ARR:handhavingscollege-brussel-12-06-2025
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2025-06-12
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
28 april 2017, 29 juli 1991
Volledige tekst
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 12 juni 2025 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partij
met woonplaatskeuze te
Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse
Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door
afdelingshoofd, met kantoor te 1000 Brussel, Koning Albert Il
laan 20 bus 8
1. Voorwerp van het beroep
Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 24 juli 2025 de vernietiging van
de beslissing van de gewestelijke entiteit van 27 juni 2024 met nummer waarmee haar
een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 8.725 euro wegens schending van
artikel 6.4.0.1, §3, lid 1, 4° van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende
algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna: VLAREM Il). Er wordt haar
met name verweten dat ze een asbesthoudend onderdak niet heeft verwijderd conform de
geldende regelgeving om vezelverspreiding en blootstelling van personen aan asbestvezels
te verhinderen , doordat minstens een deel van de asbesthoudende onderdakplaten bij hun
verwijdering zijn gebroken.
HHC, 1
ll. Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
Verzoekende partij dient een wederantwoordnota in.
De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 24 april
2025. Verzoekende partij, hoewel behoorlijk opgeroepen, verschijnt niet op de zitting.
van de afdeling Handhaving, Departement Omgeving voert het
woord voor verwerende partij.
111. Regelmatigheid van de rechtspleging• nota namens
1.
Verzoekende partij, die in haar hoedanigheid van degene aan wie de bestreden boete is
opgelegd (conform artikel 16.4.39, lid 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene
bepalingen inzake milieubeleid -hierna: DABM) hiertegen tijdig en regelmatig jurisdictioneel
beroep heeft ingesteld bij het Handhavingscollege (hierna: College), wordt door de griffie van
het College met een aangetekende brief van 24 oktober 2024 uitgenodigd om een
wederantwoordnota in te dienen (artikel 29 Procedurebesluit). In navolging hiervan dient de
bestuurder van verzoekende partij, die het inleidend verzoekschrift namens verzoekende partij
heeft ondertekend, met een aangetekende brief van 15 november 2024 een nota in namens
van wie hij ook de bestuurder is. Er wordt in deze nota onder meer als nieuw
middel aangevoerd dat de overtreder betreft en niet verzoekende partij.
Verwerende partij vraagt ter zitting om de nota namens te weren omdat deze
niet kan worden beschouwd als een wederantwoordnota van verzoekende partij.
2.
De nota namens de wordt beschouwd als een wederantwoordnota namens
verzoekende partij en wordt niet uit de debatten geweerd. Uit de nota blijkt dat de bestuurder
van verzoekende partij, die is gerechtigd om de wederantwoordnota namens verzoekende
partij te ondertekenen en die ook de bestuurder is van meent dat de bestreden
boete ten onrechte is opgelegd aan verzoekende partij en moest worden opgelegd aan de
als uitvoerder van de afbraakwerken met asbestverwijdering. In die optiek heeft
deze bestuurder de wederantwoordnota, waarin ze de hoedanigheid van verzoekende partij
als overtreder voor het eerst betwist, onmiddellijk ondertekend namens in
plaats van namens verzoekende partij. Hoewel deze werkwijze niet correct is, kan deze nota
redelijkerwijze worden beschouwd als de wederantwoordnota namens verzoekende partij,
HHC-2
waarin deze in een nieuw middel voor het eerst aanvoert dat niet zij, maar
(desgevallend) moet worden beschouwd als de overtreder aan wie de boete kan worden
opgelegd. Verwerende partij toont overigens niet aan dat ze hierdoor belangenschade leed en
kon ter zitting haar argumentatie tegen dit nieuw middel uiteenzetten. De vraag in hoeverre dit
nieuw middel ontvankelijk en/of gegrond is wordt hierna onderzocht bij de beoordeling van het
eerste middel.
IV. Feiten
1.
Op 19 april 2022 stelt een lokaal toezichthouder bij de afdeling Milieuhandhaving van de
politiezone
volgende vast: :hierna: verbalisant) ter hoogte van een werf van verzoekende partij het
Op 19 april 2022 ontvangen we een melding dat er op het adres panlatten
van een asbesthoude nd dak verwijderd worden zonder de nodige persoonlijke
beschermingsm iddelen.
Omstreeks 15.51 uur begeeft opsteller zich samen met lokaal toezichthouder ... ter plaatsen. We
stellen vast dat het asbesthoudende onderdak op dat moment nog niet verwijderd werd. Er werden
reeds enkele panlatten verwijderd , maar dit betreft een beperkte oppervlakte van het totale
dakoppervlak. Verder ziet het onderdak er onbeschadigd uit. Er bevinden zich aan de ingang van
het gebouw twee personen. hierboven volledig vereenzelvigd , staat ons te woord.
Volgens wordt het onderdak later die week nog verwijderd. Hij heeft echter op dat
moment nog geen zicht welke dag dit zal zijn, daar er nog een hoogtewerker ter plaatse moet
komen.
Na de controle vragen we aan de melder ons op de hoogte te brengen wanneer het onderdak
verwijderd zou worden, zodat we kunnen nagaan of deze correct verwijderd wordt.
Wanneer we op 22 april 2022 nog geen bericht ontvangen hebben van de melder, beslissen we
zelf nog eens ter plaatse te gaan. Omstreeks 13u50 begeef ik me samen met
naar We stellen vast dat het volledige onderdak reeds werd verwijderd. De
asbestplaten liggen allemaal in een container, voorzien van een asbestzak.
Wanneer we in de asbestzak kijken zien we voornamelijk gebroken stukken onderdak liggen.
HHC-3
We begeven ons binnen in het gebouw waar we opnieuw
naar het feit dat het overgrote deel van de platen gebroken is. aantreffen. We verwijzen
antwoordt ons dat het
in principe onmogelijk is om de platen op een andere manier te verwijderen, voornamelijk omdat
het grootste deel nagels verroest is en de kop ervan afkraak bij het verwijderen met de koevoet.
Het grootste deel nagels kon dus niet verwijderd worden alvorens de platen te verwijderen. Hij zou
voorafgaand aan de verwijdering wel het volledige dak gefixeerd hebben. Wanner we naar buiten
wandelen zijn we nog een pyvekpak liggen, wat ons doet vermoeden dat deze ook effectief gebruikt
werd tijdens de verwijdering van het onderdak.
Gezien de verwijdering van het onderdak volgens Verbrugghe niet mogelijk is zonder het breken
van de asbestverdachte platen, diende dit uitgevoerd te worden door een erkend
asbestdeskundige.
We nemen een klein stukje onderplaat uit de container en steken deze in een staalnamezak om te
laten analyseren.
Op 3 mei 2022 wordt het staal afgeleverd bij Op 4 mei 2022 ontvangen we
de analyseresultaten en blijkt dat het onderdak het mineraal chrysotiel bevat, een asbestsoort.
Wanneer we het sloopopvolgingsplan consulteren stellen we vast dat het dak een oppervlakte van
208 m2 heeft. Verder zou er in het gebouw ook nog een schouwpijp en afvoer uit asbest geweest
zijn. Het belangrijkste deel van het sloopopvolgingsplan wordt in bijlage gevoegd.
Op 22 mei 2022 ontvang ik van ::liverse foto's en een video waarop te zien is hoe hij,
volledig uitgerust met de nodige beschermingsmiddelen, normaal te werk gaat bij afbraak van
asbest. Hierop is te zien dat hij de platen benevelt, er is echter niet te zien hoe de platen
daadwerkelijk worden afgebroken. Enkele van de foto's worden in bijlage gevoegd.
Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nr.
,an 6 mei 2022, dat op 17 juni 2022 wordt afgesloten (hierna: PV) en
op 24 juni 2022 wordt verstuurd aan de procureur des Konings.
2.
Op 16 juni 2022 wordt de bestuurder van verzoekende partij door de politie verhoord over de
feiten. Dit verhoor wordt opgenomen in het navolgend proces-verbaal nr.
2022, dat wordt afgesloten op 17 juni 2022.
3. van 6 mei
HHC-4
Op 2 augustus 2022 geeft de procureur des Konings aan de gewestelijke entiteit kennis van
de verlenging van zijn beslissingstermijn ( artikel 16.4.32 DABM) omdat het
opsporingsonderzoek nog niet is afgerond. Op 11 augustus 2022 ontvangt de gewestelijke
entiteit de melding van de procureur des Konings van 9 augustus 2022 dat het milieumisdrijf
niet strafrechtelijk zal worden behandeld.
4.
Op 22 september 2022 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van
haar voornemen om eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete en een
voordeelontneming op te leggen. Ze nodigt verzoekende partij daarbij uit om haar schriftelijk
verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, terwijl deze ook de
mogelijkheid krijgt om inzage te vragen in het administratief dossier.
Verzoekende partij bezorgt op 9 oktober 2022 een schriftelijk verweer, zonder verzoek om te
worden gehoord. Ze vraagt daarbij ook om haar een kopie van het administratief dossier te
bezorgen, dat op 26 oktober 2022 door de gewestelijke entiteit wordt overgemaakt.
5.
Op 27 juni 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende partij op
3 juli 2024 via een beveiligde zending in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de parlijen
1.
Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota voor het eerst dat ze ten onrechte wordt
beschouwd als de overtreder aan wie de bestreden boete wordt opgelegd omdat de
afbraakwerken met asbestverwijdering zijn uitgevoerd door Ze wijst daarbij
op de vaststelling dat uitsluitend asbest verwijdert, terwijl zijzelf enkel afbraak
en grondwerken doet, en dat de werken waarvoor de boete is opgelegd mede zijn uitgevoerd
door een werknemer van ten bewijze waarvan ze verwijst naar een loonfiche
2.
HHC-5
Verwerende partij meent dat dit middel in de huidige stand van de procedure niet ontvankelijk
kan worden aangevoerd omdat verzoekende partij hierover eerder nooit enige opmerking heeft
gemaakt.
Beoordeling door het College
1.
Het verzoekschrift dient een uiteenzetting te bevatten van de feiten en van de ingeroepen
middelen, waarbij de niet-naleving van deze vereiste naderhand niet kan worden
geregulariseerd (artikel 17 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en de
rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges -hierna: DBRC-decreet, in
samenlezing met artikel 15, 4° van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014
houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges -hierna:
Procedurebesluit). Een ontvankelijk middel bestaat uit een voldoende en duidelijke
omschrijving van de geschonden geachte regelgeving of beginselen van behoorlijk bestuur en
van de wijze waarop deze volgens verzoekende partij worden geschonden. Deze vereiste
impliceert niet dat verzoekende partij expliciet de rechtsregels of rechtsbeginselen moet
vermelden die volgens haar door de bestreden beslissing worden geschonden. Het is enkel
noodzakelijk dat de uiteenzetting in het verzoekschrift het voor het College in het kader van
zijn legaliteitstoetsing en voor verwerende partij in het kader van haar verdediging mogelijk
maakt duidelijk te begrijpen wat de bestreden beslissing wordt verweten. In zoverre
verzoekende partij in haar wederantwoordnota bijkomende middelen aanvoert ten opzichte
van haar verzoekschrift, dan wel een andere wending geeft aan de in het verzoekschrift
aangevoerde middelen, zonder aannemelijk te maken dat ze deze argumentatie niet kon
aanvoeren op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift, zijn deze nieuwe
middelen in beginsel onontvankelijk (artikel 15, 4° in samenlezing met artikel 29
Procedurebesluit).
2.
Het argument van verzoekende partij in haar wederantwoordnota, dat ze ten onrechte wordt
beschouwd als de overtreder die het milieumisdrijf waarvoor de bestreden boete wordt
opgelegd pleegde of daartoe opdracht gaf, vormt een nieuw middel, dat niet is opgenomen in
het verzoekschrift en om die reden onontvankelijk is.
Verzoekende partij voert voor het eerst in haar wederantwoordnota aan dat
het milieumisdrijf waarvoor de bestreden boete wordt opgelegd heeft gepleegd dan wel
daartoe opdracht gaf, zodat zijzelf niet kan worden beschouwd als de overtreder in de zin van
HHC-6
artikel 16.4.25, lid 1 DABM en er haar hiervoor ten onrechte een boete wordt opgelegd. Ze
heeft hierover in haar verzoekschrift geen argumenten ontwikkeld, terwijl het College in het
licht van de concrete omstandigheden van het dossier oordeelt dat verzoekende partij deze
argumentatie redelijkerwijze ook al in haar verzoekschrift kon aanvoeren. Dit nieuw middel,
dat een schending vormt van de loyale procesvoering en het normale en behoorlijke verloop
van het vooronderzoek verstoort, is dan ook onontvankelijk.
Het College merkt ten overvloede nog op dat de bestuurder van verzoekende partij, tijdens
zijn verhoor over de vaststellingen van de verbalisant lastens verzoekende partij, expliciet
heeft verklaard dat hij 'de zaakvoerder is van (verzoekende partij)' en dat 'de feiten werden
gepleegd in het kader van de rechtspersoon', waarbinnen hij 'de beslissingen inzake milieu '
neemt. Zelfs in de hypothese dat hij op dat ogenblik ten onrechte niet heeft opgemerkt dat de
asbestverwijdering is uitgevoerd door dan wel in opdracht van zoals
aangevoerd in de wederantwoordnota , moet worden vastgesteld dat verzoekende partij
hierover vervolgens ook geen opmerkingen heeft gemaakt in haar schriftelijk verweer tijdens
de bestuurlijke boeteprocedure en in haar verzoekschrift voor het College. Ze legt ter zake
bovendien geen overtuigende bewijsstukken voor, zoals de factuur voor de afbraakwerken,
terwijl ze blijkens haar statuten ook dergelijke werken kan uitvoeren.
Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij stelt in essentie dat er geen milieumisdrijf voorligt, dat haar kan worden
toegerekend. Ze betwist met name dat ze de asbesthoudende dakbedekking bij de
verwijdering hiervan bewust heeft gebroken, in strijd met het milieuvoorschrift in artikel 6.4.0.1,
§3, lid 1, 4° VLAREM ll. Ze stelt dat deze asbesthoudende dakbedekking via eenvoudige
handelingen kon worden weggenomen, maar dat tijdens de werken bleek dat de kop van de
nagels in de asbesthoudende dakplaten dermate was geroest dat veel nagels niet eerst
konden worden verwijderd, waardoor de platen tijdens hun verwijdering zijn gebroken. Ze
benadrukt dat dit niet heeft geleid tot vezelverspreîding en blootstelling van personen aan
asbestvezels omdat ze de platen voorafgaandelijk meermaals extra heeft gefixeerd, zoals
aangeraden door een deskundige ter zake, waarbij ze opmerkt dat de verbalisant geen
vaststellingen heeft verricht tijdens de afbraakwerken. Ze meent dat een erkende
asbestverwijderaar dezelfde werkwijze zou hebben gehanteerd. Ze voert dus feitelijk de
HHC-7
schending aan van artikel 16.4.25 DABM en van het algemeen rechtsbeginsel van het
vermoeden van onschuld, waarbij ze zich beroept op dwaling dan wel overmacht als
schulduitsluitingsgrond, in samenlezing met het volgens de bestreden beslissing geschonden
artikel 6.4.0.1 VLAREM ll.
2.
Verwerende partij wijst op de vaststelling dat verzoekende partij niet betwist dat ze een
asbesthoudende onderdakbedekking heeft verwijderd, waarbij de asbestplaten in stukken zijn
gebroken. Ze stelt dat verzoekende partij geen erkende asbestverwijderaar is en hierdoor bij
de verwijdering van asbest enkel de methode van eenvoudige verwijdering mag toepassen,
waarbij de verwijdering geen aanleiding mag geven tot een wijziging van de toestand en er
voorzorgsmaatregelen in acht moeten worden genomen, waaronder de vereiste om de
materialen niet te breken. Ze stelt dat er geen discussie bestaat over de vaststelling dat de
koppen van de nagels in de asbestplaten dermate waren weggeroest, dat de nagels niet
voorafgaandelijk konden worden verwijderd om de asbestplaten vervolgens één voor één te
verwijderen zonder deze te breken, terwijl verzoekende partij de afbraak desondanks heeft
verdergezet en het asbesthoudend onderdak heeft verwijderd met veelvuldige breuk van de
asbestplaten tot gevolg, zodat het milieumisdrijf vaststaat. Ze stelt dat de gewestelijke entiteit
het bestaan en de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf in de bestreden beslissing uitvoerig
motiveert, terwijl verzoekende partij niet aantoont dat deze beoordeling foutief of kennelijk
onredelijk is. Ze stelt dat verzoekende partij zich ter zake niet kan beroepen op overmacht
omdat ze niet aantoont dat ze heeft gehandeld als een normale en zorgvuldige aannemer en
is geconfronteerd met een onvoorzienbare en onvermijdbare situatie. Ze stelt dat verzoekende
partij met name bewust heeft geopteerd om de afbraakwerken verder te zetten, ondanks de
vaststelling dat de asbesthoudende onderdakplaten door de geroeste nagels niet konden
worden verwijderd zonder ze te breken. Ze merkt op dat hieraan geen afbreuk wordt gedaan
door de bewering van verzoekende partij dat ze zich voorafgaandelijk aan de werken heeft
geïnformeerd bij het sectorfonds voor de bouwsector en de door hen voorgestelde
fixatiemaatregelen heeft nageleefd omdat dit bevestigt dat ze zich wel degelijk bewust was
van het feit dat ze de asbesthoudende onderdakplaten niet kon verwijderen zonder deze te
breken en hierdoor hun toestand te wijzigen.
3.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoord nota in essentie in de argumentatie in haar
verzoekschrift. Ze herhaalt dat de door de deskundige voorgestelde en door haar toegepaste
werkwijze, waarbij de asbestplaten voor verwijdering meermaals worden gefixeerd, wel
HHC-8
degelijk mag worden toegepast in het kader van de eenvoudige handelingen. Ze merkt op dat
ze in andersluidend geval de werken had stopgezet.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die
naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen worden bestraft
overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3bis, 16.6.3ter, 16.6.3quater,
16.6.3quinquies, 16.6.3sexies en 16.6.3septies DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2,
2° DABM). De geschonden bepalingen zijn dergelijke milieuvoorschriften (artikel 16.1.1, lid 1,
19°ter DABM). Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde
schending van de gehandhaafde regelgeving is in beginsel strafbaar (artikel 16.6.1, §1 DABM),
zodat opzet niet noodzakelijk is vereist. De geldboete kan enkel worden opgelegd aan de
'overtreder', hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of die opdracht geeft om handelingen
te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25, lid 1 DABM). De kwalificatie van de
feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als
overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om haar
een geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf
en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap
kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken,
in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering
betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende
feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf
aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het
zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel
6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en
inhoudelijk vlak.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing, onder de titel 'de
toerekenbaarheid aan de overtreder', met betrekking tot het milieumisdrijf en de
toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als overtreder, het volgende:
HHC-9
De vermoedelijke overtreder trad op als aannemer van dakwerken aan de woning gelegen aan de
Siegenlaan 3 te 8900 leper in april 2022. In het kader van deze werkzaamheden werd onder meer
overgegaan tot verwijdering van de asbesthoudende onderdakbedekking (platen).
Overeenkomstig artikel 6.4.0.1, §2 van het VLAREM Il mogen enkel volgende asbesthoudende
toepassingen zelf verwijderd worden, op voorwaarde dat de verwijdering kan gebeuren door middel
van eenvoudige handelingen (bv. vlot losschroeven):
1 ° hechtgebonden asbest die niet beschadigd is of waarbij er geen vrije vezels zichtbaar zijn en
waarbij verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
2° hechtgebonden asbest die beschadigd is of waarbij er vrije vezels zichtbaar zijn en die verwerkt
is in een buitentoepassing waarbij geen derden aanwezig zijn, voor zover die verwijdering geen
aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand;
3° asbesthoudende koorden, dichtingen of pakkingen, remvoeringen en analoge materialen.
Andere toepassingen mogen alleen verwijderd worden door gespecialiseerde bedrijven die daartoe
erkend zijn conform boek VI -Chemische, kankerverwekkende, mutagene en reprotoxische agentia
van de codex over het welzijn op het werk, zoals vastgesteld bij Koninklijk Besluit van 28 april 2017
(B.S. 2 juni 2017).
Asbesthoudende onderdakplaten zijn een hechtgebonden buitentoepassing van asbest en mogen
worden verwijderd door middel van eenvoudige handelingen.
Bij de verwijdering van asbesthoudende dakbedekking door middel van eenvoudige handelingen
als vermeld in § 2, 1 °, 2° en 3° moeten conform artikel 6.4.0.1, §3, eerste lid van het VLAREM Il
evenwel volgende maatregelen worden genomen om vezelverspreiding en blootstelling van
personen aan asbestvezels te verhinderen:
1 ° bevochtigen of fixeren van het materiaal;
2° de elementen één voor één verwijderen, bij voorkeur manueel, gebruik makend van
handwerktuigen of in laatste instantie traagdraaiend gereedschap;
3° de materialen niet gooien;
4° de materialen niet breken;
5° de materialen opslaan in gesloten verpakking.
Uit de vaststellingen van verbalisant op 22 april 2022 blijkt dat het volledige onderdak reeds werd
verwijderd was en in de asbestzak er voornamelijk gebroken stukken onderdak liggen.
Daarnaast verklaarde de vermoedelijke overtreder in zijn verklaring op 22 april 2022, het verhoor
op 16 juni 2022 en het verweer aan de gewestelijke entiteit op 9/10 oktober 2022 dat:
HHC-10
2. • hij en zijn werknemer mondmaskers en M3-asbestpakken droegen tijdens de verwijdering,
• de asbestplaten gefixeerd werden met fixeermiddel voorafgaand de werkzaamheden,
• de pannenlatten daarna manueel verwijderd werden, maar doordat vele nagels verroest waren,
brak de kop er af bij het verwijderen waardoor de asbesthoudende onderdakplaten, manueel
moesten worden losgewrikt en hierbij soms braken,
• de platen werden manueel op de hoogtewerker gelegd, wanneer de bak vol was reden ze naar
de container (met asbestzak) waar de platen heel voorzichtig in de container gekiept werden,
• wanneer de afbraak klaar was, werd de asbestzak onmiddellijk afgesloten.
De gewestelijke entiteit is gelet op bovenstaande, met name het gegeven dat er voornamelijk
gebroken stukken onderdakplaat aanwezig waren in de container; en de verklaring van
vermoedelijke overtreder dat door de verroeste nagels de platen manueel losgewrikt moesten
worden en dit soms tot breken van de plaat leidde; en het gegeven dat de platen voorzichtig met
de hoogtewerker in de container afgekiept werden, afdoende vaststaand dat vermoedelijk
overtreder bij de afbraak van asbesthoudende dakbedekking minstens een deel van deze platen
brak.
Voor de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf aan de vermoedelijke overtreder is niet vereist dat
de feiten met opzet gepleegd werden. Artikel 16.6.1, §1 van het DABM voorziet dat ook elke door
gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending strafbaar gesteld wordt en aanleiding
kan geven tot een alternatieve bestuurlijke geldboete. Van een normaal en zorgvuldig persoon mag
verwacht worden dat deze bij de verwijdering van asbesthoudende materialen de vereiste
voorzorgsmaatregelen treft bij uitvoering van de werken en indien blijkt dat deze niet volstaan (zoals
wanneer de nagels niet kunnen verwijderd worden en de platen door het wrikken breken) zich laat
bijstaan door een gespecialiseerd asbestverwijderaar.
Deze feiten houden een schending in van artikel 6.4.0.1., § 3, eerste lid, 4° van het VLAREM ll.
Deze milieuvoorschriften worden gehandhaafd met toepassing van Titel XVI DABM en de
schending ervan is strafbaar gesteld in hoofdstuk VI van titel XVI van het DABM. Er is bijgevolg
sprake van een milieumisdrijf in de zin van artikel 16.1.2, 2° van het DABM waarvoor conform
artikel 16.4.27 van het DABM een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd.
Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van de overtreder.
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat de vastgestelde
feiten moeten worden beschouwd als een milieumisdrijf dat haar kan worden toegerekend,
foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat.
HHC-11
Artikel 6.4.0.1, §2 VLAREM Il voorziet dat asbesthoudende onderdakplaten niet noodzakelijk
moeten worden verwijderd door een gespecialiseerd bedrijf, maar zelf kunnen worden
verwijderd, mits ze kunnen worden weggenomen via eenvoudige handelingen, zoals vlot
losschroeven, en hun verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand.
Artikel 6.4.0.1, §3, lid 1, 4 ° VLAREM Il verplicht om in het kader van de sloop en verwijdering
van dergelijke platen maatregelen te nemen om vezelverspreiding en blootstelling van
personen aan asbestvezels te verhinderen, waaronder het verbod om de asbesthoudende
materialen te breken.
Verzoekende partij voert op zich geen betwisting over de vaststelling van de gewestelijke
entiteit in de bestreden beslissing op basis van de voorliggende stukken, dat ze in het kader
van de verwijdering van een onderdak met asbesthoudende platen minstens een deel hiervan
heeft gebroken, doordat de koppen van de nagels waarmee deze platen waren verankerd
waren geroest en afbraken, waardoor ze manueel moesten worden losgewrikt. Haar
opmerking, dat de verbalisant niet aanwezig was tijdens de verwijdering van het onderdak en
dat hij tijdens de vaststellingen heeft nagelaten om de veiligheidsmaatregelen op de bouwwerf
te respecteren, doet hieraan geen afbreuk. Haar bewering, dat ze handelde conform de
toepasselijke regelging en 'volgens de cursus enkelvoudige handelingen', mist dan ook
feitelijke grondslag. De niet betwiste vaststelling dat de asbesthoudende platen moesten
worden losgewrikt omdat de geroeste koppen van de nagels waarmee ze waren verankerd
afbraken, waardoor deze platen in stukken braken, impliceert dat er een risico was op
vezelverspreiding en blootstelling van personen aan asbestvezels, en ook dat deze platen niet
(langer) door verzoekende partij konden worden weggenomen via 'eenvoudige handelingen'
en hun verwijdering aanleiding gaf tot een wijziging van hun toestand. Dit betreft een
milieumisdrijf, waarbij als moreel element enkel een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid is
vereist opdat de schending van de gehandhaafde regelgeving strafbaar is.
Verzoekende partij maakt ook niet aannemelijk dat er in haar hoofde sprake was van een
schulduitsluitingsgrond en met name van onoverkomelijke (rechts)dwaling dan wel overmacht.
Ze maakt met name niet aannemelijk dat elke normale, redelijke en vooruitziende aannemer,
geplaatst in dezelfde omstandigheden, dezelfde werkwijze zou hebben gehanteerd om het
onderdak te verwijderen. Ze stelt dat haar bestuurder de opleiding voor het verwijderen van
asbest volgens de techniek van de eenvoudige handelingen heeft gevolgd, zodat ze
ongetwijfeld op de hoogte was van artikel 6.4.0.1, §§2 en 3, lid 1 VLAREM Il en in het bijzonder
van de vereiste dat ze asbesthoudende onderdakplaten enkel zelf mag verwijderen via
eenvoudige handelingen, waarbij de toestand van deze platen niet mag wijzigen en ze onder
HHC-12
meer niet mogen breken. Dit geldt des te meer in het licht van de niet betwiste vaststelling dat
ze in 2020 een boete heeft gekregen wegens het plegen van een gelijkaardig milieumisdrijf,
zodat ze ook hierdoor alleszins niet onwetend was over de ter zake geldende verplichtingen.
De vaststelling, dat ze voorafgaand aan de afbraakwerken alleszins kennis had van het verbod
om de asbesthoudende onderdakplaten bij het verwijderen hiervan te breken, wordt overigens
bevestigd door haar niet gestaafde bewering dat ze voorafgaandelijk aan de verwijdering van
het onderdak contact heeft opgenomen met een deskundige ter zake. Daaruit blijkt dat ze toen
wel degelijk besefte dat het onderdak, door de verankering van de asbesthoudende platen met
verroeste en afbrekende nagels en de noodzaak om (het merendeel van) deze platen los te
wrikken, niet langer in aanmerking kwam voor de verwijdering via eenvoudige handelingen
omdat de platen in stukken gingen breken, zoals ook is gebeurd. Haar niet gestaafde bewering,
dat de deskundige toen geen bezwaar had om het onderdak toch op deze met artikel 6.4.0.1,
§§2 en 3, lid 1 VLAREM Il strijdige manier te verwijderen, doet geen afbreuk aan het
milieumisdrijf en aan de vaststelling dat de werken feitelijk moesten worden uitgevoerd door
een daarvoor gespecialiseerd bedrijf. Ze was bovendien voorafgaandelijk aan de afbraak van
het asbesthoudend onderdak door de verbalisant gecontroleerd, zodat ze des te zorgvuldiger
diende te handelen. Ze diende zich als professionele aannemer, die zoals gesteld ongetwijfeld
kennis heeft van de vereiste maatregelen bij de verwijdering van asbest, desnoods vooraf
bijkomend 'degelijk' te informeren en kan zich niet zonder meer verschuilen achter de bewering
dat haar bestuurder vooraf groen licht kreeg van een deskundige om de werken toch in strijd
met artikel 6.4.0.1, §3, lid 1, 4° VLAREM Il uit te voeren.
Het middel wordt verworpen.
C. Derde middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie de hoogte van de boete in het licht van haar precaire
financiële situatie. Ze stelt dat ze de boete als 'heel kleine firma' niet kan betalen en hoopt op
een 'sterke vermindering en een afbetalingsplan', bij gebreke waarvan ze 'moet stoppen met
de activiteit'. Ze voert dus feitelijk de schending aan van de artikelen 16.4.4 en 16.4.29 DABM
en van het evenredigheidsbeginsel als algemene beginsel van behoorlijk bestuur.
2.
Verwerende partij stelt dat verzoekende partij niet aantoont dat de gewestelijke entiteit de
decretale waarderingscriteria voor het begroten van de boete onjuist of kennelijk onredelijk
HHC -13
heeft toegepast. Ze wijst op de vaststelling dat de gewestelijke entiteit daarbij al rekening heeft
gehouden met de grootte en de financiële draagkracht van verzoekende partij en de geldboete
om die reden met 3.600 euro (van 14.400 euro naar 10.800 euro) heeft verminderd. Ze stelt
dat verzoekende partij geen stukken bijbrengt, die deze beoordeling van de gewestelijke
entiteit weerleggen en waaruit blijkt dat de toegepaste herleiding van de boete onvoldoende
is. Ze merkt op dat uit de gegevens van de meest recent neergelegde jaarrekening van
verzoekende partij integendeel blijkt dat ze de boete wel degelijk kan betalen.
3.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoord nota in essentie in de argumentatie in haar
verzoekschrift. Ze herhaalt dat de boete te hoog is en dat ze hoopt op een aanzienlijke
herleiding hiervan.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit moet bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete zorgen dat er
geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de opgelegde boete en de feiten die daaraan
ten grondslag liggen (artikel 16.4.4 DABM), zodat de boete evenredig moet zijn tot de feiten.
Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke geldboete
wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf, terwijl er ook rekening wordt gehouden
met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit heeft gepleegd of beëindigd
(artikel 16.4.29 DABM). De gewestelijke entiteit beschikt hierbij in het licht van het
maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 16.4.27, lid 2 DABM) over
een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij ze onder bepaalde voorwaarden in beginsel
ook de mogelijkheid heeft om de boete geheel of gedeeltelijk op te leggen met uitstel van
tenuitvoerlegging (artikel 16.4.29, §2 DABM). Het College zal bij het toezicht hierop aan de
hand van de argumentatie die regelmatig en in het bijzonder door verzoekende partij wordt
voorgelegd nagaan of de gewestelijke entiteit is uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische
gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op grond daarvan de waarderingscriteria om het
boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk onredelijk heeft toegepast. Dit zal met name
moeten blijken uit de juridische en feitelijke motieven die aan de boetebeslissing ten grondslag
liggen en die daarin worden vermeld en afdoende moeten zijn, vermits de beslissing als
individuele bestuurshandeling ressorteert onder de wet van 29 juli 1991 betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De beslissing moet dus een concrete,
precieze en pertinente of draagkrachtige motivering bevatten waaruit de keuze van de
HHC-14
gewestelijke entiteit voor een boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de
overtreder hiertegen met kennis van zaken kan opkomen.
2.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van het
boetebedrag rekening houdt met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de
omstandigheden waarin het is gepleegd of beëindigd, waarbij ze onder meer de financiële
draagkracht van verzoekende partij bij haar beoordeling betrekt. Ze overweegt daarover onder
de titel 'de hoogte van de geldboete' onder meer het volgende:
3. 4.2.1. De ernst van de feiten
... De feiten zijn ... voldoende ernstig om te worden gesanctioneerd met een alternatieve
bestuurlijke geldboete van 7200 euro.
4.2.2. De frequentie
Het betreft geen eenmalige schending .... Het criterium frequentie geeft dus aanleiding tot een
verhoging van de geldboete tot 14.400 euro.
4.2.3. De omstandigheden
De bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie met leedtoevoeging als primair doel. Het
afstemmen van de op te leggen bestuurlijke geldboete op de grootte van de onderneming en,
hiermee samenhangend, de financiële draagkracht, is essentieel om dit sanctiedoel te kunnen
realiseren. De gewestelijke entiteit bepaalt de grootte en financiële draagkracht van de overtreder
op basis van de criteria jaargemiddelde van het personeelsbestand, de jaaromzet (excl. BTW) en
het balanstotaal, terug te vinden in de meest recente jaarrekening zoals publiek gemaakt op de
website van de Nationale bank, volgens de drempelwaarden uit de artikelen 1 :24, § 1 en 1 :25, § 1
van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019 (hierna WW).
Aangezien de overtreder niet meer dan een van de drempelwaarden vermeld in artikel 1 :25, § 1
WVV overschrijdt, acht de gewestelijke entiteit het, gelet op haar beperkte grootte en financiële
draagkracht, passend en kennelijk redelijk om de bestuurlijke geldboete te verlagen tot 10.800
euro.
Verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de
motieven in de bestreden boetebeslissing over de hoogte van de geldboete ontoereikend zijn
en dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de waarderingscriteria om het
boetebedrag te bepalen foutief of kennelijk onredelijk is en er een kennelijke wanverhouding
HHC-15
bestaat tussen de feiten en de opgelegde geldboete. Ze laat ondanks haar stelplicht na om de
concrete en pertinente motieven daarover in de bestreden beslissing bij haar kritiek te
betrekken. Haar kritiek vormt dan ook opportuniteitskritiek, waarbij ze haar visie over de
begroting van de boete stelt tegenover deze van de gewestelijke entiteit, die ter zake in het
licht van het mogelijke boetebedrag over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt.
Verzoekende partij, die geen betwisting voert over de gemotiveerde beoordeling in de
bestreden beslissing van de ernst en de frequentie van het milieumisdrijf, maakt met name
niet afdoende aannemelijk dat de opgelegde boete disproportioneel is in het licht van haar
beweerd precaire financiële draagkracht en dat dit een reden vormt voor een (bijkomende)
verlaging van de boete. Hoewel ze in haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke
boeteprocedure geen argumentatie aanvoerde op basis van haar financiële draagkracht, blijkt
uit de bestreden beslissing dat de gewestelijke entiteit bij haar beoordeling effectief rekening
hield met de beperkte grootte en financiële draagkracht van verzoekende partij, die ze
ambtshalve heeft afgeleid uit de criteria jaargemiddelde van het personeelsbestand, jaaromzet
en balanstotaal in de meest recente publiek gemaakte jaarrekening van verzoekende partij.
De gewestelijke entiteit heeft op basis daarvan de boete reeds verminderd, gelet op het punitief
karakter hiervan. Verzoekende partij brengt (ook) in voorliggende procedure geen enkel stuk
of concreet argument bij, waaruit redelijkerwijze blijkt dat de gewestelijke entiteit haar grootte
en financiële draagkracht onjuist dan wel op kennelijk onredelijke wijze heeft ingeschat en de
boete disproportioneel is in het licht van haar beperkte financiële draagkracht. Ze voert in haar
wederantwoordnota ook geen betwisting over de bijkomende argumentatie van verwerende
partij over haar actuele financiële draagkracht, op basis van haar meest recente neergelegde
jaarrekening, en legt geen stukken voor waaruit het tegendeel blijkt.
Het middel wordt verworpen.
HHC-16
Vl. Beslissing
1. Het beroep wordt verworpen.
2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verzoekende
partij.
Dit arrest is uitgesproken op 12 juni 2025 door de eerste kamer.
De griffier, De voorzitter van de eerste kamer,
HHC -17