ARR:handhavingscollege-brussel-26-06-2025
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2025-06-26
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
29 juli 1991, cir, gw
Volledige tekst
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 26 juni 2025 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partij
met woonplaatskeuze te
Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse
Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaat
woonplaatskeuze te
1. Voorwerp van het beroep met
Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 4 juli 2024 de vernietiging van de
beslissing van de gewestelijke entiteit van 4 juni 2024 met nummer waarmee haar een
alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 5.050 euro wegens schending van
artikel 6.2.1, 1 ° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), in samenlezing
met artikel 4.2.1, 1 ° en 7° VCRO. Er wordt haar met name verweten dat ze het aantal
woongelegenheden in een gebouw heeft gewijzigd in strijd met haar achtereenvolgende
vergunningen voor het project.
ll. Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 20
februari 2025. Verzoekende partij verschijnt in persoon. Advocaat
het woord voor verwerende partij. toert
HHC-1
111. Feiten
1.
Op 2 juni 2022 stelt een gemeentelijk ambtenaar ruimtelijke ordening van
{hierna: verbalisant) , op het perceel te met als kadastrale
omschrijving dat is gelegen in woongebied met
cultureel, historische en/of esthetische waarde, het volgende vast:
De woongelegenheden op de derde en vierde verdieping werden verder afgewerkt
niettegenstaande het schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking van alle werken in functie van het
wijzigen van het aantal woongelegenheden op de derde en vierde verdieping op 3 september 2020
... opgenomen in het proces-verbaal van 3 september 2020 met referte
Dit schriftelijk bevel tot staking . . . werd bekrachtigd door de gewestelijk stedenbouwkundig
inspecteur op 17 september 2020 ...
Het aanvankeli jk stakingsbevel wordt niet geacht te zijn opgeheven door de uitvoerbare
regularisatievergunningen van 3 juni 2021, afgeleverd door de bestendige deputatie van de
provincie met referte en 16 september 2021, afgeleverd door de
bestendige deputatie van de provincie met referte gezien de
vergunningen en de eventuele voorwaarden niet strikt werden gevolgd.
De volgende werken wijken af van de omgevingsvergunningen:
De duplex studio's op de derde en vierde verdieping werden afgewerkt als zelfstandige
woongelegenheden ondanks de expliciete voorwaarden in de verkregen omgevingsvergunningen.
In de omgevingsvergunning met referte werd de volgende voorwaarde
opgenomen : De 2 studentenkamers op de 3de en 4de verdieping mogen niet ingericht worden als
zelfstandige woning ... In de omgevingsvergunning met referte werd de
volgende voorwaarde opgenomen : Gezien de oppervlakte van de kamers kleiner is dan 35 m2
kunnen deze in de toekomst niet verder omgevormd worden tot zelfstandige woonentiteiten ... In
de opgetekende kamers 7 en 8 (Vergunning werd telkens een keuken met
oven, elektrisch kookvuur en afwasbak geïnstalleerd waardoor de drie basisfuncties aanwezig zijn
en kamers tot zelfstandige woongelegenheden van circa 24 m2 zijn omgevormd. Dit is in strijd met
de voorwaarden van de omgevingsvergunningen en onderstaand artikel 22 van
bouwcode."
Deze vaststellingen worden opgenomen in het proces-verbaal nr.
dat op 10 juni 2022 wordt afgesloten en wordt verstuurd aan de procureur des Konings.
HHC-2
2.
Het PV kent een uitgebreide historiek.
Op 14 november 2019 verleent de deputatie van de provincie hierna: deputatie)
in graad van bestuurlijk beroep, aan de bestuurder van verzoekende partij, een
omgevingsvergunning onder voorwaarden voor het verbouwen van een meergezinswoning.
Er wordt daarin met betrekking tot de woongelegenheden op de derde en vierde verdieping,
waarin op de plannen, naast een badkamer, ook een keuken en een leefruimte worden
voorzien, het volgende overwogen:
De aanvraag is voorwaardelijk in overeenstemming met de gemeentelijke stedenbouwkundige
verordening 'bouwcode' van 9 oktober 2014 ....
Artikel 22: Minimale oppervlakte van een zelfstandige woning
De 2 studio's op de 3de en 4de verdieping in het hoofdgebouw zijn beide kleiner dan
35m2, waardoor ze niet voldoen aan artikel 22. Hoewel het studentenkamers betreffen, kunnen
deze ook beschouwd worden als zelfstandige woning (cfr. definitie in bouwcode): alle volgende
voorzieningen zijn aanwezig: wc, bad of douche, kookgelegenheid, woongelegenheid en
slaapgelegenheid.
Als vergunningsvoorwaarde zal worden opgelegd dat de 2 studentenkamers op de 3de en 4de
verdieping niet mogen ingericht worden als zelfstandige woning.
Besluit ...
Een vergunning wordt verleend, op basis van de in beroep gewijzigde plannen van 17 oktober
2019, onder volgende voorwaarden: ...
-De 2 studentenkamers op de 3de en 4de verdieping mogen niet ingericht worden als zelfstandige
woning.
Deze beslissing wordt door de Raad voor Vergunningsbetwistingen (hierna: RWB), op
vordering van enkele omwonenden, vernietigd met het arrest van 1 april 2021 met nummer
nadat de tenuitvoerlegging hiervan was geschorst met het arrest van 30
juni 2020 met nummer n de zaak met rolnummer 1920-RVVB-0296).
Na het schorsingsarrest van de RWB maakt de verbalisant op 3 september 2020 een proces-
verbaal met nr Jp, waarin het volgende wordt vastgesteld:
HHC-3
Het aantal woongelegenheden in de voorbouw wordt gewijzigd van 1 naar 8. De
woongelegenheden situeren zich als volgt:
Op de gelijkvloerse verdieping van de voorbouw werd in de kamer achteraan een
gemeenschappelijke keuken ingericht en in de kamer vooraan een gemeenschappelijke
woonkamer.
Op de eerste en tweede verdieping van de voorbouw worden telkens drie kamers en een
gemeenschappelijke badkamer ingericht. ... De indeling van kamers en badkamers komen overeen
met de opgetekende plannen van de geschorste omgevingsvergunning ...
Op de derde en vierde verdieping van de voorbouw worden 2 zelfstandige duplex
woongelegenheden ingericht, één vooraan en één achteraan. De woongelegenheden (studio 1 en
2) worden in een licht gewijzigde vorm voorzien dan opgetekend op de plannen van de geschorste
omgevingsvergunning. De wijziging bestaat erin dat de binnenmuur tussen de keuken en leefruimte
werd weggelaten (één grote ruimte) en dat beide trappen naar de vierde verdieping zowel in de
woongelegenheid vooraan als achteraan evenwijdig met de voorgevel tegen de muren van de
traphal werden geplaatst in plaats van haaks op de voorgevel. Verder werden er in beide
woongelegenheden reeds een toilet en badkamer voltooid en waren er aansluitpunten
(stopcontacten, afvoerleidingen, waterpunten, enz.) voor een keuken en een nog niet geplaatste
keuken (kasten en toestellen) voorzien.
Stakingsbevel ...
Gelet op het feit dat de werken in functie van het wijzigen van het aantal woongelegenheden op de
derde en vierde verdieping nog in uitvoering waren en de aanwezige werklui ofwel aangeven geen
verantwoordelijke functie te hebben ofwel aangaven de Nederlandse taal niet machtig te zijn, heb
ik ... het schriftelijk bevel tot onmiddellijke staking van alle werken in functie van het wijzigen van
het aantal woongelegenheden op de derde en vierde verdieping op een zichtbare plaats
aangebracht.
Extra informatie ...
Op 3 maart 2015 werd het proces verbaal met referte opgemaakt voor het
wijzigen van het aantal woongelegenheden van 1 naar 13 in het volledige pand. In de voorbouw
wijzigde het aantal woongelegenheden van 1 naar 12. Gezien de 13 woongelegenheden waarvan
sprake volledig ontmanteld werden en er in de voorbouw 8 nieuwe woongelegenheden gecreëerd
worden, wordt in dit proces verbaal een wijziging van het aantal woongelegenheden van 1 naar 8
opgenomen in plaats van een wijziging van het aantal woongelegenheden van 13 naar 8.
HHC-4
Op 26 augustus 2020 werd ook al een controle door de dienst bouwtoezicht uitgevoerd. Er werd
toen beslist om op dat moment nog geen actie te ondernemen en gezien de schorsing door de
Raad van Vergunningenbetwistingen de situatie eerst intern te bespreken aan de hand van de
vaststellingen van deze controle. Door de schorsing beschikt men niet langer over een uitvoerbare
omgevingsvergunning en worden de werken zonder vergunning uitgevoerd. Gezien het preventief
karakter van het stakingsbevel en vanuit proportionaliteitsoverwegingen werd er beslist om enkel
alle werken aan de twee woongelegenheden op de derde en vierde verdieping te staken.
Bovendien worden de twee bovenste woongelegenheden uitgevoerd als zelfstandige
woongelegenheden (alle functies intern aanwezig of minstens voorzien om dusdanig af te werken)
terwijl in de voorwaarde van zowel de omgevingsvergunning verleend door het college van
burgemeester en schepenen als in de omgevingsvergunning in beroep vergund door de bestendige
deputatie in verschillende bewoording(en) werd opgelegd dat deze twee woongelegenheden als
studentenkamers of niet zelfstandige woningen dienden ingericht te worden. De voorwaarden van
de geschorste omgevingsvergunning worden dus eveneens niet nageleefd.
Na het vernietigingsarrest van de RWB van 1 april 2021 wordt de bestuurlijke
beroepsprocedure hernomen. De deputatie verleent op 3 juni 2021 opnieuw een
omgevingsvergunning onder voorwaarden voor het verbouwen van een meergezinswoning.
Er wordt daarin met betrekking tot de woongelegenheden op de derde en vierde verdieping,
waarin op de plannen, naast een badkamer, ook een keuken en een leefruimte worden
voorzien, het volgende overwogen:
De aanvraag is voorwaardelijk in overeenstemming met de gemeentelijke stedenbouwkundige
verordening 'bouwcode' van 9 oktober 2014 ....
Artikel 22: Minimale oppervlakte van een zelfstandige woning
De 2 studio's op de 3de en 4de verdieping in het hoofdgebouw zijn beide kleiner dan
35m2, waardoor ze niet voldoen aan artikel 22. Hoewel het studentenkamers betreffen, kunnen
deze ook beschouwd worden als zelfstandige woning (cfr. definitie in bouwcode): alle volgende
voorzieningen zijn aanwezig: wc, bad of douche, kookgelegenheid, woongelegenheid en
slaapgelegenheid.
Als vergunningsvoorwaarde zal worden opgelegd dat de 2 studentenkamers op de 3de en 4de
verdieping niet mogen ingericht worden als zelfstandige woning.
Besluit ...
Een vergunning wordt verleend overeenkomstig de in beroep gewijzigde plannen van 17 oktober
2019, onder volgende voorwaarden: ...
HHC-5
-De 2 studentenkamers op de 3de en 4de verdieping mogen niet ingericht worden als zelfstandige
woning.
Deze beslissing wordt door de RWB, op vordering van enkele omwonenden, opnieuw
vernietigd met het arrest van 4 augustus 2022 met nummer in de zaak
met rolnumme De RWB stelt zijn arrest daarbij in de plaats van de nieuw
te nemen beslissing en weigert de omgevingsvergunning.
De bestuurder van verzoekende partij dient ondertussen, tijdens voormelde procedures, een
nieuwe aanvraag in voor het verbouwen van een meergezinswoning. De deputatie verleent
hiervoor in graad van bestuurlijk beroep op 16 september 2021 nogmaals een
omgevingsvergunning onder voorwaarden. Er wordt daarin met betrekking tot de
woongelegenheden op de derde en vierde verdieping, waarvan de ruimtes op de plannen niet
langer worden benoemd, het volgende overwogen:
Het project is in overeenstemming met de voorschriften van de gemeentelijke stedenbouwkundige
verordening Bouwcode ....
Artikel 22: Minimale oppervlakte van een zelfstandige woning
De 2 kamers 7 en 8 op de 3de verdieping beschikken zelf over toilet en douche. Een
kookgelegenheid is gemeenschappelijk voorzien op het gelijkvloers. Gezien de oppervlakte kleiner
is dan 35m2 kunnen deze niet als zelfstandige woonentiteiten worden ingericht. ...
Besluit
De vergunning wordt verleend overeenkomstig de voorgebrachte plannen.
Onder volgende voorwaarden: ...
• Gezien de oppervlakte van de kamers kleiner is dan 35m2 kunnen deze in de toekomst niet verder
omgevormd worden tot zelfstandige woonentiteiten.
Deze beslissing wordt door de RWB, op vordering van enkele omwonenden, opnieuw
vernietigd met het arrest van 8 september 2022 met nummer in de zaak
met rolnummer
Na het vernietigingsarrest van de RWB van 8 september 2022 wordt de bestuurlijke
beroepsprocedure hernomen. De deputatie verleent op 1 december 2022 opnieuw een
omgevingsvergunning onder voorwaarden voor het verbouwen van een meergezinswoning.
HHC-6
Er wordt daarin met betrekking tot de woongelegenheden op de derde en vierde verdieping,
waarvan op de plannen geen ruimtes worden benoemd, het volgende overwogen:
Het project is in overeenstemming met de voorschriften van de gemeentelijke stedenbouwkundige
verordening Bouwcode ....
Artikel 22: Minimale oppervlakte van een zelfstandige woning
De 2 kamers 7 en 8 op de 3de verdieping beschikken zelf over toilet en douche. Een
kookgelegenheid is gemeenschappelijk voorzien op het gelijkvloers. Gezien de oppervlakte kleiner
is dan 35m2 kunnen deze niet als zelfstandige woonentiteiten worden ingericht. ...
Besluit
De vergunning wordt verleend overeenkomstig de voorgebrachte plannen.
Onder volgende voorwaarden: ...
• Gezien de oppervlakte van de kamers kleiner is dan 35m2 kunnen deze in de toekomst niet verder
omgevormd worden tot zelfstandige woonentiteiten.
Deze beslissing wordt door de RWB, op vordering van enkele omwonenden, opnieuw
vernietigd met het arrest van 8 februari 2024 met nummer
rolnummer in de zaak met
Na het vernietigingsarrest van de RWB van 8 februari 2024 wordt de bestuurlijke
beroepsprocedure hernomen. De deputatie verleent op 18 april 2024 opnieuw een
omgevingsvergunning onder voorwaarden voor het verbouwen van een meergezinswoning.
Er wordt daarin met betrekking tot de woongelegenheden op de derde en vierde verdieping
een gelijkaardige overweging en voorwaarde opgenomen als in de vorige vergunning van 1
december 2022.
Het College heeft geen kennis van het verdere verloop van de bestuurlijke
vergunningsprocedure, maar dit is in het licht van de datum van het PV waarop de bestreden
beslissing steunt ook niet van belang.
3.
Op 12 juli 2022 ontvangt de gewestelijk entiteit de melding van de procureur des Konings van
30 juni 2022 dat het stedenbouwkundig misdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld.
4.
HHC-7
Op 26 juli 2022 vraagt de gewestelijke entiteit bijkomende inlichtingen aan de verbalisant over
onder meer de omgevingsvergunningen van de deputatie van respectievelijk 3 juni 2021 en 3
september 2021, en over het gebeurlijk herstel. De verbalisant bezorgt de gevraagde
informatie met een mailbericht van 8 augustus 2022, waarin wordt opgemerkt dat 'de eigenaar
mondeling aangaf dat er geen inbreuk was', zodat hij 'ook niet van plan was over te gaan tot
herstel'.
5.
Op 17 augustus 2022 brengt de gewestelijke entiteit de verzoekende partij op de hoogte van
haar voornemen om eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen wegens
het wijzigen van het aantal woongelegenheden in strijd met, dan wel zonder
omgevingsvergunning. Ze nodigt verzoekende partij daarbij uit om haar schriftelijk verweer
mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, terwijl deze ook de
mogelijkheid krijgt om inzage te vragen in het administratief dossier.
Verzoekende partij bezorgt op 14 september 2022 een schriftelijk verweer aan de gewestelijke
entiteit, waarbij ze vraagt om te worden gehoord.
6.
Op 17 april 2024 vraagt de gewestelijke entiteit opnieuw bijkomende inlichtingen aan de
verbalisant over het gebeurlijk herstel en met name in hoeverre de twee woongelegenheden
ondertussen zijn ingericht conform de voorwaarden van de omgevingsvergunning, dan wel of
er sprake is van een regularisatie. De verbalisant antwoordt op 23 april 2024 dat er hiervoor
geen nieuwe vergunning is aangevraagd en hij geen melding kreeg van herstel of van andere
aanpassingen.
7.
Verzoekende partij wordt op 16 mei 2024 gehoord door de gewestelijke entiteit. Deze legt
vervolgens op 4 juni 2024 een geldboete op aan verzoekende partij, die hiervan met een
aangetekende brief van 6 juni 2024 in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep -schending van artikel 15, 4° Procedurebesluit
Standpunt van de partijen
Verwerende partij 'maakt voorbehoud wat betreft een schending van artikel 15
Procedurebesluit en de ontvankelijkheid van het verzoekschrift ' omdat daarin 'geen specifieke
HHC,8
wettelijke norm of beginsel van behoorlijk bestuur wordt aangevoerd' en 'evenmin concreet
wordt geduid op welke wijze een bepaalde norm of een beginsel door de bestreden beslissing
zou zijn geschonden'.
Beoordeling door het College
1.
Verzoekende partij dient in het verzoekschrift verplicht minstens één ontvankelijk middel aan
te voeren, bij gebreke waarvan de vordering onontvankelijk is, terwijl de niet-naleving van deze
vereiste naderhand niet kan worden geregulariseerd (artikel 17 van het decreet van 4 april
2014 betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse
bestuursrechtscolleges -hierna: DBRC-decreet, in samenlezing met artikel 15, 4 °
Procedurebesluit). Een middel bestaat uit een voldoende en duidelijke omschrijving van de
overtreden rechtsregel of het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop deze
rechtsregel of dit rechtsbeginsel volgens verzoekende partij wordt geschonden. De vereiste
dat het verzoekschrift een uiteenzetting dient te bevatten van de feiten en de middelen
impliceert niet dat verzoekende partij expliciet de rechtsregels of rechtsbeginselen moet
vermelden die volgens haar door de bestreden beslissing worden geschonden. Het is enkel
noodzakelijk dat de uiteenzetting in het verzoekschrift het voor het College in het kader van
zijn legaliteitstoetsing, en voor verwerende partij in het kader van haar verdediging, mogelijk
maakt duidelijk te begrijpen wat de bestreden beslissing wordt verweten. Het College vernietigt
de bestreden beslissing wanneer deze onregelmatig is omwille van de schending van een
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel (artikel 35 DBRC-decreet).
2.
Verwerende partij stelt tevergeefs dat het verzoek tot vernietiging onontvankelijk is omdat het
verzoekschrift geen uiteenzetting bevat van de middelen, zodat haar exceptie wordt
verworpen. Op basis van de argumentatie in het verzoekschrift kan redelijkerwijze worden
vastgesteld dat verzoekende partij in eerste instantie betwist dat er een stedenbouwkundig
misdrijf voorligt, dat haar kan worden toegerekend. Ze betwist vervolgens ook de hoogte van
de boete, waarbij ze in het bijzonder kritiek uit op de beoordeling door de gewestelijke entiteit
van het waarderingscriterium van de frequentie en van de gevolgen van de overschrijding van
haar beslissingstermijn. Bovendien blijkt uit de antwoordnota van verwerende partij dat ze
daarover inhoudelijk standpunt heeft ingenomen, zodat ze wel degelijk begrijpt waarom
verzoekende partij meent dat de bestreden beslissing onregelmatig is en om die reden moet
worden vernietigd.
HHC-9
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie dat er een stedenbouwkundig misdrijf voorligt, dat haar
kan worden toegerekend. Ze voert dus feitelijk de schending aan van de artikelen 6.2.6, 6.2.7,
§ 1, lid 1 en 6.1.1, 6° VCRO en van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van
onschuld, in samenlezing met het volgens de bestreden beslissing geschonden artikel 6.2.1,
1 ° VCRO, in samenlezing met artikel 4.2.1, 7° VCRO. Ze merkt vooreerst op dat ze zich
bezwaarlijk in regel kan stellen binnen enkele dagen nadat haar omgevingsvergunning door
de Raad voor Vergunningsbetwistingen is vernietigd, in de rand waarvan ze wijst op de
vaststelling dat er door de achtereenvolgende bestuurlijke en jurisdictionele
vergunningsprocedures met betrekking tot het gebouw onduidelijkheid bestaat over de correct
vergunde toestand. Ze stelt, in navolging van haar schriftelijk verweer tijdens de bestuurlijke
boeteprocedure , dat de twee studio's op de derde en vierde verdieping van het gebouw zijn
vergund, zijn uitgevoerd en worden gebruikt als studentenkamers en niet als zelfstandige
woningen in de zin van de gemeentelijke stedenbouwkundige verordening 'Bouwcode' van
van 9 oktober 2014 (zoals van toepassing op het ogenblik van het PV) {hierna:
Bouwcode ). Ze meent dat deze studio's, die door hun kwalificatie als studentenhuisvesting
niet als hoofdverblijfplaats kunnen dienen, onmogelijk kunnen worden beschouwd als
zelfstandige woningen omdat ze niet voldoen aan de oppervlaktenorm in artikel 22 Bouwcode,
op basis waarvan een zelfstandige woning een netto-vloeroppervlakte moet hebben van
minimaal 35 m2; geen nutsvoorzieningen hebben en enkel bereikbaar zijn via de
gemeenschappelijke ruimtes van de studentenkamers; en geen leefruimte hebben. Ze stelt
dat er minstens twijfel bestaat over de definities en termen en dat ze de regelgeving nooit
bewust heeft overtreden. Ze wijst daarbij op de vaststelling dat het PV ten onrechte uitgaat
van de veronderstelling dat de studio's niet als 'zelfstandige woongelegenheden' mogen
worden ingericht omdat er in de vergunningsvoorwaarden enkel sprake is van 'zelfstandige
woningen' of 'zelfstandige woonentiteiten'.
2.
Verwerende partij meent dat verzoekende partij niet aantoont dat de beoordeling in de
bestreden beslissing van het stedenbouwkundig misdrijf en de toerekenbaarheid hiervan
foutief of kennelijk onredelijk is. Ze stelt dat verzoekende partij haar schriftelijk verweer tijdens
de bestuurlijke boeteprocedure herneemt, terwijl dit in de bestreden beslissing punt per punt
HHC-10
is weerlegd. Ze stelt dat de veelheid aan bestuurlijke en jurisdictionele vergunningsprocedures
met betrekking tot het gebouw niet relevant is omdat verzoekende partij er, ondanks deze
procedures, bewust en op eigen risico voor koos om de werken aan te vatten en over te gaan
tot het wijzigen van het aantal woongelegenheden. Ze wijst in dit kader op de vaststelling dat
er op het ogenblik van de opmaak van het eerste proces-verbaal op 3 september 2020
alleszins geen uitvoerbare omgevingsvergunning meer voorlag voor de herindeling van het
gebouw in acht woongelegenheden omdat de tenuitvoerlegging van de omgevingsvergunning
door het arrest van de RWB van 30 juni 2020 was geschorst. Ze merkt daarbij op dat er in dit
proces-verbaal ook reeds is vastgesteld dat er op de derde en vierde verdieping van het
gebouw twee zelfstandige woongelegenheden werden ingericht zonder vergunning en in strijd
met de Bouwcode. Ze benadrukt dat de veelheid aan bestuurlijke en jurisdictionele
vergunningsprocedures met betrekking tot het gebouw losstaat van de inrichting van deze
twee zelfstandige woongelegenheden omdat elke verkregen omgevingsvergunning tot nu toe
steeds uitdrukkelijk heeft verboden om op de derde en vierde verdieping zelfstandige
woongelegenheden in te richten. Ze stelt dat algemeen opzet volstaat voor een
stedenbouwkundig misdrijf en dat er in die optiek ter zake geen sprake kan zijn van dwaling in
hoofde van verzoekende partij. Ze betwist de aangevoerde twijfel over het begrip 'zelfstandige
woongelegenheid' omdat verzoekende partij wordt bijgestaan door een raadsman en zich dan
ook niet op enige onwetendheid kan beroepen. Ze benadrukt ter zake dat er in de bestreden
beslissing wordt verwezen naar de duidelijke vergunningsvoorwaarden, die niet voor
interpretatie vatbaar zijn en waaruit duidelijk blijkt dat er in de studio's geen afzonderlijke
keuken kan worden voorzien en ze hierdoor overeenkomstig de Bouwcode dienen te worden
beschouwd als zelfstandige woningen. Ze wijst in dit kader ook naar de overwegingen in de
bestreden beslissing, waaruit blijkt dat het al dan niet voorzien van een aparte leefruimte, een
aparte toegang en/of nutsvoorzieningen ter zake niet relevant is en dat uit de ontstentenis van
gemeenschappelijke ruimte a contrario kan worden afgeleid dat er sprake is van zelfstandige
woongelegenheden.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die een stedenbouwkundig misdrijf uitmaken in de zin van artikel 6.2.1, lid 1
VCRO en die naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen
worden bestraft (artikelen 6.2.6 VCRO). Elke schending van de gehandhaafde regelgeving die
wetens en willens gebeurt is in beginsel strafbaar, zodat enkel (algemeen) opzet is vereist. De
geldboete kan alleen worden opgelegd aan de 'overtreder', hetzij de natuurlijke persoon of de
HHC-11
rechtspersoon die het stedenbouwkundig misdrijf heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft
gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend (artikel 6.2.7, §1, lid 1 VCRO en artikel
6.1.1, 6° VCRO), en kan worden opgelegd aan alle overtreders (artikel 6.2.13, §4 VCRO). De
kwalificatie van de feiten als een stedenbouwkundig misdrijf en de toerekenbaarheid hiervan
aan verzoekende partij als overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de
gewestelijke entiteit om haar een geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het
stedenbouwkundig misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk en de overtreder berust bij de
gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op
bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle
middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering betekent dat dit bewijs
onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke
vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een stedenbouwkundig
misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur
en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder
meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van
de mens en de fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op
procedureel en inhoudelijk vlak.
3.
De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing met betrekking tot 'de
toerekenbaarheid aan de overtreder' het volgende:
Overeenkomstig artikel 6.2.1, 1 ° VCRO is het strafbaar om zonder voorafgaandelijke
omgevingsvergunning handelingen te stellen die conform artikel 4.2.1 VCRO vergunningsplichtig
zijn. Volgens artikel 4.2.1, 7° VCRO is er een vergunning nodig om een woning opsplitsen of in een
gebouw het aantal woongelegenheden die hoofdzakelijk bestemd zijn voor de huisvesting van een
gezin of een alleenstaande wijzigen, ongeacht of het gaat om een eengezinswoning, een
etagewoning, een flatgebouw, een studio of een al dan niet gemeubileerde kamer.
Uit het proces-verbaal en de hiervoor aangehaalde feiten is gebleken dat vermoedelijke overtreder
het aantal woongelegenheden aan het wijzigen is. In de omgevingsvergunning van 3 september
2021 wordt de huidige toestand van het pand beschreven. Dit geeft aan dat er 11 studentenkamers
zijn (voorhuis), een woning (achterhuis) en een bureel met atelier.
HHC-12
In het proces-verbaal van 3 september 2020 blijkt dat vermoedelijk overtreder het pand (voorhuis)
aan het herindelen is in 8 woongelegenheden. In zijn proces-verbaal van 10 juni 2022 stelt de
verbalisant vast dat het aantal woongelegenheden niet is gewijzigd maar de afwerking ervan niet
verloopt conform de toegekende vergunning. Volgens de verbalisant is de voorbouw enkel vergund
als een woongelegenheid en is de beschreven toestand van 11 studentenkamers dus niet
stedenbouwkundig vergund. Welke toestand de correct vergunde toestand is, is niet volledig
duidelijk. De vergunning 14 november 2019 werd verlengd door de Raad voor
Vergunningsbetwistingen en leidde tot de vergunning van 3 juni 2021.
Los van de discussie van het aantal woongelegenheden, is er geen discussie over het feit dat het
aantal werd gewijzigd in het voorhuis naar acht (in plaats van elf of een). Het aantal woongeleden
wordt dus gewijzigd en is dus vergunningsplichtig conform de aangehaalde bepaling. Hierbij is het
niet van belang of het aantal woongelegenheden stijgt of daalt. Elke wijziging er van is
vergunningsplichtig. Ook de aard van de wijziging is niet relevant conform de aangehaalde
bepaling. Of de wijziging plaatsvindt in een zelfstandige woongelegenheid of studentenkamer of
welke vorm van woongelegenheid dan ook. Heeft geen impact op de vergunningsplicht.
In zijn verweer en tijdens de hoorzitting argumenteert vermoedelijke overtrede r over de al dan niet
doorbreking van het stakingsbeve l van 3 september 2020. In de mate dat dit nodig is, kan er worden
opgemerkt dat in de kennisgeving van 16 augustus 2022 geen sprake is van een doorbreking, doch
enkel van het wijzigen van het aantal woongelegenheden. De feiten en tenlastelegging richten zich
dan ook op de loutere wijziging van het aantal woongelegenheden zonder of in strijd met de
omgevingsvergunning.
Zowel de vergunning van 3 juni 2021 als deze van 3 september 2021 laten toe dat er op de derde
en vierde verdiepingen woongelegenheden worden ingericht, maar dat deze niet mogen worden
ingericht als een zelfstandige woongelegenheid. Vermoedelijke overtreder verwijst met betrekking
tot de vergunning van september naar het feit dat er sprake is van een 'zelfstandige woonentiteit'
wat niet zou gedefinieerd zijn. Uit de context van de beslissing mag duidelijk zijn dat hiermee de
zelfstandige woning wordt bedoeld zoals omschreven en gedefinieerd in de Bouwcode van
:e meer daar de Deputatie ook expliciet verwijst naar de norm van 35m2•
Vermoedelijke overtreder gaat echter over tot een merkwaardige lezing van de voorwaarden van
de vergunning. De voorwaarden van een vergunning vormen een integrerend onderdeel van de
vergunning en de niet naleving er van staat gelijk met het niet naleven van de vergunning. Het
opleggen van voorwaarden door de vergunningverlenende overheid strekt er toe om een
aangevraagd project in overeenstemming te brengen met de goede plaatselijke ruimtelijke
ordening. Uiteraard kunnen in :liverse soorten van woongelegenheden worden
ingericht, maar niet elke vorm is wenselijk op een bepaalde locatie of zoals in dit geval met een
bepaalde oppervlakte. Het opleggen van een voorwaarde vereist ook niet dat de plannen worden
HHC 013
gewijzigd te meer daar het hier over inrichtingsvoorwaarden gaat. De redenering van vermoedelijke
overtreder over het afglijden naar een andere woonvorm of verkoop in de toestand is hier ook niet
relevant. De vergunningverlenende overheid heeft expliciet gezegd dat de desbetreffende
woongelegenheden niet mogen worden ingericht als zelfstandige woning. Vermoedelijk overtreder
verwijst in zijn verweer zelf naar de definitie hiervan in de Bouwcode . Indien er een wc. bad of
douche, kookgelegenhe id, woongelegenheid en slaapgelegenheid gelijktijdig zijn ingericht is er
sprake van een zelfstandige woning, wat conform de vergunningen niet is toegelaten op de derde
en vierde verdieping volgens de ingediende plannen omdat de woongelegenheden een te beperkte
oppervlakte hebben, namelijk minder dan 35m2• De lezing van vermoedel ijke overtreder in verband
met de draagwijdte van de voorwaarde , namelijk dat de voorwaarde enkel geldt bij latere verkoop
of verhuur kan dan ook niet worden bijgetreden .
In zijn verweer betwist vermoedelijke overtreder ook dat alle onderdelen van een zelfstandige
woning aanwezig moet zijn en in het bijzonder de leefruimte. Dit argument van vermoedelijke
overtreder kan niet gevolgd worden. Aan de verschijningsvorm van de onderdelen zoals
gedefinieerd in artikel 4 van de Bouwcode worden geen voorwaarden verbonden. Het is dus niet
vereist dat elk van hen in een ommuurde ruimte zijn of wat dan ook. De betrokken duplexstudio 's
strekken zich uit over het derde en vierde verdiep van het gebouw. Op het plan bij de vergunning
is er een aparte ruimte op de vierde verdieping. Hier zijn geen bijzondere nutsvoorzieningen
(wateraanvoer , afvoer, ... ) aanwezig, wel zijn er twee dakramen. Deze ruimte kan dus logischer
wijze als slaapruimte worden gebruikt. Op de derde verdieping is voor elk van de
woongelegenheden een aparte ruimte voorzien met hierin het sanitair, zijnde een toilet, wastafel
en douche. De rest van de ruimte is een geheel en op de plannen is er geen keuken ingetekend.
Uit de vaststellingen van de verbalisant is gebleken dat er een open keuken in deze ruimte werd
geplaatst. Op plannen die gevoegd zijn bij het proces-verbaal van 3 september 2020 is deze ruimte
wel nog opgedeeld in een keukendeel en een leefruimte. Op de latere plannen zijn deze
benamingen verdwenen. In deze ruimte is er dus sprake van een keuken die duidelijk op de foto
bij het proces-verbaal van 10 juni 2022 is te zien, zijnde een open meubel met kraan en pompbak ,
fornuis en oven. De keuken gaat over in de leefruimte waar de tafel te zien is die gebruikt wordt
om bezig te zijn met documenten en een laptop. Het gegeven dat dit een open ruimte is, doet niks
af van het feit dat er een keuken en leefruimte is. Ook de andere onderdelen van een zelfstandige
woning zijn aanwezig. Het feit dat het om zelfstandige woongelegenheden gaat, kan a contrarie
ook worden afgeleid uit het feit dat er geen gemeenschappelijke ruimte is. Op de andere verdiepen
met studentenkamers is er per verdiep steeds een gemeenschappelijk toilet en badkamer voorzien.
Op de verdiepen drie en vier zijn er geen gemeenschappelijke ruimtes. Er is ook geen noodzaak
om de gemeenschappelijke voorzieningen op een ander verdiep te gebruiken gezien deze
woongelegenheden elk een eigen badkamer en toilet hebben.
Het is dan ook duidelijk dat de twee studio's op de derde en vierde verdieping zijn ingericht als een
afzonderl ijke woongelegenhe id en dit in strijd met de uitdrukkelijke voorwaarden van de
HHC ,14
3. omgevingsvergunning (zowel deze van 3 juni 2021 als deze van 3 september 2021 ). Gelet op het
feit dat de voorwaarden van de omgevingsvergunning niet werden nageleefd, werd de
omgevingsvergunning met betrekking tot deze twee woongelegenheden in hun geheel niet correct
nageleefd en werden zij ten onrechte gecreëerd in hun huidige vorm.
Tijdens de hoorzitting stelt vermoedelijke overtreder dat er geen aparte nutsmeters zouden zijn, er
maar een gemeenschappelijke ingang is voor alle woongelegenheden en er wordt verhuurd aan
studenten. Waar het eerste en derde argument enkel blanke beweringen zijn, doet dit ook niets af
van het feit dat het om een zelfstandige woongelegenheid zoals gedefinieerd in
bouwcode.
Tijdens de hoorzitting verwijst vermoedelijke overtreder ook naar het lange traject dat hij reeds
gelopen heeft in verband met dit bouwproject door diverse bezwaren van buren en de financiele
impact voor hem terwijl het project volgens hem past in de plaatselijke goede ruimtelijke ordening.
Deze elementen zijn echter niet ter zake. Het feit dat derden hun rechten in de procedure tot het
bekomen van een omgevingsvergunning, verleent vermoedelijke overtreder geen toelating om de
regelgeving inzake ruimtelijke ordening te schenden, hetzelfde geldt voor de mogelijke financiele
impact voor hem. De beoordeling of een omgevingsvergunning kan worden verleend voor een
project en dit zich verstaat met de goede ruimtelijke ordening, behoort toe aan de
vergunningsverlenende overheden zodat deze discussie hier niet gevoerd dient te worden.
Bovenvermelde feiten zijn een schending van:
VCRO: Artikel 6.2.1, 1 ° in samenhang met 4.2.1, 1 ° en 7°.
Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een stedenbouwkundig misdrijf als bedoeld in
de artikelen 6.2.1 en 6.2.13 VCRO waarvoor een bestuurlijke geldboete kan opgelegd worden.
Artikel 6.1.1, 6° VCRO definieert een overtreder als "de natuurlijke persoon of rechtspersoon die
het stedenbouwkundige misdrijf of de stedenbouwkundige inbreuk heeft uitgevoerd, er opdracht
toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend". Vermoedelijke overtreder is de
eigenaar van het perceel en dient dan ook als opdrachtgever van de werken te worden beschouwd.
Het stedenbouwkundige misdrijf staat vast in hoofde van overtreder."
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat het wijzigen van
het aantal woongelegenheden in het voorhuis van het gebouw in strijd met de hiervoor
verleende omgevingsvergunningen van respectievelijk 3 juni 2021 en 16 september 2021 en
dus feitelijk zonder omgevingsvergunning, een stedenbouwkundig misdrijf uitmaakt, dat haar
HHC-15
kan worden toegekend, foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens)
twijfel bestaat. Ze stelt tevergeefs dat de twee woongelegenheden op de derde en vierde
verdieping zijn ingericht conform deze omgevingsvergunningen, dan wel dat er ter zake
onduidelijkheid bestaat over het begrip 'zelfstandige woning'.
3.1.
Zoals blijkt uit de feitelijke uiteenzetting en door partijen op zich niet wordt betwist, heeft de
deputatie aan (de bestuurder van) verzoekende partij al meermaals een omgevingsvergunning
onder voorwaarden verleend voor (onder meer) het wijzigen van het aantal
woongelegenheden in het voorhuis van het gebouw, die door de RWB telkens zijn geschorst
en/of vernietigd. Het project beoogt met name acht studentenkamers, waarbij de gelijkvloerse
verdieping een gemeenschappelijke keuken en woonkamer omvat, de eerste en tweede
verdieping telkens drie kamers met een gemeenschappelijke badkamer, en de derde en vierde
(dak)verdieping twee duplex studio's. De discussie tussen partijen heeft betrekking op de
verenigbaarheid van de inrichting van deze twee studio's met de achtereenvolgende
omgevingsvergunningen voor het project, in het bijzonder deze van respectievelijk 3 juni 2021
en 16 september 2021.
De deputatie overweegt in haar initiële omgevingsvergunning voor het project van 14
november 2019, met betrekking tot de verenigbaarheid van het project met de Bouwcode, dat
deze twee studio's qua oppervlakte niet voldoen aan de vereiste 'minimale oppervlakte van
een zelfstandige woning' in artikel 22 Bouwcode, terwijl ze, 'hoewel het studentenkamers
betreffen, ook kunnen worden beschouwd als zelfstandige woning (cfr. definitie in bouwcode)'
omdat 'alle volgende voorzieningen aanwezig zijn: wc, bad of douche, kookgelegenheid,
woongelegenheid en slaapgelegenheid'. Ze legt daarom als vergunningsvoorwaarde op dat
'de 2 studentenkamers op de 3de en 4de verdieping niet mogen ingericht worden als
zelfstandige woning'. Een zelfstandige woning betreft volgens de definitie hiervan in artikel 4,
79, b Bouwcode een 'woning waarin alle volgende voorzieningen aanwezig zijn, namelijk: wc,
bad of douche, kookgelegenheden, woongelegenheid en slaapgelegenheid'. Uit deze initiële
vergunning blijkt duidelijk dat de deputatie ze enkel verleent als de tweede studio's, die volgens
de initiële bouwplannen op de derde verdieping, naast een badkamer, zowel een keuken als
een leefruimte hebben, niet alle voorzieningen van een zelfstandige woning bevatten. Dit wordt
bevestigd in het initiële proces-verbaal van 3 september 2020, dat is opgemaakt na de
schorsing van de tenuitvoerlegging van deze initiële vergunning door de RWB, en waarin de
staking is opgelegd van de plaatsing van een ingerichte keuken in deze studio's. De verbalisant
stelt daarin met name vast dat 'de twee bovenste woongelegenheden worden uitgevoerd als
zelfstandige woongelegenheden (alle functies intern aanwezig of minstens voorzien om
HHC-16
dusdanig af te werken)', in strijd met de voorwaarde dat 'deze twee woongelegenheden als
studentenkamers of niet zelfstandige woningen dienden ingericht te worden'. Hoewel deze
initiële vergunning door de RWB vervolgens ook wordt vernietigd en hierdoor wordt geacht
nooit te hebben bestaan, is ze toch van belang omdat de daaropvolgende
(herstel)vergunningen hierop voortbouwen. Zo herneemt de deputatie in haar
(herstel)vergunning van 3 juni 2021, die finaal door de RWB ook wordt vernietigd, haar initieel
oordeel met betrekking tot deze twee studio's en legt ze opnieuw als vergunningsvoorwaarde
op dat 'de 2 studentenkamers op de 3de en 4de verdieping niet mogen ingericht worden als
zelfstandige woning'. De deputatie oordeelt vervolgens ook in gelijkaardige zin in haar
vergunning van 16 september 2021, naar aanleiding van een nieuwe aanvraag van (de
bestuurder van) verzoekende partij voor het project, waarbij de ruimtes van de
woongelegenheden op de derde en vierde verdieping op de plannen niet langer worden
benoemd. Ze overweegt daarin, met betrekking tot de verenigbaarheid van het project met
artikel 22 Bouwcode, met name dat deze twee studio's 'zelf beschikken over toilet en douche',
terwijl 'een kookgelegenheid gemeenschappelijk is voorzien op het gelijkvloers'. Ze herhaalt
daarbij dat deze studio's 'niet als zelfstandige woonentiteiten kunnen worden ingericht, gezien
de oppervlakte kleiner is dan 35m2', en legt in die optiek als voorwaarde op dat de studio's 'in
de toekomst niet verder kunnen omgevormd worden tot zelfstandige woonentiteiten, gezien
de oppervlakte van de kamers kleiner is dan 35m2'. Nadat ook deze vergunning door de RWB
wordt vernietigd, herneemt de deputatie dezelfde overwegingen en voorwaarde in haar
(herstel)vergunning van 1 december 2022, die ondertussen ook is vernietigd door de RWB.
3.2.
Op basis van de gelijkaardige overwegingen en de daarmee gerelateerde
vergunningsvoorwaarden in de achtereenvolgende omgevingsvergunningen van de deputatie,
blijkt onmiskenbaar dat de wijziging van het aantal woongelegenheden in het voorhuis van het
gebouw tot acht studentenkamers telkens enkel ruimtelijk inpasbaar is geacht, mits de twee
beoogde studio's op de derde en vierde (dak)verdieping niet zouden worden ingericht als
zelfstandige woningen in de zin van artikel 4, 79, b Bouwcode en er daarin met name niet ook
een keuken zou worden geplaatst. Zoals blijkt uit het PV en door partijen niet wordt betwist,
stelde de verbalisant vast dat deze twee studio's door of in opdracht van verzoekende partij
finaal toch zijn ingericht als zelfstandige woningen (die niet voldoen aan de oppervlaktenorm
in artikel 22 Bouwcode), doordat er daarin telkens (ondanks het bekrachtigde stakingsbevel)
een uitgeruste keuken is geïnstalleerd. De inrichting van deze studio's tot zelfstandige
woningen is dan ook in strijd is met de achtereenvolgende omgevingsvergunningen voor het
project, zodat er daaruit voor hun schorsing en/of vernietiging door de RWB zelfs geen
rechten meer konden worden geput. De achtereenvolgende (gelijkaardige) voorwaarden met
HHC -17
betrekking tot de inrichting van deze studio's beoogden daarbij telkens om een
onverenigbaarheid van de vergunningsaanvraag met de stedenbouwkundige voorschriften te
remediëren, teneinde een niet-vergunbare aanvraag toch vergunbaar te maken. Het
stedenbouwkundig misdrijf in hoofde van verzoekende partij staat dan ook vast. De bewering
van verzoekende partij, dat deze studio's geen afzonderlijke leefruimte hebben, doet niet
anders besluiten omdat dit wordt tegengesproken in het PV, terwijl ook uit de bouwplannen bij
de respectievelijke omgevingsvergunningen blijkt dat de ruimtes van deze studio's, die initieel
wel werden benoemd als badkamer, keuken en leefruimte, gewoonweg niet langer formeel
worden benoemd, maar wel nog altijd aanwezig zijn. Ook haar bewering dat de studio's geen
nutsvoorzieningen hebben en slechts toegankelijk zijn via de gemeenschappelijke ruimtes
doet niet anders besluiten omdat een zelfstandige woning in de zin van de Bouwcode enkel
vereist dat er zowel een wc, een bad of douche, kookgelegenheden, een woongelegenheid en
een slaapgelegenheid als voorziening aanwezig zijn. In die optiek is ook de verwijzing door
verzoekende partij naar de oppervlaktenorm voor een zelfstandige woning in artikel 22
Bouwcode, en haar opmerking dat de studio's daaraan niet voldoen, niet relevant omdat hun
grootte op zich geen afbreuk doet aan hun kwalificatie als zelfstandige woning en enkel tot
gevolg heeft dat ze door hun grootte niet als zelfstandige woning kunnen worden ingericht en
gebruikt.
3.3.
Verzoekende partij stelt tevergeefs dat dit stedenbouwkundig misdrijf haar niet kan worden
verweten. In zoverre ze aanvoert dat ze zich na de vernietiging door de RWB van haar
achtereenvolgende omgevingsvergunningen voor het project niet per kerende in regel kon
stellen, gaat ze ten onrechte voorbij aan de vaststelling dat deze vergunningen allemaal de
gelijkaardige voorwaarde bevatten dat de twee studio's op de derde en vierde verdieping niet
mogen worden ingericht als zelfstandige woningen, terwijl dit (zoals hoger gesteld) wel is
gebeurd. Verzoekende partij heeft ten onrechte zowel haar (ondertussen vernietigde) initiële
omgevingsvergunning voor het project van 14 november 2019, als haar navolgende
(herstel)vergunningen van respectievelijk 3 juni 2021 en 16 september 2021 (en 1 december
2022), nooit nageleefd. In zoverre ze wijst op de verschillende definities en termen die in het
dossier worden gehanteerd voor de twee studio's, met name zelfstandige woongelegenheden
in het PV en zelfstandige woningen dan wel woonentiteiten in de omgevingsvergunningen,
toont ze redelijkerwijze niet aan dat ze daardoor in verwarring is gebracht. Uit alle gegevens
blijkt ontegensprekelijk dat zowel de vergunningverlenende overheden als de handhavende
overheden doelen op het verbod om de twee studio's in te richten als zelfstandige woningen
in de zin van artikel 4, 79, b Bouwcode, met name met alle mogelijke voorzieningen, terwijl
verzoekende partij dit verbod bewust heeft genegeerd. In de hypothese dat ze hierover geen
HHC-18
zekerheid had, stond het haar vrij de verbalisant of de vergunningverlenende overheid nadere
informatie te vragen.
Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie de hoogte van de boete in het licht van het eenmalig
karakter van de feiten en de omstandigheid dat de beslissingstermijn van de gewestelijke
entiteit op het ogenblik van de bestreden beslissing was overschreden, en vraagt om de boete
minstens te herleiden. Ze voert dus feitelijk de schending aan van de artikelen 6.2.7, §1 en
6.2.13, §4, lid 2 VCRO en van het evenredigheidsbeginsel en de redelijke termijneis als
algemeen beginsel van behoorlijk bestuur.
Wat betreft het waarderingscriterium van de frequentie , verwijt ze de gewestelijke entiteit met
name dat deze ten onrechte laat uitschijnen dat ze eerder vergelijkbare feiten heeft gepleegd
omdat deze betrekking hebben op hetzelfde dossier.
Wat betreft de termijn waarbinnen de gewestelijke entiteit in beginsel een boetebeslissing moet
nemen, verwijt ze de gewestelijke entiteit dat deze haar beslissingstermijn heeft laten
verstrijken , zoals in de bestreden beslissing wordt erkend, terwijl er hiervoor in het licht van de
aard van het dossier, en met name de vaststelling dat ze steeds heeft meegewerkt , geen
aanleiding bestond.
2.
Verwerende partij meent dat verzoekende partij niet aantoont dat de begroting door de
gewestelijke entiteit van de boete, en met name haar beoordeling van het waarderingscriterium
van de frequentie en van de gevolgen van de overschrijding van haar beslissingstermijn, foutief
of kennelijk onredelijk is.
Wat betreft de frequentie , meent ze dat de boete terecht is verhoogd. Ze stelt ze dat het
proces-verbaal van 3 september 2020 is opgemaakt naar aanleiding van het geheel van de
werken in het licht van de schorsing door de RWB op dat ogenblik van de tenuitvoerlegging
van de initiële omgevingsvergunning van 14 november 2019. Ze benadrukt dat verzoekende
partij toen reeds expliciet is gewezen op de vaststelling dat het verder inrichten van de studio's
HHC -19
op de derde en vierde verdieping als zelfstandige woningen strijdig was met de voorwaarden
van deze geschorste vergunning. Ze stelt dat verzoekende partij hierna heeft geopteerd om
deze studio's, door het plaatsen van een uitgeruste keuken, alsnog verder in te richten als
zelfstandige woningen, terwijl dit ook strijdig was met de gelijkaardige voorwaarden van de
navolgende omgevingsvergunningen voor het project van respectievelijk 3 juni 2001 en 16
september 2021, waardoor het PV is opgemaakt.
Wat betreft de overschrijding door de gewestelijke entiteit van haar beslissingstermijn
waarbinnen ze in beginsel een boetebeslissing moet nemen, benadrukt ze dat dit een
ordetermijn is en dat de gewestelijke entiteit bij haar beoordeling rekening heeft gehouden met
de overschrijding hiervan en de boete om die reden heeft herleid. Ze wijst in dit kader op de
vaststelling dat de gewestelijke entiteit, vooraleer ze de boetebeslissing nam, heeft
geïnformeerd in hoeverre verzoekende partij inmiddels was overgegaan tot herstel. Ze verwijt
verzoekende partij dat deze zich ter zake nooit in regel heeft gesteld, hoewel ze daartoe
veelvuldig de mogelijkheid kreeg, zodat er geen sprake is van enige medewerking. Ze
benadrukt in dit kader dat er in alle achtereenvolgende omgevingsvergunningen voor het
project telkens is bepaald dat de studio's op de derde en vierde verdieping niet mogen worden
ingericht als zelfstandige woningen, terwijl verzoekende partij dit toch heeft gedaan. Ze stelt
dat verzoekende partij niet aanvoert dat ze door de overschrijding door de gewestelijke entiteit
van haar beslissingstermijn nadelige gevolgen heeft ondervonden vanuit het oogpunt van de
bewijslevering, dan wel dat haar recht van verdediging hierdoor is aangetast. Ze merkt op dat
verzoekende partij ook niet aantoont dat een bestraffing in het licht van de ernst van de feiten
niet langer passend en noodzakelijk is, zoals in de bestreden beslissing wordt overwogen.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit (artikel 6.1.1, 2° VCRO) moet in het licht van het
evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bij het opleggen van
een bestuurlijke geldboete zorgen dat de boete evenredig is tot de feiten (zie naar analogie
artikel 16.4.4 van het decreet van 5 april 1995 houdende de algemene bepalingen inzake
milieubeleid). Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke
geldboete wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundig misdrijf, terwijl er ook
rekening wordt gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit
heeft gepleegd of beëindigd (artikel 6.2.7, §1, lid 2 VCRO). De gewestelijke entiteit beschikt
hierbij in het licht van het maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel
6.2.13, §4 VCRO) over een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij ze op vraag van de
HHC • 20
overtreder in beginsel ook de mogelijkheid heeft om de boete op te leggen met uitstel van
tenuitvoerlegging (artikel 6.2.7, §2, lid 1 DABM).
Het College zal bij het toezicht hierop aan de hand van de argumentatie die regelmatig en in
het bijzonder door verzoekende partij wordt voorgelegd nagaan of de gewestelijke entiteit is
uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op
grond daarvan de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk
onredelijk heeft toegepast. Dit zal met name moeten blijken uit de motieven die aan de
boetebeslissing ten grondslag liggen en die daarin worden vermeld en afdoende moeten zijn,
vermits de beslissing als individuele bestuurshandeling ressorteert onder de wet van 29 juli
1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Ze moet dus een
concrete, precieze en pertinente of draagkrachtige motivering bevatten waaruit de keuze van
de gewestelijke entiteit voor een boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de
overtreder hiertegen met kennis van zaken kan opkomen.
2.
Als de gewestelijke entiteit een stedenbouwkundig misdrijf wil bestraffen met een alternatieve
bestuurlijke geldboete moet ze bepaalde termijnen in acht nemen. Ze beschikt hiervoor
enerzijds over een termijn van vijf jaar, vanaf de dag waarop het stedenbouwkundig misdrijf is
gepleegd, waarna de mogelijkheid tot het opleggen van een geldboete verjaart. De verjaring
wordt daarbij gestuit door daden van onderzoek of van vervolging binnen deze termijn, waarbij
het opstellen van een verslag van vaststelling of een proces-verbaal door een bevoegde
verbalisant steeds als een daad van onderzoek wordt beschouwd (artikel 6.2.9 VCRO). Dit is
een vervaltermijn, zodat de gewestelijke entiteit na het verstrijken hiervan niet langer bevoegd
is om een geldboete op te leggen. Ze moet anderzijds haar voornemen om een bestuurlijke
geldboete op te leggen overmaken aan de vermoedelijke overtreder binnen een termijn van
dertig dagen, na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings over het al dan
niet strafrechtelijk behandelen van het stedenbouwkundig misdrijf. Vanaf deze kennisgeving
beschikt ze dan over een termijn van 180 dagen om te beslissen over het opleggen van een
alternatieve bestuurlijke geldboete, die wordt geschorst door het voorstel tot betaling van een
geldsom (artikel 6.2.14, lid 2 VCRO), waarna ze haar beslissing binnen een termijn van tien
dagen aan de overtreder moet betekenen (artikel 6.2.13, §4, lid 2 VCRO in samenlezing met
artikel 6.2.12 VCRO). Dit zijn ordetermijnen, waarvan de schending op zich niet wordt
gesanctioneerd, zodat de gewestelijke entiteit na het verstrijken hiervan nog altijd bevoegd is
om een geldboete op te leggen en de bestreden beslissing om die reden niet noodzakelijk
moet worden vernietigd.
HHC-21
De gewestelijke entiteit heeft op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en
in het bijzonder de redelijke termijn-eis als onderdeel van het zorgvuldigheidsbeginsel wel de
plicht om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen. Onder het begrip 'kennelijk
onredelijke termijn' verstaat het College een termijn die zodanig laattijdig is dat het niet meer
redelijk kan worden geacht om de overtreder alsnog de normale voor het stedenbouwkundig
misdrijf decretaal toepasselijke bestuurlijke punitieve sanctie op te leggen. De redelijke
termijnvereiste manifesteert zich ten aanzien van de gewestelijke entiteit als de verplichting
om te handelen als een goede huisvader en moet in het licht van de vijfjarige verjaringstermijn,
als absolute grens waarbinnen een geldboete kan worden opgelegd, worden geëvalueerd
naargelang de concrete omstandigheden. Hierbij kunnen tal van factoren een rol spelen, zoals
de complexiteit van het dossier, het gedrag van de bestuurlijke overheden en de houding van
de overtreder. De gebeurlijke vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden leidt op zich
niet noodzakelijk automatisch tot de vernietiging van de bestreden beslissing. De gevolgen
hiervan moeten opnieuw worden beoordeeld naargelang de concrete omstandigheden en dit
zowel uit het oogpunt van de bewijslevering als van de opportuniteit tot het opleggen van een
sanctie en de omvang ervan. Het komt in eerste instantie aan de gewestelijke entiteit toe om
binnen haar discretionaire bevoegdheid te oordelen over de (boeteverlagende) gevolgen van
de overschrijding van de redelijke termijn. Het College oefent hierop een wettigheidstoezicht
uit en gaat met name na of de boetebeslissing op dat punt niet kennelijk onredelijk is.
3.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van het
boetebedrag rekening houdt met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de
omstandigheden waarin het is gepleegd of beëindigd, waaronder de overschrijding van haar
decretale beslissingstermijn. Ze overweegt daarover onder de titel 'de hoogte van de
geldboete' met name onder meer het volgende:
"4.2.1. De ernst van de feiten
Overtreder heeft hier manifest tegen de wil van de vergunningverlenende overheid haar eigen
project gerealiseerd. Dit heeft een impact op de goede ruimtelijke ordening en de woonkwaliteit.
Het inrichten van een woongelegenheid met alle functionaliteiten heeft een andere impact daar het
permanente bewoners kan aantrekken in plaats van studenten. Bovendien zullen deze leven in
een woning die niet in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften van de
Bouwcode van
De feiten zijn voldoende ernstig om te worden gesanctioneerd met een bestuurlijke geldboete van
4000 euro.
HHC • 22
4. 4.2.2. De frequentie
Het betreft geen eenmalige schending. Uit onderzoek van het dossier blijkt dat overtreder reeds
eerder vergelijkbare feiten pleegde. Deze feiten werden vastgesteld in het proces-verbaal (nr.
van 3 september 2020. Dit gegeven verantwoordt de verhoging van het
boetebedrag in voorliggende beslissing. Het criterium frequentie geeft dus aanleiding tot een
verhoging van de geldboete tot 5000 euro.
4.2.3. De omstandigheden
Er zijn geen bijzondere omstandigheden die in rekening worden genomen bij het bepalen van de
hoogte van de geldboete. Uit de inlichtingen van de verbalisant met betrekking tot een herstel, blijkt
dat de toestand ter plaatse niet is gewijzigd. Dit werd ook bevestigd tijdens de hoorzitting. Naar
aanleiding van de hoorzitting werd op 16 mei 2024 per mail een omgevingsvergunning die door de
deputatie werd uitgereikt op 18 april 2024 meegedeeld. Deze omgevingsvergunning leidt ook niet
tot een herstel gezien in artikel 1 van de vergunning nog steeds is opgenomen dat de ruimtes niet
als zelfstandige woonentiteiten mogen worden ingericht.
De gewestelijke entiteit ging per schrijven van 16 augustus 2022 over tot kennisgeving van het
voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen. De boetebeslissing moet binnen een
termijn van honderdtachtig dagen na deze kennisgeving genomen worden. Deze termijn van
honderdtachtig dagen is een termijn van orde, waarvan de overschrijding niet gesanctioneerd
wordt. Deze beslissingstermijn is inmiddels verstreken. De gewestelijke entiteit is evenwel van
oordeel dat de feiten voldoende ernstig zijn om alsnog een bestuurlijke geldboete op te leggen en
acht het, wegens de voorliggende overschrijding van de beslissingstermijn en rekening houdende
met de concrete elementen in het dossier, passend en redelijk om het boetebedrag te verlagen tot
5050 euro.
Verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat
deze motieven de bestreden boetebeslissing redelijkerwijze niet kunnen dragen en dat de
beoordeling door de gewestelijke entiteit van de waarderingscriteria om het boetebedrag te
bepalen foutief of kennelijk onredelijk is en er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen
de feiten en de opgelegde geldboete omdat de gewestelijke entiteit de haar toegekende
appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend. Haar kritiek vormt dan ook
eerder opportuniteitskritiek, waarbij ze haar visie over de begroting van de boete stelt
tegenover deze van de gewestelijke entiteit, die ter zake in het licht van het mogelijke
boetebedrag over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt.
HHC -23
4.1.
Verzoekende partij, die in haar verzoekschrift geen kritiek uit op de beoordeling door de
gewestelijke entiteit van het eerste waarderingscriterium van de ernst van de feiten, betwist
tevergeefs de verhoging van de (basis)boete omwille van de frequentie. Ze verwijt de
gewestelijke entiteit op zich niet dat deze foutief of kennelijk onredelijk oordeelt door, binnen
haar ruime discretionaire bevoegdheid bij het bepalen van het boetebedrag, het
waarderingscriterium van de frequentie (enkel) als boeteverzwarende omstandigheid in
aanmerking te nemen, als vaststaat dat de overtreder al eerder gelijkaardige feiten pleegde.
Dit oordeel ligt overigens in de lijn van de parlementaire voorbereiding van artikel 16.4.29
DABM (Pari. St., Vl. P., 2006-07, nr. 1249/1, 59), waarmee artikel 6.2.7, §1, lid 2 VCRO
analoog is, en waarin wordt gesteld dat 'het vanuit het proportionaliteitsbeginsel belangrijk is
om bij de bepaling van de bestuurlijke geldboeten rekening te houden met zowel positieve (de
omstandigheden waarin de vermoedelijke overtreder milieu-inbreuken of milieumisdrijven
pleegt of beëindigt) als negatieve factoren (ernst van de milieu-inbreuk of de
milieumisdrijffrequentie van de gepleegde feiten)'.
Ze stelt tevergeefs dat de eerdere vergelijkbare feiten, die zijn vastgesteld in het proces
verbaal van 3 september 2020 en op basis waarvan de gewestelijke entiteit de boete verhoogt,
betrekking hebben op 'hetzelfde dossier'. Hoewel deze eerdere feiten zijn gerelateerd aan de
verbouwing van hetzelfde gebouw als dat waarop het PV betrekking heeft, zijn ze niet identiek
als de feiten die de grondslag vormen voor de bestreden boete. De feiten zoals vastgesteld
met het (eerste) proces-verbaal van 3 september 2020 betroffen het wijzigen van het aantal
woongelegenheden in het gebouw zonder uitvoerbare omgevingsvergunning, vermits de
tenuitvoerlegging van de initiële omgevingsvergunning voor het project van 14 november 2019
op dat ogenblik door de RWB was geschorst. De verbalisant heeft toen ook vastgesteld dat
de twee studio's op de derde en vierde verdieping, in strijd met deze geschorste vergunning,
toch werden ingericht als zelfstandige woningen, waarbij de keukens op dat ogenblik echter
nog niet waren geplaatst en de werken om die reden (preventief) werden gestaakt. Het PV
heeft weliswaar ook betrekking op het wijzigen van het aantal woongelegenheden in het
gebouw, maar hierbij is vastgesteld dat verzoekende partij deze twee studio's, in strijd met
haar navolgende (vernietigde) (herstel)vergunningen voor het project van respectievelijk 3 juni
2021 en 16 september 2021, toch verder en effectief heeft ingericht als zelfstandige woningen,
waardoor er sprake is van een nieuw gelijkaardig stedenbouwkundig misdrijf. Verzoekende
partij toont dan ook niet aan dat het oordeel van de gewestelijk entiteit, dat de feiten geen
eenmalige schending betreffen, foutief of kennelijk onredelijk is. Ze voert overigens ook geen
betwisting over de juistheid van de vaststellingen in dit (eerste) proces-verbaal van 3
september 2020.
HHC -24
4.2.
Verzoekende partij toont ook niet aan dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de
gevolgen van de overschrijding van haar beslissingstermijn, waarbij het boetebedrag meetbaar
wordt verlaagd met 1.200 euro, kennelijk onredelijk is in het licht van de ernst van het
stedenbouwkundig misdrijf, en dat er redenen zijn om de boete bijkomend te verminderen
omwille van het tijdsverloop van de boeteprocedure.
Uit het administratief dossier blijkt dat de gewestelijke entiteit verzoekende partij op 17
augustus 2022 op de hoogte brengt van het voornemen om haar eventueel een bestuurlijke
geldboete op te leggen naar aanleiding van de vaststellingen van de verbalisant in het PV van
10 juni 2022. Ze beslist uiteindelijk op 4 juni 2024 om een geldboete op te leggen. De
gewestelijke entiteit heeft de termijn van 180 dagen, waarbinnen ze in beginsel moet beslissen
over het opleggen van een geldboete, dus met ongeveer 16 maanden overschreden.
Verzoekende partij betwist niet dat de vervaltermijn waarbinnen de gewestelijke entiteit een
geldboete kan opleggen voor het stedenbouwkundig misdrijf nog niet is verstreken. Ze verwijt
de gewestelijke entiteit enkel dat deze haar beslissingstermijn van 180 dagen zonder
aanvaardbare verantwoording niet respecteerde, terwijl ze steeds haar medewerking heeft
verleend. De gewestelijke entiteit oordeelt in de bestreden beslissing dat 'de feiten voldoende
ernstig zijn om alsnog een bestuurlijke geldboete op te leggen', maar dat de opgelegde boete
omwille van 'de voorliggende overschrijding van de beslissingstermijn en rekening houdende
met de concrete elementen in het dossier' wordt verlaagd met 1.200 euro. Hieruit blijkt dat de
gewestelijke entiteit erkent dat de redelijke termijn waarbinnen de boeteprocedure in het licht
van de concrete omstandigheden moest worden afgehandeld dermate is overschreden, dat dit
gegeven moet leiden tot een boetevermindering, om het mogelijk nadeel dat verzoekende
partij heeft geleden door het onredelijk lang uitblijven van een boetebeslissing te herstellen.
De gewestelijke entiteit geeft daarbij concreet aan van welk basisbedrag ze vertrekt en hoeveel
dit wordt verlaagd, zodat het College in het kader van de legaliteitstoets waarmee het is belast
kan beoordelen of de toegepaste vermindering van de boete niet kennelijk onredelijk is in het
licht van de termijnoverschrijding en de gegevens van het dossier.
Verzoekende partij voert geen betwisting over het feit dat de overschrijding van de redelijke
termijn in voorliggend dossier geen gevolgen had uit het oogpunt van de bewijslevering en
haar recht van verdediging niet heeft aangetast. Ze maakt ook niet aannemelijk dat ze hierdoor
zichtbaar schade of nadelen heeft ondervonden en reikt alleszins geen concrete elementen
aan waaruit blijkt dat het mogelijks door haar geleden nadeel door het overschrijden van de
ordetermijnen niet adequaat is hersteld door de herleiding van het initiële boetebedrag.
HHC -25
Ze gaat ten onrechte voorbij aan de vaststelling dat de gewestelijke entiteit haar door de
termijnoverschrijding voldoende tijd gaf om de wederrechtelijke stedenbouwkundige
handelingen te remediëren, in het kader waarvan de gewestelijke entiteit kort voor de
boetebeslissing nog bijkomende inlichtingen heeft gevraagd aan de verbalisant. Ze toont niet
aan dat een bestraffing in het licht van de aard en de ernst van de feiten niet langer passend
en noodzakelijk is. Ze toont ook niet aan dat de door de gewestelijke entiteit toegepaste
herleiding van de boete niet evenredig is met de termijnoverschrijding en de concrete
gegevens van het dossier.
Het middel wordt verworpen.
Vl. Beslissing
1. Het beroep wordt verworpen.
2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verzoekende
partij.
Dit arrest is uitgesproken op 26 juni 2025 door de eerste kamer.
De griffier, De voorzitter van de eerste kamer,
HHC • 26