Naar hoofdinhoud

ARR:handhavingscollege-brussel-22-05-2025-0

🏛️ Handhavingscollege Brussel 📅 2025-05-22 🌐 FR Arrest gegrond

Rechtsgebied

strafrecht bestuursrecht

Volledige tekst

HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 22 mei 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw vertegenwoordigd door advocaat woonplaatskeuze te 1. Voorwerp van het beroep met Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 14 augustus 2024 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 17 juli 2024 met nummer waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 1.650 euro wegens schending van de artikelen 12 en 41, § 1 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming en soortenbeheer (hierna: Soortenbesluit). Er wordt haar met name het verboden vervoer van eieren, het verboden onder zich hebben van beschermde vogels zonder pootring en het niet voldoen aan de gebruiksvoorwaarden van vangkooien verweten. ll. Rechtspleging 1. Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in. HHC-1 2. Het College verzoekt partijen voorafgaand aan de zitting met een malbericht van 28 maart 2025 om standpunt in te nemen over de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om een boete op te leggen voor het milieumisdrijf, zoals vastgesteld in het PV. Verzoekende partij bezorgt een aanvullende nota met aangetekende brief van 16 april 2025. Verwerende partij bezorgt een aanvullende nota met een mailbericht van 11 april 2025. 3. Partijen worden opgeroepen voor de openbare zitting van 24 april 2025. Verzoekende partij, hoewel behoorlijk opgeroepen, verschijnt niet op de zitting. Advocaat woord voor verwerende partij. toert het 111. Feiten 1. Op 27 juli 2021 stellen twee natuurinspecteurs O.G.P. / gewestelijke toezichthouders van het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: verbalisant) , naar aanleiding van een verklaring van een vogelhouder over de afkomst van de bij hem aangetroffen voorwaardelijk beschermde vogelsoorten, ten laste van verzoekende partij het volgende vast: Op dinsdag 27/07/2021 omstreeks 9.45 uur melden wij ons aan op de woonplaats ... is aanwezig. Wij legitimeren ons en delen hem de reden van ons bezoek mee, met name de uitvoering van de betreffende visitatiemacht iging. zegt dat hij geen vogels heeft en dat we mogen kijken. Hij vergezelt ons gedurende de controle. Wanneer wij de eerste aanhorigheid (garagegebouw) grondig hebben bekeken, zegt hij dat er vanachteren wel jonge fazanten zitten die nog niet geringd zijn .... Verderop in de achtertuin staat een vogelvangkooi, type Larsen-kooi, vangklaar opgesteld .... De vangkooi bestaat uit 2 vangcompartimenten en 1 lokcompartimen t. De valdeuren van de vangcompartimenten staan open (vangklaar opgesteld). -In het lokcompartiment ligt een dode ekster (naar schatting enkele dagen oud). -De kooi is niet voorzien van een weerbestendig identificatieplaatje. -De kooi staat op een plaats die voor ons niet betreedbaar is zonder dat er een toestemming nodig is. De verdachte zegt dat hij een toestemming heeft voor de Larsen-kooi via de plaatselijke jachtrechthouder ... Hij haalt uit een berging een weerbestendig identificatieplaatje waarop het jachtverlofnummer ,taat vermeld. HHC-2 Achteraan staat een volièreconstructie waarin 18 niet geringde jonge fazanten worden gehouden. zegt dat deze afkomstig zijn van eieren uit het wild van nesten die werden uitgemaaid. De eieren werden door zijn kippen uitgebroed. Wij leggen hem uit dat de vogels niet reglementair worden gehouden en dat fazanteneieren niet kunnen vervoerd worden, met uitzondering voor professionele kweek. Hij kan enkel fazanten in gevangenschap kweken van eieren die afkomstig zijn van legaal gehouden oudervogels, waarna de fazantenkuikens moeten voorzien worden van een reglementaire pootring. Achter de volière staat in een bebost gedeelte een 2de Larsen-kooi vang klaar opgesteld, soortgelijk aan de eerder aangetroffen kooi. Hierin zit een heggenmus gevangen die de verdachte onmiddellijk vrijlaat. In de vangkooi liggen maïskorrels -uitgestrooid als -lokvoeder. Omstreeks 11.15 uur komt jachtrechthouder ... ter plaatse. Hij bevestigt dat de Larsen-kooien met zijn toestemming in de tuin van de verdachte werden geplaatst. Wij delen aan verdachte mee dat de Larsen-kooien niet conform de voorwaarden worden gebruikt en de niet geringde fazanten illegaal worden gehouden en onze dienst hiervoor een proces-verbaal opmaakt. Wij leggen de bestuurlijke maatregel op dat de 18 fazanten op vrijdag 10/09/2021 ter plaatse worden geslacht in onze aanwezigheid, teneinde te voorkomen dat deze in het wild kunnen worden uitgezet. De verdachte heeft gedurende het onderzoek goede medewerking verleend. Het volledige verhoor wordt als bijlage 4 bij dit proces-verbaal gevoegd. Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nr. van 30 juli 2021, dat op dezelfde dag wordt afgesloten (hierna: het PV) en wordt verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partij met een aangetekende brief. 2. Op 6 augustus 2021 geeft de procureur des Konings aan de gewestelijke entiteit kennis van de verlenging van zijn beslissingstermijn (artikel 16.4.32 DABM) omdat het opsporingsonderzoek nog niet is afgerond. Op 11 augustus 2021 ontvangt de gewestelijke entiteit het door de procureur des Konings op 9 augustus 2021 ondertekend antwoordformulier HHC-3 over het gevolg dat aan het PV zal worden gegeven, waarop echter niet is aangevinkt of het PV al dan niet verder strafrechtelijk zal worden behandeld. 3. Op 17 augustus 2021 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete en een voordeelontneming op te leggen. Ze nodigt verzoekende partij daarbij uit om haar schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting , terwijl deze ook de mogelijkheid krijgt om inzage te vragen in het administratief dossier. Verzoekende partij bezorgt geen schriftelijk verweer en verzoekt ook niet om te worden gehoord. 4. Op 17 juli 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende partij met een aangetekende brief van 22 juli 2024 in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij dient met een aangetekende brief van 14 augustus 2024 tijdig beroep in tegen de bestreden boetebeslissing. 2. Verwerende partij deelt het College op 9 april 2025 mee dat verzoekende partij de bestreden boete op 5 maart 2025 heeft betaald en legt het betalingsbewijs hiervan voor. Ze meent dat daaruit moet worden afgeleid dat verzoekende partij afstand van geding doet. 3. De buurman van verzoekende partij deelt het College met een mailbericht van 16 maart 2025, naar aanleiding van de oproeping voor de zitting van 27 februari 2025, mee dat verzoekende partij 'begrijpt dat het zinloos is om de zaak ter zitting te laten behandelen en de boete ondertussen (weliswaar te laat) heeft betaald' op 5 maart 2025, waarbij de vraag wordt gesteld 'of de zaak hiermee als afgesloten kan worden beschouwd'. HHC-4 Verzoekende partij deelt het College met aangetekende brief van 16 april 2025 mee dat de bestreden boete haar door de gewestelijke entiteit ten onrechte is opgelegd. Ze herhaalt dat ze de boete op 5 maart 2025 heeft betaald, maar stelt dat ze 'het bedrag' wenst terug te vorderen en zich gedraagt naar de wijsheid van het College, waarbij ze opmerkt dat ze door haar leeftijd en wankele gezondheid niet meer in staat is om naar de zitting te komen. Beoordeling door het College 1. Als verzoekende partij uitdrukkelijk afstand doet van het ingediende beroep stelt de kamer de afstand van het beroep onmiddellijk bij arrest vast. Stilzwijgende afstand mag daarbij alleen worden afgeleid uit akten of uit bepaalde met elkaar overeenstemmende feiten, waaruit met zekerheid blijkt dat verzoekende partij afstand wil doen van haar beroep (artikel 10 Procedurebesluit). 2. Het College stelt vast dat er geen met elkaar overeenstemmende gegevens voorliggen waaruit redelijkerwijze met zekerheid blijkt dat verzoekende partij afstand van geding wil doen. Verzoekende partij dient met een aangetekende brief van 14 augustus 2024 tijdig beroep in tegen de bestreden beslissing, die daardoor wordt geschorst (artikel 16.4.39, lid 1 DABM). Dit betekent dat ze in afwachting van een arrest van het College niet is gehouden om de bestreden boete te betalen. Ze gaat vervolgens, tijdens voorliggende jurisdictionele procedure, op 5 maart 2025 echter toch over tot betaling van de boete, waarbij ze geen voorbehoud maakt, terwijl het mailbericht van haar buurman van 16 maart 2025 doet uitschijnen dat ze voorliggende procedure met deze betaling wil afsluiten. Hoewel hieruit in beginsel zou kunnen worden afgeleid dat verzoekende partij afstand van geding wil doen, spreekt ze dit in haar aangetekende brief van 16 april 2025 uitdrukkelijk tegen en verduidelijkt ze dat ze het betaalde boetebedrag wenst terug te vorderen omdat de bestreden boete haar ten onrechte is opgelegd. Hieruit blijkt redelijkerwijze dat verzoekende partij de bestreden boete nog altijd betwist en met de betaling hiervan geen afstand van geding heeft willen doen. HHC-5 V. Onderzoek van het ambtshalve middel Standpunt van de partijen 1. Het College vraagt partijen met een mailbericht van 28 maart 2025 ambtshalve om standpunt in te nemen over de implicaties op de bestreden beslissing van de vaststelling dat de procureur des Konings op de 'verzendings- en beslissingsfiche ' (stuk 2 van het administratief dossier), wat betreft de toepassing van de artikelen 16.4.31 tot en met 16.4.35 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM), niet heeft aangeduid of het PV al dan niet strafrechtelijk wordt behandeld. 2. Verzoekende partij antwoordt hierop, met een aangetekende brief van 10 april 2025, dat ze meent dat de bestreden boete ten onrechte is opgelegd en zich gedraagt naar de wijsheid van het College. 3. Verwerende partij antwoordt hierop, met een mailbericht van 11 april 2025, dat de bedoeling van de procureur des Konings was om op de 'verzendings- en beslissingsfiche' (stuk 2 van het administratief dossier) aan te duiden dat het PV niet verder strafrechtelijk wordt behandeld en wordt bezorgd aan de gewestelijke entiteit voor bestuurlijke sanctionering, maar dat deze keuze door een kleine vergetelheid niet expliciet is aangeduid. Ze stelt dat deze bedoeling blijkt uit de vaststelling dat de procureur des Konings het strafdossier heeft overgemaakt aan de gewestelijke entiteit omdat dit impliceert dat het PV niet verder strafrechtelijk wordt behandeld. Ze merkt op dat dit ook expliciet wordt bevestigd door de procureur des Konings, die daarbij verwijst naar een foto van de kaft van het dossier en naar een print uit het intern computersysteem van het parket. Beoordeling door het College 1. Het staat in beginsel aan de procureur des Konings om zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf en om de gewestelijke entiteit tijdig in kennis te stellen van zijn beslissing hierover. Hij beschikt daarvoor vanaf de ontvangst van het proces- HHC-6 verbaal over een termijn van 180 dagen, die gemotiveerd éénmalig kan worden verlengd met maximaal 180 dagen. Tijdens deze periode kan de gewestelijke entiteit geen bestuurlijke geldboete opleggen, terwijl dit ook is uitgesloten als de procureur des Konings beslist om het milieumisdrijf strafrechtelijk te behandelen of als hij nalaat om zijn beslissing hierover tijdig mee te delen aan de gewestelijke entiteit. Deze start de procedure voor de eventuele oplegging van een alternatieve bestuurlijke geldboete op als de procureur des Konings haar tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen (artikelen 16.4.31, 16.4.32, 16.4.33, 16.4.34 en 16.4.35 DABM). De bevoegdheidsverdeling tussen de procureur des Konings en de gewestelijke entiteit raakt de openbare orde, zodat het College ambtshalve dient te onderzoeken in hoeverre de gewestelijke entiteit bevoegd was om de bestreden boete op te leggen. 2. Uit het administratief dossier, dat door verwerende partij aan het College is overgemaakt, blijkt niet dat de procureur des Konings de gewestelijke entiteit tijdig in kennis heeft gesteld van zijn beslissing om het in het PV vastgestelde milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, zodat de gewestelijke entiteit niet bevoegd was om naar aanleiding hiervan een bestuurlijke boeteprocedure op te starten en de bestreden boete op te leggen. Zoals blijkt uit het administratief dossier en door partijen niet wordt betwist, heeft de procureur des Konings het PV, dat de grondslag vormt voor de bestreden boete, ontvangen op 5 augustus 2021, waarna hij de gewestelijke entiteit op 6 augustus 2021 in kennis heeft gesteld van de (gemotiveerde) verlenging van zijn beslissingstermijn om zich uit te spreken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het milieumisdrijf omwille van het lopende opsporingsonderzoek (stukken 1 en 3 van het administratief dossier). Daaruit blijkt echter niet dat de procureur des Konings zich vervolgens, binnen zijn (verlengde) beslissingstermijn, formeel heeft uitgesproken over de al dan niet strafrechtelijke behandeling van het in het PV vastgestelde milieumisdrijf, in antwoord op het schriftelijk verzoek hiervoor van de verbalisant. Uit de door de procureur des Konings aan de gewestelijke entiteit overgemaakte 'verzendings­ en beslissingsfiche', die hem samen met het PV door de verbalisant is overgemaakt (stuk 2 van het administratief dossier), blijkt immers niet dat de procureur des Konings daarop heeft aangeduid of het PV al dan niet strafrechtelijk wordt behandeld, in toepassing van de artikelen 16.4.31 tot en met 16.4.35 DABM). Deze 'verzendings- en beslissingsfiche' is door de procureur des Konings enkel ondertekend en gedateerd op 9 augustus 2021, zonder dat daarop, via de voorgedrukte vakken als 'toepassing van art. 16.4.31 tot en met 16.4.35 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid', is aangeduid of het PV wel of niet verder strafrechtelijk wordt behandeld. Er ligt dan ook geen HHC-7 formele beslissing voor van de procureur des Konings om het milieumisdrijf, zoals vastgesteld in het PV, niet verder strafrechtelijk te behandelen en het PV te bezorgen aan de gewestelijke entiteit met het oog op bestuurlijke beboeting. De gewestelijke entiteit was hierdoor, op basis van de op dat ogenblik voorliggende stukken en in het bijzonder de betreffende 'verzendings­ en beslissingsfiche', niet bevoegd om een bestuurlijke boeteprocedure op te starten en om een bestuurlijke boete op te leggen aan verzoekende partij. 3. Het argument van verwerende partij, dat de ontstentenis van een tijdige formele beslissing van de procureur des Konings om het in het PV vastgestelde milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen berust op een kleine vergetelheid dan wel een materiële vergissing betreft, kan niet verhelpen aan de vaststelling dat deze noodzakelijk vereiste beslissing van de procureur des Konings niet voorlag op het ogenblik van de opstart door de gewestelijke entiteit van de bestuurlijke boeteprocedure dan wel van de bestreden boetebeslissing. Het stond aan de gewestelijke entiteit om bij de ontvangst van de door de procureur des Konings gebrekkig ingevulde 'verzendings- en beslissingsfiche' op 11 augustus 2021 tijdig navraag te doen naar de werkelijke intentie van de procureur des Konings, in plaats van dit stuk te 'interpreteren'. Ze kon niet voorbijgaan aan de vaststelling dat er op het ogenblik van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure geen formele beslissing voorlag van de procureur des Konings over het al dan niet strafrechtelijk behandelen van het milieumisdrijf in de zin van artikel 16.4.33 DABM, waardoor ze in het licht van artikel 16.4.33 DABM niet bevoegd was om een bestuurlijke boeteprocedure op te starten. De overweging in haar aangetekende brief aan verzoekende partij van 19 augustus 2021, waarmee ze verzoekende partij in kennis stelde van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure, dat 'de procureur des Konings heeft beslist om niet over te gaan tot de strafrechtelijke behandeling van het vastgestelde milieumisdrijf', vindt geen steun in de op dat ogenblik voorliggende stukken (in het bijzonder stuk 2 van het administratief dossier). De gewestelijke entiteit kon en mocht niet zomaar aannemen dat de bezorging door de procureur des Konings van het PV impliceert dat deze heeft beslist om het daarin vastgestelde milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen en dat er een bestuurlijke boeteprocedure mag worden opgestart. Het DABM vereist daarover een formele beslissing van de procureur des Konings, zodat de ontstentenis hiervan niet kan worden afgedaan als een vergetelheid of een materiële vergissing. HHC-8 De vaststelling dat uit het mailverkeer met het parket en de aanvullende stukken, die verwerende partij heden in het kader van voorliggende jurisdictionele procedure voorlegt, blijkt dat de procureur des Konings indertijd effectief de intentie had om het in het PV vastgestelde milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, kan niet verhelpen aan het feit dat er hierover op het ogenblik van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure dan wel van de bestreden boetebeslissing geen formele beslissing van de procureur des Konings voorlag, terwijl zijn beslissingstermijn ondertussen is verstreken. De gewestelijke entiteit kreeg uiteindelijk pas met het mailbericht van het parket van 31 maart 2025 kennis van de werkelijke intentie van de procureur des Konings. In zoverre verwerende partij daarbij wijst op 'de beslissing zoals weergegeven op de kaft van het dossier' en op het 'intern computersysteem' van het parket, 'waaruit blijkt dat het dossier werd afgesloten met als motivering voorrang aan de administratieve sanctionering', moet bovendien worden opgemerkt dat de gewestelijke entiteit hiervan op het ogenblik van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure geen kennis kon hebben. De gewestelijke entiteit heeft immers geen toegang tot het interne computersysteem van de procureur des Konings, terwijl het overmaken van het PV door de procureur des Konings aan de gewestelijke entiteit zoals gesteld niet volstaat om aan te nemen dat de procureur des Konings tijdig heeft beslist om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te vervolgen. De gewestelijke entiteit wordt pas bevoegd om een bestuurlijke boeteprocedure op te starten, naar aanleiding van de opmaak van een PV voor een milieumisdrijf, vanaf het ogenblik dat de procureur des Konings haar tijdig heeft geïnformeerd over zijn beslissing om het milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelen, zodat de intentie hiertoe van de procureur des Konings en de interpretatie van deze intentie door de gewestelijke entiteit niet volstaan. Het ambtshalve middel is gegrond. HHC-9 Vl. Beslissing 1. De bestreden beslissing wordt vernietigd. 2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken op 22 mei 2025 door de eerste kamer. De griffier, De voorzitter van de eerste kamer, HHC-10

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot