Naar hoofdinhoud

ARR:handhavingscollege-brussel-22-05-2025

🏛️ Handhavingscollege Brussel 📅 2025-05-22 🌐 FR Arrest vernietigd

Rechtsgebied

strafrecht bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

9 september 1981, 9 september 1981, GW, Grondwet, Strafwetboek

Volledige tekst

HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 22 mei 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij vertegenwoordigd door advocaat woonplaatskeuze te met Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST, vertegenwoordigd door de Vlaamse Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw vertegenwoordigd door advocaat woonplaatskeuze te 1. Voorwerp van het beroep met Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 8 januari 2021 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 8 december 2020 met nummer waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 3.150 euro wegens schending van artikel 35 van het Jachtdecreet van 24 juli 1991 (hierna: Jachtdecreet) en van artikel 12 van het besluit van de Vlaamse regering van 15 mei 2009 met betrekking tot soortenbescherming (hierna: Soortenbesluit). Er wordt haar met name verweten dat ze 47 ongeringde patrijzen wederrechtelijk in haar bezit had, in functie waarvan ze nesten en broedsels van patrijzen heeft weggenomen. ll. Rechtspleging 1. Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in. Verzoekende partij dient een wederantwoordnota in. HHC-1 2. Het College verwerpt het beroep van verzoekende partij met het arrest van 23 september 2021 met nummer 3. De Raad van State vernietigt het arrest van het College van 23 september 2021 met het arrest van 28 november 2024 met nummer Het arrest van het College wordt daarbij in zijn geheel vernietigd, zodat de anders samengestelde kamer van het College waarnaar de zaak is verwezen de ingestelde vordering opnieuw in zijn geheel moet beoordelen, waarbij het College zich moet gedragen naar het arrest van de Raad van State ten aanzien van de daarin beslechte rechtspunten. 4. Verzoekende partij en verwerende partij dienen allebei een aanvullende nota in. De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 20 februari 2025. Advocaat voert het woord voor verzoekende partij. Advocaat loco advocaat ,1oert het woord voor verwerende partij. 111. Feiten 1. Op 23 en 25 augustus 2017 stellen twee natuurinspecteurs O.G.P./gewestelijk toezichthouders voor het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: verbalisanten) , in opvolging van een eerdere algemene terreincontrole op 22 december 2016, waarbij er ter hoogte van de woning van verzoekende partij twee gesloten vleugen met een onbekend aantal fazanten en enkele loslopende fazanten worden opgemerkt, het volgende vast: Controle op woensdag 23 augustus 2017: Op woensdag 23 augustus 2017 omstreeks 09:38 uur hebben we via het achterliggende landbouwperceel met kadastrale gegevens op het erf van zicht op de gesloten vleugen gelegen HHC-2 Ter plekke stellen we vast dat er op het erf een zestal fazanten lopen. De fazanten die we kunnen bekijken, blijken niet voorzien te zijn van een pootring. Verder zien we in de vleug met nummer 1 (noordwestelijk gelegen) dat er een onbekend aantal ongeringde patrijzen zitten. De aantallen zijn moeilijk in te schatten door de dichte begroeiing in de vleug. Als we langs de achterzijde de gesloten vleug met nummer 2 (zuidoostelijk gelegen) benaderen, stellen we vast dat deze vleug leeg is. De weinige begroeiing in de vleug is kaal gevreten, op de grond zien we verschillende fazantenpluimen liggen en aan de ondergrond zien we duidelijk dat er tot voor kort een groter aantal vogels gehouden werden in deze vleug. Op het moment van deze controle blijken er in de vleug slechts twee duiven te zitten. Er zitten geen andere dieren in deze gesloten vleug. Aangezien we geen exacte bepaling kunnen doen van het gehouden aantal stuks fazanten en patrijzen, besluiten we om bijkomend contact op te nemen met het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAW) met de vraag om gezamenlijk ter plaatse een controle uit te voeren bij Controle op vrijdag 25 augustus 2017, in samenwerking met FAW: Op vrijdag 25 augustus 2017, omstreeks 09:49 uur voeren we een tweede controle uit aan de woning ... Aangezien we nog steeds jachtwild aantreffen in de gesloten vleug op het betreffende erf, besluiten we om ons samen met van het FAW ons aan te melden bij de woning van Op het moment van deze controle blijkt niemand aanwezig te zijn in woning en op het erf van Wel zien we op zijn erf een groene jeep staan van het merk .. aan weerszijden voorzien van de officiële kentekens van de Bijzondere Veldwachter. Via de Lokale Politie te vernemen we dat het aangetroffen voertuig . . . op naam staat van ~n dat de betrokkene te contacteren is op het GSM nummer ... Op vrijdag 25 augustus 2017 omstreeks 10:01 uur hebben we telefonisch contact met die ons informeert dat hij die ochtend op verlof vertrokken is ... en dat hij zondagavond terug is. Als we hem de situatie en onze vaststellingen mededelen, reageert hij verbaasd en stelt dat er in de vleug met nummer 2 120 fazanten zitten die allemaal voorzien zijn van een pootring en dat hij de aankoopfactuur van bij fazantenkwekerij kan voorleggen. De aangetroffen patrijzen zijn naar eigen zeggen deels afkomstig uit eigen kweek en deels uit het in het wild geraapte eieren. Nochtans zijn er bij het Agentschap voor Natuur en Bos geen afwijkingen gekend die het oelaten om patrijzeneieren uit het wild te rapen. Controle van het erf en aanhorigheden Vervolgens begeven we ons naar de twee vleugen aan de achterzijde van het erf waar we een vijftal fazanten plots zien wegvliegen, het achterliggende maïsveld in. In de vleug met nummer 1 zien we slechts 1 ongeringde fazant zitten. Verderop in deze afgesloten vleug tellen we veertigtal ongeringde patrijzen. De afgesloten vleug met nummer 2 blijkt op twee duiven na, nog steeds leeg te staan. HHC-3 Plots merken we op dat er een personenvoertuig het erf opgereden komt. Er stapt een vrouw uit de wagen, die we later verzeenzelvigen als zijnde de zus van .. We stellen ons voor en informeren haar over onze intenties en dat we reeds telefonisch contact genomen hebben mei Even later verlaat ze het woonerf en hervatten we onze controle. Als we ons vervolgens begeven naar de garage van zien we een witte personenwagen het erf verlaten .... Op het terras aan de woning van z:ien we een kleinere kastval staan, die er voorheen niet stond. Als we de open garage van de betrokkene controleren vinden we in de hoek van deze garage 7 à 8 kartonnen transportbakken. Aan het karton en de stroresten in de bakken, kunnen we afleiden dat deze transportbakken reeds gebruikt geweest zijn. Controle van de wagen ... Vervolgens controleren we de aangetroffen de sleutels steken op het contact. ... Het voertuig blijkt open te zijn en Uitvangen van het aangetroffen jachtwild: Omstreeks 11 :08 uur nemen we opnieuw telefonisch contact op mei en informeren hem dat de aangetroffen fazant en patrijzen illegaal gehouden worden en dat deze dieren bestuurlijk meegenomen worden, in afwachting van de verdere bewijsvoering van de betrokkene. Betrokkene reageert opnieuw verbaasd dat er in de vleug met nummer 2 geen fazanten meer zitten. Er wordt gezamenlijk afgesproken om elkaar te treffen op maandag 28 augustus 2017 om 13:00 uur bij de Lokale Politie te Gevraagd wordt dat hij bijkomend de nodige bewijsstukken meeneemt waaruit de herkomst van de aangetroffen wildsoorten kan afgeleid worden. Omstreeks 11 :20 uur arriveert het Natuurhulpcentrum te aan het erf van Rudi, waarna we van start gaan met het uitvangen van de aanwezige wildsoorten. In totaal worden de volgende jachtwildsoorten aangetroffen in de gesloten vleugen: 1 ongeringde fazant, 46 ongeringde patrijzen, 1 dode ongeringde patrijs. In totaal worden deze 47 levende vogels bestuurlijk meegenomen en tijdelijk onder gebracht in het Natuurhulpcentrum te Verklaring/Verhoor Op maandag 28 augustus 2017 omstreeks 13:00uur ontmoeten we aan hot Politiebureau te :;temt toe met het afnemen van een verklaring. Alvorens we het verhoor aanvatten, doet :;chriftelijk afstand van zijn recht op een voorafgaandelijk vertrouwelijk overleg met een raadsman. Voorafgaandelijk aan het verhoor overhandigen we een papieren kopij van zijn rechten waar hij van gebruik kan maken .... Het verhoor verliep rustig en zonder incidenten, HHC-4 Deze vaststellingen en het verhoor worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nr. dat wordt afgesloten op 18 september 2017 (hierna: PV) en op 20 september 2017 wordt verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partij met een aangetekende brief met ontvangstbewijs. 2. Op 25 oktober 2017 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des Konings van 19 oktober 2017 dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld. 3. Op 4 januari 2018 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van het voornemen om eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete en een voordeelontneming op te leggen. Ze nodigt verzoekende partij daarbij uit om haar schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting , terwijl deze ook de mogelijkheid krijgt om inzage te vragen in het administratief dossier. Verzoekende partij vraagt inzage in het administratief dossier en bezorgt met een aangetekende brief van 20 februari 2018 een schriftelijk verweer aan de gewestelijke entiteit, waarbij ze vraagt om te worden gehoord. 4. Verzoekende partij wordt op 28 september 2020 door de gewestelijke entiteit gehoord. De gewestelijke entiteit bezorgt haar op 6 oktober 2020 het verslag van deze hoorzitting. 5. Op 8 december 2020 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende partij met een aangetekende brief van 11 december 2020 in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing. IV. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 1. HHC-5 Verzoekende partij voert, met betrekking tot de in de bestreden beslissing weerhouden schending van artikel 35 Jachtdecreet en artikel 12 Soortenbesluit, de schending aan van: artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de mens {hierna: EVRM) het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging artikel 15 van de Grondwet {hierna: GW) artikel 16.3.12 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) artikel 35 §§1 en 2 en bijlage 4, D van het Soortenbesluit het zorgvuldigheids-, het proportionaliteits- en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ze stelt in essentie dat de vaststellingen van de verbalisanten en haar daaropvolgende verklaring, zoals opgenomen in het PV en de bijlagen, geen rechtsgrondslag kunnen vormen voor de bestreden boete omdat deze onregelmatig zijn gebeurd en nietig zijn. Ze meent met name dat de verbalisanten , in functie van deze vaststellingen , op onrechtmatige wijze toegang hebben genomen tot haar woning met aanpalende garage en aanhorigheden en met omsloten tuin en een onwettige huiszoeking hebben uitgevoerd. Ze stelt dat de verbalisanten zich hierbij niet kunnen beroepen op hun bevoegdheid overeenkomstig artikel 16.3.12 DABM om elke plaats zonder voorafgaande verwittiging vrij te betreden en het benodigde materiaal mee te nemen, omdat dit wat betreft de bewoonde lokalen enkel geldt als ze daarvoor de voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming hebben gekregen van de bewoner, dan wel hiertoe voorafgaandelijk en schriftelijk zijn gemachtigd door de Politierechter , terwijl dergelijke toestemming of machtiging niet voorligt. Ze betwist in dit kader het standpunt van de gewestelijke entiteit, dat een bewoond lokaal in de zin van artikel 16.3.12 DABM is beperkt tot een lokaal dat daadwerkelijk wordt bewoond of voor bewoning is ingericht, omdat een woning in de zin van artikel 15 GW betrekking heeft op de plaats, met inbegrip van de erdoor omsloten eigen aanhorigheden , die een persoon bewoont om er zijn verblijf of zijn werkelijke verblijfplaats te vestigen en waar hij uit dien hoofde recht heeft op eerbiediging van zijn persoonlijke levenssfeer, zijn rust en meer algemeen zijn privéleven, terwijl artikel 16.3.12 DABM grondwetsconform moet worden geïnterpreteerd. Ze stelt dat de verbalisanten zich voor hun vaststellingen bovendien niet hebben beperkt tot de betreding van het omsloten erf en de tuin van haar woning, maar ook haar garage en haar afgesloten terras hebben gecontroleerd. In de rand hiervan merkt ze op dat de persoon van het FAW en de medewerkers van het Natuurhulpcentrum , die ook aanwezig waren tijdens de vaststellingen op 25 augustus 2017, niet de hoedanigheid hebben van toezichthouder dan wel van officier van gerechtelijke politie, terwijl de identiteit van de medewerkers van het natuurhulpcentrum bovendien niet in het PV is vermeld. Ze verwijt de verbalisanten dat de wederrechtelijke huiszoeking enkel tot doel had HHC,6 om de patrijzen, waarvan ze sinds 23 augustus 2017 het vermoeden hadden dat ze deze in haar bezit had, uit te zetten in het wild, hoewel het vaststond dat deze patrijzen in gevangenschap zijn geboren en gekweekt en ze helemaal niet gekwetst of hulpbehoevend waren, waarbij de voorwaarden voor uitzetting in het wild bovendien zijn miskend. 2. Verwerende partij stelt dat verzoekende partij niet aantoont dat de vaststellingen van de verbalisanten en haar daaropvolgende verklaring, die de rechtsgrondslag vormen voor de bestreden boete, onregelmatig zijn gebeurd en nietig zijn, zodat er hiermee door de gewestelijke entiteit geen rekening kon worden gehouden. Ze stelt dat enkel de eigenlijke woning en de door die woning omsloten aanhorigheden genieten van de door artikel 15 GW gewaarborgde onschendbaarheid, zodat schuren, stallingen en tuinen niet dezelfde bescherming genieten als een bewoond lokaal, terwijl de omschrijving van de aanhorigheden bij een bewoond huis in artikel 480 Strafwetboek geen betrekking heeft op de aanhorigheden in de zin van artikel 15 GW. Ze stelt dat de bevoegdheid van de verbalisanten als toezichthouders overeenkomstig artikel 16.3.12 DABM, om zonder voorafgaande verwittiging elke plaats vrij te betreden en het benodigde materiaal mee te nemen, waarbij ze enkel voor de betreding van bewoonde lokalen moeten beschikken over een voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming van de bewoner of machtiging van de Politierechter, dan ook conform is met artikel 15 GW, zoals wordt bevestigd in de voorbereidende werken bij deze bepaling. Ze merkt op dat verzoekende partij in haar schriftelijk verweer geen betwisting heeft gevoerd over de rechtsgeldigheid van de vaststellingen van de verbalisanten en hierover pas tijdens de hoorzitting een opmerking heeft gemaakt, die door de gewestelijke entiteit gemotiveerd is weerlegd in de bestreden beslissing. In navolging hiervan herhaalt ze dat de vaststellingen van de verbalisanten, op basis waarvan de boete voor de schending van artikel 35 Jachtdecreet en artikel 12 Soortenbesluit is gesteund, enkel hebben plaatsgevonden op het erf en in de tuin van verzoekende partij en niet in de door haar bewoonde lokalen, zodat deze rechtsgeldig zijn gebeurd conform artikel 16.3.12 DABM. 1 n zoverre de verbalisanten ook vaststellingen hebben gedaan in de garage, merkt ze nog op dat ook deze ruimte niet kan worden beschouwd als een bewoond lokaal in de zin van artikel 16.3.12 DABM omdat ze gelijkaardig is aan een schuur of een stalling en niet dezelfde bescherming geniet van een bewoond lokaal. Ze betwist voorts dat de verbalisanten ook vaststellingen hebben gedaan in een afgesloten terras bij de woning omdat dit niet blijkt uit het PV, waarbij ze herhaalt dat de vaststellingen die de grondslag vormen voor de bestreden boete niet zijn gedaan in de garage of in een afgesloten terras bij de woning. Ze meent dan ook dat verzoekende partij tevergeefs aanvoert dat er sprake was van een onwettige huiszoeking, waardoor de vaststellingen van de verbalisanten geen rechtsgrondslag kunnen vormen voor de bestreden boete. In zoverre HHC-7 verzoekende partij opmerkt dat de verbalisanten tijdens hun vaststellingen op 25 augustus 2017 waren vergezeld van een persoon van het FAW en van niet nader geïdentificeerde medewerkers van het natuurhulpcentrum, die niet de hoedanigheid hebben van toezichthouder dan wel van officier van gerechtelijke politie, merkt ze op dat de vaststellingen in het PV enkel zijn gedaan door de verbalisanten, die blijkens het PV in uniform waren en hun legitimatiekaart droegen, zodat de aanwezigheid van deze anderen personen geen afbreuk doet aan de rechtsgeldigheid van de vaststellingen van de verbalisanten, die zich konden beroepen op artikel 16.3.12 DABM. 3. Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in essentie in de argumentatie in haar verzoekschrift. Ze meent dat de aanhorigheden bij een bewoond huis in de zin van artikel 480 Strafwetboek wel degelijk ook genieten van de door artikel 15 GW gewaarborgde onschendbaarheid. Ze wijst in dit kader op de vaststelling dat artikel 8 EVRM een ruimere invulling geeft aan het begrip 'woning' en in het kader van de bescherming van de woning vereist dat deze waarborg betrekking heeft op alle ruimten die dienst doen als woonruimte en waar de betrokken persoon zijn privésfeer beleeft, waaronder het besloten erf en tuin rond de woning. Ze benadrukt dat de verbalisanten bovendien wel degelijk ook vaststellingen hebben gedaan in haar afgesloten terras en meent dat dit wordt bevestigd door de vragen tijdens haar verhoor, waarbij er expliciet wordt gesteld dat er op de tafel onder haar terras voorwerpen zijn gevonden. Ze betwist het standpunt van verwerende partij, dat de vaststellingen in het PV desgevallend alleszins kunnen worden opgesplitst in rechtsgeldige vaststellingen, zoals deze op het erf en in de tuin bij haar woning, en onregelmatige vaststellingen, zoals deze in haar garage en onder haar terras, omdat de aangevoerde nietigheid van het PV wegens schending van artikel 15 GW betrekking heeft op alle vaststellingen in het PV, terwijl ook de vaststellingen in haar garage en onder haar terras gelden als bewijs voor het milieumisdrijf waarvoor de betreden boete wordt opgelegd. Ze herhaalt dat de verbalisanten tijdens hun vaststellingen op 25 augustus 2017 bovendien waren vergezeld van derden, die alleszins niet gemachtigd waren om toegang te nemen tot haar woning en aanhorigheden. 4. Verzoekende partij herhaalt in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 28 november 2024 in essentie in de argumentatie in haar verzoekschrift en in haar wederantwoordnota. Ze stelt nog dat er enkel onder bepaalde voorwaarden rekening mag worden gehouden met onrechtmatig verkregen bewijs, terwijl deze voorwaarden in voorliggend dossier niet zijn vervuld. Ze wijst daarbij met name op de vaststelling dat de werkwijze van de verbalisanten, met in het bijzonder de aanwezigheid tijdens de vaststellingen HHC-8 van medewerkers van het natuurhulpcentrum, die de jacht niet genegen zijn, een manifeste schending uitmaken van haar recht op de eerbiediging van haar privéleven en haar recht op een eerlijk proces, omdat de onregelmatigheden tijdens de vaststellingen de betrouwbaarheid van het bewijs en de objectiviteit van de verbalisanten hebben aangetast. Ze merkt daarbij nog op dat de aanwezigheid van deze derden tot gevolg heeft dat het geheim van het opsporingsonderzoek is geschonden. Ze meent dat de onregelmatigheden tijdens de vaststellingen bovendien zwaarwichtiger zijn dan de vastgestelde milieumisdrijven omdat de verbalisanten bewust haar woning en aanhorigheden hebben betreden zonder toestemming of machtiging, hoewel ze kennis hebben van artikel 16.3.12 DABM, en daarbij bewust derden hebben ingeschakeld, die ter zake alleszins geen bevoegdheid hebben, met het enkel oogmerk om de patrijzen uit te zetten in het wild. Ze stelt dat ook haar verklaringen mede zijn gebeurd in het licht van de wederrechtelijke vaststellingen, zodat er ook daarmee geen rekening mag worden gehouden. 5. Verwerende partij herhaalt in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 28 november 2024 in essentie de argumentatie in haar antwoordnota. Ze benadrukt vooreerst dat de bestreden boete enkel is opgelegd naar aanleiding van de vaststelling van de verbalisanten van de aanwezigheid op het erf van verzoekende partij van ongeringde patrijzen, waarover ze later verklaarde dat deze afkomstig zijn van de markt en van het uitbroeden van in het wild geraapte eieren. Ze betwist dat het bewijs voor de schending van artikel 35 Jachtdecreet en artikel 12 Soortenbesluit onregelmatig is verkregen. Wat betreft de aanwezigheid van patrijzen op het erf van verzoekende partij merkt ze op dat de verbalisanten reeds op 23 augustus 2017 vanaf een achterliggend landbouwperceel hebben vastgesteld dat er in een vleug in de tuin van verzoekende partij ongeringde patrijzen zaten, zodat deze zintuigelijke vaststellingen, die bijzondere bewijswaarde hebben, alleszins niet kunnen zijn aangetast door een mogelijke schending van de bescherming van de woning. Ze merkt daarbij op dat verzoekende partij deze vaststellingen tijdens de bestuurlijke boeteprocedure ook nooit heeft betwist en in haar schriftelijk verweer zelfs uitdrukkelijk heeft erkend dat ze in deze vleug, die zichtbaar was van op straat, patrijzen hield. Ze stelt dat de nieuwe controle van de verbalisanten van 25 augustus 2017 op het erf van verzoekende partij tot doel had om na te gaan hoeveel patrijzen er in de vleug werden gehouden. Ze meent dat ook deze vaststellingen niet kunnen worden beschouwd als onregelmatig bewijs wegens strijdigheid met artikel 15 GW en artikel 8 EVRM. Ze wijst in dit kader op de vaststelling dat de onschendbaarheid van de woning op basis van deze artikelen niet absoluut is en er daarvan bij wet kan worden afgeweken. Ze stelt dat artikel 16.3.12 DABM een specifieke betredingsregeling voorziet, op basis waarvan toezichthouders altijd en zonder verwittiging alle HHC-9 plaatsen, behalve bewoonde lokalen, vrij mogen betreden en het nodige materiaal mogen meenemen, waarbij de term 'bewoond lokaal' impliceert dat dit een onderdeel betreft van een gebouw, zodat een tuin of een erf daar niet onder ressorteert. Ze meent dat de verbalisanten op basis hiervan op 25 augustus 2017 toegang mochten nemen tot het erf en de tuin van verzoekende partij, die vrij toegankelijk waren, te meer ze in dit kader vooraf telefonisch contact hebben opgenomen met verzoekende partij. Ze stelt dat de aanwezigheid van een persoon van het FAW en van medewerkers van het natuurhulpcentrum geen afbreuk doet aan de regelmatigheid van de vaststellingen omdat de verbalisanten zich overeenkomstig artikel 16.3.18 DABM bij de uitoefening van hun toezichtrechten mogen laten bijstaan door personen die ze daartoe hebben aangewezen op grond van hun deskundigheid. Ze stelt dat verzoekende partij vervolgens op 28 augustus 2017 is verhoord over de regelmatige vaststellingen op respectievelijk 23 en 25 augustus 2017, waarbij ze zich vrijwillig bij het politiebureau heeft aangeboden, is ingelicht over de feiten waarover ze zou worden verhoord, uitdrukkelijk heeft ingestemd met een verhoor en vrijwillig en weloverwogen afstand heeft gedaan van haar recht om voorafgaand aan het verhoor vertrouwelijk te overleggen met een advocaat en om zich tijdens het verhoor door een advocaat te laten bijstaan, in de rand waarvan ze is gewezen op het feit dat ze niet verplicht kan worden om zichzelf te beschuldigen. Ze stelt dat verzoekende partij tijdens dit verhoor heeft erkend dat de ongeringde patrijzen, die door de verbalisanten op haar eigendom zijn aangetroffen, afkomstig zijn van de markt en van geraapte eieren, zoals ze ook heeft bevestigd in haar schriftelijk verweer. Ze benadrukt dat er alleszins geen discussie kan bestaan over de regelmatigheid van de vaststellingen op 23 augustus 2017 en de daarover door verzoekende partij afgelegde verklaring tijdens haar verhoor en haar schriftelijk verweer. In de hypothese dat het College zou oordelen dat de vaststellingen door de verbalisanten op 25 augustus 2017 onregelmatig zijn en het milieumisdrijf onvoldoende vaststaat op basis van de vaststellingen op 23 augustus 2017 en de daaropvolgende verklaringen van verzoekende partij, stelt ze ondergeschikt dat de verklaringen van verzoekende partij naar aanleiding van de vaststellingen door de verbalisanten op 25 augustus 2017 geen onregelmatig bewijs uitmaken in het licht van hun totstandkoming. In de hypothese dat het College zou oordelen dat niet alleen de vaststellingen door de verbalisanten op 25 augustus 2017, maar ook de daaropvolgende verklaringen van verzoekende partij onregelmatig bewijs zijn, stelt ze uiterst ondergeschikt dat de gewestelijke entiteit hiermee wel degelijk rekening kan houden omdat het bewijs op basis van artikel 32 van de voorafgaande titel van het wetboek van strafvordering (hierna: Vt. Sv.) niet nietig is. Ze meent dat er met name geen sprake is van een schending van vormvoorwaarden die op straffe van nietigheid zijn voorgeschreven en van een aantasting van de betrouwbaarheid van het bewijs, terwijl het gebruik hiervan ook niet in strijd is met het recht op een eerlijk proces. HHC-10 Beoordeling door het College 1. De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen worden bestraft overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3bis, 16.6.3ter, 16.6.3quater, 16.6.3quinquies, 16.6.3sexies en 16.6.3septies DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2, 2° DABM). De geschonden artikelen zijn dergelijke milieuvoorschriften (artikel 16.1.1, lid 1, 15° en 16° en lid 4 DABM). Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de gehandhaafde regelgeving is in beginsel strafbaar (artikel 16.6.1, §1 DABM). De geldboete kan enkel worden opgelegd aan de 'overtreder', hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of die opdracht geeft om handelingen te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25, lid 1 DABM). De kwalificatie van de feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om haar een geldboete op te leggen. Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en inhoudelijk vlak. 2. De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing, onder de titel 'de toerekenbaarheid aan de overtreder', onder meer het volgende: De raadsman van vermoedelijke overtreder stelt zich vragen bij de rechtmatigheid van de vaststellingen gezien er geen visitatiemachtiging afgeleverd werd. HHC-11 Art. 16.3.12 DABM bepaalt dat toezichthouders altijd, zonder voorafgaande verwittiging, elke plaats vrij mogen betreden en het benodigde materiaal meenemen .... Tot de bewoonde lokalen hebben ze echter alleen toegang als ze aan van de volgende voorwaarden voldoen: 1° ze hebben een voorafgaande en schriftelijke toestemming gekregen van de bewoner; 2° ze werden ertoe voorafgaandelijk en schriftelijk gemachtigd door de rechter in de politierechtbank. Uit bovenstaand artikel volgt dat de toezichthouders enkel over een voorafgaandelijke en schriftelijke toestemming of machtiging dienen te beschikken voor het betreden van bewoonde lokalen. De memorie van toelichting verduidelijkt wat onder 'bewoond lokaal' moet worden verstaan: "lokalen die daadwerkelijk worden bewoond of voor bewoning worden ingericht". In casu werd de woning van vermoedelijke overtreder niet betreden door de verbalisant, de vaststellingen vonden enkel plaats in de tuin/erf van vermoedelijke overtreder. Een tuin/erf is geen lokaal dat wordt bewoond of voor bewoning wordt ingericht. Verder beschikken de toezichthouders ten aanzien van 'elke plaats' over een algemeen betredingsrecht. Het betreden heeft 'elke plaats' tot voorwerp en wordt ruim opgevat; velden, weiden, bossen, stallen, .... In de parlementaire voorbereiding (supra) die de term 'bewoond lokaal' uit artikel 16.3.12, lid 2 DABM verder verduidelijkt, blijkt dat de aanhorigheden van een bewoond lokaal, zoals een tuin/erf, niet als bewoond lokaal mogen beschouwd worden, indien ze niet worden bewoond of voor bewoning zijn ingericht. Artikel 16.3.12 DABM geeft aan de toezichthouders aldus een wettelijke basis om elke plaats, die geen bewoond lokaal is, tegen de wil in van de betrokkene en zonder voorafgaande verwittiging te betreden. De tuin/erf waarin de vaststellingen plaatsvonden, betreft aldus geen bewoond lokaal en bijgevolg mocht verbalisant deze tuin/erf vrij betreden, zonder dat hiervoor toestemming vereist was. Zoals blijkt uit geciteerde tekstfragmenten en door partijen op zich niet wordt betwist, wordt de bestreden boete aan verzoekende partij opgelegd omwille van het bezit van 4 7 ongeringde patrijzen, in functie waarvan ze nesten en broedsels van patrijzen heeft weggenomen, zodat enkel haar argumentatie hierover dienstig is. Verzoekende partij voert in het middel op zich geen betwisting over het gegeven dat dit is verboden en dat er haar hiervoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze betwist alleen de regelmatigheid van de bewijselementen waarop de gewestelijke entiteit haar beoordeling van het bestaan en de toerekenbaarheid van dit milieumisdrijf heeft gesteund. 3. Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de procedurestukken niet aan dat de gewestelijke entiteit, bij haar beoordeling van het bestaan HHC-12 van het milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij, geen rekening mocht houden met de vaststellingen van de verbalisanten en met haar verklaringen tijdens het daaropvolgend verhoor omdat dit onregelmatig verkregen bewijselementen betreffen. Ze toont met name niet aan dat de verbalisanten niet handelden binnen het kader van hun toezichtsbevoegdheid en dat het controleren van de vleug met patrijzen in haar tuin moet worden beschouwd als een wederrechtelijke huiszoeking in haar door de Grondwet beschermde woning. 3.1. Verzoekende partij betwist op zich niet dat de materiële vaststellingen van de verbalisanten in het PV bijzondere bewijswaarde hebben. Een proces-verbaal heeft in beginsel bewijswaarde tot het tegendeel is bewezen, waarbij deze bijzondere bewijswaarde vervalt als er daarvan niet binnen een termijn van veertien dagen na afsluiting hiervan een kopie wordt overgemaakt aan de vermoedelijke overtreder, in zoverre deze is bekend (artikel 16.3.25, lid 1 DABM -in dezelfde zin artikel 16.5.10 DABM). De bijzondere bewijswaarde geldt enkel wat betreft de materiële vaststellingen die de verbalisant doet en niet voor de feitelijke of juridische gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt. Deze bewijswaarde kan enkel ongedaan worden gemaakt als er een beslissend bewijs van onjuistheid hiervan wordt voorgelegd, zodat een loutere ontkenning van of twijfel over deze vaststellingen niet volstaat. Zoals blijkt uit het administratief dossier, werd het PV op 20 september 2017, ofwel binnen een termijn van veertien dagen na afsluiting hiervan op 18 september 2017, met een aangetekende brief met ontvangstbewijs overgemaakt aan verzoekende partij, terwijl deze dit gegeven op zich niet betwist en alleszins niet weerlegt. De materiële vaststellingen van de verbalisanten in het PV hebben hierdoor bijzondere bewijswaarde. 3.2. Zoals blijkt uit het PV en door partijen niet wordt betwist, hebben de natuurinspecteurs die de vaststellingen hebben gedaan, naast officier van gerechtelijke politie, ook de hoedanigheid van gewestelijk toezichthouder van het Agentschap voor Natuur en Bos (conform artikel 16.3.8, §2 DABM). Ze zien in die hoedanigheid toe op de naleving van de milieuvoorschriften in onder meer het Jachtdecreet en het Soortenbesluit (artikel 16.3.9, §1 DABM). Ze beschikken bij de uitvoering van hun toezichtopdracht over meerdere toezichtrechten, waaronder het recht op toegang in artikel 16.3.12 DABM (artikel 16.3.10 DABM). Op basis hiervan mogen ze, in functie van de uitoefening van hun toezichtrechten, altijd en zonder voorafgaande verwittiging elke plaats vrij betreden, behalve bewoonde lokalen, waartoe ze alleen toegang hebben mits een voorafgaande en schriftelijke toestemming van de bewoner of mits hiertoe HHC-13 voorafgaandelijk en schriftelijk te zijn gemachtigd door de rechter in de politierechtbank en dan enkel tussen vijf uur 's morgens en eenentwintig uur 's avonds (artikel 13.3.12 DABM). Verzoekende partij, die niet betwist dat de verbalisanten op het ogenblik van de vaststellingen op 25 augustus 2017 nog toezichtrechten hadden, stelt tevergeefs dat niet alleen haar woning, maar ook haar tuin moet worden beschouwd als een 'bewoond lokaal' in de zin van artikel 16.3.12 DABM en dat de verbalisanten een onwettige huiszoeking hebben verricht, met schending van artikel 15 GW. Het begrip 'bewoond lokaal' wijst in zijn spraakgebruikelijke betekenis op een afgesloten ruimte met een dak, dat binnen een groter gebouw een specifieke gebruiksfunctie heeft, en niet op een plaats in open lucht. Het moet worden onderscheiden van en anders worden ingevuld dan het begrip 'woning'. Voorts moet ook het begrip 'toegang' worden onderscheiden van het begrip 'huiszoeking', dat een verdergaande inbreuk op het privéleven vormt dan de loutere toegang tot een plaats die voor privédoeleinden wordt gebruikt om er visuele vaststellingen te doen. Het begrip 'toegang' betreft het louter betreden van een plaats en het in eerste instantie waarnemen van wat zonder verdere handelingen uiterlijk waarneembaar is, en/of het eventueel uitvoeren van een limitatief opgesomd aantal onderzoekshandelingen met preventieve controledoeleinden overeenkomstig artikel 16.3.10 DABM (zie daarover de parlementaire voorbereiding van het decreet van 21 december 2007 tot aanvulling van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene bepalingen inzake milieubeleid met een titel XVI "Toezicht, handhaving en veiligheidsmaatregelen", Vl. P., 2006- 07, nr. 1249/1, pp. 33-34). Een 'huiszoeking' omvat ingrijpende onderzoekshandelingen naar een concreet misdrijf, waarvan men meent dat het werd of wordt gepleegd, waarbij de plaats werkelijk wordt doorzocht. De verbalisanten konden in functie van de uitoefening van hun toezichtrechten dan ook wel degelijk zonder voorafgaande verwittiging toegang nemen tot de tuin van verzoekende partij, waarin de vleug met patrijzen stond. Verzoekende partij stelt in haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke boeteprocedure, ter ondersteuning van haar goede trouw, overigens 'dat die patrijzen werden gehouden in een vleug die, zelfs van op straat, gewoon zichtbaar was'. Hoewel de vaststellingen met betrekking tot het in de bestreden beslissing weerhouden en beboet milieumisdrijf gebeurden van langs en in de tuin van verzoekende partij, kan voor zoveel als nodig nog worden opgemerkt dat verzoekende partij ook tevergeefs stelt dat de verbalisanten op onregelmatige wijze toegang hebben genomen tot haar open garage en het terras bij de woning omdat uit het PV niet blijkt dat deze plaatsen moeten worden beschouwd als een 'bewoond lokaal' en daarom niet vrij mochten worden betreden, terwijl verzoekende partij het tegendeel niet aantoont. Verzoekende partij wijst daarbij tevergeefs op het feit dat de verbalisanten tijdens hun vaststellingen op 25 augustus 2017 waren vergezeld van een persoon van het FAW en van HHC-14 niet nader geïdentificeerde medewerkers van een natuurhulpcentrum, die niet de hoedanigheid hebben van toezichthouder dan wel van officier van gerechtelijke politie. Uit het PV blijkt dat de vaststellingen met betrekking tot het in de bestreden beslissing weerhouden milieumisrijf enkel zijn gebeurd door de verbalisanten, die in uniform waren en hun legitimatiekaart droegen. Verzoekende partij toont niet aan in welke mate de aanwezigheid van de andere personen de regelmatigheid van de vaststellingen van de verbalisanten heeft aangetast. In zoverre ze in dit kader voor het eerst in haar aanvullende nota na het arrest van de Raad van State aanvoert dat de verbalisanten hierdoor het geheim van het onderzoek hebben geschonden, is haar kritiek onontvankelijk omdat dit een bijkomend middel betreft ten opzichte van haar verzoekschrift, dan wel omdat ze hiermee minstens een andere wending geeft aan het in haar verzoekschrift aangevoerde middel, terwijl ze niet aannemelijk maakt dat ze deze argumentatie niet kon aanvoeren op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift. Een verzoekschrift dient immers een uiteenzetting te bevatten van de feiten en van de ingeroepen middelen, waarbij de niet-naleving van deze vereiste naderhand niet kan worden geregulariseerd (artikel 17 DBRC-decreet, in samenlezing met artikel 15, 4° Procedurebesluit). Vermits de vaststellingen van de verbalisanten op 23 en 25 augustus 2017 dienen te worden beschouwd als rechtmatig verkregen bewijs, dient niet te worden onderzocht in hoeverre dit bewijs en het daarop gesteunde verdere onderzoek, in het bijzonder het verhoor van verzoekende partij, als nietig moeten worden beschouwd overeenkomstig artikel 32 V.T.W. Sv., dat naar analogie kan worden toegepast in het kader van de bestuurlijke beboeting. Ten overvloede kan nog worden opgemerkt dat verzoekende partij, in de hypothese dat de vaststellingen op 25 augustus 2017 en haar navolgende verklaringen hierover tijdens haar verhoor zouden moeten worden beschouwd als onrechtmatig verkregen bewijs, ook geenszins aantoont dat dit bewijs nietig is en de gewestelijke entiteit daarmee geen rekening mocht houden. Ze toont met name niet aan dat de regelgever een nietigheidssanctie heeft verbonden aan de genoemde vormvereisten, dan wel dat de vaststellingen in haar tuin de betrouwbaarheid van het bewijs hebben aangetast en het gebruik hiervan in strijd is met het recht op een eerlijk proces. Zoals gesteld, is het wederrechtelijk bezit van de ongeringde patrijzen, waarvoor de bestreden boete wordt opgelegd, eerst vastgesteld vanop het aanpalend perceel en de straat, en vervolgens vanuit de tuin van verzoekende partij in functie van het tellen en nader bekijken van de patrijzen, waarbij haar eigenlijke woning niet is betreden, zodat haar recht op privacy hoogstens in geringe mate is aangetast. Dit geldt des te meer in het licht van het gegeven dat ze hiervan ook telefonisch is verwittigd, waarbij ze in het telefonisch onderhoud met de verbalisanten vooraleer deze haar tuin betraden ook al heeft erkend dat er in een vleug in haar tuin patrijzen zitten, 'die naar eigen zeggen deels afkomstig HHC-15 zijn uit eigen kweek en deels uit het in het wild geraapte eieren', terwijl de vaststellingen van de verbalisanten in haar tuin hierop alleszins geen invloed hadden. Verzoekende partij heeft de bevindingen van de verbalisanten daarna niet alleen (nogmaals) bevestigd tijdens haar verhoor, waaraan ze spontaan heeft meegewerkt en waarbij ze voorafgaandelijk duidelijk is gewezen op haar rechten, maar ook in haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke boeteprocedure, zodat ze hierover (ook in huidige procedure) voldoende tegenspraak heeft kunnen voeren. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij voert, met betrekking tot de in de bestreden beslissing weerhouden schending van artikel 12 Soortenbesluit, de schending aan van: artikel 6 EVRM de artikelen 41, § 1, 1 ° en 42 van het Soortenbesluit de rechten van verdediging de hoorplicht , het zorgvuldigheids- , het proportionaliteits- en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ze betwist in essentie dat er een schending voorligt van artikel 12 ( en artikel 41) Soortenbesluit , die haar kan worden toegerekend en waarvoor haar een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze herhaalt, onder verwijzing naar het eerste middel, dat de vaststellingen van de verbalisanten in het PV inzake het wederrechtelijk bezit van 47 ongeringde patrijzen nietig zijn, zodat er hiervan geen deugdelijk bewijs voorligt. Ze meent dat uit de foto's bij het PV blijkt dat ze hoogstens 1 patrijs in bezit had. Ze herhaalt dat de vaststellingen niet zijn gebeurd door toezichthouders / officieren van gerechtelijke politie in uniform, maar door niet bevoegde personen, zodat ze ook om die reden nietig zijn. Ze stelt dat ze tijdens haar verhoor een aannemelijke en geloofwaardige verantwoording gaf voor het vermeende bezit van enkele patrijzen, met name de aankoop anno 2012 ter goeder trouw van een paar volwassen koppels op de markt, waardoor deze op dat ogenblik niet meer konden worden geringd, terwijl het Soortenbesluit op dat ogenblik nog niet in werking was getreden en er toen zelfs geen milieumisdrijf voorlag. Ze betwist de pertinentie van de opmerking van de gewestelijke entiteit HHC-16 in de bestreden beslissing, dat de leeftijd van de patrijzen niet relevant is omdat de beschermingsbepalingen in het Soortenbesluit conform artikel 9 van toepassing zijn ongeacht de levensfase van de patrijzen. Ze stelt dat daarmee afbreuk wordt gedaan aan artikel 42, 4° Soortenbesluit, op basis waarvan de volgens artikel 41, § 1, 1 ° Soortenbesluit vereiste gesloten pootring onder meer moet voldoen aan de voorwaarde dat het formaat van de ring zodanig moet zijn dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd van de poot zonder beschadiging of verandering wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt. Ze stelt dat hieruit volgt dat ze onmogelijk nog de vereiste gesloten pootring kon aanbrengen bij de volwassen patrijzen die ze op de markt had gekocht. Ze merkt daarbij op dat de verwijzing in de bestreden beslissing naar het koninklijk besluit van 9 september 1981 betreffende de bescherming van vogels in het Vlaamse gewest (hierna: KB 9 september 1981) niet dienend is omdat ze de koppels patrijzen pas in 2012 heeft gekocht. Ze verwijt de gewestelijke entiteit voorts dat deze in de bestreden beslissing ook artikel 41, §1, 1 ° Soortenbesluit miskent, doordat de bij haar aangetroffen patrijzen allemaal in het Vlaamse gewest in gevangenschap zijn geboren en gekweekt, waardoor hun bezit in de zin van artikel 12 Soortenbesluit niet is verboden. Ze stelt dat dit met name zowel het geval is voor de koppels patrijzen die ze op de markt heeft aangekocht als voor de overige patrijzen, als kuikens van de op de markt gekochte patrijzen of uit de door haar krielhennen geraapte eieren. Ze meent dat de ontstentenis van een gesloten pootring, die voldoet aan de voorwaarden in de artikelen 42, 43 en 44 Soortenbesluit, niet anders doet besluiten omdat dit voor de op de markt gekochte volwassen patrijzen niet langer mogelijk is, terwijl er feitelijk geen betwisting bestaat over de vaststelling dat de overige bij haar aangetroffen patrijzen allemaal in het Vlaamse gewest in gevangenschap zijn geboren en gekweekt, waardoor hun bezit niet is verboden. Ze betwist tenslotte de wettigheid van de naar aanleiding van de vaststellingen opgelegde bestuurlijke maatregel om de patrijzen tijdelijk onder te brengen in het natuurhulpcentrum en vervolgens vrij te laten in een geschikt biotoop omdat de medewerkers van het natuurhulpcentrum niet bevoegd waren om haar erf te betreden en de patrijzen niet gekwetst of hulpbehoevend waren en werden gehouden voor consumptie, zodat er niet was voldaan aan de voorwaarden voor het terug vrijlaten in artikel D bijlage 4 Soortenbesluit. 2. Verwerende partij stelt dat er geen betwisting bestaat over de vaststelling dat een patrijs ressorteert onder de in artikel 12 Soortenbesluit bedoelde beschermde soorten, waarvan het bezit van de vogels of hun eieren in beginsel is verboden. Ze stelt dat uit de vaststellingen van de verbalisanten, waarvan de rechtsgeldigheid blijkt uit de weerlegging van het eerste middel, blijkt dat geen van de bij verzoekende partij aangetroffen patrijzen een gesloten pootring had, HHC-17 zodat er niet is voldaan aan de mogelijkheid in artikel 41 Soortenbesluit om af te wijken van het verbod artikel 12 Soortenbesluit voor vogels die in het Vlaamse gewest in gevangenschap zijn geboren en gekweekt, vermits dit moet worden aangetoond met een gesloten pootring, die voldoet aan de bepalingen van de artikelen 42, 43 en 44 Soortenbesluit. Ze wijst naar de overwegingen in de bestreden beslissing ter weerlegging van de verantwoording door verzoekende partij in haar schriftelijk verweer van de ontstentenis van gesloten pootringen, waarbij deze met name verwijst naar de aankoop op de markt van een aantal koppels volwassen patrijzen voor de inwerkingtreding van het Soortenbesluit en naar de vaststelling dat ook de overige patrijzen allemaal in gevangenschap zijn geboren uit eieren van deze koppels dan wel van uitgemaaide nesten. Ze betwist het standpunt van verzoekende partij, dat deze een aannemelijke verantwoording geeft voor de ongeringde patrijzen in haar bezit, en herhaalt dat elke in het Vlaamse gewest in gevangenschap geboren vogel sinds de inwerkingtreding van het KB 9 september 1981 moet voorzien zijn van een pootring en dat verzoekende partij hiervan onder meer bij de beweerde aankoop van enkele koppels op de markt in 2012, op het ogenblik dat het Soortenbesluit al van toepassing was, op de hoogte moest zijn. Ze stelt dat verzoekende partij geen enkel bewijs voorlegt dat de bij haar aangetroffen patrijzen allemaal daadwerkelijk in het Vlaamse gewest in gevangenschap zijn geboren en gekweekt en dat ze geen deugdelijke verantwoording geeft voor het ontbreken van de vereiste pootringen. Wat betreft de kritiek van verzoekende partij op de regelmatigheid van de bestuurlijke maatregelen naar aanleiding van de vaststellingen van de verbalisanten merkt ze op dat deze kritiek niet nuttig kan worden aangevoerd in voorliggende procedure bij het College en dat verzoekende partij daartegen desgevallend de geëigende rechtsmiddelen moet aanwenden. 3. Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in essentie in de argumentatie in haar verzoekschrift. Ze merkt, met betrekking tot haar verantwoording voor het regelmatig bezit van de patrijzen, nog op dat verwerende partij tevergeefs wijst op de vaststelling dat de verplichting, dat elke in het Vlaamse gewest in gevangenschap geboren vogel reeds sinds de inwerkingtreding van het KB 9 september 1981 moet zijn voorzien van een pootring, niet gold voor patrijzen omdat deze overeenkomstig artikel 3 van het Jachtdecreet zijn gerangschikt als wild en het KB 9 september 1981 daarop overeenkomstig artikel 1 niet van toepassing is. Ze benadrukt dat de vaststellingen met betrekking tot de patrijzen in haar tuin onregelmatig zijn omdat daarbij ook personen waren betrokken die geen toezichthouder van het ANB zijn en geen uiterlijke tekenen van hun ambt droegen, zodat ze ter zake geen bevoegdheid hadden. 4. HHC-18 Verzoekende partij herhaalt in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 28 november 2024 de argumentatie in haar wederantwoord nota. 5. Verwerende partij volhardt in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 28 november 2024 in de argumentatie in haar antwoordnota. Beoordeling door het College 1. Zoals gesteld bij de beoordeling van het eerste middel, kan de gewestelijke entiteit in beginsel aan verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor gedragingen die strijdig zijn met het geschonden milieuvoorschrift in artikel 12 Soortenbesluit, mits ze bewijst dat verzoekende partij dit milieumisdrijf heeft gepleegd, waarbij ze dit bewijs in beginsel kan leveren met alle middelen van recht, waaronder een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die éénsluidend verzoekende partij aanduiden als pleger van het milieumisdrijf. Voorts blijkt uit de beoordeling van het eerste middel dat de vaststellingen van de verbalisanten en de daaropvolgende verklaringen van verzoekende partij tijdens haar verhoor, dat ze in bezit was van 47 ongeringde patrijzen, niet onrechtmatig zijn en de gewestelijke entiteit hiermee rekening kan houden bij haar beoordeling van het milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij. 2. De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing, onder de titel 'de toerekenbaarheid aan de overtreder', onder meer het volgende: De patrijzen en fazanten die bij vermoedelijke overtreder aangetroffen werden zijn aangeduid als categorie 2 (bijlage 1 van het Soortenbesluit). Deze soorten zijn beschermde soorten waarop de beschermingsbepalingen toepasselijk zijn, ongeacht de levensfase waarin deze specimens zich bevinden (art. 9 Soortenbesluit). Het onder zich hebben van beschermde vogels is verboden (art. 12 Soortenbesluit). Er kan van dit verbod afgeweken worden als het gaat om specimens die in het Vlaams gewest in gevangenschap geboren en gekweekt zijn (art. 41 Soortenbesluit). Dit moet aangetoond worden met een gesloten pootring die voldoet aan de bepalingen van art. 42, 43 en 44 van het Soortenbesluit. HHC-19 3. Bij vermoedelijke overtreder werden 47 patrijzen (46 levende en 1 dode) aangetroffen die geen pootring droegen en waarvan het bezit dus illegaal is. Vermoedelijke overtreder stelt dat hij enkele patrijzen gekocht heeft op een markt en dat het dus mogelijk is dat deze vogels geboren zijn voor de inwerkingtreding van het Soortenbesluit. De overige patrijzen waren afkomstig van het rapen van eieren. Hij was niet op de hoogte dat dit verboden is. Dat de patrijzen mogelijk al geboren zijn voor 2009 doet geen afbreuk aan het milieumisdrijf. Ook onder het koninklijk besluit betreffende de bescherming van vogels in het Vlaams gewest van 9/9/1981 gold reeds een verplichting voor het ringen van vogels gekweekt en geboren in gevangenschap. De (beweerde) onwetendheid omtrent het rapen van eieren doet evenmin afbreuk aan het bestaan van het milieumisdrijf .... Bovenvermelde feiten zijn een schending van: ... Soortenbesluit: artikel 12. Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2, 2° DABM, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van overtreder. Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat er een milieumisdrijf voorligt wegens schending van artikel 12 ( en artikel 41) Soortenbesluit, dat haar kan worden toegerekend, foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat. 3.1. Verzoekende partij voert geen ernstige betwisting over het feit dat een patrijs een beschermde vogelsoort is in de zin van artikel 9 Soortenbesluit, waarop het verbod in artikel 12 Soortenbesluit, om specimenen of eieren van beschermde diersoorten onder zich te hebben, te vervoeren of te verhandelen, van toepassing is, ongeacht de levensfase waarin die specimens zich bevinden. Ze voert ook geen ernstige betwisting over het feit dat houders van specimens van beschermde vogelsoorten hiervoor overeenkomstig artikel 41, § 1, lid 1, 1 ° Soortenbesluit de verboden handelingen in artikel 12 Soortenbesluit kunnen stellen, behalve het verbod inzake het vervoer of de verhandeling van de eieren van die vogelsoorten, op voorwaarde dat het gaat om specimens die in het Vlaamse gewest in gevangenschap zijn HHC-20 geboren en gekweekt, hetgeen wordt aangetoond met een gesloten pootring die voldoet aan de bepalingen van de artikelen 42, 43 en 44 Soortenbesluit. 3.2. Verzoekende partij toont niet aan dat ze de ongeringde patrijzen, die door de verbalisanten in haar tuin zijn aangetroffen, onder zich mocht houden en dat de beoordeling hiervan door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk onredelijk is. Uit de verklaringen van verzoekende partij tijdens haar verhoor blijkt dat de bij haar aangetroffen patrijzen ofwel afkomstig waren van de markt in Mol, ofwel uit geraapte eieren, en dat ze allemaal waren bestemd voor eigen consumptie. Wat betreft de patrijzen van de markt, verklaart ze met name dat ze 'een vijftal jaar geleden een viertal ongeringde koppels patrijzen aankocht', terwijl ze wat betreft de overige patrijzen verklaart dat ze 'in 2017 en in 2012 patrijzeneieren heeft geraapt' en zelf heeft laten uitbroeden. Deze verklaringen worden door verzoekende partij naderhand bevestigd bij de feitelijke uiteenzetting in haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke boeteprocedure (onder randnummer 6), waarin ze stelt dat ze 'anno 2012, op Mol-markt, een viertal ongeringde koppels patrijzen aankocht', waarna ze 'datzelfde jaar ook een aantal patrijzeneieren had geraapt' en 'anno 2017 ook nog 11 eieren had geraapt'. Ze herhaalt deze verantwoording ook bij haar juridische uiteenzetting (onder randnummers a.2 en c.3), waarbij ze nog opmerkt dat de koppels patrijzen die ze anno 2012 ter goeder trouw op de markt aankocht al volwassen waren, waardoor ze niet meer konden worden geringd en het zelfs mogelijk is dat die patrijzen al waren geboren voor de inwerkingtreding van het Soortenbesluit, terwijl sommige van de patrijzen het resultaat waren van de eigen kweek uit de op de markt aangekochte oudervogels. Verzoekende partij erkent bij de feitelijke uiteenzetting in haar schriftelijk verweer (onder randnummer 10) overigens ook dat ze 'zich akkoord heeft verklaard' met de bestuurlijke maatregel, waarbij de patrijzen worden overgebracht naar een natuurhulpcentrum om later terug in vrijheid te worden gesteld, omdat ze 'ter zake de patrijzen, weliswaar te goeder trouw, in de fout was gegaan'. Het Soortenbesluit en in het bijzonder de toepasselijke artikelen 12 en 41 zijn in werking getreden op 1 september 2009, hetzij op het ogenblik waarop het KB 9 september 1981 is opgeheven. Vanaf deze datum was 'het onder zich hebben, het vervoeren, het verhandelen of ruilen of het te koop of in ruil aanbieden van specimens of eieren' van (onder meer) patrijzen verboden en mocht verzoekende partij geen ongeringde patrijzen meer houden. Zelfs in de hypothese dat verzoekende partij enkele van de door de verbalisanten in 2017 bij haar aangetroffen partrijzen in 2012 ongeringd had gekocht op een markt, blijft de vaststelling dat het op dat ogenblik al drie jaar was verboden om deze patrijzen te verhandelen, vervoeren en HHC-21 onder zich te hebben en dat deze ongeacht hun levensfase moesten geringd zijn, zodat haar verantwoording niet dienstig is. De verwijzing in dit kader door verzoekende partij naar de vereiste voorwaarde voor gesloten pootringen in artikel 42, lid 1, 4° Soortenbesluit, op basis waarvan het formaat van de ring zodanig moet zijn dat hij, nadat hij in de eerste levensdagen van de vogel is aangebracht, niet meer kan worden verwijderd zonder beschadiging of verandering wanneer de poot van de vogel zijn definitieve omvang heeft bereikt, doet niet anders besluiten. Deze voorwaarde doet op zich geen afbreuk aan artikel 9 Soortenbesluit, op basis waarvan de beschermingsbepalingen in (onder meer) artikel 12 Soortenbesluit van toepassing zijn 'ongeacht de levensfase' waarin de beschermde soort zich bevindt. Verzoekende partij wijst in dit kader ook tevergeefs op haar goede trouw en maakt niet redelijkerwijze aannemelijk dat elke normale redelijke en vooruitziende ervaren jager, geplaatst in dezelfde omstandigheden, ook niet op de hoogte zou zijn geweest van de beschermingsbepalingen in het Soortenbesluit, zodat ze niet aannemelijk maakt dat er in haar hoofde sprake is van een schulduitsluitingsgrond en met name van onoverkomelijke (rechts)dwaling. Het is overigens zeer onwaarschijnlijk dat volwassen patrijzen, die in 2012 beweerdelijk op de markt worden gekocht met het oog op eigen consumptie, in 2017 nog altijd leven, te meer gelet op hun eerdere geringe levensverwachting. Ook wat betreft de beweerdelijk zelf opgekweekte patrijzen uit eieren van vooral uitgemaaide nesten, blijft de vaststelling dat de patrijzen enkel rechtmatig mogen worden gehouden als uit een gesloten pootring blijkt dat ze in gevangenschap zijn geboren en gekweekt, terwijl geen van de patrijzen was geringd. Deze afwijking van het principieel verbod op het houden van patrijzen doet bovendien geen afbreuk aan het verbod inzake het vervoer of de verhandeling van de eieren van patrijzen. Verzoekende partij erkent in de juridische uiteenzetting in haar schriftelijk verweer (onder randnummers a.2 en c.3) overigens expliciet dat ze ter zake in de fout is gegaan, waarbij ze bevestigt dat ze wat betreft de eigen kweek van patrijzen uit eieren van gekochte oudervogels dan wel uitgemaaide nesten 'beseft dat dit uiteraard niets afdoet aan de verplichting om de jongen van deze patrijzen te voorzien van pootringen' en 'dit evenmin iets afdoet aan het verbod om uitgemaaide nesten op te rapen'. Verzoekende partij toont dan ook niet aan dat het oordeel door de gewestelijke entiteit, dat het bezit door verzoekende partij van 47 ongeringde patrijzen een milieumisdrijf is omdat een patrijs ressorteert onder de beschermde soorten, waarop de beschermingsbepalingen van toepassing zijn, ongeacht de levensfase waarin ze zich bevinden, zodat het onder zich hebben van deze vogels is verboden, als niet aan de hand van een regelmatige gesloten pootring blijkt dat ze in het Vlaams gewest in gevangenschap zijn geboren en gekweekt, foutief of kennelijk onredelijk is. Gelet op deze vaststelling, is de overweging in de bestreden beslissing, dat er ook in de hypothese dat enkele van de aangetroffen patrijzen al zijn geboren voor 2009 een HHC-22 milieumisdrijf voorligt omdat er ook onder het KB 9 september 1981 al een verplichting gold voor het ringen van vogels gekweekt en geboren in gevangenschap, overbodig. Verzoekende partij heeft in haar verzoekschrift overigens zelfs gesteld dat 'de verwijzing naar een KB van 9 september 1981 in dat opzicht niet eens dienend is, niet in het minst nu (ze) die vogels zelf pas in eigendom heeft bekomen anno 2012', zodat de kritiek in haar wederantwoord nota over de juistheid van deze overweging onontvankelijk is. Ze voert hiermee immers een bijkomend middel aan ten opzichte van haar verzoekschrift of geeft minstens een andere wending aan het in haar verzoekschrift aangevoerde middel, terwijl ze niet aannemelijk maakt dat ze deze argumentatie niet kon aanvoeren op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift. Zelfs als zou worden geoordeeld dat enkele van de bij verzoekende partij aangetroffen ongeringde patrijzen niet voortkomen uit eieren die ze in 2012 en 2017 wederrechtelijk heeft geraapt, oordeelt het College, in het kader van zijn volheid van bevoegdheid , dat niet blijkt dat de bestreden boete hierdoor disproportioneel en kennelijk onredelijk is en om die reden, na de vernietiging van de bestreden beslissing, moet worden verminderd 4. Verzoekende partij uit tenslotte tevergeefs kritiek op het besluit houdende bestuurlijke maatregelen naar aanleiding van de vaststellingen van de verbalisant, op basis waarvan de bij haar aangetroffen patrijzen tijdelijk zijn ondergebracht in een natuurhulpcentrum en vervolgens zijn vrijgelaten in een geschikt biotoop. Ongeacht de vaststelling dat dit besluit geen rechtsgrondslag vormt voor de bestreden boete, dient daartegen gebeurlijk eerst bestuurlijk beroep te worden aangetekend bij de bevoegde minister, terwijl er tegen het ministerieel besluit vervolgens eventueel jurisdictioneel beroep kan worden aangetekend bij de Raad van State, zoals ook terecht wordt vermeld in dit besluit, zodat het College ter zake in beginsel niet bevoegd is. Verzoekende partij stelt bij de feitelijke uiteenzetting in haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke boeteprocedure (onder randnummer 10) overigens expliciet dat ze 'zich akkoord heeft verklaard ' met deze bestuurlijke maatregel omdat ze 'ter zake de patrijzen, weliswaar te goeder trouw, in de fout was gegaan'. Het middel wordt verworpen. C. Derde middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij voert, met betrekking tot de in de bestreden beslissing weerhouden schending van artikel 35 Jachtdecreet, de schending aan van: HHC-23 artikel 6 EVRM, artikel 35 Jachtdecreet de rechten van verdediging het zorgvuldigheids-, het proportionaliteits- en het motiveringsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ze betwist in essentie dat er een schending voorligt van artikel 35 Jachtdecreet, die haar kan worden toegerekend en waarvoor haar een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze stelt dat het verbod in artikel 35 Jachtdecreet, om nesten en broedsels van patrijzen weg te nemen of opzettelijk te vernielen, te vervoeren of in de handel te brengen, duidelijk moet worden gelezen als een verbod om gezonde nesten en broedsels weg te nemen van het broedpaar, dan wel opzettelijk te vernielen, te vervoeren of in de handel te brengen. Ze betwist dat ze zich hieraan schuldig heeft gemaakt omdat ze enkel de resterende eieren van reeds uitgemaaide of vernielde patrijzennesten, die door het uitmaaien reeds waren verlaten of waarbij de broedhen dood was, heeft opgeraapt en laten uitbroeden door haar krielhennen in functie van persoonlijke consumptie. Ze stelt dat dit ook blijkt uit de verklaringen tijdens haar verhoor, waarbij ze in navolging van het eerste middel herhaalt dat deze mede voortvloeien uit een onwettige huiszoeking. Ze stelt dat ze deze nesten dan ook niet heeft weggenomen of opzettelijk heeft vernield, en de eieren hiervan ook niet in de handel heeft gebracht, zodat haar geen schending kan worden verweten van artikel 35 Jachtdecreet. Ze wijst in dit kader op de vaststelling dat ze blijkens de voorliggende stukken altijd een voortrekker is geweest van de bescherming van de patrijs en steeds inspanningen heeft geleverd om het patrijzenbestand in haar jachtrevier in stand te houden door het afschot hiervan binnen haar jachtrevier tot het minimum te beperken, zoals wordt bevestigd door het daar toepasselijke jachtreglement. 2. Verwerende partij wijst op het verbod in artikel 35 Jachtdecreet, om nesten en broedsels van (onder meer) patrijzen weg te nemen of opzettelijk te vernielen, te vervoeren of in de handel te brengen, en op de verklaringen van verzoekende partij tijdens haar verhoor, waarin ze erkent dat ze in het voorjaar van 2017 patrijzeneieren heeft geraapt. Ze stelt dat artikel 35 Jachtdecreet duidelijk is en geen interpretatie behoeft, en dat daaruit niet blijkt dat het verbod op het wegnemen van eieren van patrijzennesten enkel geldt voor gezonde nesten met een nog aanwezig ouderpaar. Ze merkt nog op dat verzoekende partij bovendien niet aantoont dat de door haar geraapte eieren afkomstig waren uit vernield nesten. 3. HHC-24 Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in essentie in de argumentatie in haar verzoekschrift. Ze herhaalt dat het meenemen van de resterende eieren van reeds uitgemaaide of vernielde en verlaten patrijzennesten, om deze door eigen krielhennen te laten uitbroeden in functie van persoonlijke consumptie, niet kan worden beschouwd als een schending van artikel 35 Jachtdecreet. Ze herhaalt ook dat haar uitgelokte verklaringen hierover alleszins in hun geheel moeten worden gelezen, en verwijt de gewestelijke entiteit dat deze zich in de bestreden beslissing beperkt tot de verwijzing naar fragmenten van haar verklaringen en tot de vaststelling dat verzoekende partij ter zake geen bewijs bijbrengt. 4. Verzoekende partij herhaalt in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 28 november 2024 de argumentatie in haar wederantwoord nota. 5. Verwerende partij volhardt in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 28 november 2024 in de argumentatie in haar antwoordnota. Beoordeling door het College 1. Zoals gesteld bij de beoordeling van het eerste middel, kan de gewestelijke entiteit in beginsel aan verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor gedragingen die strijdig zijn met het geschonden milieuvoorschrift in artikel 35 Jachtdecreet, mits ze bewijst dat verzoekende partij dit milieumisdrijf heeft gepleegd, waarbij ze dit bewijs in beginsel kan leveren met alle middelen van recht, waaronder een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die éénsluidend verzoekende partij aanduiden als pleger van het milieumisdrijf. Voorts blijkt uit de beoordeling van het eerste middel dat de vaststellingen van de verbalisanten en de daaropvolgende verklaringen van verzoekende partij tijdens haar verhoor, dat de 4 7 ongeringde patrijzen in haar bezit grotendeels afkomstig waren uit de eieren van uitgemaaide of vernielde patrijzennesten, die door haar krielhennen zijn uitgebroed in functie van persoonlijke consumptie, niet onrechtmatig zijn en de gewestelijke entiteit hiermee rekening kan houden bij haar beoordeling van het milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij. 2. De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing, onder de titel 'de toerekenbaarheid aan de overtreder', onder meer het volgende: HHC-25 3. Artikel 35 van het Jachtdecreet verbiedt het wegnemen, vernielen, vervoeren en in de handel brengen van nesten en broedsels van vogels. Bij vermoedelijke overtreder werden 47 patrijzen (46 levende en 1 dode) aangetroffen die geen pootring droegen en waarvan het bezit dus illegaal is. Vermoedelijke overtreder stelt dat hij enkele patrijzen gekocht heeft op een markt . . . De overige patrijzen waren afkomstig van het rapen van eieren. Hij was niet op de hoogte dat dit verboden is. De (beweerde) onwetendheid omtrent het rapen van eieren doet evenmin afbreuk aan het bestaan van het milieumisdrijf. Het behoort immers tot de verantwoordelijkheid van vermoedelijke overtreder om zich te informeren over de geldende regelgeving. Vermoedelijke overtreder is jachtrechthouder en er kan dus van hem verwacht worden dat hij op de hoogte is van de jachtregelgeving, zeker gezien het verbod op het rapen van eieren van vogels al in 2002 opgenomen werd in het Jachtdecreet. Bovenvermelde feiten zijn een schending van: Jachtdecreet: artikel 35 ... Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2, 2° DABM, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van overtreder. Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat er een milieumisdrijf voorligt wegens schending van artikel 35 Jachtdecreet, dat haar kan worden toegerekend, foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat. 3.1. Op basis van artikel 35 Jachtdecreet is het verboden om nesten en broedsels van vogels, gerangschikt bij het wild, waaronder patrijzen, weg te nemen of opzettelijk te vernielen, te vervoeren of in de handel te brengen. Het verbod in dit artikel is duidelijk en behoeft geen interpretatie. De interpretatie van verzoekende partij, dat dit verbod enkel zou gelden voor gezonde nesten met oudervogels, en niet (langer) voor reeds uitgemaaide of vernielde nesten, die door de oudervogels zijn verlaten of waarbij de broedhen dood is, vindt dan ook geen steun in de tekst van artikel 35 Jachtdecreet en vormt een onterechte beperking van de draagwijdte van het verbod om patrijzeneieren te rapen. HHC-26 Deze interpretatie zou overigens tot gevolg hebben dat het verbod in artikel 35 Jachtdecreet, om nesten en broedsels van patrijzen weg te nemen of te vervoeren, wordt uitgehold en niet langer kan worden gehandhaafd omdat in veel gevallen niet meer kan worden achterhaald waar de eieren juist vandaan komen, waardoor de deur wordt opengezet voor misbruik. 3.2. Verzoekende partij toont niet aan dat ze de eieren uit reeds uitgemaaide of vernielde patrijzennesten, die door de oudervogels waren verlaten of waarbij de broedhen dood was, mocht meenemen en dat de beoordeling hiervan door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk onredelijk is. Uit de verklaringen van verzoekende partij tijdens haar verhoor blijkt dat de bij haar aangetroffen patrijzen minstens deel afkomstig waren uit geraapte eieren en dat ze allemaal waren bestemd voor eigen consumptie. Wat betreft de patrijzen die voortkomen uit geraapte eieren verklaart ze met name dat ze 'in 2017 en in 2012 patrijzeneieren heeft geraapt' en zelf heeft laten uitbroeden. Deze verklaringen worden door verzoekende partij naderhand bevestigd bij de feitelijke uiteenzetting in haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke boeteprocedure (onder randnummer 6), waarin ze stelt dat ze 'anno 2012 ook een aantal patrijzeneieren had geraapt' en 'anno 2017 ook nog 11 eieren had geraapt'. Ze herhaalt dit ook bij haar juridische uiteenzetting (onder randnummers a.2 en c.3), waarbij ze stelt dat ze 'zowel anno 2012 als anno 2017 eieren heeft geraapt van een uitgemaaid nest, en deze (heeft) laten uitbroeden door haar krielhennen'. Verzoekende partij erkent bij de feitelijke uiteenzetting in haar schriftelijk verweer (onder randnummer 10) overigens ook dat ze 'zich akkoord heeft verklaard' met de bestuurlijke maatregel, waarbij de patrijzen worden overgebracht naar een natuurhulpcentrum om later terug in vrijheid te worden gesteld, omdat ze 'ter zake de patrijzen, weliswaar te goeder trouw, in de fout was gegaan'. Verzoekende partij wijst in dit kader tevergeefs op haar goede trouw en onwetendheid en maakt niet redelijkerwijze aannemelijk dat elke normale redelijke en vooruitziende ervaren jager, geplaatst in dezelfde omstandigheden, ook niet op de hoogte zou zijn geweest van het absoluut verbod om patrijzeneieren mee te nemen om thuis door krielhennen te laten uitbroeden met het oog op eigen consumptie, zodat ze niet aannemelijk maakt dat er in haar hoofde sprake is van een schulduitsluitingsgrond en met name van onoverkomelijke (rechts)dwaling. De goede bedoelingen van verzoekende partij blijken overigens niet uit de voorliggende stukken. Zelfs in de hypothese dat verzoekende partij steeds heeft gestreefd naar de bescherming van de patrijs en steeds inspanningen heeft geleverd om het patrijzenbestand in haar jachtrevier in stand te houden, valt niet in te zien waarom ze de eieren van beweerdelijk uitgemaaide of HHC-27 vernielde patrijzennesten meeneemt om deze thuis door krielhennen te laten uitbroeden, om de geredde patrijzen uiteindelijk te consumeren. Het middel wordt verworpen. D. Vierde middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij voert, met betrekking tot de in de bestreden beslissing weerhouden schending van artikel 35 Jachtdecreet en artikel 12 Soortenbesluit, de schending aan van: artikel 16.4.37 DABM het redelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Ze stelt in essentie dat de gewestelijke entiteit haar beslissingstermijn waarbinnen ze een boetebeslissing moet nemen en haar redelijke beslissingstermijn dermate heeft overschreden , dat de boete minstens moet worden verlaagd. Ze wijst met name op de vaststelling dat de feiten dateren van 25 augustus 2017; dat ze hierover op 28 augustus 2017 is verhoord; dat de bestuurlijke boeteprocedure is opgestart op 22 december 2017; dat ze, na ontvangst van het administratief dossier op 19 januari 2018, op 19 februari 2018 een schriftelijk verweer heeft ingediend ; en dat de bestreden beslissing uiteindelijk pas is genomen op 8 december 2020, ofwel bijna 3,5 jaar na de feiten. 2. Verwerende partij wijst op de vaststelling dat de beslissingstermijn in artikel 16.4.37, §1 DABM van 180 dagen een ordetermijn betreft, waarvan de overschrijding op zich niet leidt tot bevoegdheidsverlies in hoofde van de gewestelijke entiteit om een boete op te leggen en tot de vernietiging van de bestreden beslissing. Ze stelt dat de beoordeling van de overschrijding van de redelijke termijn en van de gevolgen hiervan op de boete in eerste instantie toekomt aan de gewestelijke entiteit. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing, bij de begroting van de boete, nadrukkelijk en meetbaar rekening houdt met de overschrijding van haar beslissingstermijn en het basisbedrag van 4.580 euro op basis van de ernst van de feiten om die reden met 1.430 euro vermindert tot 3.150 euro. Ze meent dat verzoekende partij in haar verzoekschrift geen concrete elementen aanvoert, waaruit blijkt dat de vermindering van de boete onvoldoende of kennelijk onredelijk is om de gevolgen van de termijnoverschrijding adequaat te herstellen. HHC-28 3. Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in essentie in de argumentatie in haar verzoekschrift. Ze voegt nog toe dat de kennelijke overschrijding door de gewestelijke entiteit van haar beslissingstermijn en van de redelijke termijn waarbinnen een boetebeslissing moet worden genomen ook tot gevolg had dat haar rechten van verdediging op kennelijk onredelijke wijze zijn geschonden omdat ze bij een adequate behandeling van haar dossier 'allicht' nog andere onderzoekdaden had laten stellen, terwijl dit na 3,5 jaar niet langer mogelijk is. 4. Verzoekende partij volhardt in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 28 november 2024 in de argumentatie in haar verzoekschrift en in haar wederantwoordnota. Ze stelt nog dat de procureur des Konings het dossier in de periode tussen 20 september 2022 en 22 december 2022 aan de gewestelijke entiteit heeft overgemaakt met het oog op bestuurlijke beboeting en er daarna geen stuitingsdaad meer is gesteld, zodat de strafvordering ondertussen op 20 september 2022 en alleszins voor 22 december 2022 is verjaard. Ze wijst voorts op de vaststelling dat de gewestelijke entiteit en ook het Handhavingscollege sinds 20 september 2022 niet langer bevoegd zijn om een boete op te leggen omdat deze bevoegdheid overeenkomstig artikel 16.4.30 DABM vijf jaar na datum van afsluiting van het PV vervalt en het PV in deze is afgesloten op 19 september 2017. Ze stelt dat naast deze vervaltermijn ook rekening moet worden gehouden met de redelijke termijnvereiste, waarvan de naleving door het College moet worden gewaarborgd. Ze verwijt de gewestelijke entiteit dat deze in de bestreden beslissing geen verantwoording geeft voor de lange duurtijd van de bestuurlijke boeteprocedure, waarbij ze haar schriftelijk verweer al op 19 januari 2018 tijdig heeft meegedeeld en vervolgens pas op 28 september 2020 is gehoord, waarna de bestreden beslissing pas op 8 december 2020 is tussengekomen. Ze wijst daarbij op de vaststelling dat het dossier niet complex is, zodat de gewestelijke entiteit binnen haar decretale beslissingstermijn met kennis van zaken kon oordelen. Ze verwijt de gewestelijke entiteit voorts dat deze in de bestreden beslissing niet afdoende motiveert waarom het basisboetebedrag van 4.580 euro, omwille van de duurtijd van de boeteprocedure, wordt herleid met 1.430 euro en zich ten onrechte beperkt tot de stijlclausule dat de feiten voldoende ernstig zijn om alsnog een boete op te leggen. Ze merkt tenslotte nog op dat ze ook op heden, met name vijf jaar na datum van de bestreden beslissing van 8 december 2020, nog altijd geen uitsluitsel heeft over de uitkomst van de boeteprocedure, zodat de redelijke termijn ook om die reden is verstreken. HHC-29 5. Verwerende partij volhardt in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State van 28 november 2024 in de argumentatie in haar antwoordnota. Beoordeling door het College 1. Als de gewestelijke entiteit een milieumisdrijf wil bestraffen met een alternatieve bestuurlijke geldboete dient ze bepaalde termijnen in acht te nemen. Ze beschikt hiervoor enerzijds over een termijn van 5 jaar na de datum van afsluiting van het proces-verbaal dat voor het milieumisdrijf is opgesteld, waarna de mogelijkheid tot het opleggen van een geldboete vervalt (artikel 16.4.30 DABM). Dit is een vervaltermijn, zodat de gewestelijke entiteit na het verstrijken hiervan niet langer bevoegd is om een geldboete op te leggen. Ze dient anderzijds haar voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen binnen een termijn van 30 dagen na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings over het niet strafrechtelijk behandelen van het milieumisdrijf aan de vermoedelijke overtreder over te maken (artikel 16.4.36, § 1 DABM). Vanaf deze kennisgeving beschikt ze dan over een termijn van 180 dagen om te beslissen over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldboete, die wordt geschorst door het voorstel tot betaling van een geldsom (16.4.36, §3, lid 4 DABM), waarna ze haar beslissing binnen een termijn van 10 dagen aan de overtreder moet betekenen (artikel 16.4.37, lid 1 DABM). Dit zijn ordetermijnen waarvan de schending op zich niet wordt gesanctioneerd, zodat de gewestelijke entiteit na het verstrijken hiervan nog altijd bevoegd is om een geldboete op te leggen en de bestreden beslissing om die reden niet noodzakelijk moet worden vernietigd. De gewestelijke entiteit heeft op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder de redelijke termijneis als onderdeel van het zorgvuldigheidsbeginsel wel de plicht om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen. Onder het begrip 'kennelijk onredelijke termijn' verstaat het College een termijn die zodanig laattijdig is dat het niet meer redelijk kan worden geacht om de overtreder alsnog de normale voor het milieumisdrijf decretaal toepasselijke bestuurlijke punitieve sanctie op te leggen. De redelijke termijnvereiste manifesteert zich ten aanzien van de gewestelijke entiteit als de verplichting om te handelen als een goede huisvader en moet in het licht van de vijfjarige verjaringstermijn, als absolute grens waarbinnen een geldboete kan worden opgelegd, worden geëvalueerd naargelang de concrete omstandigheden. Hierbij kunnen tal van factoren een rol spelen, zoals de complexiteit van het dossier, het gedrag van de bestuurlijke overheden en de houding van de overtreder. De gebeurlijke vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden leidt op zich niet HHC-30 noodzakelijk automatisch tot de vernietiging van de bestreden beslissing. De gevolgen hiervan moeten opnieuw worden beoordeeld naargelang de concrete omstandigheden en dit zowel uit het oogpunt van de bewijslevering als van de opportuniteit tot het opleggen van een sanctie en de omvang ervan. Het komt in eerste instantie aan de gewestelijke entiteit toe om binnen haar discretionaire bevoegdheid te oordelen over de (boeteverlagende) gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn. Het College oefent hierop een wettigheidstoezicht uit en gaat met name na of de boetebeslissing op dat punt niet kennelijk onredelijk is. 2. De gewestelijke entiteit overweegt met betrekking tot het tijdsverloop en de gevolgen hiervan in de bestreden beslissing, onder de titel 'de omstandigheden', het volgende: 3. De gewestelijke entiteit ging per schrijven van 4/1/2018 over tot de kennisgeving van het voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De boetebeslissing moet binnen een termijn van honderdtachtig dagen na deze kennisgeving genomen worden (artikel 16.4.37 DABM). Deze termijn van honderdtachtig dagen is een termijn van orde, waarvan de overschrijding niet gesanctioneerd wordt. Deze beslissingstermijn is inmiddels verstreken. De gewestelijke entiteit is evenwel van oordeel dat de feiten voldoende ernstig zijn om alsnog een bestuurlijke geldboete op te leggen en acht het, wegens de voorliggende overschrijding van de beslissingstermijn en rekening houdende met de concrete elementen in het dossier, passend en redelijk om het boetebedrag te verlagen tot 3.150 euro. Verzoekende partij toont niet aan dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de gevolgen van de overschrijding van de haar opgelegde decretale ordetermijn om een boetebeslissing te nemen kennelijk onredelijk is in het licht van de ernst van het milieumisdrijf en dat er redenen zijn om de boete bijkomend te verminderen omwille van het tijdsverloop van de boeteprocedure. 3.1. Zoals blijkt uit het administratief dossier en door verzoekende partij niet wordt betwist, wordt het PV naar aanleiding waarvan de bestreden boete is opgelegd afgesloten op 18 september 2017. De procureur des Konings beslist vervolgens op 19 oktober 2017 dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld en de gewestelijke entiteit ontvangt deze beslissing HHC-31 op 25 oktober 2017. De gewestelijke entiteit brengt verzoekende partij vervolgens op 4 januari 2018 op de hoogte van het voornemen om haar eventueel een bestuurlijke geldboete op te leggen, waarna ze op 8 december 2020 beslist om een geldboete op te leggen. De gewestelijke entiteit heeft de termijn van 180 dagen, waarbinnen ze in beginsel moet beslissen over het opleggen van een geldboete, en die een aanvang neemt vanaf de kennisgeving aan de vermoedelijke overtreder van haar voornemen hiertoe, met ongeveer negenentwintig maanden overschreden. 3.2. Verzoekende partij betwist niet dat de vervaltermijn waarbinnen de gewestelijke entiteit een geldboete kan opleggen voor het milieumisdrijf op het ogenblik van de bestreden beslissing nog niet is verstreken. Ze verwijt de gewestelijke entiteit enkel dat deze haar beslissingstermijn van 180 dagen niet respecteerde, terwijl er geen concrete elementen voorliggen die dit tijdsverloop kunnen verantwoorden en het dossier met name niet complex is en ze tijdig een schriftelijk verweer indiende. Ze meent dat de redelijke termijn waarbinnen de boeteprocedure diende te worden afgehandeld dermate is overschreden dat dit gegeven moet leiden tot de vaststelling dat er geen boete meer kan worden opgelegd. 3.3. De gewestelijke entiteit oordeelt in de bestreden beslissing dat het, ondanks de overschrijding van haar beslissingstermijn, alsnog is aangewezen om een boete op te leggen. Ze steunt dit oordeel op de ernst van de feiten. Ze meent echter dat de opgelegde boete omwille van het lange tijdsverloop moet worden herleid van 4.580 euro tot 3.150 euro. Hieruit blijkt dat ze erkent dat de redelijke termijn waarbinnen de boeteprocedure in het licht van de concrete omstandigheden moest worden afgehandeld dermate is overschreden dat dit gegeven moet leiden tot een boetevermindering om het mogelijk nadeel dat verzoekende partij heeft geleden door het onredelijk lang uitblijven van een boetebeslissing te herstellen. De gewestelijke entiteit geeft daarbij concreet aan van welk basisbedrag ze vertrekt en hoeveel dit wordt verlaagd, zodat het College in het kader van de legaliteitstoets waarmee het is belast kan beoordelen of de toegepaste vermindering van de boete niet kennelijk onredelijk is in het licht van de termijnoverschrijding en de gegevens van het dossier. Verzoekende partij stelt tevergeefs dat de overschrijding van de redelijke termijn in voorliggend dossier gevolgen had uit het oogpunt van de bewijslevering en haar recht van verdediging heeft aangetast. Er dient vooreerst te worden vastgesteld dat ze deze kritiek pas voor het eerst aanvoert in haar wederantwoord nota, zodat ze onontvankelijk is. HHC-32 Ze voert hiermee immers een bijkomend middel aan ten opzichte van haar verzoekschrift of geeft minstens een andere wending aan het in haar verzoekschrift aangevoerde middel, terwijl ze niet aannemelijk maakt dat ze deze argumentatie niet kon aanvoeren op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift. Bovendien maakt ze deze bewering in het licht van de voorliggende stukken niet afdoende concreet aannemelijk. Ze gaat voorbij aan het gegeven dat de bestreden beslissing in hoofdorde is gesteund op de vaststellingen van de verbalisanten in het PV, waaruit de toestand bij aanvang van de procedure blijkt en die bijzondere bewijswaarde hebben, terwijl de gewestelijke entiteit bij haar beoordeling ook rekening heeft gehouden met haar schriftelijk verweer. Verzoekende partij maakt ook niet afdoende aannemelijk dat ze door het lange tijdsverloop zichtbaar schade of nadelen heeft ondervonden en reikt alleszins geen concrete elementen aan, waaruit blijkt dat het mogelijks door haar geleden nadeel door het overschrijden van de ordetermijn niet adequaat is hersteld door de herleiding van het basisboetebedrag. Ze toont niet aan dat een bestraffing in het licht van de aard en de ernst van de feiten niet langer passend en noodzakelijk is. Ze maakt met name niet aannemelijk dat de beoordeling in de bestreden beslissing van het waarderingscriterium van de ernst van de feiten, waarnaar de gewestelijke entiteit verwijst, foutief of kennelijk onredelijk is en voert hierover inhoudelijk zelfs geen betwisting. Ze toont tenslotte niet aan dat de door de gewestelijke entiteit toegepaste herleiding van de boete, naar aanleiding van het tijdsverloop van de bestuurlijke boeteprocedure, niet evenredig is met de termijnoverschrijding en de concrete gegevens van het dossier. In zoverre ze de gewestelijke entiteit voor het eerst in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State verwijt dat deze in de bestreden beslissing niet afdoende motiveert waarom ze het basisboetebedrag met 1.430 euro herleidt, is deze kritiek onontvankelijk. Ze voert hiermee immers opnieuw een bijkomend middel aan ten opzichte van haar verzoekschrift of geeft minstens een andere wending aan het in haar verzoekschrift aangevoerde middel, terwijl ze niet aannemelijk maakt dat ze deze argumentatie niet kon aanvoeren op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift. Ze maakt bovendien, ondanks haar stelplicht, ten onrechte abstractie van de gemotiveerde en pertinente overweging hierover van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing. Haar (nieuwe) kritiek vormt dan ook eerder opportuniteitskritiek, waarbij ze haar visie over de begroting van de boete stelt tegenover deze van de gewestelijke entiteit, die ter zake in het licht van het mogelijke boetebedrag over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. HHC-33 3.4. Verzoekende partij wijst in haar aanvullende nota naar aanleiding van het arrest van de Raad van State tenslotte tevergeefs op de schending van de redelijke termijn omwille van de vaststelling dat ze ook op heden nog geen uitsluitsel heeft over de uitkomst van de boeteprocedure, hoewel er ondertussen sinds de bestreden beslissing opnieuw bijna 4,5 jaar is verstreken. Ze voert hiermee opnieuw een bijkomend middel aan ten opzichte van haar verzoekschrift, of geeft minstens een andere wending aan het in haar verzoekschrift aangevoerde middel, zodat dit argument onontvankelijk is. Bovendien heeft de gewestelijke entiteit, zoals hoger gesteld, binnen haar vervaltermijn een boetebeslissing genomen, waarbij ze rekening heeft gehouden met het op dat ogenblik verstreken tijdsverloop sinds de opmaak van het PV en de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure. De vaststelling dat verzoekende partij hiermee niet akkoord is en gebruik maakt van de decretaal voorziene schorsende jurisdictionele procedures om deze boetebeslissing vernietigd te zien, heeft niet tot gevolg dat de redelijke termijn waarbinnen de gewestelijke entiteit een boetebeslissing moet nemen nog verder doorloopt. Verzoekende partij heeft sinds de kennisname van de bestreden beslissing uitsluitsel over het boetebedrag naar aanleiding van het milieumisdrijf. Indien haar schorsend verzoek tot vernietiging van de boetebeslissing niet wordt ingewilligd, zal ze dit bedrag moeten betalen. Indien het College deze boetebeslissing alsnog vernietigt, kan er in het licht van artikel 16.4.30 DABM zowel door de gewestelijke entiteit als door het College, in het kader van de indeplaatsstelling, geen nieuwe boetebeslissing meer worden genomen. In de rand hiervan wordt nog opgemerkt dat verzoekende partij ook tevergeefs stelt dat de strafvordering ondertussen is verjaard omdat de beslissing van de procureur des Konings van 19 oktober 2017 om voorliggend milieumisdrijf niet strafrechtelijk te behandelden het verval inhield van de strafvordering (artikel 16.4.34, lid 3 DABM). Het middel wordt verworpen. HHC-34 V. Beslissing 1. Het beroep wordt verworpen. 2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rol recht, zijn ten laste van verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken op 22 mei 2025 door de eerste kamer. De griffier, De voorzitter van de eerste kamer, HHC-35

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot