ARR:handhavingscollege-brussel-05-06-2025-0
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2025-06-05
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
20 februari 1939, cir, gw
Volledige tekst
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 5 juni 2025 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partij
met woonplaatskeuze te
Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse
Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaat
woonplaatskeuze te
1. Voorwerp van het beroep met
Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 21 augustus 2024 de vernietiging
van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 27 juni 2024 met nummer waarmee
haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 2.700 euro wegens
schending van de artikelen 4.2.1, 1 °, 6.2.1, lid 1, 1 ° en 2° en 6.2.2, 3° en 5° van de Vlaamse
Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO) en van de artikelen 34 en 43 van de
stedenbouwkundige verordening 'Bouwcode' van hierna: Bouwcode). Er
wordt haar met name verweten dat ze een septische put heeft gedempt, zonder vergunning
en in strijd met artikel 43 Bouwcode; een draagmuur heeft vervangen en een draagbalk op het
gelijkvloers heeft geplaatst, zonder aktename en zonder toezicht van een architect; een
nieuwe draagvloer op de eerste verdieping heeft geplaatst, zonder aktename en zonder
toezicht van een architect; de eerste verdieping links achteraan met ongeveer 2 m2 heeft
uitgebreid , zonder vergunning en zonder toezicht van een architect; en de scheimuur links
achteraan over een lengte van ongeveer 7 m ongeveer 20 cm heeft opgehoogd , zonder
vergunning en in strijd met artikel 34 Bouwcode.
HHC-1
ll. Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 24 april
2025. verschijnt in persoon. Advocaat voert
het woord voor verwerende partij.
111. Feiten
1.
Op 7 juni 2023 stelt een verbalisant ruimtelijke ordening bij de
verbalisant) op het perceel gelegen te hierna:
met
kadastrale omschrijving
het volgende vast:
"Vaststellingen: ... dat is gesitueerd in woongebied,
-Achteraan de gelijkvloerse verdieping worden vergunningsplichtige inrichtingswerkzaamheden
uitgevoerd. De werken zijn vergunningsplichtig gezien de septische put werd gedempt (zie foto 5)
wat in strijd is met artikel 43.1 van de bouwcode. Verder werd de draagmuur die de
achterste ruimte in twee verdeelt, vervangen door een nieuwe muur in betonblokken en werd er
een grote opening voorzien die wordt overbrugd met een stalen ligger (zie foto 4, 7 en 8). Een
gedeelte van de vloer van de eerste verdieping werd vervangen door potten en balken en voorzien
van een druklaag (zie foto 4, 7 en 8).
-Links achteraan de tweede verdieping werd het voormalig terras van circa 2 m2 aan de ruimte
toegevoegd waardoor de bouwdiepte van de achterbouw over de volledige breedte van het volume
op 17 meter werd gebracht (zie foto 2, 3 en 6). De linker enkelvoudige scheidsmuur werd bij deze
werken opgehoogd met circa 20 cm over een lengte van circa 7 meter. De ophoging gebeurde met
snelbouwsteen (zie foto 6) wat in strijd is met artikel 34.4 van de bouwcode die stelt dat
dit moet gebeuren in massief, ongeperforeerd materiaal.
-Voor al deze werken is de samenwerking met een architect noodzakelijk.
Stakingsbevel
Gelet op het feit dat de werken aan de achterbouw van de gelijkvloerse en eerste verdieping in
uitvoering waren en er plannen waren om ook de voorgevel te wijzigen en er niemand aanwezig
was die de Nederlandse taal machtig was, heb ik, in overeenstemming met artikel 6.4 4. 1 derde
alinea van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening , het schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking
JO op een zichtbare plaats aangebracht (zie foto 9 en 10).
HHC-2
Deze vaststelling worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nr.
notitienummer van 15 juni 2023, dat op dezelfde
dag wordt afgesloten (hierna: PV) en wordt verstuurd aan onder meer de procureur des
Konings en verzoekende partij.
Het stakingsbevel wordt vervolgens op 23 juni 2023 tijdig bekrachtigd door de gewestelijke
stedenbouwkundige inspecteur. Uit een navolgende controle van de verbalisant op 13 juli
2023, zoals opgenomen in het navolgend proces-verbaal nr. van 14
september 2023, blijkt dat dit stakingsbevel wordt nageleefd.
2.
Op 19 oktober 2023 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des Konings
van 9 oktober 2023 dat de stedenbouwkundige misdrijven niet strafrechtelijk zullen worden
behandeld.
3.
Op 21 november 2023 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van
haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Ze wijst haar daarbij
op de mogelijkheid van een bestuurlijke transactie mits betaling van 4.600 euro (artikel 6.2.14
VCRO). Ze nodigt haar ook uit om bij gebreke van tijdige en volledige betaling van de
voorgestelde geldsom een schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een
vraag tot hoorzitting, en biedt haar de mogelijkheid om inzage te vragen in het administratief
dossier.
Verzoekende partij gaat niet over tot betaling. Ze dient ook geen schriftelijk verweer in en
vraagt niet om te worden gehoord.
4.
Op 21 juni 2024 vraagt de gewestelijke entiteit aan de verbalisant bijkomende inlichtingen en
met name in hoeverre de wederrechtelijke werken ondertussen zijn hersteld. De verbalisant
antwoordt op 24 juni 2024 dat er op 1 maart 2024 een regulariserende omgevingsvergunning
is verleend.
5.
Op 27 juni 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op van 2.700 euro, waarvan
verzoekende partij met een aangetekende brief van 18 juli 2024 in kennis wordt gesteld. Dat
is de bestreden beslissing.
HHC-3
IV. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie dat er sprake is van stedenbouwkundige misdrijven- en
inbreuken die haar kunnen worden toegerekend en waarvoor haar een alternatieve
bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze voert dus feitelijk de schending aan van de
artikelen 6.2. 7, § 1 en 6.1.1, 6° VCRO en van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden
van onschuld, in samenlezing met de volgens de bestreden beslissing geschonden artikelen.
Ze stelt dat ze enkel opdracht gaf aan een aannemer tot de incorporatie van het voormalig
terras achteraan de woning op de eerste verdieping, waardoor de woning met ongeveer 2 m2
is uitgebreid. Wat betreft het dempen van de septische put, stelt ze dat dit reeds was
uitgevoerd door een vorige eigenaar en ontkent ze dat dit door haar aannemer dan wel in haar
opdracht is gebeurd. Ze wijst daarbij op de vaststelling dat de verbalisant enkel heeft
vastgesteld dat deze put was gedempt, en niet dat ze werd gedempt, en dat ze hierdoor op
eigen kosten een nieuwe septische put moet plaatsen. Wat betreft het vervangen van een
draagmuur en het plaatsen van een draagbalk op de gelijkvloerse verdieping , het plaatsen van
een nieuwe draagvloer op de eerste verdieping en het ophogen van de scheimuur links
achteraan met ongeveer 20 cm over een lengte van ongeveer 7 m, betwist ze dat ze hiertoe
opdracht gaf aan haar aannemer. Ze stelt dat de aannemer deze werken buiten haar
medeweten en zonder overleg op eigen initiatief heeft uitgevoerd , zodat ze hieraan niet wetens
en willens haar medewerking heeft verleend. Ze wijst daarbij op de vaststelling dat haar
opdracht aan de aannemer tot renovatie zeer summier was en enkel een richtprijs omvatte
voor enkele algemene ingrepen, die voor haar van belang waren.
2.
Verwerende partij stelt dat verzoekende partij niet betwist dat ze de eigenaar is van de woning
waaraan de wederrechtelijke werken zijn uitgevoerd en dat ze opdracht gaf aan enkele
aannemers voor het uitvoeren van verbouwingswerken aan deze woning. Wat betreft het
dempen van de septische put, stelt ze dat verzoekende partij geen bewijs voorlegt waaruit
blijkt dat deze put door een vorige eigenaar is gedempt. In de rand hiervan merkt ze op dat
deze wederrechtel ijke handeling , in tegenstelling tot de stabiliteitswerken en de
volumewijziging , niet doorslaggevend was bij het opleggen van de boete. Wat betreft het
vervangen van een draagmuur en het plaatsen van een draagbalk op de gelijkvloerse
verdieping, het plaatsen van een nieuwe draagvloer op de eerste verdieping en het ophogen
HHC-4
van de scheimuur links achteraan, wijst ze op de definitie van een overtreder in artikel 6.1.1,
6° VCRO en stelt ze dat verzoekende partij tevergeefs aanvoert dat ze door haar aannemers
voor een voldongen feit is geplaatst. Ze wijst daarbij vooreerst op de vaststelling dat
verzoekende partij tijdens de bestuurlijke boeteprocedure geen schriftelijk verweer indiende,
zodat deze argumentatie heden pas voor het eerst wordt aangevoerd. Ze wijst ook op de
vaststelling dat verzoekende partij nalaat om enig bewijs te leveren, waaruit blijkt dat ze haar
aannemers op enig moment tot de orde heeft geroepen, dan wel hun opdracht heeft beëindigd,
op het ogenblik dat ze vaststelde dat er wederrechtelijke vergunnings- of meldingsplichtige
werken waren uitgevoerd zonder haar medeweten en/of toestemming. In de rand hiervan wijst
ze op het feit dat ook het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat er wederrechtelijke
handelingen worden uitgevoerd een strafbaar feit betreft. Specifiek wat betreft de dakwerken
merkt ze op dat uit de door verzoekende partij voorgelegde aannemingsfacturen blijkt dat er
daarin sprake is van het 'dak verhogen' en het 'aanbrengen van een dakrand', zodat
verzoekende partij minstens op de hoogte was dan wel moest zijn van de aard en de omvang
van deze werken.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die een stedenbouwkundig misdrijf uitmaken in de zin van artikel 6.2.1, lid 1
VCRO en die naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen
worden bestraft, en een exclusieve bestuurlijke geldboete voor gedragingen die een
stedenbouwkundige inbreuk uitmaken in de zin van artikel 6.2.2 VCRO (artikel 6.2.6 VCRO).
Elke schending van de gehandhaafde regelgeving die wetens en willens gebeurt is in beginsel
strafbaar, zodat enkel (algemeen) opzet is vereist. De geldboete kan alleen worden opgelegd
aan de 'overtreder', hetzij de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het
stedenbouwkundig misdrijf dan wel de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd, er
opdracht toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend (artikel 6.2.7, §1, lid 1
VCRO en artikel 6.1.1, 6° VCRO), en kan worden opgelegd aan alle overtreders (artikel 6.2.13,
§4 VCRO). De kwalificatie van de feiten als een stedenbouwkundig misdrijf of een
stedenbouwkundige inbreuk en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als
overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om haar
een geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het
stedenbouwkundig misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk en de overtreder berust bij de
HHC-5
gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op
bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle
middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering betekent dat dit bewijs
onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke
vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een stedenbouwkundig
misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur
en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder
meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op
procedureel en inhoudelijk vlak.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing met betrekking tot 'de
toerekenbaarheid aan de overtreder' onder meer het volgende:
In voormeld proces-verbaal stelde de verbalisant vast dat de tweede verdieping links achteraan
werd uitgebreid. Het fysieke bouwvolume wijzigde dus, waardoor artikel 3 Meldingenbesluit daarop
niet van toepassing is. Bovendien werd daarbij ook de scheimuur opgehoogd, waardoor ook artikel
4 Meldingenbesluit niet van toepassing is. Het Vrijstellingenbesluit is niet van toepassing op het
uitbreiden van een woning. Deze handeling is dus vergunningsplichtig.
Bovendien vond deze handeling plaats in strijd met een stedenbouwkundige verordening. De
ermee gepaard gaande ophoging van de scheimuur gebeurde immers in geperforeerde
snelbouwsteen en dus niet in een massief, ongeperforeerd materiaal zoals opgelegd door artikel
43 Bouwcode.
Het uitvoeren van handelingen in strijd met een stedenbouwkundige verordening, vermeld in artikel
2.31 tot en met 2.3.3 VCRO, tenzij de uitgevoerde handelingen vergund zijn of tenzij het gaat om
de handelingen, vermeld in artikel 6.2.2, 6°, vormt eveneens een stedenbouwkundig misdrijf (artikel
6 21, 2° VCRO).
In voormeld proces-verbaal stelde de verbalisant vast dat een draagmuur werd verwijderd en
vervangen door een nieuwe muur en een draagbalk en dat een nieuwe draagvloer werd geplaatst.
Het vervangen van draagmuren, plaatsen van dragende balken en draagvloeren betreft het
uitvoeren van verbouwingswerken waarmee, conform artikel 4.1.1, 11 ° VCRO, het uitvoeren van
stabiliteitswerken gepaard gaat. Aangezien het om stabiliteitswerken gaat, kunnen voormelde
handelingen dan ook niet vrijgesteld zijn op basis van artikel 3.1, 4 ° Vrijstellingenbesluit. Deze
handelingen zijn dus minstens meldingsplichtig.
HHC-6
In voormeld proces-verbaal stelde de verbalisant tevens vast dat de septische put gedempt werd.
Het Meldingenbesluit noch het Vrijstellingenbesluit zijn hierop van toepassing omdat deze
handeling in strijd 1s met artikel 43 Bouwcode , dat bij verbouwingen net verplicht tot het plaatsen
van een septische put -of het op zijn minst behouden van de bestaande put (artikel 1.3
Vrijstellingenbesluit). Deze handeling is dus vergunningsplichtig en bovendien in strijd met een
stedenbouwkundige verordening.
Ten slotte werden de uitbreiding op de tweede verdieping, het vervangen van een draagmuur en
het plaatsen van een draagbalk en een draagvloer uitgevoerd zonder toezicht van een architect.
Volgens artikel 4 van de wet van 20 februari 1939 op de bescherming van de titel en van het beroep
van architect is in beginsel bij alle werken het toezicht van een architect verplicht. Het Besluit
medewerking architect, dat bepaalde werken toch vrijstelt van dit toezicht, is niet van toepassing
op deze werken omdat deze, zoals hoger omschreven , niet vrijgesteld zijn van vergunning en, voor
wat de binnenwerken betreft. stabiliteitswerken betreffen en dus de oplossing van een
constructieprobleem met zich meebrengen , of de stabiliteit van het gebouw wijzigen (artikel 1/1, 1 °
Besluit medewerking architect). Het toezicht van een architect is dus verplicht bij deze werken.
Bovenvermelde feiten zijn een schending van: • VCRO: artikel 6.2.1, 1 ° in samenhang met artikel
4.2.1, 1°, artikel 6.2.1, 2°, artikel 6.2.2, 3° en artikel 6.2.2, 5°.
Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een stedenbouwkundig misdrijf en een
stedenbouwkundige inbreuk als bedoeld in artikel 6.2.1 en artikel 6.2.13 VCRO respectievelijk
artikel 6.2.2. en artikel 6.2.12 VCRO, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd.
De vermoedelijke overtreder heeft, als eigenaar, de werken uitgevoerd, minstens hiertoe de
opdracht gegeven en is dus een overtreder in de zin van artikel 6.1.1. 6° VCRO. Dit artikel definieert
een overtreder immers als "de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het stedenbouwkundig
misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd , er opdracht toe heeft gegeven of er zijn
medewerking aan heeft verleend'.
Bovenvermelde feiten zijn bovendien toerekenbaar aan de vermoedelijke overtreder. Er is geen
bijzonder opzet vereist voor een stedenbouwkundig misdrijf of een stedenbouwkundige inbreuk en
het volstaat dat men wetens en willens handelt in strijd met het decreet. Het moreel bestanddeel
kan dus worden afgeleid uit het louter plegen van het materiële feit(= handeling op zich) door de7
vermoedelijke overtreder en uit de vaststelling dat dit feit hem kan worden toegerekend, tenzij een
schulduitsluit ings-of rechtvaardigingsgrond enigszins geloofwaard ig is gemaakt, wat niet het geval
is.
Het stedenbouwkundig misdrijf en de stedenbouwkundige inbreuk staan vast in hoofde van de
overtreder.
HHC-7
3.
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken niet aan dat de gewestelijke entiteit ten onrechte oordeelt dat alle door de
verbalisant vastgestelde wederrechtelijke verbouwingswerken aan haar woning
stedenbouwkundige misdrijven of inbreuken uitmaken, die haar kunnen worden toegerekend,
foutief dan wel kennelijk onredelijk is en er ter zake (minstens) twijfel bestaat.
3.1.
Wat betreft het dempen van een septische put zonder vergunning en in strijd met artikel 43
Bouwcode, maakt verzoekende partij niet aannemelijk dat ze deze wederrechtelijke handeling
niet heeft uitgevoerd dan wel daartoe geen opdracht gaf aan haar aannemer, en dat dit door
een vorige eigenaar is uitgevoerd.
De verbalisant stelt in het PV vast dat 'de septische put werd gedempt', waaruit volgt dat dit
op dat ogenblik reeds is gebeurd. Uit de foto hiervan (foto nr. 5 bij het PV) blijkt dat deze put
zich in de woning bevindt en is opgevuld met puin, maar nog zichtbaar is, en er ter hoogte
hiervan meerdere schoren zijn geplaatst om de eerste verdieping te ondersteunen. De
vaststelling dat deze put op het ogenblik van de controle reeds was gedempt betekent niet dat
de gewestelijke entiteit op basis van het PV niet kan oordelen dat dit is gebeurd in het kader
van de verbouwingwerken aan de woning, waartoe verzoekende partij als eigenaar de
opdracht gaf. Zoals gesteld, kan het bewijs van een stedenbouwkundig misdrijf onder meer
worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die
éénsluidend eenzelfde persoon als pleger hiervan aanduiden. Uit de met foto's ondersteunde
vaststellingen van de verbalisant in het PV, waarvan niet wordt betwist dat deze gelden tot
bewijs van het tegendeel (artikel 6.2.4, lid 1 VCRO), blijkt dat de woning van verzoekende partij
op het ogenblik van de controle door de verbalisant zowel op de gelijkvloerse als op de eerste
verdieping ingrijpend werd verbouwd. Voorts blijkt uit de stukken van verzoekende partij (stuk
1) dat ze vervolgens een nieuwe septische put heeft geplaatst in de tuin van de woning. Gelet
op deze samenhangende feitelijke vaststellingen, bestaat er redelijkerwijze geen twijfel dat
verzoekende partij in het kader van de ingrijpende verbouwing van haar woning heeft
geopteerd om de septische put binnenin haar woning te supprimeren en een nieuwe septische
put buiten haar woning in de tuin te plaatsen, zodat ze deze put in functie van een later
onderhoud eenvoudig kan bereiken. Haar blote bewering dat deze put door de vorige eigenaar
was gedempt vindt dan ook geen steun in het dossier, terwijl ze ook tijdens de bestuurlijke
boeteprocedure geen opmerkingen maakte met betrekking tot deze vaststelling van de
verbalisant.
HHC-8
3.2.
Wat betreft het vervangen van een draagmuur en het plaatsen van een draagbalk op de
gelijkvloerse verdieping, het plaatsen van een nieuwe draagvloer op de eerste verdieping en
het ophogen van de scheimuur links achteraan met ongeveer 20 cm over een lengte van
ongeveer 7 m, zonder vergunning of aktename, zonder toezicht van een architect en in strijd
met artikel 34 Bouwcode, maakt verzoekende partij niet aannemelijk dat deze wederrechtelijke
handelingen op eigen initiatief van haar aannemers en zonder haar medeweten of overleg zijn
uitgevoerd. Ze stelt dan ook tevergeefs dat deze stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken
haar niet kunnen worden toegerekend omdat ze deze niet wetens en willens heeft gepleegd.
De stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken naar aanleiding waarvan de boete wordt
opgelegd vereisen (zoals gesteld) als moreel element enkel (algemeen) opzet, dat bestaat uit
het wetens en willens handelen in strijd met de VCRO. Wetens betekent handelen met kennis
van zaken, waarbij de overtreder weet of behoort te weten dat de stedenbouwkundige
handeling enkel mag worden uitgevoerd na het verkrijgen van een vergunning of aktename
dan wel in overeenstemming hiermee. Willens betekent bewust handelen, dat wordt
verondersteld bij het plegen van de materiële handeling, die als de uiting van de vrije en
bewuste wil van de overtreder moet worden aanzien, in zoverre deze niet aannemelijk maakt
dat er sprake is van een schulduitsluitingsgrond zoals overmacht of onoverkomelijke
(rechts)dwaling of van een rechtvaardigingsgrond zoals noodtoestand. De gewestelijke entiteit
moet dus aantonen dat de overtreder het stedenbouwkundig misdrijf of de inbreuk waarvoor
een geldboete wordt opgelegd wetens en willens pleegde.
Zoals blijkt uit het administratief dossier en de procedurestukken en door verzoekende partij
niet wordt betwist, is ze de eigenaar van de woning waaraan er op het ogenblik van de
vaststellingen door de verbalisant ingrijpende verbouwingswerken werden uitgevoerd zonder
de daarvoor vereiste vergunning of aktename en zonder toezicht van een architect. Uit het
dossier blijkt ook dat verzoekende partij aan enkele aannemers opdracht gaf om de woning te
verbouwen. Haar bewering dat deze aannemingsopdrachten niet gedetailleerd waren en ze
ter zake vertrouwde op de ervaring van de aangestelde aannemers, en dat deze zonder haar
medeweten en zonder overleg op eigen initiatief vergunnings- en meldingsplichtige
verbouwingswerken hebben uitgevoerd, betekent niet dat deze stedenbouwkundige misdrijven
en inbreuken haar niet kunnen worden toegerekend. Gelet op de aard en de omvang van deze
verbouwingswerken, bestaat er redelijkerwijze geen twijfel dat verzoekende partij hiervoor
wetens en willens de opdracht gaf dan wel daaraan haar medewerking verleende door
onvoldoende toezicht en controle te houden op de werf. Een regelmatige controle was
nochtans aangewezen in het licht van haar bewering dat de aannemingsopdrachten
HHC-9
onvoldoende duidelijk waren afgelijnd. Het stond aan verzoekende partij, als normaal redelijk
en zorgvuldig handelende eigenaar en bouwheer , om de werf op gepaste tijdstippen te
bezoeken, terwijl ze alsdan redelijkerwijze moet hebben beseft dat de ingrijpende
verbouwingswerken niet konden worden uitgevoerd zonder vergunning of aktename en zonder
bijstand van een architect, en ze stappen diende te ondernemen om haar aannemers hierover
aan te spreken dan wel formeel in gebreke te stellen. Bij twijfel over het vergunning~ dan wel
meldingsplichtig karakter van de werken kon ze zich desnoods bijkomend informeren bij de
bevoegde stedelijke dienst. Verzoekende partij erkent overigens dat ze expliciet opdracht gaf
voor de wederrechtelijke uitbreiding van de eerste verdieping met ongeveer 2 m2, terwijl er
zeker wat betreft dit bouwwerk redelijkerwijze geen twijfel kan bestaan dat er hiervoor een
voorafgaande goedkeuring is vereist. Voorts blijkt uit de door haar bijgebrachte factuur voor
de dakwerken dat daarin expliciet is vermeld dat deze werken een verhoging van het dak ('dak
verhogen met een keeper') omvatten. Verzoekende partij maakt bovendien geenszins
aannemelijk dat ze de woning tijdens de ingrijpende verbouwingen niet heeft bezocht en
hierdoor niet op de hoogte was van de aard van de door haar aangestelde aannemers
uitgevoerde verbouwingswerken. Het blijkt ook niet dat ze deze aannemers , na de
vaststellingen door de verbalisant, formeel in gebreke heeft gesteld voor het uitvoeren van
vergunnings- en meldingsplichtige werken zonder haar medeweten en zonder overleg. Ze kan
zich dan ook niet zomaar verschuilen achter de niet gestaafde bewering dat ze zich niet bewust
was van het feit dat de door haar aangestelde aannemers in haar woning op eigen initiatief
meerdere wederrechtelijke verbouwingswerken uitvoerden, waarvoor ze geen opdracht gaf en
waarvan ze geen kennis had, en alle verantwoordelijkheid op deze aannemers afschuiven.
Het is overigens ook strafbaar om als eigenaar toe te staan of te aanvaarden dat er
stedenbouwkundige misdrijven in zijn woning worden gepleegd (artikel 6.2.1, lid 1, 7° VCRO).
Verzoekende partij maakt dan ook niet aannemelijk dat ze de vastgestelde
stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken niet wetens en willens pleegde.
Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie de degelijkheid van de beoordeling door de gewestelijke
entiteit van de frequentie en de verzachtende omstandigheden, als waarderingscriteria om het
boetebedrag te begroten. Ze stelt dat deze waarderingscriteria in de bestreden beslissing
slechts beknopt worden beoordeeld, terwijl er daarin met betrekking tot het eerste
HHC 010
waarderingscriterium van de ernst van de feiten een uitgebreide motivering is opgenomen. Ze
wijst in het bijzonder op de vaststelling dat er slechts sprake is van een eenmalig vergrijp en
dat ze na de vaststellingen onmiddellijk het nodige heeft gedaan om de wederrechtelijke
toestand te remediëren door de aanstelling van een architect en het aanvragen en verkrijgen
op 1 maart 2024 van een regulariserende omgevingsvergunning. Ze vraagt in het licht van
deze omstandigheden om geen effectieve boete op te leggen en deze minstens met uitstel op
te leggen. Ze voert dus feitelijk de schending aan van artikel 6.2.7, §1, lid 2 VCRO en van het
evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
2.
Verwerende partij stelt dat verzoekende partij niet aantoont dat de beoordeling in de bestreden
beslissing van de waarderingscriteria in artikel 6.2.7 VCRO om het boetebedrag te begroten
foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen
de feiten en de boete. Wat betreft de ernst van de feiten stelt ze dat de gewestelijke entiteit bij
haar beoordeling duidelijk wijst op de vaststelling dat de stedenbouwkundige misdrijven en
inbreuken afbreuk doen aan de goede ruimtelijke ordening. Wat betreft de frequentie merkt ze
op dat de gewestelijke entiteit wel degelijk rekening houdt met de vaststelling dat het in hoofde
van verzoekende partij slechts een eenmalige schending betreft. Wat betreft de verzachtende
omstandigheid stelt ze dat de gewestelijke entiteit de regularisatie van de wederrechtelijke
handelingen wel degelijk in rekening brengt en de boete om die reden substantieel herleidt.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit (artikel 6.1.1, 2° VCRO) moet in het licht van het
evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bij het opleggen van
een bestuurlijke geldboete zorgen dat de boete evenredig is tot de feiten (zie naar analogie
artikel 16.4.4 DABM). Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de
bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundig misdrijf, terwijl
er ook rekening wordt gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de
overtreder dit heeft gepleegd of beëindigd (artikel 6.2.7, §1, lid 2 VCRO).
De gewestelijke entiteit beschikt hierbij in het licht van het maximumbedrag van een
alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 6.2.13, §4 VCRO) over een ruime discretionaire
bevoegdheid, waarbij ze op vraag van de overtreder in beginsel ook de mogelijkheid heeft om
de boete op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging gedurende een proefperiode die niet
minder dan een jaar en niet meer dan drie jaar mag bedragen (artikel 6.2.7, §2, lid 1 DABM).
HHC-11
Het College zal bij het toezicht hierop aan de hand van de argumentatie die regelmatig en in
het bijzonder door verzoekende partij wordt voorgelegd nagaan of de gewestelijke entiteit is
uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op
grond daarvan de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk
onredelijk heeft toegepast. Dit zal met name moeten blijken uit de motieven die aan de
boetebeslissing ten grondslag liggen en die daarin worden vermeld en afdoende moeten zijn,
vermits de beslissing als individuele bestuurshandeling ressorteert onder de Motiveringswet.
De beslissing moet dus een concrete, precieze en pertinente of draagkrachtige motivering
bevatten, waaruit de keuze van de gewestelijke entiteit voor een boete en voor een welbepaald
boetebedrag blijkt, zodat de overtreder hiertegen met kennis van zaken kan opkomen.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing met betrekking tot 'de ernst van
de feiten', als eerste waarderingscriterium bij de beoordeling van de hoogte van de boete, het
volgende:
"4.2.1. De ernst van de feiten
De doelstelling van bovenvermelde regelgeving is gericht op een duurzame ruimtelijke
ontwikkeling, waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat
de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Daarbij worden de
ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar
afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het
leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen Op deze manier wordt
gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit (artikel 1.1.4 VCRO).
Dit gebeurt onder andere door het instellen van een voorafgaande vergunnings- of meldingsplicht
naargelang de handeling en het gebied waar de handeling plaatsvindt en het opleggen van strikte
voorwaarden waaraan moet worden voldaan.
De naleving van de voorafgaande vergunningsplicht behoort tot de meest elementaire
verplichtingen. Zij laat de vergunningverlenende overheid toe om kennis te nemen van de
voorgenomen handeling, te beoordelen of deze al dan niet vergund kunnen worden, desgevallend
mits oplegging van voorwaarden, en de toezichthoudende overheden om controle uit te oefenen
op deze handelingen.
Het verzaken aan deze voorafgaandelijke vergunningsplicht leidt ertoe dat de
vergunningverlenende overheid niet in kennis wordt gesteld van de voorgenomen handelingen, de
mogelijkheid wordt ontnomen om na te gaan of de goede ruimtelijke ordening, de ruimtelijke
draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale
HHC-12
gevolgen aanvaardbaar zijn, desgevallend mits oplegging van bijzondere voorwaarden, en het de
toezichthoudende overheden onmogelijk wordt gemaakt, minstens ernstig wordt bemoeilijkt, om
controle uit te oefenen.
Er werden stabiliteitswerken uitgevoerd, dus een werk waarbij de stabiliteit van het gebouw in het
gedrang kan komen als het niet met de nodige zorgvuldigheid en kennis van zaken wordt
uitgevoerd. Als deze werken niet op de juiste wijze worden uitgevoerd, kan de constructie instabiel
worden of instorten. Door deze werken uit te voeren zonder toezicht van een architect, kon de
stabiliteit van het gebouw niet gegarandeerd worden, met gevaar op instorting als gevolg.
Door de handelingen uit te voeren zonder voorafgaande omgevingsvergunning of aktename, wordt
aan de vergunningverlenende overheid ook de mogelijkheid ontnomen om (de impact van de)
werken voorafgaandelijk te beoordelen. Voormelde handelingen kunnen dus een invloed hebben
op de omgeving en de ruimtelijke kwaliteit beïnvloeden. Zo kan de uitbreiding op de tweede
verdieping een invloed hebben op de bezonning en dus het gebruiksgenot van de aanpalende
percelen.
Bovendien werden bepaalde werken uitgevoerd in strijd met een stedenbouwkundig voorschrift.
Voorschriften hebben als doel criteria vast te leggen om de goede ruimtelijke ordening van de
plaats te bepalen. Doordat bepaalde handelingen in strijd met een voorschrift gebeurden, is de
goede ruimtelijke ordening dus mogelijk geschonden en is het minder vaststaand dat dit
vergunbaar is.
De feiten zijn voldoende ernstig om te worden gesanctioneerd met een bestuurlijke geldboete van
5.750 euro.
i. De frequentie
ii. Het betreft een eenmalige schending. Er zijn geen indicaties die erop wijzen dat bij de overtreder
reeds eerder vergelijkbare feiten werden vastgesteld. Het criterium frequentie geeft derhalve geen
aanleiding tot een hogere geldboete.
De omstandigheden
Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete kan worden rekening gehouden met de bereidheid
van de overtreder om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen. Op 1 maart 2024
heeft het college van burgemeester en schepenen van een
omgevingsvergunning verleend, waarmee voornoemde handelingen
geregulariseerd werden. Dit wordt meegenomen als verzachtende omstandigheid bij het bepalen
van de hoogte van de geldboete, wat leidt tot een verlaging van de geldboete tot 2.700 euro.
HHC-13
3. Ten slotte zijn er, wat dit misdrijf betreft, geen verdere bijzondere omstandigheden die in rekening
worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete."
Verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat
geciteerde motieven de bestreden boetebeslissing redelijkerwijze niet kunnen dragen en dat
de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de waarderingscriteria om het boetebedrag te
bepalen foutief of kennelijk onredelijk is. Ze maakt niet aannemelijk dat er een kennelijke
wanverhouding bestaat tussen de feiten en de boete die uiteindelijk is opgelegd en dat de
gewestelijke entiteit de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft
uitgeoefend. Ze beperkt zich in hoofdorde tot de opmerking dat de waarderingscriteria inzake
de frequentie en de verzachtende omstandigheden, in tegenstelling tot het
waarderingscriterium van de ernst van de feiten, slechts beknopt worden beoordeeld, en
maakt ondanks haar stelplicht ten onrechte abstractie van de gemotiveerde en pertinente
overwegingen hierover van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing. Haar kritiek
vormt dan ook eerder opportuniteitskritiek, waarbij ze haar visie over de begroting van de boete
stelt tegenover deze van de gewestelijke entiteit, die ter zake in het licht van het mogelijke
boetebedrag over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt.
3.1.
Wat betreft de ernst van de stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken, als eerste
waarderingscriterium om het (basis)boetebedrag te bepalen, toont ze niet aan dat de
beoordeling door de gewestelijke entiteit foutief of kennelijk onredelijk is en dat deze de haar
toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend. Ze uit in se geen
inhoudelijke kritiek op de overwegingen hierover in de bestreden beslissing, die vertrekken
van het principe dat de handhaving van een stedenbouwkundig misdrijf of inbreuk strekt tot de
vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 4.3.1, §2 VCRO (artikel 6.1.2
VCRO).
3.2.
Wat betreft het waarderingscriterium van de frequentie, wijst ze tevergeefs op de vaststelling
dat ze nooit eerder gelijkaardige feiten heeft gepleegd. De gewestelijke entiteit overweegt in
de bestreden beslissing expliciet dat de feiten blijkens de voorliggende gegevens een
eenmalige schending betreffen, zodat het waarderingscriterium van de frequentie geen
aanleiding vormt om de boete te verhogen. Verzoekende partij toont niet aan dat de
gewestelijke entiteit foutief of kennelijk onredelijk oordeelt door binnen haar ruime
discretionaire bevoegdheid bij het bepalen van het boetebedrag het waarderingscriterium van
HHC-14
de frequentie (enkel) als boeteverzwarende omstandigheid in aanmerking te nemen, als
vaststaat dat de overtreder al eerder gelijkaardige feiten pleegde. Dit oordeel ligt overigens in
de lijn van de parlementaire voorbereiding van artikel 16.4.29 DABM (Pari. St., Vl. P., 2006-
07, nr. 1249/1, 59), waarmee artikel 6.2.7, §1, lid 2 VCRO analoog is, en waarin wordt gesteld
dat 'het vanuit het proportionaliteitsbeginsel belangrijk is om bij de bepaling van de bestuurlijke
geldboeten rekening te houden met zowel positieve (de omstandigheden waarin de
vermoedelijke overtreder milieu-inbreuken of milieumisdrijven pleegt of beëindigt) als
negatieve factoren (ernst van de milieu-inbreuk of de milieumisdrijffrequentie van de
gepleegde feiten)'.
3.3.
Wat betreft het waarderingscriterium van de omstandigheden, wijst ze tevergeefs op de
vaststelling dat ze na de opmaak van het PV onmiddellijk het nodige deed om de
wederrechtelijke toestand te remediëren door het aanstellen van een architect en het indienen
van een regularisatieaanvraag, in navolging waarvan ze op 1 maart 2024 een regulariserende
omgevingsvergunning verkreeg. De gewestelijke entiteit houdt bij haar beoordeling immers
effectief rekening met de boeteverlagende omstandigheid dat de stedenbouwkundige
misdrijven en inbreuken door deze vergunning zijn geregulariseerd, naar aanleiding waarvan
het initiële boetebedrag met meer dan 50%, hetzij met 3050 euro, wordt verlaagd.
Verzoekende partij maakt niet aannemelijk dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit
van deze verzachtende omstandigheid, met name haar bereidheid om voor de vastgestelde
schendingen maatregelen te nemen, kennelijk onredelijk is en dat de gewestelijke entiteit de
haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend.
3.4.
Verzoekende partij vraagt het College tenslotte tevergeefs om de bestuurlijke geldboete
alsnog op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging. Uit het administratief dossier blijkt dat
ze tijdens de bestuurlijke boeteprocedure nalaat om een schriftelijk verweer in te dienen en
niet vraagt om te worden gehoord, zodat ze de gewestelijke entiteit niet heeft verzocht om de
gebeurlijke geldboete op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging. In die optiek kan deze
niet worden verweten daarover geen gemotiveerd dan wel een kennelijk onredelijk oordeel te
hebben gevormd. Ze voert in het licht van de gegevens van het dossier ook tijdens
voorliggende procedure geen overtuigende pertinente en draagkrachtige redenen aan om de
bestuurlijke geldboete alsnog op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging, zodat haar
verzoek daartoe wordt verworpen.
HHC-15
Ze beperkt zich in hoofdorde (tevergeefs) tot het afschuiven van de verantwoordelijkheid voor
de vastgestelde stedenbouwkundige misdrijven en inbreuken op de door haar aangestelde
aannemers en toont niet aan dat er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de feiten en
de opgelegde geldboete.
Het middel wordt verworpen.
V. Beslissing
1. Het beroep wordt verworpen.
2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verzoekende
partij.
Dit arrest is uitgesproken op 5 juni 2025 door de eerste kamer.
De griffier, De voorzitter van de eerste kamer,
HHC-16