Naar hoofdinhoud

ARR:handhavingscollege-brussel-27-06-2025-0

🏛️ Handhavingscollege Brussel 📅 2025-06-27 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

29 juli 1991

Volledige tekst

HHC - 1 HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 27 juni 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse regerin g, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving en Landbouw , voor wie bij delegatie optreedt: de gewestelijke entiteit ( het Departement Omgeving - afdeling Handhaving ) vertegenwoordigd door , afdelingshoofd , met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert II - laan 20, bus 8 I. Voorwerp van het beroep Verzoekende partij vordert door neerlegging van een verzoekschrift ter griffie op 4 juni 2024 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 3 mei 2024 met nummer waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 13.900 euro wegens schending van artikel 5.4.9, §§1 en 2 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM) en van de artikelen 4.1.1 2.1, §1, 4.4.4.4, §2, 5.6.2.1.5, §1, 5.17.4.1.12, 5.17.4.3.1, §1, 5.17.4.3.8, 5.17.4.3.16, §1 en 5.43.2.5 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: VLAREM II). Er wordt h aar met name verweten onvoldoende maatregelen te hebben genomen om te voorkomen dat accidenteel verspreide stoffen of verontreinigd bluswater rechtstreeks naar het grondwater, een openbare riolering of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewatere n worden afgevoerd; dat de bevoorradingsstandplaats van de karting -voertuigen zich binnen bevindt en niet in open lucht; dat de vier bovengrondse houders met een inhoud van 1.500 liter niet waren voorzien van een HHC - 2 lekdetectiesysteem, niet boven een inkuiping en op minder dan 0.5 meter van elkaar waren geplaatst; en dat de twee bovengrondse houders van 570 liter benzine, de bovengrondse houder voor de opslag van 4.500 liter motorolie in de herstelwerkplaats, de vier houders voor de opslag van afvalolie en de 30 houders voor de opslag van telkens 1.000 liter stookolie niet waren onderworpen aan een beperkt onderzoek door een erkend milieudeskundige. II. Rechtspleging Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient antwoordnota in. Verzoekende partij dient een wederantwoordnota in. Partijen worden opgeroepen voor de zitting van 6 februari 2025. Ze stemmen in met schriftelijk behandelen en beraad nemen van de vordering (conform artikel 41, §3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommig e Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: Procedurebesluit). III. Regelmatigheid van de rechtspleging - tijdigheid antwoordnota Standpunt partijen 1. Verwerende partij stelt in haar antwoord nota dat ze de aangetekende brief van de griffie met het verzoekschrift van 6 september 2024 heeft ontvangen op 10 september 2024. 2. Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota dat de antwoordnota van verwerende partij uit de debatten moet worden geweerd omdat deze is ingediend buiten de vervaltermijn van vijfenveertig dagen in artikel 27 Procedurebesluit. Op basis van de gegevens uit de antwoordnota van verwerende partij meent ze dat de termijn om deze antwoordnota in te dienen liep van 7 september 2024 tot en met 21 o ktober 2024, zodat de antwoordnota van 22 oktober 2024 laattijdig is. Ze meent dat haar beroep, omwille van de ontstentenis van verweer van verwerende partij, gegrond moet worden verklaard. Beoordeling door het College 1. HHC - 3 Het Procedurebesluit regelt strikt het procesverloop van de rechtspleging, in functie van een ordentelijke en faire rechtsstrijd, waarbij de rechten van verdediging worden geëerbiedigd. Nadat verwerende partij via de griffie regelmatig in kennis is gesteld van het verzoekschr ift van verzoekende partij, kan ze een antwoordnota indienen binnen een vervaltermijn van 45 dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het afschrift van het verzoekschrift door de griffie (artikel 27, lid 1 Procedurebesluit , in s amenlezing met artikel 4 Procedurebesluit). 2. Verzoekende partij toont niet aan dat de antwoordnota van verwerende partij van 22 oktober 2024 wegens laattijdigheid uit de debatten moet worden geweerd. Verwerende partij is door de griffie van het College met een aangetekende brief van 6 september 2024 in kennis gesteld van het verzoekschrift van verzoekende partij en uitgenodigd om een antwoordnota in te dienen binnen een vervaltermijn van 45 dagen na b etekening, nadat een eerdere kennisgeving met een brief van 28 augustus 2024 wegens een materiële verg issing geen kopie van het verzoekschrift bevatte. Zelfs in de hypothese dat deze kennisgeving haar reeds op 9 september 2024 is betekend en haar vervaltermijn van vijfenveertig dagen is ingegaan op 10 september 2024, is haar antwoordnota, die op 22 oktober 2024 via het digitaal loket is neergelegd, tijdig. IV. Feiten 1. Op respectievelijk 4 oktober 2019 en 21 oktober 2019 stellen twee toezichthouders bij de afdeling Handhaving van het departement Omgeving (hierna: verbalisant), in de klasse 1 - inrichting van verzoekende partij in , ambtshalve het volgende vast: “… Vrijdag 4 oktober 2019 We begeven ons ter plaatse en melden ons aan bij de receptie. De … Facility manager staat ons te woord. We maken een rondgang over het bedrijf. Volgens de vergunning zijn er 50 bovengrondse houders aanwezig, meer bepaald 2 dubbelwandige benzine houders van 570 l, 1 dubbelwandige dieselhouder van 19.990 l, 1 houder voor motorolie van 4.500 l, 1 houder voor afvalolie van 10.500 l en 3 batterijen van 15.000 l stookolie. HHC - 4 1. De 2 bovengrondse benzine houders van 570 l bevinden zich naast de karting loods. De vulmond is beveiligd met een slot. Na het openen van de beveiliging treffen wij geen label aan waaruit blijkt dat deze houders recentelijk gekeurd zijn, zoals vereist doo r artikel 5.17.4.3.16 van VLAREM II. De heer … legt ons een rapport van de periodieke keuring van één van de bovengrondse benzinehouders van 1 maart 2016 … Het rapport vermeldt enkele inbreuken en kent een oranje label toe. Onder andere een vloeistofdich te vul - en lospiste ontbreekt. De houder diende tegen 1 september 2016 opnieuw gekeurd te worden. De heer …kan ons geen ander keuringsverslag voorleggen. … De bovengrondse benzinehouders wendt aan voor de bevoorrading van de karting - voertuigen. Eén houder is steeds in gebruik de andere houder dient als reserve, zodat er steeds benzine voorradig is. De houders bevinden zich buiten. Dit is overeenkomst ig artikel 4§2.4 van de bijzondere vergunningsvoorwaarde van 15 mei 2014, welke bepaalt dat de opslag van benzine en de verdeelinstallatie verplaatst moeten worden naar openlucht of onder een luifel. Wanneer hun karting -voertuigen willen voorzien van benzine, leiden zij het vulpistool via een opening (buis) naar het gebouw waarna zij het vullen in een tussentijds recipiënt. Artikel 5.6.2.1.5, §1 van VLAREM II bepaalt dat de bevoorradingsstandplaats van de motorvoertuigen voor gevaarlijke vloeistoff en van groep 1 zich steeds in open lucht moet bevinden. De karting -voertuigen worden binnen gevuld i.p.v. in open lucht. leeft de voorwaarde van artikel 5.6.2.1.5, §1 van VLAREM II niet na. … 2. De bovengrondse houders met motorolie (4.500 l) en afvalolie (10.500 l) kan de heer … ons niet aanwijzen. Ook de mensen van de herstelwerkplaats hebben geen weet van zulke houders. We vragen na of deze houders nog in gebruik zijn. 3. Naast de herstelwerkplaats stellen wij vier houders vast die buiten zijn opgesteld. De houders zijn volgens de heer … niet meer in gebruik. Welke vloeistof er in het verleden in deze houders aanwezig waren is niet gekend. De openingen van de houders zij n niet afgesloten waardoor water in deze houders terecht kan komen. Rondom de houders nemen wij regenwater met een olielaag waar. Dit kan mogelijks oppervlaktewater -, grondwater - en/of bodemverontreiniging veroorzaken. … 4. We begeven ons naar de kelder van het bureaugebouw waar de stookoliehouders zijn opgeslagen. Er zijn 30 houders van 1.000 l aanwezig i.p.v. 45 houders. Aldus zijn er 2 batterijen van elk 15 x 1.000 l stookoliehouders aanwezig. De vulmond bevindt zich bu iten t.h.v. de ingang van de receptie. We stellen vast dat er groene labels aanwezig zijn. De laatste keuring is uitgevoerd door … De houders dienden in 2014 opnieuw gekeurd te worden. We vragen navolgende het rapport op van de periodieke keuringen. … HHC - 5 5. Op de inrichting zijn er volgens de vergunning 20 stookinstallaties aanwezig waarvan 9 stookinstallaties een vermogen hebben groter dan 300 kW. We vragen de vijfjaarlijkse metingen op overeenkomstig artikel 5.43.2.23, 1° a) van VLAREM II. Op 8 oktober 2019 sturen wij een mail naar de heer … waarop we de verschillende documenten oplijsten die we navolgend zouden willen ontvangen. Maandag 21 oktober Naar aanleiding van de mail van 8 oktober 2019 … begeven wij ons nogmaals naar het bedrijf om de gevraagde documenten in te kijken. We begeven ons ter plaatse en melden ons aan bij de receptie. De … staat ons te woord. We maken e en rondgang op het bedrijf. 1.De heer … kan ons geen periodiek keuringsverslag voorleggen van de twee bovengrondse benzinehouders van 570 l zoals nochtans vereist door artikel 5.17.4.3.16 van VLAREM II. Op 4 oktober legde de heer … ons een keuringsverslag voor, uitgevoerd op 1 maart 2016, waarbij de houder tegen uiterlijk 1 september 2016 diende te herkeuren (oranje label). Deze herkeuring is niet uitgevoerd. Het rapport van 1 maart 2016 is het laatste periodieke keuringsverslag dat ons kan voorleggen voor de benzinehou ders. leeft de voorwaarde opgelegd door artikel 5.17.4.3.16 van VLAREM II niet na. 2.We begeven ons naar de herstelwerkplaats. De houder van 4.500 l met hydraulische olie is binnen de herstelwerkplaats opgeslagen. Deze is niet voorzien van een kenplaat waaruit zou blijken dat een periodieke keuring is uitgevoerd. Overeenkomstig artikel 5 .17.4.3.16, §1 van VLAREM II diende deze opslaghouder onderworpen te worden aan een driejaarlijks periodiek onderzoek (beperkt onderzoek), dewelke moet uitgevoerd worden door een daartoe erkende milieudeskundige. Hocké nv kan ons geen keuringsverslag voorl eggen. Bijgevolg stellen wij vast dat bovenvermeld artikel niet is nageleefd. … 3. In de vergunning is er een houder met afvalolie van 10.500 l vergund. Tijdens de vorige controle was het niet duidelijk of deze houder nog steeds aanwezig was. De heer … deelt ons mee dat de houder met afvalolie van 10.500 l eigenlijk de vier houders zi jn die buiten zijn opgeslagen. Deze houders worden nog gebruikt. Ook hier treffen wij geen kenplaat aan waaruit zou blijken dat er een periodieke keuring overeenkomstig artikel 5.17.4.3.16 van VLAREM II is uitgevoerd. Tevens stellen we vast dat de vulopeni ng niet is afgesloten. Hierdoor kan er water terecht komen in de houders. Daarnaast stellen we vast dat de minimale afstand tussen de houders kleiner is dan 0.5 m. leeft de vereiste van artikel 5.17.4.3.8 van VLAREM II niet na. … HHC - 6 Het is niet duidelijk of deze houders enkelwandig of dubbelwandig zijn. Desalniettemin stellen we vast dat de houders niet boven een inkuiping zijn geplaatst of uitgerust zijn met een permanent lekdetectiesysteem, zoals nochtans vereist door artikel 5.17.4 .3.1, §1 van VLAREM II. Tot slot leeft de voorwaarde van artikel 5.17.4.1.12 van VLAREM II niet na. De houders zijn niet opgeslagen boven een vloeistofdichte ondergrond en is niet voorzien van een opvangsysteem voor het opvangen van mogelijk verontreinigd water. Rondom d e houders nemen wij regenwater met een olielaag waar, dit kan mogelijks oppervlaktewater -, grondwater - en/of bodemverontreiniging veroorzaken. Tevens stellen wij een rooster vast, naast de bovengrondse houders met afvalolie, waarlangs het regenwater wordt afgevoerd. Overeenkomstig artikelen 4.1.12.1, §1 en 5.17.4.1.12 van VLAREM II dient de exploitant de nodige maatregelen te nemen om te voorkomen dat accidenteel verspreide stoffen of verontreinigd bluswater rechtstreeks naar het grondwater, een openbare ri olering, waterloop of om het even welke verzamelplaats van oppervlaktewateren worden afgevoerd. Dit is niet het geval. … 4. De laatste periodieke keuring van de twee batterijen stookoliehouders van elk 15.000 l dateert van 3 oktober 2014 … Overeenkomstig artikel 5.17.4.3.16, §1 van VLAREM II dienen deze opslaghouders onderworpen te worden aan een driejaarlijks periodiek onde rzoek (beperkt onderzoek), dewelke moet uitgevoerd worden door een daartoe erkende milieudeskundige. We delen de heer … mee dat de termijn voor het uitvoeren van een beperkt onderzoek verstreken is. Bijgevolg stellen wij vast dat bovenvermeld artikel niet is nageleefd. De heer … legt ons een document voor waaruit blijkt dat op 28 oktober 2019 de periodieke controle komt uitvoeren … Het is niet duidelijk welke houder zij zullen keuren. Desalniettemin is er een afspraak overeengekomen om een keuring te la ten uitvoeren. 5. De heer … legt ons de emissiemetingen van november 2014 voor … Wanneer we de emissiemetingen van november 2014, uitgevoerd door het daartoe erkende bedrijf analyseren stellen we vast dat alle stookinstallaties, uitgezonderd de stookinstallatie van het Atelier, voldoen aan de geldende emissiegrenswaarden. Uit de ons bezorgde meetrapporten blijkt dat voor de stookinstallatie van het atelier de gemeten emissiewaarden voor de parameter CO de toepasselijke grenswaarde overschrijdt. In onderstaande tabel is voor de betrokken installatie de gemeten concentratie o pgelijst en, rekening houdende met de volgens artikel 4.4.4.2, §5 van VLAREM II bepaalde meetonzekerheid van maximaal 30%, getoetst aan de geldende grenswaarden van artikel 5.43.2.5 van VLAREM II. … Aldus concluderen wij dat voor de parameter CO voor de stookinstallatie van het atelier de emissiegrenswaarde zevenmaal is overschreden. Overeenkomstig artikel 4.4.4.4, §2 van VLAREM II diende na te gaan of de werkvoorwaarden normaal waren. Indien nodig dienden zij de nodige correctieve maatregelen te nemen en een tweede controlemeting uit te voeren binnen de HHC - 7 twee weken. Er is geen controlemeting uitgevoerd. Hocké nv leeft de opgelegde voorwaarde van artikel 4.4.4.4, §2 van VLAREM II niet na. …” Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces -verbaal nr. van 24 oktober 2019, dat op dezelfde dag wordt afgesloten (hierna: PV) en op 28 oktober 2019 wordt verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partij met een aangetekende brief. Verzoekende partij wordt daarbij door de verbalisant ook aangemaand om remediërende maatregelen te nemen, die naargelang het vastgestelde milieumisrijf onmiddellijk, dan wel tegen respectievelijk 1 februari, 1 maart en 1 april 2020 moeten worden uitgevoer d en waarvan verzoekende partij aan de verbalisant een bewijs of bericht van volledige uitvoering moet bezorgen. 2. Op 13 december 2019 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des Konings van 10 december 2019 dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld. 3. Op 7 januari 2020 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van haar voornemen om eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete en een voordeelontneming op te leggen. Ze nodigt haar daarbij uit om een schriftelijk verweer mee te d elen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, terwijl ze ook de mogelijkheid krijgt om inzage te vragen in het administratief dossier. Verzoekende partij bezorgt op 6 februari 2020 een schriftelijk verweer aan de gewestelijke entiteit, waarbij ze niet vraagt om te worden gehoord. 4. Op 1 februari 2024, herhaald op 5 maart 2024, vraagt de gewestelijke entiteit bijkomende inlichtingen aan de verbalisant, met name in hoeverre verzoekende partij gevolg gaf aan de aanmaning van 28 oktober 2019 en of er ondertussen nog nacontroles zijn gebe urd en zo ja, in hoeverre verzoekende partij de milieuvoorwaarden sindsdien naleeft. De verbalisant geeft op 10 april 2024 een gedetailleerd overzicht van de stand van zaken. 5. HHC - 8 Op 3 mei 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende partij op 5 mei 2024 via haar eBox in kennis wordt gesteld, waarna ze hiervan op 6 mei 2024 effectief kennis neemt. Dat is de bestreden beslissing. V. Onderzoek van de middelen - eerste, tweede en derde middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij betwist in haar drie middelen in essentie de begroting van de boete in de bestreden beslissing, waarbij ze in het bijzonder kritiek uit op de beoordeling door de gewestelijke entiteit van het waarderingscriterium van de omstandigheden . In die optiek voert ze feitelijk de schending aan van de artikelen 16.4.4 en 16.4.29 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid (hierna: DABM ) en van het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk b estuur. In een eerste middel betwist ze in essentie de degelijkheid van de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de mate waarin het boetebedrag omwille van de verzachtende omstandigheden wordt verlaagd. Ze meent met name dat haar inspanningen om de vastgestelde milieumisdrijv en te remediëren onvoldoende in aanmerking zijn genomen en het boetebedrag om die reden onvoldoende is verlaagd, waarbij ze de schending aanvoert van de motiveringsplicht als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur. Ze wijst op de argu mentatie in haar schriftelijk verweer van 6 februari 2020, waarin ze heeft benadrukt dat ze op dat ogenblik al quasi alle door de verbalisant vastgestelde milieumisdrijven, met uitzondering van deze in verband met de benzinehouders en het vullen van de karts met benzine, volledig had weggewerkt. Ze merkt daarbij op dat de vigerende wetgeving voor de opslag van benzine en de daarmee gerelateerde problematiek van het vullen van de karts in de praktijk quasi - onmogelijk kan worden toegepast. Ze stelt dat ze med e op basis van deze vaststelling en in het licht van haar aandacht voor het leefmilieu de mogelijkheid heeft onderzocht om over te stappen op elektrische karts, waarbij ze in mei 2023, ondanks de hoge investeringskost, heeft beslist om elektrische karts te bestellen voor een totaal budget van 625.000 euro. Ze meent dat deze aanzienlijke investering aantoont dat ze de naleving van de milieuwetgeving zeer belangrijk vindt en bereid is om ter zake het nodige te doen en verzoekt het College om daarmee rekening te houden en de boete te herleiden tot 0 euro dan wel om deze minstens substantieel te verminderen. HHC - 9 In het derde middel betwist ze in essentie de degelijkheid van de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de mate waarin het boetebedrag omwille van haar grootte en haar daarmee gerelateerde financiële draagkracht wordt verhoogd. Ze meent met name dat de verhoging van de boete omwille van haar grootte en financiële draagkracht op basis van haar jaarrekening voor het boekjaar 2023 niet langer actueel is en vraagt het College om het boetebedrag te herberekenen zonder deze verhoging. Ze stelt dat de gewe stelijke entiteit haar oordeel in de bestreden beslissing, dat ze met haar jaaromzet en balanstotaal meer dan één drempelwaarde in artikel 1:24, §1 van het wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 (hierna WVV) overschrijdt en om die reden moet worden beschouwd als een grote onderneming, steunt op de jaarrekening voor het boekjaar 2022, terwijl uit de jaarrekening voor het boekjaar 2023 blijkt dat ze met het balanstotaal nog slechts één van de drempelwaarden overschrijdt. In het tweed e middel betwist ze in essentie de degelijkheid van de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de mate waarin het boetebedrag omwille van de overschrijding van haar beslissingstermijn wordt verlaagd. Ze meent met name dat de decretale termijn waarbinnen de gewestelijke entiteit moet beslissen over het opleggen van een alternatieve bestuurlijke geldb oete op kennelijk onredelijke wijze is overschreden en verzoekt het College om de boete in het licht hiervan te herleiden tot 0 euro. Ze voert daarbij de schending aan van artikel 16.4.37, §1 DABM , van het beginsel van de redelijke termijn, het redelijkheids - en het rechtszekerheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de redelijke termijneis in artikel 6 EVRM. Ze erkent dat de beslissingstermijn van de gewestelijke entitei t van honderdtachtig dagen na de kennisgeving van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure een ordetermijn is, maar stelt dat de gewestelijke entiteit uiteindelijk pas na vier jaar en vier maanden een boetebeslissing h eeft genomen, waardoor ze haar beslissingstermijn in het licht van de omstandigheden onredelijk heeft overschreden, zonder dat dit kan worden verantwoord. Ze wijst daarbij op de vaststelling dat het dossier niet complex is en dat ze steeds haar volledige m edewerking heeft verleend. Ze meent dat de herleiding van de boete in de bestreden beslissing in het licht hiervan disproportioneel klein en kennelijk onredelijk is. 2. Verwerende partij stelt dat de gewestelijke entiteit haar beoordeling van de waarderingscriteria, in functie van de begroting van de boete, in de bestreden beslissing afdoende motiveert, terwijl niet blijkt dat ze haar ruime discretionaire bevoegdheid ter zake foutief of ke nnelijk onredelijk heeft ingevuld. HHC - 10 Ter weerlegging van het eerste middel stelt ze dat uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit wel degelijk afdoende rekening heeft gehouden met de uitgevoerde herstelmaatregelen en er geen schending voorligt van het proportionaliteits - en het motiveringsbeginsel , zodat het boetebedrag om die reden niet bijkomend dient te worden verla agd. Ze meent dat verzoekende partij niet aantoont dat de bestreden beslissing ter zake niet afd oende is gemotiveerd dan wel kennelijk onredelijk is. Ze stelt dat de herstelmaatregelen daarbij op niet limitatieve wijze worden vermeld en de gewestelijke entiteit niet verplicht is om alle herstelmaatregelen woordelijk te vermelden, te meer ze rekening heeft gehouden met het volledige herstel van de vastgestelde schending en. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit daarbij onder meer rekening heeft gehouden met de vaststelling dat ‘de verdeelslang van de brandstofverdeelinstallatie niet langer door een opening in de buitenmuur in het gebouw wordt gestoken ’, terwijl d it de schending is die volgens verzoekende partij door de aankoop van de elektrische karting -voertuigen is geremedieerd. Ze merkt daarbij op dat de door verzoekende partij beweerde quasi -onmogelijkheid om de karts in open lucht met brandstof te vullen in de bestreden beslissing, bi j de beoordeling van de toerekenbaarheid van dit milieumisdrijf, niet wordt beschouwd als een schulduitsluitingsgrond , terwijl verzoekende partij niet aanvoert dat deze beoordeling foutief of kennelijk onredelijk is. Ze meent dat d e aankoop van de elektrische karts niet kan worden beschouwd als een bijkomende herstelmaatregel ten opzichte van de herstelmaatregelen waarmee de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing rekening heeft gehouden. Ter weerlegging van het derde middel stelt ze dat de gewestelijke entiteit zich in de bestreden beslissing bij haar beoordeling van de financiële draagkracht van verzoekende partij heeft gebaseerd op haar meest recente neergelegde en gepubliceerde jaarrekening op het ogenblik van de bestreden beslissing , met name de jaarrekening voor het boek jaar 2022. Ze stelt dat daaruit bleek dat verzoekende partij wat betreft het jaargemiddelde van het personeelsbestand, de jaaromzet en het balanstotaal meer dan één van de drempelwaarden in artikel 1:24 WVV overschreed , zodat ze kon worden beschouwd als een grote onderneming. Ze meent dat de financiële draagkracht van een overtreder een element uitmaakt dat moet worden beoordeeld op het ogenblik van de boetebeslissing en dat de gewestelijke entiteit niet kennelijk onredelijk heeft gehandeld door h et boetebedrag om die reden te verhogen met 50% . Ze merkt op dat de jaarrekening van verzoekende partij voor het boekjaar 2023 op het ogenblik van de bestreden beslissing nog nie t was neergelegd of gepubliceerd , zodat de bestreden beslissing hierdoor niet kennelijk onredelijk is of het boetebedrag moet worden verlaagd. Ze erkent dat verzoekende partij volgens de gegevens in haar jaarrekening voor het boekjaar 2023 niet langer kwalificeert als een grote onderneming , maar meent dat dit niet impliceert dat de boete kennelijk onredelijk hoog is , terwijl verzoekende partij niet aantoont dat de verlaging HHC - 11 van haar omzet en personeelsbestand tot gevolg heeft dat ze de boete van 13.900 euro niet kan betalen of dat deze onevenredig hoog is. Ter weerlegging van het tweede middel wijst ze op de vaststelling dat de termijn waarbinnen de gewestelijke entiteit een boetebeslissing moet nemen een ordetermijn is. Ze stelt dat het in eerste instantie aan de gewestelijke entiteit toekomt om te oordelen in hoeverre er al dan niet sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn waarbinnen een boetebeslissing moet worden genomen en om, in bevestigend geval, binnen haar discretionaire bevoegdheid te oordelen over de boeteverlagende gevolgen van de termijnoverschrijding. Ze meent dat de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing afdoende motiveert waarom ze oordeelt dat het, ondanks de overschrijding van haar beslissingstermijn , is aangewezen om alsnog een boete op te leggen en in welke mate de termijnoverschrijding in aanmerking wordt g enomen als een boeteverlagende omstandigheid. Ze meent dat verzoekende partij niet aantoont dat de keuze om alsnog te sanctioneren en de toegepaste herleiding van de boete omwille van de termijnoverschrijding met 40% kennelijk onredelijk is in het licht van de concrete elementen van het dossier. Ze merkt daarbij op dat de gewestelijke entiteit geen boetebeslissing kon nemen zonder bijkomende inlichtingen van de verbalisant met betrekking tot h et herstel van de milieumisdrijven , die op respectievelijk 1 februari 2024 en 5 maart 2024 zijn gevraagd. Ze stelt dat verzoekende partij niet aantoont dat haar rechten van verdediging zijn geschonden door het tijdsverloop van de bestuurlijke boeteprocedure en ook niet concre et aantoont welk nadeel z e hierdoor ondervindt, terwijl haar mogelijk nadeel afdoende is hersteld door de herleiding van het boetebedrag met 40%. 3. Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in haar verzoekschrift. Wat betreft het eerste middel merkt ze nog op dat er door de aanzienlijke investering in elektrische karts voortaan in de kartinghal geen benzine meer wordt gebruikt. Ze stelt dat de door de gewestelijke entiteit toegepaste verlaging omwille van de genomen herstelmaatregelen niet afdoende is gemotiveerd en kennelijk onredelijk is en vraagt het College om hierbij ook rekening te houden m et deze investering en de boete om die reden te herleiden tot 0 euro dan wel substantieel te verminderen. Wat betreft het derde middel stelt ze dat het College de grootte van de onderneming en de daarmee gerelateerde financiële draagkracht moet beoordelen op het ogenblik dat de zaak wordt voorgelegd, te meer er sinds de start van de boeteprocedure al veel tijd is verstreken. HHC - 12 Wat betreft het tweede middel verwijt ze de gewestelijke entiteit dat deze in de bestreden beslissing geen uitleg geeft over de reden van het onredelijk lange tijdsverloop van de bestuurlijke boeteprocedure, terwijl er daarbij geen verdere onderzoekdaden of procedurestappen zijn onder nomen. Ze stelt dat ze er als vervolgde partij belang bij heeft om zo spoedig mogelijk te weten of ze al dan niet wordt beboet , en hoeveel ze eventueel moet betalen. Ze wijst daarbij op de vaststelling dat een vennootschap een dynamische entiteit is, die v oortdurend evolueert , zodat er tijdens een periode van vier jaar en vier maanden zowel op organisatorisch als operationeel vlak significante veranderingen plaats vinden, zoals personeelsverloop , waardoor m edewerkers , die op het moment van de feiten aanwezig waren en inzicht hadden in de omstandigheden, intussen zijn vertrokken, waardoor het onmogelijk is om hun kennis of verklaringen nog te verkrijgen en de feiten adequaat te reconstrueren . Ze stelt dat het hierdoor bijna onmogelijk is om zich nog adequaat t e verdedigen, waardoor haar rechten van verdediging en haar recht op een eerlijk proces worden aangetast . Ze meent dat uit de verstreken termijn van vier jaar en vier maanden een vermoeden kan worden afgeleid dat de gewestelijke entiteit afstand doe t van het voornemen om een boete op te leggen en dat daaruit alleszins blijkt dat de feiten niet dermate ernstig zijn omdat anders niet valt in te zien waarom de boetebeslissing zolang uitblijft. Ze stelt dat een eenvoudige schuldigverklaring of een grotere vermi ndering van de boete zich opdringt , naar analogie met artikel 21ter van de Voorafgaande Titel van het Wetboek van Strafvordering. Ze wijst daarbij op de vaststelling dat de verjaringstermijn van vijf jaar op het ogenblik van de bestreden beslissing bijna was verstreken. Beoordeling door het College 1. De gewestelijke entiteit moet b ij het opleggen van een bestuurlijke geldboete zorgen dat er geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de opgelegde boete en de feiten die daaraan ten grondslag liggen (artikel 16.4.4 DABM), zodat de boete evenredig moet zijn tot de feiten. Dit wordt na der gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf, terwijl er ook rekening wordt gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit heeft gepleegd of beëin digd (artikel 16.4.29 DABM). De gewestelijke entiteit beschikt hierbij in het licht van het maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 16.4.27, lid 2 DABM) over een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij ze onder bepaalde voorwaarden in beginsel ook de mogel ijkheid heeft om de boete geheel of gedeeltelijk op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging (artikel 16.4.29, §2 DABM). Het College zal bij het toezicht hierop aan de hand van de argumentatie die regelmatig en in het bijzonder door verzoekende partij wordt HHC - 13 voorgelegd nagaan of de gewestelijke entiteit is uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op grond daarvan de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk onredelijk heeft to egepast. Dit zal met name moeten blijken uit de juridische en feitelijke motieven die aan de boetebeslissing ten grondslag liggen en die daarin worden vermeld en afdoende moeten zijn, vermits de beslissing als individuele bestuurshandeling ressorteert onde r de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Ze moet dus een concrete, precieze en pertinente of draagkrachtige motivering bevatten , waaruit de keuze van de gewestelijke entiteit voor een boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de overtreder hiertegen met kennis van zaken kan opkomen. 2. Als de gewestelijke entiteit een milieum isdrijf wil bestraffen met een alternatieve bestuurlijke geldboete , dient ze bepaalde termijnen in acht te nemen. Ze beschikt hiervoor enerzijds over een termijn van vijf jaar na de datum van afsluiting van het proces -verbaal dat voor het milieumisdrijf is opgesteld, waarna de mogelijkheid tot het opleggen van een geldboe te vervalt (artikel 16.4.30 DABM). Dit is een vervaltermijn, zodat de gewestelijke entiteit na het verstrijken hiervan niet langer bevoegd is om een geldboete op te leggen. Ze dient anderzijds haar voornemen om een geldboete op te leggen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings over het niet strafrechtelijk behandelen van het milieumisdrijf aan de vermoedelijke overtreder over te maken (artikel 16.4.36, §1 DABM). Ze kan de vermoedelijke overtreder daarbij eerst, alvorens een geldboete op te leggen, een voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een bepaalde termijn, naar aanleiding waarvan de pr ocedure tot oplegging van een geldboete wordt geschorst (artikel 16.4.36, §3 DABM). Als de vermoedelijke overtreder hierop niet tijdig ingaat wordt de boeteprocedure hervat (artikel 16.4.36, §4, lid 2 DABM). Ze beschikt daarna over een termijn van 180 dage n om te beslissen over het opleggen van een geldboete, waarna ze haar beslissing binnen een termijn van 10 dagen aan de overtreder moet betekenen ( artikel 16.4.37, lid 1 DABM ). Dit zijn ordetermijnen, waarvan de schending op zich niet wordt gesanctioneerd, zodat de gewestelijke entiteit na het verstrijken hiervan nog altijd bevoegd is om een geldboete op te leggen en de bestreden beslissing om die reden niet noodzakelijk moet worden vernietigd . De gewestelijke entiteit heeft op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder de redelijke termijneis , als onderdeel van het zorgvuldigheidsbeginsel , wel de plicht om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen. Onder het begrip ‘kennelijk onredelijke termijn’ verstaat het College een termijn die zodanig laattijdig is dat het niet meer redelijk kan worden geacht om de overtreder alsnog de norm ale voor het milieumisdrijf HHC - 14 decretaal toepasselijke bestuurlijke punitieve sanctie op te leggen. De redelijke termijnvereiste manifesteert zich ten aanzien van de gewestelijke entiteit als de verplichting om te handelen als een goede huisvader en moet in het licht van de vijfjarige v erjaringstermijn, als absolute grens waarbinnen een geldboete kan worden opgelegd, worden geëvalueerd naargelang de concrete omstandigheden. Hierbij kunnen tal van factoren een rol spelen, zoals de complexiteit van het dossier, het gedrag van de bestuurlij ke overheden en de houding van de overtreder. De gebeurlijke vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden leidt op zich niet noodzakelijk automatisch tot de vernietiging van de bestreden beslissing. De gevolgen hiervan moeten opnieuw worden beoordeeld naargelang de concrete omstandigheden en dit zowel uit het oogpunt van de bewijslevering als van de opportuniteit tot het opleggen van een sanctie en de omvang ervan. Het komt in eerste instantie aan de gewestelijke entiteit toe om binnen haar discret ionaire bevoegdheid te oordelen over de (boeteverlagende) gevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn. Het College oefent hierop een wettigheidstoezicht uit en gaat met name na of de boetebeslissing op dat punt niet kennelijk onredelijk is. 3. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van het boetebedrag rekening houd t met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de omstandigheden waarin het is gepleegd of beëindigd. Ze overweegt daarover onder de titel ‘de hoogte van de geldboete’ met name onder meer het volgende: “4.2.1. De ernst van de feiten … Deze feiten zijn dus voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke geldboete van 14.125 euro. 4.2.2. De frequentie Het betreft geen eenmalige schending. Uit onderzoek van het dossier blijkt dat overtreder reeds eerder tweemaal eerder vergelijkbare feiten … pleegde. … Het criterium frequentie geeft dus aanleiding tot een verhoging van de geldboete tot 23.760 euro. 4.2.3. De omstandigheden Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met de bereidheid van de overtreder om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen. Uit het dossier blijkt onder meer dat de twee batterijen met 15.000 liter stookolie aan een beperkt onderzoek werd onderworpen, dat de houder voor de opslag van 4.500 liter motorolie en de vier houders voor de opslag van afvalolie werden vervangen door een bovengrondse dubbelwandige houders met een permanent lekdetectiesysteem, dat de stookinsta llatie de emissiegrenswaarden niet langer overschrijdt en dat de verdeelslang van de brandstofverdeelinstallatie niet langer door een opening HHC - 15 in de buitenmuur in het gebouw wordt gestoken. Dit wordt meegenomen als verzachtende omstandigheid bij het bepalen van de hoogte van de geldboete, wat leidt tot een verlaging van de geldboete tot 15.445 euro. De bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie met leedtoevoeging als primair doel. Het afstemmen van de op te leggen bestuurlijke geldboete op de grootte van de onderneming en, hiermee samenhangend, de financiële draagkracht, is essentieel om dit sanc tiedoel te kunnen realiseren. De gewestelijke entiteit bepaalt de grootte en financiële draagkracht van de overtreder op basis van de criteria jaargemiddelde van het personeelsbestand, de jaaromzet en het balanstotaal, terug te vinden in de meest recente j aarrekening zoals publiek gemaakt op de website van de Nationale bank, volgens de drempelwaarden uit de artikelen 1:24, § 1 en 1:25, § 1 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 (hierna WVV). Aangezien de overtreder meer dan ee n van de drempelwaarden vermeld in artikel 1:24, § 1 WVV overschrijdt, acht de gewestelijke entiteit het, gelet op haar grootte en financiële draagkracht, passend en kennelijk redelijk om de bestuurlijke geldboete te verhogen tot 23.165 euro. De gewestelijke entiteit ging per schrijven van 7 januari 2020 over tot kennisgeving van het voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een voordeelontneming. De boetebeslissing moet binnen een termijn van honderdtachtig dagen na deze kennisgeving genomen worden (artikel 16.4.37 DABM). Deze termijn van honderdtachtig dagen is een termijn van orde, waarvan de overschrijding niet gesanctioneerd wordt. Deze beslissingstermijn is inmiddels verstreken. De geweste lijke entiteit acht het opleggen van een bestuurlijke geldboete ondanks de voorliggende overschrijding van de beslissingstermijn alsnog aangewezen, gelet op: • De hoger vermelde en uitdrukkelijk gemotiveerde ernst van het milieumisdrijf; • Het feit dat de overtreder zowel tweemaal voorafgaand aan de feiten die het voorwerp uitmaken van huidige boeteprocedure reeds tweemaal (eenmaal in 2011 en eenmaal in 2016) werd geverbaliseerd voor de niet naleving van de toepasselijke algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden als deze die het voorwerp uitmaken van huidige procedure. Deze gelijkaardige feiten maken van het voorwerp uit van de bestuurlijke sanctioneringsprocedures ; • Het feit dat de overtreder bij beslissingen van 7 augustus 2015 reeds bestuurlijk werd beboet voor de feiten uit 2018 en 2019; • Het gegeven dat het lange termijnverloop geen reden mag zijn om de overtreder aan sanctionering te laten ontsnappen. De overtreder is een professionele onderneming die de exploitatiezetel met karting in Dilbeek nog steeds uitbaat en die in die hoedanigheid op dagdagelijkse basis wordt geconfronteerd met de naleving van de toepasselijke milieuvoorwaarden. De oplegging van een bestuurlijke geldboete als punitieve sanctie moet de overtreder motiveren in het kader van haar bedrijfsvoering de nodige aandacht te besteden aan de naleving van de algemene, sectorale en bijzondere milieuvoorwaarden. HHC - 16 De beslissingstermijn van honderdtachtig dagen werd 8 maal overschreden en er zijn nog 6 maanden voor de verjaring van de feiten. De gewestelijke entiteit acht het, rekening houdend met voormelde elementen, evenwel passend en kennelijk redelijk om het boet ebedrag van 23.165 euro dat werd bekomen na toepassing van de decretale waarderingscriteria vermeld in artikel 16.4.29 DABM, te verlagen tot 13.900 euro. …” 4. Verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de motieven in de bestreden boetebeslissing over de hoogte van de geldboete ontoereikend zijn en dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de omstandigheden, als één van de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen, foutief of kennelijk onredelijk is en er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten en de opgelegde geldboete. Haar kritiek vormt dan ook eerder opportuniteitskritiek, waarbij ze haar visie over de begroting van de boete stelt tegenover deze van de gewestelijke entiteit, die ter zake in het licht van het mogelijke boetebedrag over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. 4.1 Wat betreft de beoordeling in de bestreden beslissing van het waarderingscriterium van de verzachtende omstandigheden, toont verzoekende partij niet aan dat de gewestelijke entiteit de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend . Ze toont met name niet aan dat deze beoordeling, waarbij het boetebedrag van 23.760 euro meetbaar wordt verlaagd met 8.315 euro tot 15.445 euro, foutief of kennelijk onredelijk is en deze verlaging disproportioneel is in het licht van de door haar gen omen remediërende maatregelen om de vastgestelde milieumisdrijven te verhelpen en nieuwe gelijkaardige misdrijven maximaal te vermijden. Ze voert op zich geen betwisting over de juistheid van de opsomming in de bestreden beslissing van de door haar genomen remediërende maatregelen, waarop de gewestelijke entiteit haar oordeel over de herleiding van het boetebedrag steunt. In zoverre ze wijst op de vaststelling dat de problematiek van de benzinebevoorrading van de karts, in tegenstell ing tot de overige milieumisdrijven, niet onmiddellijk kon worden opgelost omdat de geldende regelgeving praktisch onmogelijk kan worden toegepast, gaat ze voorb ij aan de gemotiveerde overwegingen hierover in de in de bestreden beslissing met betrekking tot de toerekenbaarheid van de vastgestelde milieumisdrijven en hun ernst. De gewestelijke entiteit weerlegt daarbij immers onder meer het argument van verzoekende partij, dat ze de karts omwille van technisch -organisatorische redenen onmogelijk in open lucht kan bevoorraden HHC - 17 met benzine, terwijl verzoekende partij op zich geen pertinente kritiek uit op deze beoordeling. Ze stelt in dit kader ook tevergeefs dat de zware investering door de overstap in mei 2023 naar elektrische karts, in het licht van de problematiek van de benz inebevoorrading van de karts, ook in aanmerking moet worden genomen als verzachtende omstandigheid en het boetebedrag om die reden bijkomend moet worden verlaagd. Hoewel deze investering tot gevolg heeft dat de bestaande problematiek van de benzinebevoorra ding van de karts niet langer aan de orde is omdat er, volgens verzoekende partij, ‘geen gebruik van benzine meer is in de kartinghal’, kan ze niet worden beschouwd als een maatregel die specifiek beoogt om het ter zake vastgesteld milieumisdrijf te remedi ëren. Het betreft eerder een bedrijfseconomische beslissing, die ook gevolgen heeft voor de problematiek van de benzinebevoorrading en waardoor daarmee gerelateerde milieumisdrijven zich voortaan niet langer kunnen voordoen. 4.2 Wat betreft de beoordeling in de bestreden beslissing van het waarderingscriterium van de financiële draagkracht van verzoekende partij, toont ze niet aan dat de gewestelijke entiteit de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend . Ze toont met name niet aan dat deze beoordeling, waarbij het boetebedrag van 15.445 euro meetbaar wordt verhoogd met 7.720 euro tot 23.165 euro, foutief of kennelijk onredelijk is en deze verhoging disproportioneel is in het licht van haar grootte e n financiële draagkracht op het ogenblik van de bestreden beslissing. Verzoekende partij voert op zich geen ernstige betwisting over het principe dat een bestuurlijke geldboete, in het licht van haar sanctionerend doel, dient te worden afgestemd op de grootte en daarmee gerelateerd de financiële draagkracht van de overtreder. Ze voert op zich ook geen betwisting over het principe dat de grootte en de financiële draagkracht van een onderneming op objectieve wijze kunnen worden bepaald op basis van de criteria balanstotaal, jaaromzet en personeelsbestand, die kunnen worden afge leid uit de (op de website van de Nationale bank) publiek raadpleegbare jaarrekening van de onderneming, volgens de drempelwaarden uit de artikelen 1 :24, §1 en 1:25, §1 WVV. Ze voert voorts op zich geen betwisting over de juistheid van de vaststelling van de gewestelijke entiteit, dat uit haar balanstotaal, jaaromzet en personeelsbestand, die zijn afgeleid uit haar meest recente jaarrekening op het ogenblik van de bestreden beslissing, blijkt dat ze niet kan worden beschouwd als een kleine vennootschap omda t er meer dan één van de drempelwaarden in artikel 1:24, §1 WVV is overschreden. Ze voert tenslotte op zich geen betwisting over de redelijkheid van de verhoging van het boetebedrag in de bestreden beslissing, op basis van de op dat ogenblik beschikbare meest actuele gegevens o ver haar financiële draagkracht, met HHC - 18 name haar meest recente gepubliceerde jaarrekening. Ze voert met name niet aan dat de gegevens waarop de gewestelijke entiteit zich hiervoor in de bestreden beslissing heeft gesteund foutief dan wel niet actueel waren, en maakt niet aannemelijk dat de verh oging van het boetebedrag omwille van haar financiële draagkracht op het ogenblik van de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is in het licht van de concrete omstandigheden. Verzoekende partij betwist tevergeefs de proportionaliteit van de toegepaste verhoging van het boetebedrag, op basis van haar op het ogenblik van de bestreden beslissing beschikbare meest recente jaarrekening, omdat ze op basis van haar daaropvolgende jaar rekening nog slechts één van de drempelwaarden in artikel 1:24, §1 WVV overschrijdt en haar financiële draagdracht hierdoor is verminderd. Zoals gesteld en door verzoekende partij op zich niet betwist, is d e bestuurlijke geldboete een punitieve sanctie , met leedtoevoeging als primair doel. Het is in functie van de realisatie van dit sanctiedoel essentieel dat de boete wordt afgestemd op de grootte en de financiële draagkracht van de onderneming op het ogenblik van de bestreden beslissing. De financiële draagkracht van een overtreder is immers een evolutief gegeven, zodat de situatie zich kan voordoen dat een overtreder op het ogenblik van de feiten, dan wel tijdens de ordeterm ijn waarbinnen de gewestelijke entiteit daarover in beginsel een boetebeslissing moet nemen, niet kan worden gecatalogeerd als een kleine vennootschap, maar dit wel is op het ogenblik dat de boetebeslissing wordt genomen, of omgekeerd. De gebeurlijke wijzi ging van de financiële draagkracht van verzoekende partij na tussenkomst van de bestreden beslissing doet geen afbreuk aan de regelmatigheid hiervan, tenzij ze op basis van nieuw aangereikte gegevens voor het College aannemelijk maakt dat het boetebedrag door de gewestelijke entiteit niet is begroot op basis van haar actuele financiële draagkracht op het ogenblik van de bestreden beslissing. De loutere wijziging van haar balanstotaal, jaaromzet en/of personeelsbestand in haar eerstvolgende jaarrekening na deze waarmee haar financiële draagkracht in de bestreden beslissing is beoordeeld, impliceert dan ook niet dat de verhoging van het boetebedrag in de bestreden beslissing disproportioneel is in het licht van haar financiële draagkracht . Zoals gesteld, is dit waarderingscriterium een evolutief gegeven, zodat de gebeurlijke wijziging hiervan na de bestreden beslissing, zowel in positieve als in negatieve zin, op zich geen afbreuk doet aan de regelmatigheid hiervan. In andersluidend geval kan de beoordeling van het waarderingscriterium van de financiële draagkracht van de overtreder (net zoals dat van de verzachtende omstandigheden omwille van de door de overtreder op het ogenblik van de bestreden beslissing genomen remediërende maatregelen) in alle vernietiging sprocedures bij het College aanleiding geven tot een vernietiging, als blijkt dat de evolutieve gegevens waarop de gewestelijke entiteit haar boetebeslissing heeft gesteund ondertussen zijn gewijzigd. HHC - 19 4.3. Wat betreft de beoordeling in de bestreden beslissing van de gevolgen van de overschrijding door de gewestelijke entiteit van haar decretale beslissingstermijn, toont verzoekende partij niet aan dat de gewestelijke entiteit de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend . Ze toont met name niet aan dat deze beoordeling, waarbij het boetebedrag van 23.165 euro meetbaar wordt verlaagd met 9.265 euro tot 13.900 euro, foutief of kennelijk onredelijk is in het licht van de aard en d e ernst van de milieumisdrij ven en dat er redenen zijn om de boete bijkomend te verminderen omwille van het tijdsverloop van de boeteprocedure. Zoals blijkt uit het ad ministratief dossier en door verzoekende partij niet wordt betwist, wordt het PV naar aanleiding waarvan de bestreden boete is opgelegd afgesloten op 24 oktober 2019. D e procureur des Konings beslist vervolgens op 10 december 2019 dat de milieumisdrij ven niet strafrechtelijk z ullen worden behandeld en de gewestelijke entiteit ontvangt deze beslissing op 13 december 2019. De gewestelijke entiteit brengt verzoekende partij vervolgens op 7 januari 2020 op de hoogte van het voornemen om h aar eventueel een bestuurlijke geldboete op te leggen , al dan niet vergezeld van een voordeelontneming, waarna ze op 3 mei 2024 beslist om een geldboete op te leggen. De gewestelijke entiteit heeft de termijn van 180 dagen , waarbinnen ze in beginsel moet beslissen over het opleggen van een geldboete , en die een aanvang neemt vanaf de kennisgeving aan de vermoedelijke overtreder van haar voornemen hiertoe , dus met ongeveer zevenenveertig maanden overschreden . Verzoekende partij betwist niet dat de vervaltermijn waarbinnen de gewestelijke entiteit een geldboete kan opleggen voor het milieumisdrijf op dat ogenblik nog niet was verstreken. Ze verwijt de gewestelijke entiteit enkel dat deze haar beslissingstermijn zonder aanvaardbare verantwoording niet respecteerde, terwijl ze in afwachting van de boetebeslissing in onzekerheid leefde. De gewestelijke entiteit oordeelt in de bestreden beslissing dat het, ondanks de overschrijding van haar beslissingstermijn , alsnog is aangewezen om een boete op te leggen. Ze steunt dit oordeel op de ernst en de frequentie van de feiten en op de vaststelling dat verzoekende partij , als professionele onderneming die een (klasse 1) inrichting exploiteert, met een punitieve sanctie alsnog wordt gewezen op haar verantwoordelijkheid inzake de naleving van de toepasselijke milieuvoorwaarden, zodat ze deze, door het afschrikwekkend effect van de boete , ook in de toekomst blij ft naleven. Ze meent echter dat de opgelegde boete omwille van het lange tijdsverloop aanzienlijk moet word en verlaagd . Hieruit blijkt dat ze erkent dat de redelijke termijn waarbinnen de boeteprocedure in het licht van de concrete omstandigheden moest worden afgehandeld dermate is overschreden dat dit gegeven moet leiden tot een HHC - 20 boetevermindering , om het mogelijk nadeel dat verzoekende partij heeft geleden door het onredelijk lang uitblijven van een boetebeslissing te herstellen. De gewestelijke entiteit geeft daarbij concreet aan van welk basisbedrag ze vertrekt en hoeveel dit wordt verlaagd, zoda t het College in het kader van de legaliteitstoets waarmee het is belast kan beoordelen of de toegepaste vermindering van de boete niet kennelijk onredelijk is in het licht van de termijnoverschrijding en de gegevens van het dossier. Verzoekende partij, die terecht opmerkt dat het geen complex dossier betreft en dat ze de steeds haar medewerking heeft verleend, voert in haar verzoekschrift geen ernstige betwisting over het feit dat de overschrijding van de redelijke termijn in voorliggend dossier geen gevolgen had uit het oogpunt van de bewijslevering en haar recht van verdediging niet heeft aangetast. De vaststelling dat ze in haar wederantwoordnota voor het eerst aanvoert dat ze zich door het lange tijdsverloop van de bestuurlijke boe teprocedure onmogelijk nog adequaat kan verdedigen en haar recht van verdediging hierdoor is aangetast doet niet anders besluiten. Vooreerst blijkt niet dat verzoekende partij dit argument niet reeds kon aanvoeren in haar verzoekschrift, waardoor ze een nieuw middel aanvoert, dan wel een andere wending geeft aan het middel in haar verzoekschrift, terwijl nieuwe middelen in beginsel onontvankelijk zijn (artikel 15, 4° in samenlezing met artikel 29 Procedurebesluit). Bovendien mag redelijkerwijze worden aange nomen dat verzoekende partij, in de hypothese dat ze door het lange tijdsverloop effectief bewijsproblemen zou ondervinden, dit argument ongetwijfeld had aangevoerd in haar verzoekschrift. Verzoekende partij maakt ook niet afdoende aannemelijk dat ze door het lange tijdsverloop van de bestuurlijke boeteprocedure zichtbaar schade of nadelen heeft ondervonden en reikt alleszins geen concrete elementen aan , waaruit blijkt dat het mogelijks door haar geleden nadeel door het overschrijden van de ordetermijn om een boetebeslissing te nemen niet adequaat is hersteld door de h alvering van het initiële boetebedrag. Ze voert ter zake in haar wederantwoordnota enkel voor het eerst aan dat ze er als verv olgde partij belang bij heeft om zo spoedig mogelijk zekerheid te krijgen over de afloop van de bestuurlijke boeteprocedure. Ze toont niet aan dat een bestraffing in het licht van de aard en de ernst van de feiten niet langer passend en noodzakelijk is . Ze maakt met name niet aannemelijk dat de beoordeling in de bestreden beslissing van het waarderingscriteri um van de ernst van de feiten , waar naar de gewestelijke entiteit verwijst, foutief of kennelijk onredelijk is. De vaststelling dat ze in haar wederantw oordnota voor het eerst aanvoert dat de gewestelijke entiteit tegenstrijdig handelt, door zonder verantwoording meer dan vier jaar te talmen om een boetebeslissing te nemen, maar de feiten daarin wel als ernstig te beschouwen, doet niet anders besluiten. HHC - 21 Ze toont tenslotte n iet aan dat de door de gewestelijke entiteit toegepaste herleiding van de boete , naar aanleiding van het tijdsverloop van de bestuurlijke boeteprocedure, niet evenredig is met de termijnoverschrijding en de concrete gegevens van het dossier. In zoverre verzoekende partij s telt dat de bestreden beslissing geen afdoende verantwoording bevat voor het onredelijk lang uitblijven van de boetebeslissing, waarbij ze in haar wederantwoordnota voor het eerst aanvoert dat dit in hoofde van de gewestelijke entiteit zelfs een vermoeden inhoudt dat ze afstand doet van haar voornemen om een boete op te leggen, gaat ze voorbij aan de vaststelling dat dergelijke verantwoording hoogstens relevant is om te oordelen of er sprake is van een overschrijding van de redelijke beslissingstermijn, ter wijl de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing erkent dat ze haar beslissingstermijn aanzienlijk heeft overschreden. De gewestelijke entiteit kan dan ook volstaan met te verantwoorden waarom ze meent dat het, ondanks deze termijnoverschrijding, n og altijd opportuun is om een bestuurlijke geldboete op te leggen en in welke mate de boete in het licht hiervan moet worden herleid. De middelen worden verworpen. HHC - 22 VI. Beslissing 1. Het beroep wordt verworpen. 2. De kosten van het beroep , begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verzoekende partij. Dit arrest is uitgesproken op 27 juni 2025 door de eerste kamer . De griffier , De voorzitter van de eerste kamer,

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot