ARR:handhavingscollege-brussel-19-06-2025
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2025-06-19
🌐 FR
Arrest
gegrond
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
gw
Volledige tekst
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 19 juni 2025 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partij
vertegenwoordigd door advocaat
woonplaatskeuze te met
Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse
Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaat
woonplaatskeuze te
1. Voorwerp van het beroep met
Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 12 juli 2024 de vernietiging van
de beslissing van de gewestelijke entiteit van 20 juni 2024 met nummer waarmee haar
een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 4.000 euro wegens schending van
artikel 6.2.1, 1 ° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), in samenhang
met artikel 4.2.1, 7° VCRO. Er wordt haar met name verweten dat ze haar ééngezinswoning,
zonder voorafgaande vergunning en in strijd met de hiervoor verleende omgevingsvergunning,
heeft opgesplitst in drie afzonderlijke woongelegenheden.
ll. Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
Verzoekende partij dient een wederantwoordnota in.
HHC-1
Partijen worden opgeroepen voor de openbare zitting van 24 april 2025. Ze stemmen in met
het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering (conform artikel 41, §3 van
het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor
sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges).
111. Feiten
1.
Op 3 maart 2023 stellen een verbalisant ruimtelijke ordening bij het intergemeentelijk
samenwerkingsverband hierna: verbalisant) en twee leden van de lokale politie, op
vraag van het college van burgemeester en schepenen van in een
woning te met als kadastrale omschrijving,
die is gesitueerd in woongebied, het volgende vast:
Tijdens de controle werd vastgesteld dat aan de buitenzijde van de woning 1 deurbel aanwezig is.
Op de brievenbus hangen de namen van vijf personen dewelke woonachtig zijn in het pand. Aan
de binnenzijde van het pand kan worden vastgesteld dat het pand is aangesloten op de gas-, water
en elektriciteitsvoorzieningen van 1 meter per voorziening.
Op de gelijkvloerse verdieping verleent een deur via de inkomhal toegang tot een eerste
woonvertrek. Dit woonvertrek is uitgerust met een bed, een kleine keuken-inrichting zonder
ingebouwde kooktoestellen , een eet-en leefruimte alsook een aansluitende badkamer met douche
en lavabo en een afgesloten toiletruimte. Dit woonvertrek is voorzien van een eigen thermostaat.
De deur tot het woonvertrek is niet voorzien van een kamernummer, noch is er een mogelijkheid
om de deur af te sluiten.
Op de gelijkvloerse verdieping bevindt zich verder een volledig ingerichte keuken en leefruimte.
Via de leefruimte is er een toegang tot de tuin. In de tuin werd een bijgebouw opgericht.
Via de trap in de inkomhal wordt een toegang verleend tot de hal op de eerste verdieping. Vanuit
deze hal is er een toegang tot 3 individuele woonvertrekken.
Via een deur aan de linkzijde van de trap wordt toegang verleend tot een tweede woonruimte. Deze
woonruimte is ingericht met een keukenmeubel zonder ingebouwde kooktoestellen en een
leefruimte. Centraal in deze leefruimte is een kast geplaatst om de kamer te compartimenteren.
Het woonvertrek is voorzien van een eigen thermostaat en een individuele badkamer met toilet,
lavabo en douche.
HHC-2
Via de hal op de 18 verdieping verleent een tweede deur toegang tot het derde woonvertrek. Deze
woonruimte is ingericht met een keukenmeubel zonder ingebouwde kooktoestellen en een
leefruimte. Via een houten trap wordt een toegang verleend tot een mezzanine waar zich een
slaapvertrek bevindt, Deze woonruimte is uitgerust met een eigen thermostaat en een eigen
ingerichte badkamer met toilet, lavabo en douche.
De laatste deur op de hal van de eerste verdieping , verleent toegang tot het vierde woonvertrek.
Deze woonruimte is uitgerust met een keukenmeubel zonder ingebouwde kooktoestellen en een
leefruimte. Via een houten trap wordt een toegang ver1eend tot een mezzanine waar zich een
slaapvertrek bevindt. Deze woonruimte is uitgerust met een eigen thermostaat en een eigen
ingerichte badkamer met toilet, lavabo en douche.
Tijdens de terreincontrole wordt door de eigenaar van het pand mondeling toegelicht dat het project
een co-housing project betreft. Waarbij de eigenaar alleenstaanden een betaalbaar woonaltematief
wenst aan te bieden. De eigenaar licht mondeling toe dat met iedere inwoner van het pand een
huurovereenkomst is afgesloten.
De info van het pand werd eveneens teruggevonden op de website www.samenhuizen.be. Hierop
wordt het gemeenschappelijk wonen bevestigd. Eveneens wordt hierop vermeld dat de huurprijs
580€ betreft (exclusief kosten). De genomen printscreens van deze website worden aan het proces
verbaal toegevoegd als bijlage 5.
In het pand wordt vastgesteld dat er aan gemeenschappelijk wonen wordt gedaan.
Gemeenschappelijk wonen is een verzamelterm voor verschillende woonvormen (bv. Cohousing,
woningdelen, kangoeroe wonen en zorg wonen) waarmee de bewoners een oplossing willen
bieden voor betaalbaar of duurzaam wonen, vergrijzing , vereenzaming & leegstand of ver1oedering
van waardevol patrimonium. De Vlaamse Codex Wonen van 2021 definieert Cfr. Art. 1.3 §1 16°:
Gemeenschappelijk wonen: een woonvorm in een gebouw of gebouwencomplex dat wonen als
hoofdfunctie heeft en uit verschillende woongelegenheden bestaat, waarbij minimaal twee
huishoudens op vrijwillige basis minimaal één leefruimte delen en daarnaast elk over minimaal
één private leefruimte beschikken en waarbij de bewoners samen instaan voor het beheer;
Gemeenschappelijk wonen bevat volgens deze definitie steeds meerdere woongelegenheden.
Voor het verbouwen en uitbreiden van de woning werd dd. 24/06/2021 een omgevingsvergunning
voor het verbouwen en uitbreiden van een ééngezinswoning en de afbraak en nieuwbouw van een
bijgebouw vergund onder volgende voorwaarden :
De aanvraag wordt enkel vergund voor het verbouwen en uitbreiden van een
ééngezinswoning , deze kan in geen enkele wijze gebruikt worden als een
meergezinswoning.
HHC-3
De specifieke inhoud van deze omgevingsvergunn ingaanvraag betreft volgende
stedenbouwkundige handeling: 'verbouwen en/of uitbreiden zonder functiewijziging en zonder
wijziging van aantal woongelegenheden.' (zie bijlage 6)
Voor het omvormen van een bureau en ontvangstruimte naar zorgwoning werd dd. 16/01/2023 een
omgevingsvergunning verleend onder volgende voorwaarden:
• In de zorgunit kan geen aparte keuken voorzien worden, de bestaande keuken moet
gemeenschappelijk gebruikt worden.
• De zorgrelatie zal bij inschrijving in het bevolkingsregister aangetoond moeten worden.
Met uitzondering van de zorgwoning op de gelijkvloerse verdieping is er geen
omgevingsvergunning verleend voor het vermeerderen van het aantal wooneenheden. Er dient
daarbij benadrukt te worden dat artikel 4.2.1 7° stelt dat het wijzigen van het aantal
woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een gezin of
alleenstaande omgevingsvergunn ingsplichtig is. Ongeacht of het gaat om een eengezinswoning ,
een etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer.
Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces-verbaal nr.
van 29 maart 2023, dat op dezelfde datum wordt afgesloten en wordt
verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partij.
In navolging hiervan wordt verzoekende partij op 24 april 2023 door de verbalisant
aangemaand om de ééngezinswoning voor 29 juli 2023 niet langer te gebruiken voor
gemeenschappelijk wonen, maar opnieuw te gebruiken als een ééngezinswoning met
zorgwoning, conform de hiervoor verleende omgevingsvergunningen. Ze dient daartoe de
opdeling van de woning in meerdere woongelegenheden ongedaan te maken, met
uitzondering van de zorgwoning; de woning niet langer te verhuren aan meerdere individuele
personen door middel van meerdere huurcontracten; en te voldoen aan de voorwaarde in de
omgevingsvergunning voor het omvormen van een bureau en ontvangstruimte naar
zorgwoning, dat de zorgrelatie moet worden aangetoond bij de inschrijving in het
bevolkingsregister.
In antwoord op deze aanmaning en op de uitnodiging tot verhoor van de lokale politie deelt
verzoekende partij op respectievelijk 22 en 24 mei 2023 aan de verbalisant mee dat ze niet
kan voldoen aan de gevraagde handelingen omdat ze de omgevingsvergunningen voor de
ééngezinswoning met zorgwoning naleeft en er geen stedenbouwkundig misdrijf voorligt. Ze
wijst daarbij op het gegeven dat de ééngezinswoning niet is opgedeeld in meerdere
HHC-4
woongelegenheden en wordt verhuurd door één huurcontract voor de woning en één voor de
zorgwoning, waarbij de zorgrelatie in het kader van de inschrijving in het bevolkingsregister is
aangetoond. Dit verweer wordt door de lokale politie opgenomen in het navolgend proces
verbaal nr. ,1an 26 mei 2023, dat op dezelfde datum wordt afgesloten en op 20
juni 2023 wordt verstuurd aan de procureur des Konings.
In navolging hiervan stelt de verbalisant op 1 augustus 2023 vast dat een duplex in de woning
als individuele kamer te huur staat op lmmoweb voor een individuele huurprijs van
580€/maand. Deze vaststelling wordt opgenomen in het navolgend proces-verbaal nr.
van 21 augustus 2023, dat op dezelfde datum wordt afgesloten en wordt
verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partij.
4.
Op 7 november 2023 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des
Konings van 26 oktober 2023 dat het stedenbouwkundig misdrijf niet strafrechtelijk zal worden
behandeld, nadat de procureur des Konings haar op 13 april 2023 kennis had gegeven van de
verlenging van zijn beslissingstermijn (artikel 6.2.13, §2 DABM) omdat het
opsporingsonderzoek nog bezig was.
5.
Op 16 november 2023 brengt de gewestelijke entiteit de verzoekende partij op de hoogte van
haar voornemen om eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Ze nodigt
verzoekende partij daarbij uit om haar schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld
van een vraag tot hoorzitting, terwijl deze ook de mogelijkheid krijgt om inzage te vragen in het
administratief dossier.
Verzoekende partij bezorgt op 4 december 2023 een schriftelijk verweer, waarbij ze vraagt om
te worden gehoord. Ze wordt op 22 januari 2024 door de gewestelijke entiteit gehoord.
6.
Op 20 juni 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende partij
met een aangetekende brief van 21 juni 2024 in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden
beslissing.
HHC-5
IV. Ontvankelijkheid van het beroep -schending van artikel 15, 4° Procedurebesluit
Standpunt van de partijen
1.
Verwerende partij 'maakt voorbehoud wat betreft een schending van artikel 15
Procedurebesluit en de ontvankelijkheid van het verzoekschrift omdat daarin 'geen specifieke
wettelijke norm of beginsel van behoorlijk bestuur wordt aangevoerd' en 'evenmin concreet
wordt geduid op welke wijze een bepaalde norm of een beginsel door de bestreden beslissing
zou zijn geschonden'.
2.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in
haar verzoekschrift. Wat betreft de exceptie van onontvankelijkheid van het verzoekschrift,
stelt ze bij haar argumentatie dat ze geen handelingen stelde in strijd met artikel 4.2.1, 7°
VCRO, zodat ze niet kan worden gestraft op basis van artikel 6.2.1, 1 ° VCRO, dat dit impliceert
dat de bestreden beslissing deze artikelen heeft geschonden.
Beoordeling door het College
1.
Verzoekende partij dient in het verzoekschrift verplicht minstens één ontvankelijk middel aan
te voeren, bij gebreke waarvan de vordering onontvankelijk is, terwijl de niet-naleving van deze
vereiste naderhand niet kan worden geregulariseerd (artikel 17 van het decreet van 4 april
2014 betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse
bestuursrechtscolleges -hierna: DBRC-decreet, in samenlezing met artikel 15, 4°
Procedurebesluit). Een middel bestaat uit een voldoende en duidelijke omschrijving van de
overtreden rechtsregel of het geschonden rechtsbeg insel en van de wijze waarop deze
rechtsregel of dit rechtsbeginsel volgens verzoekende partij wordt geschonden. De vereiste
dat het verzoekschrift een uiteenzetting dient te bevatten van de feiten en de middelen
impliceert niet dat verzoekende partij expliciet de rechtsregels of rechtsbeginselen moet
vermelden die volgens haar door de bestreden beslissing worden geschonden. Het is enkel
noodzakelijk dat de uiteenzetting in het verzoekschrift het voor het College in het kader van
zijn legaliteitstoetsing , en voor verwerende partij in het kader van haar verdediging, mogelijk
maakt duidelijk te begrijpen wat de bestreden beslissing wordt verweten. Het College vernietigt
de bestreden beslissing wanneer deze onregelmatig is omwille van de schending van een
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel (artikel 35 DBRC-decreet).
HHC,6
2.
Verwerende partij stelt tevergeefs dat het verzoek tot vernietiging onontvankelijk is omdat het
verzoekschrift geen uiteenzetting bevat van de middelen, zodat haar exceptie wordt
verworpen. Op basis van de argumentatie in het verzoekschrift kan redelijkerwijze worden
vastgesteld dat verzoekende partij betwist dat er een stedenbouwkundig misdrijf voor1igt, dat
haar kan worden toegerekend. Bovendien blijkt uit de antwoordnota van verwerende partij dat
ze daarover inhoudelijk standpunt heeft ingenomen, zodat ze wel degelijk begrijpt waarom
verzoekende partij meent dat de bestreden beslissing onregelmatig is en om die reden moet
worden vernietigd.
V. Onderzoek van het middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie dat er een stedenbouwkundig misdrijf voor1igt, dat haar
kan worden toegerekend. Ze voert dus feitelijk de schending aan van de artikelen 6.2.6, 6.2.7,
§ 1, lid 1 en 6.1.1, 6° VCRO en van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van
onschuld, in samenlezing met het volgens de bestreden beslissing geschonden artikel 6.2.1,
1 ° VCRO, in samenlezing met artikel 4.2.1, 7° VCRO.
Ze betwist met name dat ze haar ééngezinswoning , zonder voorafgaande vergunning en in
strijd met de hiervoor verleende omgevingsvergunning van 24 juni 2021, heeft opgesplitst in
drie afzonderlijke woongelegenheden, zodat ze geen handelingen heeft gesteld in strijd met
artikel 4.2.1, 7° VCRO. Ze stelt dat ze deze omgevingsvergunning heeft uitgevoerd en gebruikt
conform de bouwplannen en voorwaarden en dat er enkel sprake is van het samenhuizen in
deze ééngezinswoning van meerdere personen , die feitelijk een gezin vormen, en niet van
kamer-wonen of co-housing. Ze merkt daarbij op dat de gemeentelijke administratie deze
woonvorm in een mailbericht van 12 januari 2021 heeft aanvaard. Ze wijst in dit kader op de
definitie van het begrip 'gezin' in artikel 2, § 1, 8° van het decreet van 15 juli 1997 houdende
de Vlaamse Wooncode , dat ondertussen is opgenomen in artikel 3, §1, lid 1, 19° van het
gecodificeerd decreet over het Vlaamse woonbeleid, gecodificeerd op 17 juli 2020, ofwel de
Vlaamse Codex Wonen van 2021 {hierna: VCW) en dat wordt gedefinieerd als 'meerdere
personen die op duurzame wijze in dezelfde woning samenwonen en daar hun
hoofdverblijfplaats hebben'. Ze wijst ook op de Omzendbrief RWO 2011/1 van 23 december
2011 over het onderscheid tussen kamers en woningen (hierna: Omzendbrief), waarin
richtlijnen zijn opgenomen over het onderscheid tussen kamers en woningen in het kader van
HHC,7
de woonkwaliteitsbewaking. Daarin wordt gesteld dat 'een familiaal verband niet is vereist om
te worden gekwalificeerd als gezin' en worden meerdere criteria worden opgesomd om te
beoordelen in hoeverre er al dan niet sprake is van een gezin, waaronder eenzelfde
hoofdverblijfplaats van alle gezinsleden; één huurcontract; kamers die niet op slot zijn; geen
verschillende deurbellen; geen afzonderlijke brievenbussen; bewoners die elkaar kennen en
er uit vrije wil voor kiezen om duurzaam samen te wonen en een gezamenlijk huishouden te
voeren; en één meter voor de nutsvoorzieningen. Ze stelt dat de huurders-alleenstaanden in
de woning samenhuizen en feitelijk een gezin vormen, zoals blijkt uit respectievelijk de
beschrijving van haar intentie op lmmoweb; het bestaan van slechts één geregistreerde
huurovereenkomst met de drie bewoners/huurders samen, waaruit blijkt dat deze willen en
moeten samenwonen; het verbod volgens deze huurovereenkomst om keukentoestellen op
hun kamer te installeren en de verplichting om hun eten te bereiden in de gemeenschappelijke
keuken; het bestaan van één huurwaarborgrekening voor de drie huurders samen en één
gezamenlijke rekening van de huurders voor de financiële organisatie van hun samenleven,
waaronder het betalen van de huur en hun kosten voor gas, water en elektriciteit, waarvoor er
slechts één meter is en die ze zelf moeten verdelen. Ze merkt op dat het in dit kader juridisch
niet is vereist dat alle bewoners quasi altijd samen eten om te kunnen spreken van een
duurzaam samenlevend gezin, te meer dit ook niet controleerbaar zou zijn. In dezelfde zin
merkt ze op dat het juridisch niet is vereist dat de huurders-bewoners elkaar vooraf al kennen
en er tussen hen een familiale band bestaat opdat er sprake kan zijn van een gezin, te meer
deze voorwaarde ook in strijd is met de Omzendbrief. In de rand hiervan merkt ze op dat de
huurders worden gezocht op basis van een kennismakingstraject, zodat ze elkaar vooraf leren
kennen. Ze benadrukt dat de huurders vooraf goed weten waarvoor ze kiezen, met name
samenwonen op één domicilie-adres met gevolgen voor hun sociale rechten,
vervangingsinkomen, schuldsituaties enzovoort, waaruit blijkt dat ze een sterke motivatie
hebben om samen te huizen als één gezin
Ze stelt in ondergeschikte orde dat er minstens in haar hoofde sprake is van onoverkomelijke
dwaling omdat haar intentie om huurders als één gezin te laten samenwonen in de vergunde
ééngezinswoning steeds duidelijk was en door de stedelijke dienst omgeving ook is aanvaard,
zonder dat er in dit kader bijkomende voorwaarde zijn aangereikt.
2.
Verwerende partij stelt dat verzoekende partij niet aantoont dat de beoordeling in de bestreden
beslissing van het bestaan van een stedenbouwkundig misdrijf en de toerekenbaarheid
hiervan aan verzoekende partij foutief of kennelijk onredelijk is. Ze merkt op dat verzoekende
partij feitelijk de argumentatie herhaalt die ze tijdens de bestuurlijke boeteprocedure heeft
HHC-8
aangevoerd en die door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing gemotiveerd is
weerlegd. Ze verwijt verzoekende partij dat ze in dit kader ten onrechte abstractie maakt van
de overwegingen hierover in de bestreden beslissing en deze dus ook niet weerlegt. Ze
benadrukt dat de drie slaapkamers van de ééngezinswoning zijn ingericht als afzonderlijke
woonvertrekken van de huurders, die zelfstandig kunnen functioneren, terwijl er tussen de
bewoners geen familiaal verband bestaat en ze elkaar voorheen ook niet kenden. Ze
benadrukt ook dat de huurprijs per kamer wordt geafficheerd en dat de totale huurprijs wordt
berekend aan de hand van het aantal bewoners, hetgeen ongebruikelijk is bij de verhuur van
een ééngezinswoning, terwijl deze huurprijs bovendien redelijkerwijze de gebruikelijke
huurprijs voor dergelijke woning overstijgt. Ze stelt dat er in die optiek geen sprake kan zijn
van een duurzame vorm van samenwonen dan wel het vormen van een woongroep en dat de
ééngezinswoning wel degelijk wederrechtelijk is opgedeeld in meerdere op zichzelf staande
woonentiteiten. Ze wijst in dit kader op de vaststelling dat de slaapvertrekken van de twee
duplexen op de plannen van de omgevingsvergunning zijn aangeduid als hobbyruimte, zodat
deze plannen niet conform zijn uitgevoerd. Ze meent dat het samenhuizingsproject ook niet
voldoet aan alle criteria van de Omzendbrief, die overigens niet allesomvattend zijn, zodat de
eindbeoordeling gebeurt op basis van het geheel aan feitelijke vaststellingen. Ze stelt met
name dat de bewoners elkaar op het ogenblik van het afsluiten van de huurovereenkomst niet
kenden, dan wel daar niet allemaal op hetzelfde moment zijn komen wonen, waarbij ze
opmerkt dat één van de oorspronkelijke bewoners ondertussen is verhuisd en vervangen en
het onduidelijk is wat zijn rechtspositie is.
Ze betwist dat er in hoofde van verzoekende partij sprake is van dwaling doordat ze de criteria
van de Omzendbrief heeft nageleefd. Ze stelt dat deze criteria niet allesomvattend zijn en er
steeds aan de hand van de concrete feitelijke situatie moet worden geoordeeld in hoeverre er
al dan niet sprake is van een meergezinswoning. Ze stelt ook dat de omgevingsvergunning
voor de eengezinswoning van 24 juni 2021 uitdrukkelijk als voorwaarde heeft opgelegd dat het
gebouw niet mag worden gebruikt als meergezinswoning. Ze wijst tenslotte op de vaststelling
dat algemeen opzet volstaat opdat er sprake kan zijn van een stedenbouwkundig misdrijf.
3.
Verzoekende partij volhardt in haar wederantwoordnota in hoofdorde in de argumentatie in
haar verzoekschrift. Wat betreft het standpunt van de gemeentelijke administratie over deze
woonvorm in een mailbericht van 12 januari 2021, naar aanleiding van een overleg op 5 januari
2021, merkt ze nog op dat ze haar initieel project, naar aanleiding van de opmerking dat dit te
zwaar was voor de omgeving, ruimtelijk heeft afgeslankt en in haar mailbericht hierover met
de gemeentelijke administratie van 18 januari 2021 ook nog eens expliciet haar intentie van
HHC-9
samenhuizen van vier alleenstaanden heeft uiteengezet, waarop de gemeentelijke
administratie in een mailbericht van 15 februari 2021 heeft gesteld dat ze haar standpunt van
tijdens het overleg van 5 januari 2021 behoudt en dus geen principieel bezwaar heeft tegen
samenhuizen in een ééngezinswoning. Ze herhaalt dat dit samenhuizen niet impliceert dat er
sprake is van een meergezinswoning. Wat betreft het verwijt van verwerende partij dat de
hobbyruimtes bij de slaapkamers 2 en 3, in afwijking van de goedgekeurde bouwplannen,
worden gebruikt als slaapplekken, merkt ze op dat ze geen invloed heeft op de wijze waarop
de respectievelijke huurders hun slaapkamer inrichten. Ze herhaalt dat verwerende partij het
begrip 'gezin' arbitrair en willekeurig invult. Ze verwijt verwerende partij dat deze in dit kader
voor het eerst aanvoert dat het feit dat één van de huurders reeds is vertrokken aantoont dat
er geen sprake is van duurzaam samenleven omdat hun intentie tot samenwonen
doorslaggevend is, en niet zozeer de duur van het samenwonen. Ze ziet ook geen problemen
in de vaststelling dat er in het kader van de verhuur in de advertentie wordt gewezen op
'individuele kamers' omdat de regelgeving niet vereist dat alle bewoners in dezelfde kamer
moeten slapen. Ze verwijt verwerende partij ook dat deze voor het eerst wijst op de relatief
hoge huurprijs. Ze erkent dat deze huurprijs relatief hoog is, maar wijst op de vaststelling dat
ze als verhuurder ook een hoger risico draagt omdat ze bij het vertrek van een huurder een
nieuwe huurder moet vinden, die in het licht van het samenhuizen goed in de groep moet
liggen, terwijl dit niet altijd evident is, en waarbij ze bij het verlaten van een kamer door een
huurder voor korte dan wel langere duur een deel van de huur niet ontvangt. In de rand hiervan
stelt ze dat de gevraagde huurprijs vanuit het perspectief van de individuele huurder eerder
laag is omdat deze hiervoor een ruime slaapkamer met badkamer krijgt en meerdere grote
gemeenschappelijke ruimtes in een goed geïsoleerde woning met hoogwaardige afwerking,
evenals een parkeerplaats en fietsen-en tuinberging.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die een stedenbouwkundig misdrijf uitmaken in de zin van artikel 6.2.1, lid 1
VCRO en die naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen
worden bestraft (artikelen 6.2.6 VCRO). Elke schending van de gehandhaafde regelgeving die
wetens en willens gebeurt is in beginsel strafbaar, zodat enkel (algemeen) opzet is vereist. De
geldboete kan alleen worden opgelegd aan de 'overtreder', hetzij de natuurlijke persoon of de
rechtspersoon die het stedenbouwkundig misdrijf heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft
gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend (artikel 6.2.7, §1, lid 1 VCRO en artikel
6.1.1, 6° VCRO), en kan worden opgelegd aan alle overtreders (artikel 6.2.13, §4 VCRO). De
HHC-10
kwalificatie van de feiten als een stedenbouwkundig misdrijf en de toerekenbaarheid hiervan
aan verzoekende partij als overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de
gewestelijke entiteit om haar een geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het
stedenbouwkundig misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk en de overtreder berust bij de
gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op
bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle
middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering betekent dat dit bewijs
onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke
vaststellingen , die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een stedenbouwkundig
misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur
en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel , en het vermoeden van onschuld zoals onder
meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op
procedureel en inhoudelijk vlak.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing met betrekking tot 'de
toerekenbaarheid aan de overtreder' het volgende:
"Volgens artikel 4.2.1, 7° VCRO is er een vergunning nodig om een woning op te splitsen of in een
gebouw het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een
gezin of een alleenstaande te wijzigen, ongeacht of het gaat om een eengezinswoning, een
etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer. Artikel 4.1.1,
16° VCRO definieert "woning" als" een goed, vermeld in artikel 1.3, § 1, eerste lid, 66°, van de
Vlaamse Codex Wonen van 2021". Laatstgenoemd artikel omschrijft "woning" als "elk onroerend
goed of het deel ervan dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting van een gezin of
alleenstaande".
In voormeld proces-verbaal stelde de verbalisant vast dat in het gebouw vier woonvertrekken
aanwezig zijn. De drie woonvertrekken op de bovenverdieping zijn elk voorzien van een
woonruimte met bed, een eigen badkamer met toilet en een keukenmeubel en beschikken over
een eigen thermostaat. De vermoedelijke overtreder beschrijft de situatie zelf als een project om
alleenstaanden een comfortabele woongelegenheid te bieden, waarbij dus elk woonvertrek
bewoond wordt door een alleenstaande, Hieruit volgt dat elk woonvertrek te beschouwen is als een
aparte woongelegenheid. Voor de gelijkvloerse woongelegenheid werd op 16 januari 2023 een
HHC 011
melding voor zorgwonen geakteerd; deze is dus legaal. Voor de opdeling van de eengezinswoning
in de drie overige woongelegenheden is echter een vergunning vereist.
Het Vrijstellingenbesluit is niet van toepassing op het wijzigen van het aantal woongelegenheden
in een gebouw. Artikel 5/1 Meldingenbesluit is niet van toepassing aangezien er geen sprake is
van huisvesting van vluchtelingen of asielzoekers of personen wiens woning onbewoonbaar is
geworden; minstens is dit niet bewezen. Evenmin is -uitgezonderd voor de gelijkvloerse
woongelegenheid -sprake van een vorm van zorgwonen (artikel 4.2.4 VCRO); minstens is dit niet
bewezen. De gestelde handeling is dus vergunningsplichtig.
Het stellen van een handeling, zoals onder meer bepaald in artikel 4.2.1 VCRO, zonder
voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of in strijd met de
vergunning vormt een stedenbouwkundig misdrijf (artikel 6.2.1, 1 ° VCRO).
De vermoedelijke overtreder beweert echter dat alle bewoners samenleven als een duurzaam
gezin en de andere woonvertrekken samen dus nog altijd één woongelegenheid vormen.
De vermoedelijke overtreder voert aan dat de bewoners geen eigen kookgelegenheid in hun kamer
hebben, maar samen zouden eten als ze samen thuis zijn; het huurcontract verbiedt ook het
plaatsen van kooktoestellen en het koken in de woonvertrekken. De verbalisant heeft vastgesteld
dat, naast de legale zorgwoning, nog drie andere woonvertrekken aanwezig zijn, die alle uitgerust
zijn met het nodige comfort (woonruimte met bed, badkamer met toilet) om als aparte
woongelegenheden te fungeren. Het feit dat de kookfunctie is ondergebracht in een
gemeenschappelijke ruimte, verhindert niet dat de woonvertrekken, die elk bewoond worden door
een andere alleenstaande, beschouwd kunnen worden als aparte woongelegenheden. De
vermoedelijke overtreder heeft tijdens de hoorzitting wel aangegeven dat de bewoners soms
samen eten als ze allen samen thuis zijn, maar er is geen sprake van het altijd of quasi altijd samen
eten, wat toch kenmerkend is voor een duurzaam samenlevend gezin.
De vermoedelijke overtreder werpt op dat er voor de woonvertrekken niet wordt gewerkt met aparte
huurcontracten, maar er één huurcontract is voor alle bewoners samen, waarin ook één huurprijs
voor alle bewoners samen wordt aangerekend. Tijdens de hoorzitting voert de vermoedelijke
overtreder ook aan dat wanneer iemand anders in het gebouw komt wonen, de andere bewoners
daar zeggenschap in krijgen en allen een aangepast huurcontract moeten ondertekenen. Bij het
verweerschrift zijn stukken gevoegd waaruit blijkt dat de bewoners samen één rekening hebben
geopend waarop de huurwaarborg gestort is. De vermoedelijke overtreder brengt tijdens de
hoorzitting ook betalingsbewijzen bij waaruit blijkt dat de huur betaald wordt vanaf één
gemeenschappelijke rekening. Het bestaan van één gemeenschappelijk huurcontract en
gemeenschappelijke rekening is echter onvoldoende om te bewijzen dat er sprake zou zijn van één
duurzaam samenlevend gezin. Uit het dossier blijkt bovendien dat de huurprijs wordt berekend
HHC-12
door de prijs voor één kamer te vermenigvuldigen met het aantal bewoners, waardoor de prijs dus
afhankelijk is van het aantal leden van het beweerde 'gezin', wat heel ongebruikelijk is voor een
huurcontract voor een eengezinswoning.
In zijn verweer verwijst de vermoedelijke overtreder naar omzendbrief RWO 2011/1 van 23
december 2011 van de Vlaamse Minister bevoegd voor Wonen, betreffende richtlijnen over het
onderscheid tussen kamers en woningen in het kader van de woonkwaliteitsbewaking. Deze stelt:
"Om als gezin gekwalificeerd te worden is een familiaal verband niet vereist. De Vlaamse
Wooncode ziet een gezin ruimer. Ook mensen die niet familiaal verwant zijn kunnen duurzaam
samenwonen en dus een gezin vormen." De omzendbrief geeft ook mee op basis van welke criteria
kan bepaald worden of men al dan niet van een 'gezin' kan spreken , waarvan meerdere volgens
de vermoedelijke overtreder relevant zijn voor dit dossier:
• hoofdverblijfplaats (alle leden van het 'gezin' moeten hun domicilie hebben op dit adres);
• er is één huurcontract;
• de huur wordt niet apart per woongelegenheid betaald aan de verhuurder;
• de kamers kunnen niet afgesloten worden;
• er hangen geen belcodes aan de deur; pagina
• de bewoners wonen daar uit vrije wil samen.
Bijkomend somt de vermoedelijke overtreder nog andere criteria op die er volgens hem op wijzen
dat daar wordt samengewoond als een duurzaam gezin:
• de woning wordt niet fysiek opgedeeld, noch door verbouwingswerken, noch door het creëren
van afsluitbare onderdelen (alle werken zijn volledig uitgevoerd volgens de omgevingsvergunning) ;
• er hangen geen instructies voor de bewoners (dit is wel gebruikelijk bij kamerwonen);
• er is slechts één meter voor alle nutsvoorzieningen.
Het loutere feit dat de woonsituatie in het betrokken gebouw voldoet aan meerdere criteria die een
vermoeden kunnen vormen van als duurzaam gezin samenleven volgens voornoemde
omzendbrief , betekent echter nog niet dat er per definitie sprake is van als duurzaam gezin
samenleven. De lijst met criteria is niet exhaustief en bovendien vermeldt de omzendbrief zelf dat
deze criteria niet sluitend zijn. Daarenboven is een omzendbrief niet verordenend. De bewoners
kenden elkaar niet vooraleer ze in het gebouw gingen wonen en een familiale band is ook niet
aanwezig, of op zijn minst niet aangetoond.
Uit het voorgaande kan besloten worden dat de vergunde eengezinswoning opgesplitst werd in
drie woongelegenheden en dit zonder vereiste omgevingsvergunning; bovendien in strijd met de
omgevingsvergunning van 24 juni 2021, die uitdrukkelijk als voorwaarde oplegt dat het gebouw niet
als meergezinswoning mag gebruikt worden.
HHC, 13
In zijn verweerschrift verwijst de vermoedelijke overtreder naar een e-mail van 21 januari 2021 van
de omgevingsambtenaar van waarin de ambtenaar aangeeft geen
principieel bezwaar te hebben tegen de voorgestelde woonvorm, zijnde samenhuizen in een
eengezinswoning. Dit toont volgens de vermoedel ijke overtreder aan dat er sprake kan zijn van
samenhu izen in een eengezinswoning. Uit de e-mail kan echter niet afgeleid worden welk concreet
ontwerp of concept de vermoedelijke overtreder aan de omgevingsambtenaar heeft voorgelegd of
hoe hij dit heeft voorgesteld. Bovendien bevat voornoemde omgevingsvergunning de uitdrukkelijke
voorwaarde dat het gebouw niet als meergezinswon ing mocht gebruikt worden. De
vergunningverlenende overheid legt voorwaarden op als zij oordeelt dat deze noodzake lijk zijn om
te garanderen dat de goede ruimtelijke ordening en de ruimtelijke draagkracht niet in het gedrang
komt en de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische , esthetische en sociale
gevolgen aanvaardbaar zijn. De vergunningverlenende overheid overheid heeft bij het opleggen
van die voorwaarde dus geoordeeld dat het gebruiken van het gebouw als meergezinswoning
onaanvaardbaar is. Een voorzichtig en redelijk persoon zou zich hierdoor extra hoeden voor een
schending van deze vergunningsvoorwaarde en dus van de stedenbouwkundige regelgeving. De
vermoedelijke overtreder heeft hier kennelijk te weinig acht op geslagen. In zoverre
onoverkomelijke dwaling zou aangevoerd worden, kan dat hier dus niet weerhouden worden als
schulduitsluit ings-of rechtvaardigingsgrond.
Bovenvermelde feiten zijn een schending van: VCRO: artikel 6.2.1, 1 ° in samenhang met artikel
4.2.1, 7°.
Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een stedenbouwkundig misdrijf als bedoeld in
artikel 6.2.1 en artikel 6.2.13 VCRO, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd.
De vermoedelijke overtreder heeft, als eigenaar, de werken uitgevoerd, minstens hiertoe de
opdracht gegeven en is dus een overtreder in de zin van artikel 6.1.1, 6° VCRO. Dit artikel definieert
een overtreder immers als "de natuurlijke persoon of rechtspersoon die het stedenbouwkundig
misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft gegeven of er zijn
medewerking aan heeft verleend" .
Bovenvermelde feiten zijn bovendien toerekenbaar aan de vermoedelijke overtreder. Er is geen
bijzonder opzet vereist voor een stedenbouwkundig misdrijf en het volstaat dat men wetens en
willens handelt in strijd met het decreet. Het moreel bestanddeel kan dus worden afgeleid uit het
louter plegen van het materiële feit(= handeling op zich) door de vermoedelijke overtreder en uit
de vaststelling dat dit feit hem kan worden toegerekend , tenzij een schulduitsluitings- of
rechtvaardigingsgrond enigszins geloofwaardig is gemaakt, wat niet het geval is.
Het stedenbouwkundig misdrijf staat vast in hoofde van de overtreder, "
HHC-14
3.
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken redelijkerwijze afdoende aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit,
dat ze haar ééngezinswoning, zonder vergunning en in strijd met de omgevingsvergunning
voor deze woning, juridisch heeft opgesplitst in drie woongelegenheden voor alleenstaanden,
foutief dan wel kennelijk onredelijk is en er ter zake (minstens) twijfel bestaat.
3.1.
Zoals blijkt uit het administratief dossier en door partijen niet wordt betwist, is het onroerend
goed waarop de bestreden beslissing betrekking heeft een ééngezinswoning, die is 'gebouwd'
volgens de omgevingsvergunning van 24 juni 2021 voor de verbouwing en uitbreiding van de
toen bestaande ééngezinswoning. Volgens deze vergunning worden de leefruimtes op de
gelijkvloerse verdieping heringericht met veel licht en in directe relatie tot de tuin, terwijl de
slaapkamers, met elk een kleine badkamer, zich bevinden op de verdieping, waarbij een
mezzanine en een dakkapel in twee kamers ruimte bieden voor een hobbykamer, waardoor
het resterende dakvolume ten volle wordt benut. De discussie tussen partijen heeft betrekking
op de vraag in hoeverre deze ééngezinswoning, ondanks de ontstentenis van een verdere
fysieke opdeling in wooneenheden, al dan niet feitelijk wordt gebruikt als meergezinswoning,
in strijd met de voorwaarde in de vergunning voor de woning dat ze 'in geen enkele wijze kan
gebruikt worden als een meergezinswoning'.
3.2.
Op basis van artikel 4.2.1, 7° VCRO mag niemand zonder voorafgaande
omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen 'een woning opsplitsen of in een
gebouw het aantal woongelegenheden, die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van
een gezin of een alleenstaande, wijzigen, ongeacht of het gaat om een ééngezinswoning, een
etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer'. De
memorie van toelichting stelt in dit kader onder meer dat 'er sprake is van een woningsplitsing
indien door fysische ingrepen (bvb. bijmaken van inkomdeur of dichtmetselen van inwendige
verbindingen) aparte entiteiten binnen de woning worden gemaakt, die volledig zelfstandig
door een persoon of gezin benut kunnen worden' (Pari.Sf. VI.Pari. 2008-09, 2011/1, 94). Het
begrip 'woning' wordt daarbij in artikel 4.1.1, 16° VCRO gedefinieerd als 'een goed, vermeld in
artikel 1.3, §1, lid 1, 66° VCW'. Dit artikel 3, §1, lid 1, 66° VWC definieert het begrip 'woning'
als 'elk onroerend goed of het deel ervan, dat hoofdzakelijk bestemd is voor de huisvesting
van een gezin of alleenstaande', terwijl artikel 3, § 1, lid 1, 12° VWC het begrip
'ééngezinswoning' definieert als 'elk bebouwd onroerend goed, dat hoofdzakelijk bestemd is
voor de huisvesting van één gezin of één alleenstaande, waarin zich geen andere woningen
HHC-15
bevinden'. Er dient dan ook te worden onderzocht in hoeverre de ééngezinswoning van
verzoekende partij al dan niet hoofdzakelijk is bestemd voor de huisvesting van een gezin.
De VCRO bevat zelf geen definitie van het begrip 'gezin'. Gelet op de expliciete verwijzing in
de VCRO naar het begrip 'woning' in de VCW, waarin het begrip 'gezin' (ook) wordt
gehanteerd, dient dit begrip te worden ingevuld en geïnterpreteerd aan de hand van de
terminologie in de VCW. Het begrip 'gezin' wordt in artikel 3, §1, lid 1, 19° VWC gedefinieerd
als 'meerdere personen die op duurzame wijze in dezelfde woning samenwonen en daar hun
hoofdverblijfplaats hebben', waarbij het begrip 'hoofdverblijfplaats' in artikel 3, §1, lid 1, 21 °
VWC wordt gedefinieerd als 'de woning waar een gezin of een alleenstaande effectief en
gewoonlijk verblijft'. De memorie van toelichting benadrukt dat het begrip 'gezin' ruim wordt
opgevat en dat "onder dit begrip alle duurzame samenlevingsvormen worden verstaan',
waarbij "men ofwel alleenstaande, ofwel lid van een gezin is" en waarbij "personen die op niet
duurzame wijze samenwonen in eenzelfde woning m.a.w. als alleenstaanden worden
beschouwd." (Parl.St. VI.Pari. 1996-97, nr. 654/1, 9). De niet-verordenende Omzendbrief
verduidelijkt dat het volgens de definitie van het begrip 'gezin' 'kenmerkend is dat de leden van
een gezin op bestendige basis duurzaam samenleven' en dat 'duurzaam samenwonen vereist
dat de bewoners er uit vrije wil voor kiezen om in één woning samen te wonen en gezamenlijk
een huishouden te voeren', waarbij 'een familiaal verband niet is vereist om als gezin
gekwalificeerd te worden'. De Omzendbrief wijst daarbij op de vaststelling dat de vraag 'of de
bewoners van een pand duurzaam samenwonen, dan wel alleenstaanden in hetzelfde pand
zijn, een beoordeling is die op basis van de concrete situatie ter plaatse gemaakt moet worden,
rekening houdend met de concrete gegevens'. Er worden daarbij enkele 'mogelijke
aanwijzingen' gegeven, zoals 'een afzonderlijk huurcontract; de huur wordt apart per kamer
betaald aan de verhuurder; de kamers kunnen afgesloten worden; er hangen belcodes aan de
voordeur; de bewoners kennen elkaar niet of ze zijn er niet op hetzelfde moment komen
wonen; de bewoners zijn (buitenlandse) arbeidskrachten die door hun werkgever in een pand
gehuisvest worden (en dus niet de vrije keuze gemaakt hebben om met collega's samen te
wonen)'. De Omzendbrief benadrukt dat deze aanwijzingen 'geen sluitende criteria zijn' en dat
'de eindbeoordeling wordt gemaakt op basis van het geheel van de feitelijke vaststellingen'.
Er dient dan ook te worden onderzocht in hoeverre de bewoners van de ééngezinswoning van
verzoekende partij daar al dan niet op duurzame wijze samenwonen en daar effectief en
gewoonlijk verblijven, waarbij niet noodzakelijk is vereist dat deze bewoners verwant zijn.
3.3.
Zoals blijkt uit het administratief dossier en door partijen niet wordt betwist, wordt de
(hoofdwooneenheid van de) ééngezinswoning bewoond door maximaal drie personen. Deze
HHC-16
bewoners beschikken op de bovenverdieping(en) van de woning elk over een ruime individuele
kamer, waarin behalve een uitgeruste keuken quasi alle voorzieningen aanwezig zijn, met
name een afzonderlijke badkamer met toilet, lavabo en douche, een leef-en slaapruimte en
een keukenmeubel zonder ingebouwde kooktoestellen. Ze beschikken op de gelijkvloerse
verdieping ook over gemeenschappelijke voorzieningen, waaronder een inkom met toilet, een
leefruimte met aansluitend een volledig ingerichte keuken, een tuin met overdekt terras en
berging en drie achterliggende parkeerplaatsen. Het blijkt ook dat deze bewoners samen één
huurovereenkomst voor een periode van (in eerste instantie) minstens één jaar hebben
gesloten met verzoekende partij als verhuurder, conform het Woninghuurdecreet, en dat ze
hun verplichtingen ten opzichte van verzoekende partij uit hoofde van deze overeenkomst wat
betreft de huurwaarborg en de huurprijs vervullen via gemeenschappelijke rekeningen. Uit
deze geregistreerde huurovereenkomst volgt dat de bewoners daar allemaal hun
hoofdverblijfplaats moeten hebben, terwijl de verbalisant in die zin in het PV vaststelt dat 'op
de brievenbus de namen hangen van 5 personen, dewelke woonachtig zijn in het pand'
(waarbij ook de twee personen in de zorgwoning zijn meegerekend). Bovendien wordt door de
verbalisant, de gewestelijke entiteit en verwerende partij niet tegengesproken dan wel
weerlegd dat alle bewoners van de woning daar ook effectief hun administratieve
hoofdverblijfplaats in de registers van de burgerlijke stand hebben. Voorts blijkt dat er slechts
één meter is voor gas, water-en elektriciteitsvoorzieningen, zodat de bewoners de kosten van
de nutsvoorzieningen gezamenlijk moeten voldoen, evenals één gemeenschappelijke deurbel
en brievenbus.
3.4.
Op basis van het geheel van deze feitelijke vaststellingen, dient redelijkerwijze te worden
vastgesteld dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat de bewoners van de
ééngezinswoning van verzoekende partij daar niet op bestendige en duurzame wijze
samenwonen en geen gezin vormen, foutief dan wel kennelijk onredelijk is en er hierover
minstens twijfel bestaat.
De respectievelijke bewoners kiezen klaarblijkelijk uit vrije wil om gedurende een langere
periode samen te wonen in één woning en daar een gezamenlijk huishouden te voeren. Ze
ondertekenen daartoe samen één huurovereenkomst voor (in eerste instantie) minstens één
jaar, die wordt geregistreerd en waaruit (hoofdelijke) verplichtingen voortvloeien, waarbij ze in
dit kader gezamenlijke rekeningen openen in functie van de betaling van de huurwaarborg en
de maandelijkse huurprijs. De vaststelling dat verzoekende partij, bij het vertrek van één van
de bewoners, al dan niet samen met de resterende bewoners, actief zoekt naar een nieuwe
bewoner, die de bestaande bewoners op dat ogenblik niet noodzakelijk kennen, doet hieraan
HHC -17
geen afbreuk. Zoals blijkt uit de verhuuradvertentie in het dossier, vermeldt verzoekende partij
daarin duidelijk het 'samenhuisconcept' en wijst ze op de noodzaak om samen te wonen en te
leven met de bestaande bewoners. Deze zullen, mede in het licht van het gezamenlijk
huurcontract en de gezamenlijke rekeningen in dit kader, in beginsel, desgevallend na een
kennismakingstraject, ook hun fiat moeten geven om de nieuwe bewoner toe te laten. Elke
(nieuwe) bewoner van de woning heeft dan ook de intentie om samen te wonen en te leven
met de andere bewoners en kiest uit vrije wil voor dit concept van samenhuizen, waarbij de
bewoners zoals gesteld ook hetzelfde domicilie-adres hebben. De vaststelling dat elke
bewoner feitelijk een maandelijkse huurprijs van 580 euro betaalt en dat de totale huurprijs
wordt berekend op basis van het (maximaal) aantal bewoners en met 1. 7 40 euro ( exclusief de
huurprijs voor de zorgwoning) voor een ééngezinswoning niet gering is, doet niet anders
besluiten omdat de bewoners zich hiermee voorafgaandelijk akkoord verklaren. Ook het opzet
van verzoekende partij, om alleenstaanden een comfortabele woongelegenheid aan te bieden,
doet niet anders besluiten.
De ruimtelijke indeling en het gebruik van de woning, in het bijzonder de specifieke
voorzieningen per privatieve kamer, doen op zich ook niet besluiten dat er geen sprake is van
een gezamenlijk huishouden en dat de ééngezinswoning feitelijk is opgesplitst. Het is
tegenwoordig niet ongebruikelijk dat de slaapkamers in een ééngezinswoning, naast een
bureau dan wel een tafel met stoelen, ook beschikken over een bijhorende uitgeruste
badkamer met douche, lavabo en toilet. De badkamers zijn overigens ook ingetekend op de
goedgekeurde bouwplannen voor de woning. Hoewel de (op zich niet-vergunningsplichtige)
inrichting (zonder stabiliteitswerken) van een slaapkamer met een keukenmeubel met wasbak
eerder ongebruikelijk is, betekent dit niet noodzakelijk dat de bewoners van de drie privatieve
kamers niet samenwonen, maar feitelijk elk op hun respectievelijke kamer wonen. Zoals blijkt
uit de vaststellingen in het PV, kan er in deze kamers in beginsel niet worden gekookt omdat
ze niet beschikken over een uitgeruste keuken. De bewoners dienen dan ook te koken in de
gemeenschappelijke keuken, waarbij ze kunnen opteren om al dan niet samen te koken en/of
te eten. De opmerking van de gewestelijke entiteit, dat niet blijkt dat de bewoners quasi altijd
samen eten, terwijl dit kenmerkend is voor een duurzaam samenlevend gezin, doet niet anders
besluiten. Uit geen enkele bepaling blijkt dat samenwonen vereist dat er altijd of quasi altijd
samen wordt gegeten, terwijl dit overigens ook bij een traditioneel gezin niet steeds het geval
is. Dezelfde vaststelling geldt voor het gebruik van de uitgeruste gezamenlijke leefruimte en
tuin.
Het middel is gegrond.
HHC-18
Vl. Beslissing
1. De bestreden beslissing wordt vernietigd.
2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verwerende
partij.
Dit arrest is uitgesproken op 19 juni 2025 door de eerste kamer.
De griffier, De voorzitter van de eerste kamer,
HHC-19