ARR:handhavingscollege-brussel-27-06-2025
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2025-06-27
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
Strafwetboek, cir
Volledige tekst
HHC - 1
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 27 juni 2025 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partij
met woonplaatskeuze te
Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse
Regerin g, ten verzoeke van de Vlaamse m inister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaat , met
woonplaatskeuze te
I. Voorwerp van het beroep
Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 15 januari 2024 de vernietiging
van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 18 december 2023 met nummer ,
waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 725 euro wegens
schending van de artikel en 4.2.1, 1° en 6.2.1, 1° en 7° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke
Ordening (hierna: VCRO) . Er wordt haar met name verweten dat ze zonder de daarvoor
vereiste voorafgaande omgevings vergunning , ter hoogte van de eerste verdieping van haar
woning, een betonplaat heeft gegoten en geïntegreerd in de achtergevel van de woning en in
de rechter en linker scheidingsmuur, in functie van de uitbreiding van een veranda.
II. Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient antwoordnota in.
HHC - 2
De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 6
februari 2025 . Verzoekende partij verschijnt in persoon. Advocaat loco advocaat
voert het woord voor verwerende partij .
III. Regelmatigheid van de rechtspleging
1.
Het besluit van de Vlaamse r egering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor
sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: Procedurebesluit ) regelt strikt het
procesverloop van de rechtspleging, in functie van een ordentelijke en faire rechtsstrijd, waarbij
de rechten van verdediging worden geëerbiedigd. Verzoekende partij dient op basis hiervan
in beginsel in haar verzoekschrift de feiten en de ingeroepen middelen uiteen te zetten. Ze
dient bij haar verzoekschrift ook de overtuigingsstukken te voeg en die daarin zijn vermeld en
die overeenkomstig een inventaris zijn genummerd (artikel 17 van het decreet van 4 april 2014
betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges
- hierna: DBRC -decreet, in samenlezing met de artikelen 15, 4° en 5° en 16, 4°
Procedurebesluit). Nadat ze via de griffie regelmatig in kennis is gesteld van de antwoordnota
van verwerende partij, kan verzoekende partij nog een wederantwoordnota indienen binnen
een vervaltermijn van dertig dagen, die ingaat op de dag na de betekening van het afschrift
van de antwoordnota (artikel 29, lid 1 Procedurebesluit, in samenlezing met artikel 4
Procedurebesluit). In zoverre ze daarin bijkomende middelen aanvoert ten opzichte van haar
verzoekschrift, dan wel een andere wending geeft aan de in het verzoekschrift aangevoerde
middelen , zonder aannemelijk te maken dat ze deze argumentatie niet kon aanvoeren op het
ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift, zijn deze nieuwe middelen in beginsel
onontvanke lijk (artikel 15, 4° in samenlezing met artikel 29 Procedurebesluit). Verzoekende
partij kan bij haar wederantwoordnota nog aanvullende geïnventariseerde overtuigingsstukken
voegen, als ze daarover nog niet kon beschikken op het ogenblik waarop ze haar
verzoekschrift indiende of als deze noodzakelijk zijn voor de repliek op de antwoordnota van
verwerende partij (a rtikel 29, lid 3 Procedurebesluit). Partijen kunnen ter zitting geen
aanvullende stukken neerleggen (artikel 42, §2 Procedurebesluit). Verzoekende partij kan dus
in beginsel geen procedure - of overtuigingsstukken neerleggen buiten de termijnen in het
Procedurebesluit. Dit belet niet dat ze het College kan inlichten over nieuwe relevante
gegevens of stukken, waarover ze op het ogenblik van het indien en van het verzoekschrift of
de wederantwoordnota niet beschikte of kon beschikken.
2.
HHC - 3
De aanvullende nota met aanvullende stukken van verzoekende partij van 3 februari 2025
wordt uit de debatten geweerd. Verzoekende partij wordt door de griffie van het College met
een aangetekende brief van 8 november 2024 uitgenodigd om een wederantwoordnota en
eventuele aanvullende stukken in te dienen binnen een vervaltermijn van dertig dagen na
betekening, waarbij ze wordt gewezen op de sanctie van onontvankelijkheid bij laattijdigheid.
Verzoekende partij geeft hieraan binnen haar vervaltermijn geen gevo lg. Ze dient echter kort
voor de zitting, na het verstrijken van haar vervaltermijn en zonder enige toelichting voor de
laattijdigheid, via mailbericht en door neerlegging in het digitaal loket, alsnog een aanvullende
nota met aanvullende stukken in. Verwe rende partij vraagt ter zitting om deze nota met
stukken, waarover ze ook niet in kennis is gesteld, uit de debatten te weren. Ongeacht de
vaststelling dat verzoekende partij niet aantoont dat ze op het ogenblik van de indiening van
haar verzoekschrift nie t over deze aanvullende stukken kon beschikken, is haar
‘wederantwoordnota’, met inbegrip van de aanvullende stukken, laattijdig en wordt ze uit de
debatten geweerd.
IV. Feiten
1.
Op 30 juli 2020 stelt een verbalisant ruimtelijke ordening bij (hierna:
verbalisant), op een perceel te , kadastraal gekend onder
dat is gesitueerd in woongebied, ten laste van verzoekende
partij het volgende vast:
“…
Vaststellingen : …
In de vierde plaats werd er reeds op de eerste verdieping een plateau uit beton gegoten die werd
geïntegreerd in de achtergevel van de woning, in de rechter gemeenschappelijke muur en in/op de
linker gemeenschappelijke muur. Deze plateau werd uitgevoerd ov er de volledige
achtergevellengte van de betrokken woning met een diepte van circa 1meter50.
…
Volgens de mondelinge toelichting van de eigenaar zal de bestaande veranda op de eerste
verdieping in de toekomst worden uitgebreid in bouwdiepte, en dit met een bijkomende bouwdiepte
van circa 1meter50 en zal dus worden opgetrokken op het nieuwe betonplat eau met een diepte
van 1meter50. … De uitbreinding van deze veranda zal een verhoging en een wijziging van de
gemeenschappelijke muur op de linker en rechterperceelsgrens met zich meebrengen aangezien
de bouwdiepte en het bouwvolume op de eerste verdieping worden uitgebreid. Hierbij zou dan ook
de bestaande buitenmuur van de bestaande veranda worden verwijderd zodat de nieuwe
buitengeven van de veranda op circa 1meter50 van de huidige inplanting komt.
HHC - 4
…
Stakingsbevel :
Er werd ter plaatse een stakingsbevel gegeven.
…
Het stakingsbevel werd gegeven ten aanzien van het uitvoeren van vergunningsplichtige werken
waarbij de medewerking van een architect vereist is, en waarbij in de aanvraag tot
omgevingsvergunning ook het advies aan de eigenaars van de aanpalende percelen d ient te
worden gevraag in navolging van artikel 83 van het Omgevingsvergunningsbesluit aangezien de
vergunningsaanvraag betrekking heeft op de oprichting en uitbreiding van scheidingsmuren of
muren die in aanmerking komen voor gemene eigendom.
…”
Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces -verbaal met nummer
van 30 juli 2021, dat op dezelfde dag wordt afgesloten (hierna: PV) en wordt
verstuurd aan de Procureur des Konings en aan verzoekende partij.
Het stakingsbevel wordt op 5 augustus 2020 bekrachtigd door de gewestelijke
stedenbouwkundige inspecteur .
2.
Verzoekende partij wordt naar aanleiding van de vaststellingen van de verbalisant op 17
september 2020 door een inspecteur van de politiezone verhoord. Ze verklaart daarover
het volgende:
‘Wanneer werden de werken aangevat?
Ik heb de woning aangekocht. Toen we de woning kochten leek het een instapklare
woning. Wij zijn dan ook met ons gezin er dadelijk in gaan wonen. Het enige wat we dir ect moesten
aanpassen was de elektriciteit omdat deze niet meer co nform de wetgeving was. En we gingen
ook centrale verwarming installeren want dit was ook niet aanwezig in het huis. Door er te wonen
zijn de verschillende gebreken naar boven gekomen. Na een tijdje merkte n we dat er veel vocht
in de muren zat.
Ik heb toen een architect geraadpleegd om de situatie te bekijken. Door het waterprobleem was
de stabiliteit van het huis aangetast. Het huis heeft ook geen centrale verwarming waardoor de
muren te nat bleven en het water de tijd had om de stabiliteit van de muren te ondermijnen. D e
architect had 2 oplossingen voor mij. Hij stelde voor om de bestaande veranda te stutten en dat
zou 2000 euro kosten en dan zou hij de vergunningen aanvragen bij de gemeente voor de verdere
verbouwingen aan de woning. Of ik kon de bestaande veranda al renoveren en uitbreiden door een
betonnen platform te gieten. Dit platform zou ervoor zorgen dat de stabiliteit van de woning
HHC - 5
gewaarborgd werd. Dit platform is met ijzeren putrels in de gemeenschappelijke muren bevestigd.
Ik heb zelf beslist om niet te wachten op de vergunning omdat ik de 2000 euro nodig had voor mijn
verdere verbouwing. Ik heb een lening aangegaan voor de aankoo p van de woning en was bang
dat het uitstel van verbouwing mij meer geld ging kosten dan dat ik had. Ik was bang om in
financiële problemen te komen. Ook wou ik de werken snel gedaan hebben omdat ik nog 4 jonge
kinderen heb waarvan de jongste in maart is g eboren.
Voor ik aan de werken gestart ben heb ik wel mijn buren ingelicht over de werken die ik ging
uitvoeren. Mijn beide buren hadden geen bezwaar tegen de werken. Wij hebben samen de muren
aan hun zijde beschreven en foto's van gemaakt voor het geval er na de werken toch schade zou
zijn. De muren waar ik de putrels heb laten in plaatsen zijn ook eigendom van mij. Als de buren
ooit aan hun kant iets willen bij bouwen moeten ze daarvoor een financiële regeling met mij treffen. ”
Deze verklaring wordt opgenomen in het navolgend proces -verbaal nr. van 17
september 2020 , dat op 18 september 2020 wordt verstuurd aan de procureur des Konings.
3.
Op 31 augustus 2020 geeft de procureur des Konings aan de gewestelijke entiteit kennis
van de verlenging van zijn beslissingstermijn (artikel 6.2.13, §2 DABM) omdat het
opsporingsonderzoek nog bezig is. Op 1 oktober 2020 ontvangt de gewestelijke entiteit de
melding van de procureur des Konings van 28 september 2020 dat het stedenbouwkundig
misdrij f niet strafrechtelijk z al worden behandeld.
4.
Op 23 februari 2021 ontvangt de gewestelijke entiteit bijkomende inlichtingen van de
verbalisant over de stand van zaken met betrekking tot het herstel . Daaruit blijkt dat
verzoekende partij op 8 januari 2021, naar aanleiding van haar aanvraag van 20 oktober 2020,
van het college van burgemeester en schepenen van een
regularisatievergunning verkreeg voor het slopen van de bestaande en het bouwen van een
nieuwe veranda, in func tie waarvan ze al een nieuwe betonplaat had gerealiseerd.
5.
Op 25 maart 2021 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van h et
voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leg gen. Ze wijst haar daarbij op
de mogelijkheid van een bestuurlijke transactie mits betaling van 1.300 euro (artikel 6.2.14
VCRO). Ze n odigt haar ook uit om bij gebreke van tijdige en volledige betaling van de
voorgestelde geldsom een schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een
.
HHC - 6
vraag tot hoorzitting, en biedt haar de mogelijkheid om inzage te vragen in het administratief
dossier.
Verzoekende partij gaat niet over tot betaling en bezorgt op 6 mei 2021 een schriftelijk verweer
aan de gewestelijke entiteit , waarbij ze vraagt om te worden gehoord.
6.
Op 5 december 2022 vraagt de gewestelijke entiteit, in het kader van de hoorzitting,
bijkomende inlichtingen aan verzoekende partij over haar financiële toestand en met name
haar laatste aanslagbiljet van de personenbelasting. Verzoekende partij bezorgt op dezelfde
datum de gevraagde stukken. Verzoekende partij wordt op 7 december 2022 gehoord.
7.
Op 27 oktober 2023 vraagt de gewestelijke entiteit, in het kader van de opmaak van de
boetebeslissing, opnieuw bijkomende inlichtingen aan verzoekende partij over haar financiële
toestand en met name haar meest recente aanslagbiljet van de personenbelasting.
Verzoekende partij bezorgt de gevraagde stukken op 5 november 2023, waarbij ze opmerkt
dat ze ondertussen, naar aanleiding van een arbeidsongeval op 4 oktober 2022, een
invaliditeitsuitkering ontvangt.
8.
Op 18 december 2023 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende
partij met een aangetekende brief van 19 december 2023 in kennis wordt gesteld. Dat is de
bestreden beslissing.
V. Ontvankelijkheid van het beroep - schending van artikel 15, 4° Procedurebesluit
Standpunt van de partijen
Verwerende partij maakt voorbehoud bij de ontvankelijkheid van het verzoek tot vernietiging.
Ze stelt dat v erzoekende partij in haar verzoekschrift geen specifieke geschonden geachte
rechtsregels of beginselen van behoorlijk bestuur aanvoe rt en ook niet concreet aangeeft op
welke wijze deze door de bestreden beslissing zijn geschonden, zoals vereist door artikel 15,
4° Procedurebesluit .
Beoordeling door het College
HHC - 7
1.
Verzoekende partij dien t in haar verzoekschrift verplicht minstens één ontvankelijk middel aan
te voeren, bij gebreke waarvan de vordering onontvankelijk is, terwijl de niet -naleving van deze
vereiste naderhand niet kan worden geregulariseerd (artikel 17 DBRC -decreet , in samenlezing
met artikel 15, 4° Procedurebesluit). Een middel bestaat uit een voldoende en duidelijke
omschrijving van de overtreden rechtsregel of het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze
waarop deze rechtsregel of dit rechtsbeginsel volgens verzoekende partij wordt geschonden.
De vereiste dat het verzoekschrift een uiteenzetting dient te bevatten van de feiten en de
middelen impliceert niet dat verzoekende partij expliciet de rechtsregels of rechtsbeginselen
moet vermelden die volgens h aar door de bestreden beslissing worden geschonden. Het is
enkel noodzakelijk dat de uiteenzetting in het verzoekschrift het voor het College in het kader
van zijn legaliteitstoetsing, en voor verwerende partij in het kader van h aar verdediging,
mogelijk maakt duidelijk te begrijpen wat de bestreden beslissing wordt verweten. Het College
vernietigt de bestreden beslissing wanneer deze onregelmatig is omwille van de schending
van een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel (artikel 35 DBRC -decreet).
2.
Verwerende p artij stelt tevergeefs dat het verzoek tot vernietiging onontvankelijk is omdat het
verzoekschrift geen uiteenzetting bevat van de middelen, zodat haar e xceptie wordt
verworpen. Op basis van de argumentatie i n het verzoekschrift kan redelijkerwijze worden
vastgesteld dat verzoekende partij in essentie stelt dat ze in het licht van haar precaire
financiële situatie en de slechte staat van haar gezinswoning was genoodzaakt om de
vergunningsplichtige werken aan te vatten vooraleer hiervoor eerst ee n omgevingsvergunning
aan te vragen, waarmee ze zich feitelijk beroept op de noodtoestand als
rechtvaardigingsgrond. Bovendien blijkt uit de antwoordnota van verwerende partij dat ze
daarover inhoudelijk standpunt he eft ingenomen , waaruit blijkt dat ze wel degelijk begrijpt
waarom verzoekende partij meent dat de bestreden beslissing onregelmatig is en om die reden
moet worden vernietigd.
VI. Onderzoek van het middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij stelt in essentie dat ze in het licht van haar precaire financiële situatie en
de slechte staat van haar gezinswoning was genoodzaakt om de vergunningsplichtige werken
aan te vatten vooraleer hiervoor eerst een omgevingsvergunning aan te vragen. Ze stelt d at
HHC - 8
ze de woning op het ogenblik van de vaststellingen door de verbalisant pas recent had
gekocht, als gezinswoning voor haarzelf, haar partner en hun vier jonge kinderen, maar dat
deze woning, door jarenlange leegstand en voortdurende waterinfiltratie, in sle chte staat was
en een gevaar vormde voor de kinderen, zodat dringende verbouwingswerken waren
aangewezen. Ze merkt op dat ze nooit de bedoeling had om de regelgeving te negeren en van
bij aanvang van de verbouwings werken beroep deed op een architect , om de nodige
aanvragen in te dienen en eventuele ongelukken te voorkomen, maar dat ze door de hoge
kosten van een vergunningsaanvraag eerst de dringende werken heeft aangevat en pas
daarna een vergunning heeft gevraagd. Ze voert dus feitelijk de noodtoestand aan als
rechtvaardigingsgrond en in die optiek de schending van de artikelen 6.2.6 en 6.2.7, §1, lid 1
VCRO en van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld.
2.
Verwerende partij stelt dat verzoekende partij tevergeefs aanvoert dat ze zich in een
noodsituatie bevond doordat haar recent aangekochte woning in slechte staat was en ze geen
voldoende financiële middelen had om een vergunningsaanvraag in te dienen, in functie van
de nood zakelijke verbouwing van de woning. Ze meent dat verzoekende partij, in tegenstelling
tot de argumentatie tijdens de bestuurlijke boeteprocedure, dat ze zich niet zozeer in een staat
van urgentie bevond, maar wel dat ze niet voldoende fin anciële middelen had om een aan de
werken voorafgaande vergunningsaanvraag in te dienen. Ze stelt dat het willen besparen op
de kosten van een architect geen valabele reden is om vergunningsplichtige werken zonder
voorafgaande vergunning aan te vatten . Ze merkt daarbij op dat verzoekende partij ook niet
aantoont dat de slechte staat van de woning en de ingeroepen urgentie dienen te worden
beschouwd als overmacht en dat ze heeft gehandeld als een goede huisvader. Ze wijst op de
overwegingen hierover in de be streden beslissing, waarin wordt vastgesteld dat verzoekende
partij geen sluitend bewijs bijbrengt van haar bewering dat de stabiliteit van de woning in
gevaar was, en waarbij wordt gewezen op de mogelijkheid om bij een daadwerkelijke
noodsituatie een bero ep te doen op de machtiging overeenkomstig artikel 135, §2 van de
Nieuwe Gemeentewet , waarvan verzoekende partij geen gebruik heeft gemaakt. In de rand
hiervan merkt ze nog op dat verzoekende partij daarmee niet verantwoordt waarom ze in het
licht van de vrijwaring van haar woning niet heeft geopteerd voor niet-vergunningsplichtige
onderhouds - of verstevigingswerken aan de achtergevel , in plaats van het gieten van een
betonplaat met een bijkomende bouwdiepte van 1,5 m, in functie van de uitbreiding van het
volume van de woning.
Beoordeling door het College
HHC - 9
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die een stedenbouwkundig misdrijf uitmaken in de zin van artikel 6.2.1, lid 1
VCRO en die naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk ku nnen
worden bestraft (artikel 6.2.6 VCRO). Elke schending van de gehandhaafde regelgeving die
wetens en willens gebeurt , is in beginsel strafbaar, zodat enkel (algemeen) opzet is vereist.
De geldboete kan alleen worden opgelegd aan de ‘overtreder’, hetzij de natuurlijke persoon of
de rechtspersoon die het stedenbouwkundig misdrijf heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft
gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend (artikel 6.2.7, §1, lid 1 VCRO en artikel
6.1.1, 6° VCRO), en kan worden opgelegd aan all e overtreders (artikel 6.2.13, §4 VCRO). De
kwalificatie van de feiten als een stedenbouwkundig misdrijf en de toerekenbaarheid hiervan
aan verzoekende partij als overtreder vormen dus de grondslag voor de bevoegdheid van de
gewestelijke entiteit om haar e en geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het
stedenbouwkundig misdrijf en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van
de feiten en het daderschap kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de
bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De
principieel vrije bewijsvoering betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door
een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die é énsluidend eenzelfde persoon
als pleger van een stedenbouwkundig misdrijf aanduiden. De beginselen van behoorlijk
bestuur en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals
onder meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten
van de mens en de f undamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op
procedureel en inhoudelijk vlak.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing , onder de titel ‘de
toerekenbaarheid aan de overtreder’ , het volgende:
“…
Volgens artikel 4.2.1, 1° VCRO is er een vergunning nodig voor het uitvoeren van de navolgende
bouwwerken, met uitzondering van onderhoudswerken:
a) het optrekken of plaatsen van een constructie,
b) het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat,
c) het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie.
HHC - 10
Het stellen van een handeling, zoals onder meer bepaald in artikel 4.2.1 VCRO, zonder
voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen vormt een
stedenbouwkundig misdrijf (artikel 6.2.1, 1° VCRO).
Artikel 4.1.1, 3° VCRO omschrijft een constructie als "een gebouw, een bouwwerk, een vaste
inrichting, een verharding, al dan niet bestaande uit duurzame materialen, in de grond ingebouwd,
aan de grond bevestigd of op de grond steunend omwille van de stabi liteit, en bestemd om ter
plaatse te blijven staan of liggen, ook al kan het goed uit elkaar genomen worden, verplaatst
worden, of is het goed volledig ondergronds".
Onder "verbouwen" wordt begrepen: "aanpassingswerken doorvoeren binnen het bestaande
bouwvolume van een constructie waarvan de buitenmuren voor ten minste zestig procent
behouden worden. Het aanbrengen van isolatie aan de buitenzijde van een woning tot een
maximum van 26 centimeter wordt beschouwd als aanpassingswerken binnen het bestaande
bouwvolume" (artikel 4.1.1, 12° VCRO).
Handelingen met stabiliteitswerken die worden uitgevoerd aan zijgevels, achtergevels en daken
van hoofdzakelijk vergunde of vergund geachte gebouwen, zijn meldingsplichtig indien onder
andere het fysiek bouwvolume ongewijzigd blijft (artikel 3 Meldingsbesl uit).
Onder het bouwvolume wordt begrepen: "het bruto -bouwvolume van een constructie en haar
fysisch aansluitende aanhorigheden die in bouwtechnisch opzicht een rechtstreekse aansluiting of
steun vinden bij het hoofdgebouw, zoals een aangebouwde garage, veranda of berging gemeten
met inbegrip van buitenmuren en dak, en met uitsluiting van het volume van de gebruikelijke
onderkeldering onder het maaiveld" (artikel 4.1.1, 2° VCRO).
Handelingen zonder stabiliteitswerken en zonder wijziging van het fysiek bouwvolume aan
zijgevels, achtergevels en daken zijn vrijgesteld van de vergunningsplicht (artikel 3.1
Vrijstellingsbesluit).
Onder stabiliteitswerken wordt begrepen: "werken die betrekking hebben op de constructieve
elementen van een constructie, zoals:
a) het vervangen van dakgebintes of dragende balken van het dak, met uitzondering van
plaatselijke herstellingen;
b) het geheel of gedeeltelijk herbouwen of vervangen van buitenmuren of dragende binnenmuren,
zelfs met recuperatie van de bestaande stenen (artikel 4.1.1, 11° VCRO).
…
In het voormeld proces -verbaal stelde de verbalisant vast dat op de eerste verdieping een plateau
uit beton werd gegoten die werd geïntegreerd in de achtergevel van de woning, in de rechter
scheidingsmuur en in / op de linker scheidingsmuur. Hierdoor is he t fysiek bouwvolume van de
HHC - 11
woning gewijzigd, zodat voormelde handelingen niet vrijgesteld zijn van de vergunningsplicht, noch
via een voorafgaande melding kon worden uitgevoerd. De vermoedelijke overtreder bevestigt dat
voormelde betonplaat kadert in het oprichten van een aanbouw (v eranda) op de eerste verdieping,
hetgeen ook volgt uit de bekomen regularisatievergunning. Aangezien de betonplaat werd gegoten
ter hoogte van de eerste verdieping en deze werd geïntegreerd in de scheidingsmuren, kon de
betonplaat ook niet worden opgericht via een voorafgaande melding voor het bouwen van een
aanbouw. Zoals blijkt uit het proces -verbaal en de regularisatievergunning heeft ook de volledig
gerealiseerde aanbouw tot gevolg dat de scheidingsmuren worden gewijzigd en de bouwdiepte
van het aanpale nd pand wordt overschreden.
Het gieten van een betonplaat ter hoogte van de eerste verdieping waarbij de scheidingsmuren
worden gewijzigd en het bouwvolume wordt uitgebreid, met het oog op het bouwen van een
aanbouw / veranda op de eerste verdieping, is derhalve een vergunningsplicht ige handeling
waarvoor een voorafgaande omgevingsvergunning is vereist.
De vermoedelijke overtreder stelt vooreerst in zijn verweer dat de procureur zou beslist hebben om
de zaak af te sluiten. De beslissing van de procureur om het dossier door te sturen naar de
gewestelijke beboetingsentiteit houdt in dat hij heeft beslist om het misdrijf niet strafrechtelijk te
vervolgen maar heeft geen betrekking op de mogelijkheid om een alternatieve bestuurlijke
geldboete op te leggen.
De vermoedelijke overtreder stelt verder in zijn verweer en tijdens de hoorzitting dat een viertal
maanden nadat hij de woning had gekocht en er met zijn gezin woonachtig was, er barsten in de
muur van de oude veranda begonnen te komen. De mogelijke oorzaa k zou een kapotte
afvoerleiding in de kelder zijn. Aangezien deze barsten verergerden, diende de vermoedelijke
overtreder snel actie te ondernemen, aangezien hierdoor ook de deur van de veranda niet meer
kon sluiten omdat de muren aan het zakken waren. Een aannemer had de vermoedelijke overtreder
bevestigd dat snel actie moest ondernomen worden en dat het enkel de achtergevel was die een
probleem had met de stabiliteit maar niet de volledige woning. In het kader van zijn job als
distributienetbeheerder werk te de vermoedelijke overtreder veel samen met gemeenten en was
het mogelijk om via spoedprocedures de nodige vergunningen / documenten te bekomen. Het
Omgevingsloket beschikt echter niet over een dergelijke spoedprocedure. Bovendien was het op
dat ogenblik de eerste corona lockdown waardoor het moeilijk was om aannemers,
gemeentediensten enzovoort te bereiken. De vermoedelijke overtreder heeft derhalve geopteerd
om snel te handelen en de vloerplaat te gieten om op die manier de gebarsten muur te verstevigen
en verdere schade aan de woning te voorkomen. Een procedure tegen de verkoper omwille van
verborgen gebreken zou ook veel tijd en geld kosten. Bovendien heeft de vermoedelijke overtreder
eerst toestemming gevraagd aan zijn beide buren en heeft hij vervolg ens dadelijk een architect
aangesteld om een regularisatievergunning aan te vragen. Het voorafgaandelijk aanvragen van
een omgevingsvergunning zou te veel tijd hebben gevraagd wat nadelig had geweest voor verdere
HHC - 12
schade aan de woning. De vermoedelijke overtreder stelt derhalve dat het ging om een noodsituatie
waardoor hij snel moest handelen en niet in de mogelijkheid was om vooraf een
omgevingsvergunning aan te vragen. Verder stelt de vermoedelijke overtreder ook geen
ongerechtvaardigd voordeel te hebben gehaald uit de overtreding. Bovendien was hij ook net vader
geworden van zijn vierde kind, wat het uitvoeren van de werken bemoeilijkte.
Voormelde argumenten, waarvan geen sluitend bewijs voorligt, doen echter geen afbreuk aan het
gegeven dat voor voormelde feiten een voorafgaande omgevingsvergunning noodzakelijk was. De
vermoedelijke overtreder verwijst naar de noodsituatie en de hoogdring endheid. Echter had hij in
dat geval een machtiging dienen te vragen aan de burgemeester om zonder voorafgaande
omgevingsvergunning dringende werken uit te voeren met het oog op het vrijwaren van de
veiligheid (artikel 135 §2 Nieuwe Gemeentewet 24 juni 198 8). Dit heeft hij niet gedaan.
Voor het uitvoeren van voormelde handelingen was een voorafgaande omgevingsvergunning
noodzakelijk.
Ook het als eigenaar toestaan of aanvaarden dat één van de misdrijven, opgesomd in artikel 6.2.1,
1° tot en met artikel 6.2.1, 6° VCRO, worden gepleegd, vormt op zich een stedenbouwkundig
misdrijf (artikel 6.2.1, 7° VCRO), waarvoor een bestuurlijke geldboe te kan worden opgelegd.
Bovenvermelde feiten zijn een schending van:
• VCRO: artikel 6.2.1, 1° in samenhang met artikel 4.2.1, 1° en artikel 6.2.1, 7°.
Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een stedenbouwkundig misdrijf als bedoeld in
artikel 6.2.1 en artikel 6.2.13 VCRO, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd.
Vermoedelijke overtreder die het uitvoeren van de werken op zich niet betwist, heeft, als eigenaar,
de werken uitgevoerd en is dus een overtreder in de zin van artikel 6.1.1, 6° VCRO. Dit artikel
definieert een overtreder immers als "de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het
stedenbouwkundig misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd, er opdracht toe
heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend".
Vermoedelijke overtreder stelt nooit de intentie te hebben gehad om de regelgeving te overtreden
en vraagt begrip voor deze onopzettelijke overtreding. Er is echter geen bijzonder opzet vereist
voor een stedenbouwkundig misdrijf en het volstaat dat men wet ens en willens handelt in strijd met
het decreet. Het moreel bestanddeel kan dus worden afgeleid uit het louter plegen van het
materiële feit (= handeling op zich) door de vermoedelijke overtreder en uit de vaststelling dat dit
feit hem kan worden toegerek end, tenzij een schulduitsluitings - of rechtvaardigingsgrond enigszins
geloofwaardig is gemaakt. Dit is niet het geval. Bovenvermelde feiten zijn derhalve toerekenbaar
aan de vermoedelijke overtreder.
HHC - 13
Het stedenbouwkundig misdrijf staat vast in hoofde van overtreder.
…”
3.
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat er een
stedenbouwkundig misdrijf voorligt dat haar kan worden toegerekend, foutief dan wel kennelijk
onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat.
3.1.
Verzoekende partij betwist niet dat ze als eigenaar stedenbouwkundige handelingen ter
hoogte van de achtergevel van de eerste verdieping van haar woning heeft uitgevoerd dan wel
daartoe opdracht gaf en dat deze handelingen vergunningsplichtig waren. Ze betwist ook niet
dat het uitvoeren van deze stedenbouwkundige handelingen zonder de daarvoor vereiste
voorafgaande omgevingsvergunning , dan wel he t als eigenaar toestaan of aanvaarden dat dit
gebeurt, in beginsel een stedenbouwkundig misdrijf uitmaakt (artike l 4.2.1, 1° VCRO en artikel
6.2.1, 1° VCRO) , waarvoor haar als uitvoerder of opdrachtgever van, dan wel als medewerker
aan dit misdrijf, in beginsel een geldboete kan worden opgelegd . Ze betwist enkel dat er sprake
is van een stedenbouwkundig misdrijf dat haar kan worden toegerekend omdat ze in het licht
van haar precaire financiële situatie en de slechte staat van haar gezinswoning was
genoodzaakt om de vergunningsplichtige werken aa n te vatten vooraleer hiervoor eerst een
omgevingsvergunning aan te vragen .
3.2.
Het stedenbouwkundig misdrijf naar aanleiding waarvan de boete wordt opgelegd vereis t als
moreel element enkel algemeen opzet, dat bestaat uit het wetens en willens handelen in strijd
met de VCRO. Wetens betekent handelen met kennis van zaken, waarbij de overtreder weet
of behoort te weten dat de stedenbouwkundige handeling enkel mag worden uitgevoerd na
het verkrijgen van een vergunning. Willens betekent bewust handelen, dat wordt verondersteld
bij het plegen van de materiële handeling die als de uiting va n de vrije en bewuste wil van de
overtreder moet worden aanzien, in zoverre deze niet aannemelijk maakt dat er sprake is van
een schulduitsluitingsgrond zoals overmacht of onoverkomelijke (rechts)dwaling of van een
rechtvaardigingsgrond zoals de noodtoestand. De gewestelijke entiteit moet dus aantonen dat
de overtreder het stedenbouwkundig misdrijf waarvoor een geldboete wordt opgelegd wetens
en willens pleegde .
HHC - 14
3.3.
De bewering van verzoekende partij, dat ze niet de intentie had om de verbouwingswerken ter
hoogte van de veranda op de eerste verdieping van haar woning uit te voeren zonder de
daarvoor vereiste voorafgaande vergunning, maar hiertoe in het licht van de omstandigheden
was genoodzaakt, betekent niet dat ze daarbij niet wetens en willens handelde en ontslaat
haar niet van haar strafrechtelijke verantwoordelijkheid.
De noodtoestand als rechtvaardigingsgrond vereist dat de overtreder een beredeneerde keuze
maakt om de VCRO niet na te leven om belangrijkere schade te vermijden. Ze houdt in dat de
overtreder zich in een dermate uitzonderlijke situatie bevindt dat de nale ving van de VCRO
onmogelijk is zonder een hoger rechtsgoed te schenden (zie in die zin artikel 13 Strafwetboek
2024). Verzoekende partij maakt niet aan de hand van stukken aannemelijk dat haar
gezinswoning kort na de aankoop hiervan in een dermate slechte staat was, dat er dringende
verbouwingswerken waren vereist in functie van de vrijwaring van deze woning en van de
veiligheid van haar gezin en dat ze op dat ogenblik, in het licht van haar precaire financiële
situatie, niet onmiddellijk een voorafgaande o mgevingsvergunning kon vragen omdat de
kosten hiervan te hoog waren. Verzoekende partij voegt bij haar verzoekschrift geen stukken,
waaruit duidelijk blijkt dat haar gezinswoning, kort na de aankoop en de bewoning hiervan,
door een jarenlang gebrek aan ond erhoud en door voortdurende waterinfiltratie, ter hoogte
van de achtergevel en de veranda op de eerste verdieping structurele gebreken vertoonde,
die onmiddellijk moesten worden geremedieerd en die het best konden worden verholpen door
het onverwijld giete n van een betonplaat en deze te integreren in de achtergevel van de woning
en in de rechter en linker scheidingsmuur. Uit het PV en de daarbij gevoegde foto’s blijkt dat
verzoekende partij, op het ogenblik van de vaststellingen door de verbalisant, niet en kel een
betonplaat had gegoten ter hoogte van de eerste verdieping van de achtergevel van de
woning, maar dat ze ook bezig was met andere interne verbouwingen, waarbij er binnenmuren
werden en waren gesloopt, en met de aanleg van een hemelwaterput in de ac htertuin. De
werken die in het PV zijn vastgesteld omvatten dan ook aanzienlijk meer dan de loutere
beweerde dringende stabilisatie van de achtergevel van de woning. De wederrechtelijke
betonplaat was bovendien alleszins ook bedoeld om de veranda achteraan de woning op de
eerste verdieping over de volledige breedte uit te breiden met 1,5 meter, terwijl uit geen enkel
stuk blijkt dat de beweerde slechte staat van de woning niet op een andere wijze kon worden
geremedieerd. Uit dit geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen blijkt dan ook eerder
dat verzoekende partij de geplande ingrijpende verbouwing en uitbreiding van haar woning
heeft aangevat zonder eerst de daarvoor vereiste vergunningsprocedure te doorlopen,
waarmee ze mogelijks kosten wilde besp aren. Haar opmerking, dat ze van bij de aanvang van
de verbouwings werken een beroep deed op een architect , in functie van de vereiste aanvragen
HHC - 15
en om toezicht te houden op de werf, doet hieraan geen afbreuk. Het vormt eerder de
bevestiging van de vaststelling dat verzoekende partij bewust zonder vergunningsaanvraag is
gestart met de beoogde verbouwing van haar oude woning, zonder dat blijkt dat ze daartoe
ingevolge structurele gebreken van de woning was genoodzaakt en de bevoegde overheid
hiervan voorafgaandelijk niet kon inlichten. In andersluidend geval mag worden verwacht dat
haar architect, die volgens haar ‘sinds de start van de werkzaamheden’ was aangesteld,
stukken kan voorleggen over de beweerde slechte staat van de achtergevel ter hoogte van de
veranda op de eerste verdieping en de vereiste dringende ingreep, zoals een verslag van een
stabiliteitsingenieur. Er mag ook worden verwacht dat ha ar architect, in het licht van zijn taak
en zijn verwachte professionaliteit, de bevoegde overheid voorafgaandelijk aan de werken
inlicht over het zogenaamde stabiliteitsprobleem en de dringende noodzaak om dit te
verhelpen. De door verzoekende partij aang estelde architect heeft overigens na de opmaak
van het PV uiteindelijk toch een regulariserende vergunningsaanvraag ingediend, zodat
verzoekende partij de kosten hiervoor toch heeft moeten maken.
Voor zoveel als nodig wordt opgemerkt dat verzoekende partij ook niet aannemelijk maakt dat
er sprake is van overmacht, dan wel van (rechts)dwaling als schulduitsluitingsgrond. Uit het
administratief dossier en de procedurestukken blijkt dat verzoekende pa rtij bewust de
vergunningsplichtige werken heeft aangevat zonder voorafgaande omgevingsvergunning,
zodat haar wilsvrijheid niet was aangetast. Het blijkt ook dat v erzoekende partij op de hoogte
was van het feit dat het gieten van de betonplaat in functie v an de uitbreiding van de veranda
op de eerste verdieping vergunningsplichtig was. Ze werd overigens bijgestaan door een
architect, die haar hierop ongetwijfeld heeft gewezen, terwijl ze haar buren hiervan
voorafgaandelijk heeft ingelicht en daarvoor hun to estemming heeft gevraagd. Haar
opmerking, dat ze nooit de bedoeling had om de regelgeving te negeren, vindt dan ook geen
steun in het dossier. Het stedenbouwkundig misdrij f waarvoor de boete wordt opgelegd vereist
overigens enkel algemeen opzet , zodat de b ewering van verzoekende partij, dat ze ter goeder
trouw handelde, niet dienstig is.
HHC - 16
VII. Beslissing
1. Het beroep wordt verworpen.
2. Verzoekende partij is vrijgesteld van betaling van het rolrecht van 100 euro, zodat de
tenlastelegging hiervan niet wordt beoordeeld.
Dit arrest is uitgesproken op 27 juni 2025 door de eerste kamer .
De griffier , De voorzitter van de eerste kamer,