan worden verleend
gelet op het blanco strafrechtelijk verleden van de beklaagde en het gegeven dat hij zich nog
met de hierna bepaalde herstelvordering zal geconfronteerd zien.
DE HERSTELVORDERING
Het strafdossier bevat geen relevante gegevens over het herstel met betrekking tot de in dit
vonnis bewezen bevonden misdrijven. Ook door de beklaagde wordt niet aangetoond dat het
herstel werd uitgevoerd. De beklaagde blijkt integendeel op heden nog steeds administratieve
procedures te doorlopen. Op 12 juni 2025 diende hij nog een verzoekschrift tot
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 14
nietigverklaring van de weigeringsbeslissing van de deputatie dd. 24 april 2 025 in.
Aldus stelt de rechtbank vast dat het bewijs van enig herstel niet voorlig t.
De rechtbank gaat niet in op de vraag van de beklaagde om de beslissing met betrekking tot
de herstelvordering af te wachten in functie van de uitspraak voor de Raad voor
Vergunningsbetwistingen. De door de beklaagde veroorzaakte illegaliteit in ruimtelijk
kwetsbaar gebied dewelke tot op vandaag aanhoudt, noodzaakt thans een herstel. Indien de
beklaagde alsnog een regularisatievergunning zou bekomen en de illegaliteit daardoor
opgeheven zou zijn, dan zal het hierna bevolen herstel zijn actualiteit verliezen.
Op vandaag is de herstelvordering nog steeds actueel en het herstel dient bevolen te worden.
De herstelvordering van de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur heeft betrekking op de
bewezen verklaarde misdrijven onder te de tenlasteleggingen A tot en met E.
De herstelvordering strekt tot het herstel in de oorspronkelijke staat.
De rechtbank stelt vast dat het door de gewestelijk stedenbouwkundig inspecteur gevorderde
herstel in de oorspronkelijke staat wettig is en steunt op gewettigde motieven. De
argumentatie in conclusies zoals ontwikkeld door de beklaagde is niet van aard om daaraan
afbreuk te doen. Uit niets volgt immers dat het bevelen van het herstel disproportioneel zou
zijn. De rechtbank onderstreept hierbij nogmaals dat de handelingen gesitueerd zijn in
ruimtelijk kwetsbaar gebied en dat de beklaagde op vandaag klaarblijkelijk nog geen enkele
stap tot regularisatie heeft ondernomen. Ook uit stuk 1 van de beklaagde blijkt dat het project
van de beklaagde de natuurtoets niet doorstaat.
De rechtbank treedt voor het overige het advies van de Hoge Raad voor het Herstelbeleid bij
daar waar reeds weerlegd werd dat de beklaagde het niet aannemelijk maakt dat de stal en
het woningbijgebouw bestaande constructies waren. Bovendien is er door de uitgevoerde
onvergunde functiewijziging geen sprake meer van een agrarische functie zoals oorspronkelijk
vergund. De beklaagde stelt verder dat alle bouwmaterialen en bouwafval ondertussen
verwijderd zijn. De beklaagde legt ook hiervan geen stukken voor noch blijkt er terzake enige
melding van herstel te zijn geweest ten aanzien van de herstelvorderende overheid.
Het bevelen van het herstel is dan ook nog steeds noodzakelijk, zoals hierna bepaald.
De vrees bestaat dat de veroordeelde beklaagde niet zonder enig drukkingsmiddel het herstel
zal uitvoeren. In die omstandigheden is het opleggen van een dwangsom wel degelijk
noodzakelijk om de veroordeelde beklaagde tot het uitvoeren van het herstel aan te sporen.
Het bedrag van de dwangsom bepaalt de rechtbank zoals hierna bepaald.
Gelet op de lange tijd dat de veroordeelde beklaagde het herstel al hadden kunnen uitvoeren
en de termijn die hem hiertoe nog wordt gegund, is er geen reden om nog een respijttermijn
te bepalen in toepassing van artikel 1385 bis, vierde lid van het Gerechtelijk Wetboek.
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 15
Als de opgelegde herstelmaatregelen niet binnen de door de rechter b epaalde
uitvoeringstermijn worden uitgevoerd, beveelt de rechtbank dat de burgemeester en de
stedenbouwkundig inspecteur ambtshalve in de uitvoering ervan kan voorzien in de plaats en
op kosten van de veroordeelde beklaagde.
BEOORDEING OP BURGERLIJK GEBIED
Gelet op het mogelijke bestaan van schade veroorzaakt door de bewezen verklaarde
misdrijven past het de burgerlijke belangen aan te houden.
TOEGEPASTE WETTEN
De rechtbank houdt rekening met de volgende artikelen die de bestanddelen van de misdrijven
en de strafmaat bepalen, en het taalgebruik in gerechtszaken regelen:
art. 11, 12, 14, 16, 31, 32, 34, 35, 41 Wet van 15 juni 1935;
art. 4 Wet van 17 april 1878 - Wet houdende de voorafgaande titel van het Wetboek van
Strafvordering;
art. 162, 182, 184, 185 §1, 189, 190, 194, 195 Wetboek van Strafvordering;
art. 1, 2, 3, 7, 38, 40, 41, 65, 66, 100 Strafwetboek; alsmede de artikelen en wetsbepalingen
aangehaald in de tenlasteleggingen, zoals hiervoor omschreven;
art. 1, 2, 3 Wet van 5 maart 1952;
art. 28, 29 Wet van 1 augustus 1985;
art. 4 §3 van de wet van 19 maart 2017 tot oprichting van een Begrotingsfonds voor de
juridische tweedelijnsbijstand;
art. 91 2e lid van het Koninklijk Besluit van 28 december 1950 houdende het algemeen
reglement van de gerechtskosten in strafzaken;
art. 1 (§1, 2° en §2), 8, 14 §1 Wet van 29 juni 1964;
DE RECHTBANK:
op tegenspraak ten aanzien van
OP STRAFGEBIED
Ten aanzien van ,
Verklaar
t de feiten van de tenlasteleggingen A, B, C, D en E bewezen.
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 16
Veroord
eelt voor de vermengde feiten van de tenlasteleggingen A, B, C, D
en E:
tot een geldboete van 4000,00 EUR, zijnde 500,00 EUR verhoogd met 70 opdeciemen.
Boete vervangbaar bij gebreke van betaling binnen de wettelijke termijn door een
gevangenisstraf van 3 maanden.
Verleent uitstel van tenuitvoerlegging wat betreft de geldboete voor een termijn van
3 jaar .
Veroordeelt tot betaling van:
een bijdrage van 1 maal 200,00 EUR , zijnde de som van 1 maal 25,00 EUR verhoogd
met 70 opdeciemen, ter financiering van het Fonds tot hulp aan de slachtoffers van
opzettelijke gewelddaden en de occasionele redders
een bijdrage van 26,00 EUR aan het Begrotingsfonds voor juridische
tweedelijnsbijstand
een vaste vergoeding voor beheerskosten in strafzaken. Deze vergoeding bedraagt
61,01 EUR
– de kosten van de strafvordering tot op heden begroot op 350,68 EUR
HET HERSTEL
Beveelt aan op vordering van de gewestelijke stedenbouwkundig
inspecteur namens het Vlaamse gewest het herstel door het herstel van de plaats in de
oorspronkelijke toestand van het perceel , kadastraal gekend
onder , meer bepaald door:
- het verwijderen van aangebouwde stalling (in opbouw) aan de exploitantenwoning en
de grondig herbouwde varkensstal. Dit houdt eveneens het opvullen van de bouwput
met zuivere teelaarde en de verwijdering van alle afbraakmaterialen naar een daartoe
bestemde stortplaats in;
- het herstel van de gevelopeningen in de linkerzijgevel en achtergevel van de woning in
de oorspronkelijke staat, dit impliceert:
het dichten van de deuropening en het herplaatsen van de raamopening in de
achtergevel, cfr. bijgevoegde gevelaanzichten (bestaande toestand regularisa-
tie aanvraag)
het dichten van twee gevelopeningen in de linkerzijgevel
Rolnummer Dertigs te kamer Vonnisnr /
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent p. 17
- het v
erwijderen van de aanzienlijke verharding (deels tweede toegangsweg naar var-
kensstal) én de doorgevoerde reliëfwijziging ten oosten van de woning voor de stalling
tot het oorspronkelijke maaiveld;
- het afgraven van het bovenste vlakke gedeelte van de talud, de blekere laag, over een
diepte van 40cm, en de talud zelf over ongeveer 18cm, daar waar de vegetatie niet
meer zichtbaar is; het verwijderen van de door erosie reeds afgespoelde opgehoogde
aarde op de wandeweg;
- het verwijderen van alle materiaal/materieel en afval, zoals het bouwmateriaal, de
herashekkens, etc.
Beveelt dat het herstel zoals hierboven bevolen gebeurt binnen een termijn van 12 maanden
na het in kracht van gewijsde gaan van dit vonnis, onder verbeurte van een dwangsom van 250
euro per dag vertraging in geval van niet-uitvoering van dit vonnis binnen de gestelde termijn.
De rechtbank machtigt de stedenbouwkundig inspecteur en de burgemeester van om
ambtshalve in de uitvoering van het herstel te voorzien wanneer beklaagde dit niet zelf binnen
de gestelde termijn zou doen (art. 6.3.4, §1, Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening).
OP BURGERLIJK GEBIED
De rechtbank houdt ambtshalve de burgerlijke belangen aan.
Dit vonnis is gewezen en uitgesproken in openbare zitting op 4 november 2025 door de
rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, kamer G30DI:
- , rechter
in aanwezigheid van het lid van het openbaar ministerie vermeld in het proces-verbaal van de
terechtzitting ,
met bijstand van griffier .