ARR:handhavingscollege-brussel-05-06-2025
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2025-06-05
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
29 juli 1991
Volledige tekst
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 5 juni 2025 met nummer
in de zaak met rolnumme1
Verzoekende partij
vertegenwoordigd door met woonplaatskeuze te
Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse
Regering, ten verzoeke van de Vlaamse minister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaat
woonplaatskeuze te
1. Voorwerp van het beroep met
Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 1 augustus 2024 de vernietiging
van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 2 juli 2024 met nummer waarmee
haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 4.425 euro wegens
schending van artikel 7, 4° van het besluit van de Vlaamse regering van 23 juli 1998 tot
vaststelling van nadere regels ter uitvoering van het decreet van 21 oktober 1997 betreffende
het natuurbehoud en het natuurlijk milieu (hierna: Natuurbesluit). Er wordt haar met name
verweten dat ze de vegetatie van een perceel historisch permanent grasland van 2,85 hectare,
dat is gelegen in een beschermd cultuurhistorisch landschap, heeft gewijzigd door het perceel
dood te sproeien en her in te zaaien met gras en het reliëf plaatselijk te wijzigen.
ll. Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
HHC-1
De kamervoorzitter behandelt de vordering tot vernietiging op de openbare zitting van 24 april
2025 voert het woord voor verzoekende partij. Advocaat
loco advocaat voert het woord voor verwerende partij.
111. Feiten
1.
Op 28 december 2018 stellen twee natuurinspe cteurs O.G.P. / gewestelijke toezichthouders
van het Agentschap voor Natuur en Bos (hierna: verbalisant), op een perceel historisch
permanent grasland te dat kadastraal is gekend onder
en is gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied en
binnen het beschermd cultuurhistorisch landschap
ambtshalve het volgende vast:
Op de boven gestelde tijd en plaats (zie situatieplan bijlage 1) stellen wij vast dat het betrokken
perceel (zie bijlage 1 situatieplan) volledig werd doodgespoten en heringezaaid met gras met
behulp van een doorzaaimachine. De volledige rijk variërende kruidenvegetatie in deze weide is
over een totale oppervlakte van 2.85 Ha vernield. Dat het perceel eerst werd dood gesproeid is
duidelijk door de scherpe aflijning aan de perceelranden met mooie groene vegetatie en de
roestkleurige dode vegetatie op het perceel zelf (zie fotodossier bijlage 2).
Het betreft een beschermd historisch permanent grasland, waarvan het VERBODEN is chemisch
of mechanisch te wijzigen en verboden om door te zaaien (zie bijlage 1 ).
Een tweetal van de diepste laantjes zijn door de vochtigheid deels gespaard gebleven van de
dodende impact van het gebruikte chemische product. Deze zijn dan ook niet doorzaaid.
De weide is zeer reliëfrijk met diverse laantjes van variërende niveaus. In een laantje is er
zeefaarde van aardappelen gedumpt. Dit is duidelijk te zien aan de andere grondkleur en de
aanwezigheid van kleine aardappelen. Door de aanvoer van die aarde blijft er deels water staan
die nu een stinkende rotte massa is.
Op 09/07/2019 ... zijn wij ter controle op het perceel. Wij vinden de aardappelgrond niet meer terug,
waardoor het laantje hersteld is zoals afgesproken in het verhoor. Enkel in de laantjes zien wij veel
van de vast voorkomende kruidenvegetatie. Omdat daar water stond werd die niet door het
sproeimiddel geraakt. Dit geeft nu een groot verschil met de delen van de weide tussen de laantjes,
waar vooral éénjarige pioniersvegetatie staat en enkel gras. Dit bevestigt nogmaals onze
vaststelling dat het perceel voor het doorzaaien eerst volledig werd doorgespoten.
HHC-2
Deze vaststellingen en het verhoor van verzoekende partij worden opgenomen in het
aanvankelijk proces-verbaal nummer dat wordt afgesloten op 15 juli
2019 (hierna: het PV) en op 16 juli 2019 wordt verstuurd aan de procureur des Konings en aan
verzoekende partij met een aangetekende brief.
2.
Op 2 augustus 2019 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des
Konings van dezelfde dag dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld.
3.
Op 22 augustus 2019 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van haar
voornemen om eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete en een voordeelontneming
op te leggen. Ze nodigt verzoekende partij daarbij uit om haar schriftelijk verweer mee te delen,
eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, terwijl deze ook de mogelijkheid krijgt om
inzage te vragen in het administratief dossier.
Verzoekende partij vraagt op 17 september 2019 kopie van het administratief dossier en vraagt
of ze nog een schriftelijk verweer kan indienen. De gewestelijke entiteit bezorgt op 19
september 2019 de gevraagde informatie en verleent verzoekende partij een bijkomende
termijn van 30 dagen om eventueel een schriftelijk verweer in te dienen. Verzoekende partij
bezorgt daarna geen schriftelijk verweer en vraagt ook niet om te worden gehoord.
4.
Op 2 juli 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende partij met
een aangetekende brief van 4 juli 2024 in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing.
IV. Ontvankelijkheid van het beroep -hoedanigheid van verzoekende partij
Standpunt van de partijen
1.
Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep omdat verzoekende partij in haar
verzoekschrift nalaat om haar ondernemingsnummer te vermelden, waardoor het beroep niet
is ingesteld door diegene aan wie de bestreden boete is opgelegd. Ze wijst daarbij op de
verplichting in artikel 111.23 van het Wetboek Economisch Recht (hierna: WER) om het
HHC-3
ondernemingsnummer te gebruiken in de betrekkingen tussen de geregistreerde entiteiten met
administratieve en rechterlijke overheden en op de verplichting in artikel 111.25, lid 1 WER om
het ondernemingsnummer te vermelden op alle akten.
2.
Verzoekende partij antwoordt niet op deze exceptie.
Beoordeling door het College
1.
De beslissing waarbij de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt
kan bij het Handhavingscollege worden aangevochten door 'degene aan wie de boete werd
opgelegd' (artikel 16.4.39, lid 1 van het decreet van 5 april 1995 houdende algemene
bepalingen inzake milieubeleid -hierna: DABM).
2.
Verwerende partij betwist tevergeefs de ontvankelijkheid van het verzoekschrift omdat
verzoekende partij daarin nalaat om haar ondernemingsnummer te vermelden, hoewel de
bestreden beslissing dit wel vermeldt bij de aanduiding van de overtreder aan wie de boete
wordt opgelegd.
Het verzoekschrift dient onder meer 'de naam, de hoedanigheid, de woonplaats of de zetel
van de verzoeker, de gekozen woonplaats in België, en in voorkomend geval een
telefoonnummer en een e-mailadres' te vermelden (artikel 15, 1 ° van het besluit van de
Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse
bestuursrechtscolleges -hierna: Procedurebesluit). Zoals blijkt uit het dossier en door partijen
niet wordt betwist, voldoet het verzoekschrift aan deze vormvereiste, behalve wat betreft de
vermelding van het ondernemingsnummer van verzoekende partij, zoals vermeld in de
bestreden beslissing. De ontstentenis van vermelding van het ondernemingsnummer van
verzoekende partij, waarvan de regelmatige inschrijving in de Kruispuntbank van
Ondernemingen als eenmanszaak -natuurlijke persoon met als hoofdactiviteit een gemengd
landbouwbedrijf niet wordt betwist, heeft niet tot gevolg dat ze hierdoor niet kan worden
geïdentificeerd. Verzoekende partij handelt met haar eenmanszaak als een natuurlijke
persoon, zodat er tussen beiden geen onderscheid wordt gemaakt en haar onderneming geen
afzonderlijke rechtspersoonlijkheid heeft. De vaststelling dat verzoekende partij in haar
verzoekschrift heeft nagelaten om ook haar ondernemingsnummer te vermelden impliceert
dan ook niet dat haar beroep, als vertegenwoordiger van haar eenmanszaak -natuurlijke
HHC-4
persoon aan wie de bestreden boete is opgelegd, onontvankelijk is. In de rand hiervan wordt
nog opgemerkt dat het ondernemingsnummer van de overtreder aan wie de bestreden boete
is opgelegd ook niet was vermeld in het PV en in de brief van de gewestelijke entiteit waarmee
de bestuurlijke boeteprocedure is opgestart.
V. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie dat ze een milieumisdrijf pleegde dat haar kan worden
toegerekend en waarvoor haar een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd.
Ze voert dus feitelijk de schending aan van artikel 16.4.25 DABM en van het algemeen
rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, in samenlezing met het volgens de
bestreden beslissing geschonden artikel 7, 4° Natuurbesluit. Ze stelt dat het betreffende
perceel historisch permanent grasland door de aanhoudende droogte zwaar was beschadigd
en dat ze de verdorde en plaatselijk afgestorven graszode heeft willen herstellen door met een
doorzaaimachine droogteresistente grassoorten voor extensief beheer te zaaien, waarbij de
oorspronkelijke graszode intact bleef. Ze stelt dat het plantenkleed van het grasland hierdoor
is hersteld met behoud van de biodiversiteit en met een verhoging van de kwaliteit, zodat ze
heeft gehandeld volgens de geest van (de doelstellingen van) het Natuurbehoudsdecreet. Ze
betwist dat ze het grasland daarbij eerst heeft doodgespoten en stelt dat de graszode enkel
was verdord door de uitzonderlijk zeer droge en hete zomer, die ook als landbouwramp is
erkend.
2.
Verwerende partij merkt vooreerst op dat verzoekende partij niet betwist dat het perceel
grasland, waarop de vaststellingen van de verbalisant betrekking hebben, een historisch
permanent grasland betreft, dat is gelegen in een beschermd cultuurhistorisch landschap , en
ook niet dat ze opdracht gaf om dit grasland te doorzaaien, zodat er strikt gezien een
schending voorligt van artikel 7, 4° Natuurbesluit. Ze stelt dat de bewering van verzoekende
partij, dat ze niet wist dat ze de vegetatie van het grasland niet mocht wijzigen en dat ze
daarmee natuurherstel beoogde, geen afbreuk doet aan het milieumisdrijf omdat elke
opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending strafbaar is,
terwijl verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat er sprake is van een onoverwinnelijke
HHC-5
rechtsdwaling, te meer ze tijdens haar verhoor erkent dat ze een uiteenzetting van de
verbalisant heeft bijgewoond en ze het beweerde natuurherstel niet aantoont.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die
naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen worden bestraft
overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3bis, 16.6.3ter, 16.6.3quater,
16.6.3quinquies, 16.6.3sexies en 16.6.3septies DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2,
2° DABM). De geschonden bepaling is dergelijk milieuvoorschrift (artikel 16.1.1, lid 1, 16°
DABM). Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending
van de gehandhaafde regelgeving is in beginsel strafbaar (artikel 16.6.1, §1 DABM), zodat
opzet niet noodzakelijk is vereist. De geldboete kan enkel worden opgelegd aan de
'overtreder', hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of die opdracht geeft om handelingen
te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25, lid 1 DABM). De kwalificatie van de
feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als
overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om haar
een geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf
en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap
kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken,
in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering
betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende
feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf
aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het
zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel
6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en
inhoudelijk vlak.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing, onder de titel 'de
toerekenbaarheid aan de overtreder', het volgende:
HHC-6
"De feiten hebben betrekking op het perceel kadastraal gekend als
volgens het geldende gewestplan gelegen in landschappelijk waardevol
agrarisch gebied. Het werd vastgelegd als historisch permanent grasland in beschermd
cultuurhistorisch landschap en op de biologische
waarderingskaart staat het indicatief aangeduid als biologisch waardevol met karteringseenheid
weilandcomplex met veel sloten en/of microreliëf (hpr).
Volgens artikel 7.4° van het Natuurbesluit is het wijzigen van historisch permanente graslanden,
met inbegrip van het daaraan verboden microreliëf en poelen, gelegen in beschermd
cultuurhistorisch landschap, verboden.
De verbalisant stelde ter plaatse vast dat het perceel volledig gespoten leek en dat het was
heringezaaid met gras. De variërende kruidenvegetatie op de reliëfrijke weide met diverse laantjes
met een oppervlakte van ongeveer 2,85 hectare was totaal vernield. Eén van de laantjes was
opgevuld met aardappelzeefgrond.
Bovenvermelde feiten zijn een schending van artikel 7.4° van het Natuurbesluit. Deze feiten vallen
onder de definitie van een milieumisdrijf volgens artikel 16.1.2, 2° DABM en zijn strafbaar gesteld
in hoofdstuk VI van titel XVI van het DABM. Op grond van artikel 16.4.27 DABM kan hiervoor een
bestuurlijke geldboete worden opgelegd.
Vermoedelijke overtreder was landbouwkundig gebruiker van het betrokken perceel en uitvoerder,
minstens opdrachtgever van de vastgestelde werkzaamheden. Tijdens zijn verhoor verklaarde hij
dat hij niet wist dat hij het grasland niet mocht door-of herzaaien. Hij had heringezaaid omdat de
weide dood was door droogte. Om de graszode te bewaren had hij met een speciale machine laten
doorzaaien met een grasmengsel van vijf soorten die beter bestand zijn tegen droogte, waardoor
er volgens hem geen beschadiging van het grasland was. Vermoedelijke overtreder ontkende de
oude graszode vooraf gesproeid te hebben en hij kon niet verklaren waarom het perceel gespoten
leek.
De mening van vermoedelijke overtreder dat de graszode niet beschadigd zou zijn door de
werkzaamheden kan niet worden bijgetreden. Uit het proces-verbaal, gestaafd door het fotodossier
van de verbalisant, blijkt duidelijk dat de variërende kruidenvegetatie op het perceel werd gewijzigd.
Enerzijds omdat in de laantjes die niet werden heringezaaid nog veel van de vast voorkomende
kruidenvegetatie te zien was, terwijl tussen de laantjes vooral enkel gras stond en anderzijds omdat
aan de perceelranden een scherpe aflijning te zien was tussen het betrokken perceel en de
naastgelegen percelen.
Ook de vermeende onwetendheid doet geen afbreuk aan de toerekenbaarheid van het misdrijf.
Ook elke door gebrek aan voorzorg en zorgvuldigheid gepleegde schending is strafbaar en komt
HHC-7
3. in aanmerking voor het opleggen van een bestuurlijke geldboete volgens artikel 16.6.1, §1 lid 1
DABM. Vermoedelijke overtreder moest zich zoals iedereen aan de geldende regelgeving houden
en als normaal zorgvuldig landbouwkundig gebruiker van het beschermde grasland had hij de
nodige informatie moeten inwinnen over de geldende voorschriften die van toepassing waren
alvorens de strafbare handelingen te stellen.
Het milieumisdrijf bestaande uit het verboden wijzigen van het historisch permanent grasland staat
vast in hoofde van de overtreder."
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat de vastgestelde
feiten moeten worden beschouwd als een milieumisdrijf dat haar kan worden toegerekend,
foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat. Ze
maakt ondanks haar stelplicht ten onrechte abstractie van de gemotiveerde en pertinente
overwegingen hierover van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing, op basis van
de stukken van het administratief dossier. Ze toont met name niet aan dat ze het perceel
beschermd historisch permanent grasland niet chemisch of mechanisch heeft gewijzigd en
heeft doorgezaaid, in strijd met het verbod op vegetatiewijziging, dan wel hiertoe opdracht gaf.
3.1.
Zoals blijkt uit de bestreden beslissing en door verzoekende partij niet wordt betwist, is het
perceel waarop het milieumisdrijf betrekking heeft aangeduid als een beschermd historisch
permanent grasland, met inbegrip van het daaraan verbonden microreliëf en poelen, en is het
gelegen in het beschermd cultuurhistorisch landschap
waardoor het is onderworpen aan het verbod tot vegetatiewijziging in artikel 7, 4°
Natuurbesluit. Voorts blijkt uit de bestreden beslissing en wordt door verzoekende partij niet
betwist dat ze dit perceel heeft heringezaaid met gras en één van de laantjes heeft opgevuld
met aardappelzeefgrond, waardoor ze de vegetatie en het microreliëf hiervan heeft gewijzigd.
Ongeacht de discussie in hoeverre verzoekende partij het perceel grasland voorafgaandelijk
aan het herinzaaien eerst heeft doodgespoten, ligt er reeds op basis van deze niet betwiste
vaststellingen een milieumisdrijf voor, waarvoor een boete kan worden opgelegd. Dit wordt
door verzoekende partij in haar verzoekschrift overigens niet betwist, vermits ze daarin
overweegt dat er sprake is van een 'overtreding van de letter van de rechtsregel'.
3.2.
HHC-8
Verzoekende partij stelt tevergeefs dat ze het perceel grasland, met de wederrechtelijke
vegetatiewijziging door het herinzaaien hiervan met droogteresistente grassoorten met een
doorzaaimachine, enkel heeft willen herstellen, met behoud van de biodiversiteit en met een
verhoging van de kwaliteit, omdat de graszode door de aanhoudende droogte was verdord en
plaatselijk was afgestorven, waarbij ze betwist dat ze deze graszode heeft doodgespoten.
Verzoekende partij betwist op zich niet dat de materiële vaststellingen van de verbalisant in
het PV bijzondere bewijswaarde hebben. Een proces-verbaal heeft in beginsel bewijswaarde
tot het tegendeel is bewezen, waarbij deze bijzondere bewijswaarde vervalt als er daarvan niet
binnen een termijn van veertien dagen na afsluiting hiervan een kopie wordt overgemaakt aan
de vermoedelijke overtreder, in zoverre deze is bekend (artikel 16.3.25, lid 1 DABM). De
bijzondere bewijswaarde geldt enkel wat betreft de materiële vaststellingen die de verbalisant
doet en niet voor de feitelijke of juridische gevolgtrekkingen die hij daaruit afleidt. Deze
bewijswaarde kan enkel ongedaan worden gemaakt als er een beslissend bewijs van
onjuistheid hiervan wordt voorgelegd, zodat een loutere ontkenning van of twijfel over deze
vaststellingen niet volstaat. Zoals blijkt uit het administratief dossier, wordt het PV op 16 juli
2019, ofwel binnen een termijn van veertien dagen na afsluiting hiervan op 15 juli 2019, met
een aangetekende brief overgemaakt aan verzoekende partij, terwijl deze dit gegeven op zich
niet betwist en alleszins niet weerlegt. De materiële vaststellingen van de verbalisant in het PV
hebben hierdoor bijzondere bewijswaarde.
De verbalisant stelt in het PV vast dat het perceel grasland 'volledig werd doodgespoten en
heringezaaid met gras met behulp van een doorzaaimachine', waardoor 'de volledige rijk
variërende kruidenvegetatie over een totale oppervlakte van 2.85 ha is vernield'. De
verbalisant steunt zijn vaststelling dat 'het perceel eerst werd dood gesproeid' respectievelijk
op 'de scherpe aflijning aan de perceelranden met mooie groene vegetatie en de roestkleurige
dode vegetatie op het perceel zelf' en op het feit dat 'een tweetal van de diepste laantjes door
de vochtigheid deels gespaard zijn gebleven van de dodende impact van het gebruikte
chemische product' en 'dan ook niet zijn doorzaaid', zoals wordt bevestigd tijdens een
hercontrole van het perceel in de zomer, waarbij er 'enkel in de laantjes veel van de vast
voorkomende kruidenvegetatie' wordt gezien, terwijl er in 'de delen van de weide tussen de
laantjes vooral éénjarige pioniersvegetatie staat en enkel gras'. Verzoekende partij spreekt
deze duidelijk omschreven en door meerdere foto's ondersteunde visuele vaststellingen van
de verbalisant, die ter zake een gespecialiseerde kennis heeft, feitelijk enkel tegen, zonder dat
ze hiervan een beslissend tegenbewijs bijbrengt. Ze toont met name niet aan dat de door de
verbalisant vastgestelde 'roestkleurige dode vegetatie op het perceel' enkel is te wijten aan de
aanhoudende droogte tijdens de zeer droge en hete zomer, waardoor de graszode zwaar was
HHC-9
beschadigd, verdord en plaatselijk was afgestorven. Ze gaat met haar bewering voorbij aan
het gegeven dat de initiële vaststellingen van de verbalisant gebeurden op 28 december 2018,
op een ogenblik dat de warme en droge periode tussen 15 juni en 30 september 2019 al lang
voorbij was, en dat er ter hoogte van de perceelranden wel nog mooie groene vegetatie
aanwezig was. Ze heeft tijdens haar verhoor overigens verklaard dat ze op basis van de
voorgelegde foto's 'inderdaad ook een vermoeden (had) dat het (grasland) doodgespoten is'.
Haar bewering dat ze met de wederrechtelijke handelingen enkel streefde naar natuurherstel
wordt dan ook tegengesproken door de voorliggende stukken.
3.3.
Voor zoveel als nodig wordt nog opgemerkt dat verzoekende partij ook niet aannemelijk maakt
dat ze onwetend was dat het perceel een beschermd historisch permanent grasland is, waarop
een verbod tot vegetatiewijziging rust, en dat er in haar hoofde sprake was van
onoverwinnelijke (rechts)dwaling. Zoals gesteld, volstaat een gebrek aan voorzorg of
voorzichtigheid , terwijl verzoekende partij niet aannemelijk maakt dat elke normale redelijke
en vooruitziende professionele landbouwer , geplaatst in dezelfde omstandigheden, ook niet
op de hoogte zou zijn geweest van de beschermstatus van het grasland en de daaruit
voortvloeiende beperkingen. Ze diende desnoods vooraf bijkomende informatie te vragen
indien ze twijfel had in het licht van de 'complexe Vlaamse milieuwetgeving ' (waarnaar ze
verwijst onder het tweede middel).
Het middel wordt verworpen.
B. Tweede en derde middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist de begroting van de opgelegde geldboete , die volgens haar
disproportioneel hoog is in het licht van de ernst van de feiten en de omstandigheden. In het
tweede middel betwist ze met name de beoordeling van de ernst van de feiten en van de
verzachtende omstandigheid dat ze onmiddellijk bereid was om het grasland te herstellen ,
hoewel ze eerder al te goeder trouw kosten had gemaakt in functie van het natuurherstel van
het grasland, na de volledige verdorring hiervan door de extreme hitte en droogte in juni en juli
2019. In het derde middel wijst ze op de vaststelling dat de gewestelijke entiteit haar
boetebeslissing niet heeft genomen binnen een redelijke termijn, waarbij ze ter zitting nog stelt
dat de boete kennelijk onredelijk hoog is in het licht van de verstreken termijn sinds de opmaak
van het PV. Ze voert dus feitelijk de schending aan van de artikelen 16.4.4 en 16.4.29 DABM,
HHC-10
van artikel 16.4.37 DABM, en van het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel als algemene
beginselen van behoorlijk bestuur, waarbij ze vraagt om de boete minstens te herleiden tot
500 euro.
2.
Verwerende partij stelt ter weerlegging van het tweede middel dat de gewestelijke entiteit bij
de begroting van de boete beschikt over een ruime beoordelingsbevoegdheid en bij haar
beoordeling in de bestreden beslissing rekening heeft gehouden met de decretale
waarderingscriteria. Ze meent dat verzoekende partij niet aan de hand van concrete en
pertinente argumenten aantoont dat deze beoordeling niet afdoende is gemotiveerd dan wel
kennelijk onredelijk is, en dat ze ten onrechte abstractie maakt van de gemotiveerde en
pertinente overwegingen hierover in de bestreden beslissing. Ter weerlegging van het derde
middel wijst ze op de overwegingen in de bestreden beslissing met betrekking tot de gevolgen
van de overschrijding door de gewestelijke entiteit van de redelijke beslissingstermijn, waarbij
ze opmerkt dat verzoekende partij niet aantoont dat deze termijnoverschrijding gevolgen had
voor de bewijslevering en haar recht van verdediging heeft aangetast en ook niet aannemelijk
maakt dat ze hierdoor schade of nadelen heeft ondervonden en dat een punitieve sanctie in
het licht van de aard en de ernst van de feiten niet langer passend en noodzakelijk is.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit moet bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete zorgen dat er
geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de opgelegde boete en de feiten die daaraan
ten grondslag liggen (artikel 16.4.4 DABM), zodat de boete evenredig moet zijn tot de feiten.
Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke geldboete
wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf, terwijl er ook rekening wordt gehouden
met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit heeft gepleegd of beëindigd
(artikel 16.4.29 DABM). De gewestelijke entiteit beschikt hierbij in het licht van het
maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 16.4.27, lid 2 DABM) over
een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij ze onder bepaalde voorwaarden in beginsel
ook de mogelijkheid heeft om de boete geheel of gedeeltelijk op te leggen met uitstel van
tenuitvoerlegging (artikel 16.4.29, §2 DABM). Het College zal bij het toezicht hierop aan de
hand van de argumentatie die regelmatig en in het bijzonder door verzoekende partij wordt
voorgelegd nagaan of de gewestelijke entiteit is uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische
gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op grond daarvan de waarderingscriteria om het
boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk onredelijk heeft toegepast. Dit zal met name
HHC-11
moeten blijken uit de juridische en feitelijke motieven die aan de boetebeslissing ten grondslag
liggen en die daarin worden vermeld en afdoende moeten zijn, vermits de beslissing als
individuele bestuurshandeling ressorteert onder de wet van 29 juli 1991 betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Ze moet dus een concrete, precieze en
pertinente of draagkrachtige motivering bevatten, waaruit de keuze van de gewestelijke entiteit
voor een boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de overtreder hiertegen met
kennis van zaken kan opkomen.
2.
Als de gewestelijke entiteit een milieumisdrijf wil bestraffen met een alternatieve bestuurlijke
geldboete, dient ze bepaalde termijnen in acht te nemen. Ze beschikt hiervoor enerzijds over
een termijn van vijf jaar na de datum van afsluiting van het proces-verbaal dat voor het
milieumisdrijf is opgesteld, waarna de mogelijkheid tot het opleggen van een geldboete vervalt
(artikel 16.4.30 DABM). Dit is een vervaltermijn, zodat de gewestelijke entiteit na het verstrijken
hiervan niet langer bevoegd is om een geldboete op te leggen. Ze dient anderzijds haar
voornemen om een geldboete op te leggen binnen een termijn van dertig dagen na ontvangst
van de beslissing van de procureur des Konings over het niet strafrechtelijk behandelen van
het milieumisdrijf aan de vermoedelijke overtreder over te maken (artikel 16.4.36, §1 DABM).
Ze kan de vermoedelijke overtreder daarbij eerst, alvorens een geldboete op te leggen, een
voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een bepaalde termijn, naar aanleiding
waarvan de procedure tot oplegging van een geldboete wordt geschorst (artikel 16.4.36, §3
DABM). Als de vermoedelijke overtreder hierop niet tijdig ingaat wordt de boeteprocedure
hervat (artikel 16.4.36, §4, lid 2 DABM). Ze beschikt daarna over een termijn van 180 dagen
om te beslissen over het opleggen van een geldboete, waarna ze haar beslissing binnen een
termijn van 10 dagen aan de overtreder moet betekenen (artikel 16.4.37, lid 1 DABM). Dit zijn
ordetermijnen, waarvan de schending op zich niet wordt gesanctioneerd, zodat de gewestelijke
entiteit na het verstrijken hiervan nog altijd bevoegd is om een geldboete op te leggen en de
bestreden beslissing om die reden niet noodzakelijk moet worden vernietigd.
De gewestelijke entiteit heeft op basis van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur en
in het bijzonder de redelijke termijneis, als onderdeel van het zorgvuldigheidsbeginsel, wel de
plicht om binnen een redelijke termijn een beslissing te nemen. Onder het begrip 'kennelijk
onredelijke termijn' verstaat het College een termijn die zodanig laattijdig is dat het niet meer
redelijk kan worden geacht om de overtreder alsnog de normale voor het milieumisdrijf
decretaal toepasselijke bestuurlijke punitieve sanctie op te leggen. De redelijke termijnvereiste
manifesteert zich ten aanzien van de gewestelijke entiteit als de verplichting om te handelen
als een goede huisvader en moet in het licht van de vijfjarige verjaringstermijn, als absolute
HHC-12
grens waarbinnen een geldboete kan worden opgelegd, worden geëvalueerd naargelang de
concrete omstandigheden. Hierbij kunnen tal van factoren een rol spelen, zoals de complexiteit
van het dossier, het gedrag van de bestuurlijke overheden en de houding van de overtreder.
De gebeurlijke vaststelling dat de redelijke termijn is overschreden leidt op zich niet
noodzakelijk automatisch tot de vernietiging van de bestreden beslissing. De gevolgen hiervan
moeten opnieuw worden beoordeeld naargelang de concrete omstandigheden en dit zowel uit
het oogpunt van de bewijslevering als van de opportuniteit tot het opleggen van een sanctie
en de omvang ervan. Het komt in eerste instantie aan de gewestelijke entiteit toe om binnen
haar discretionaire bevoegdheid te oordelen over de (boeteverlagende) gevolgen van de
overschrijding van de redelijke termijn. Het College oefent hierop een wettigheidstoezicht uit
en gaat met name na of de boetebeslissing op dat punt niet kennelijk onredelijk is.
3.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van het
boetebedrag rekening houdt met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de
omstandigheden waarin het is gepleegd of beëindigd. Ze overweegt daarover onder de titel
'de hoogte van de geldboete' met name het volgende:
4.2.1. De ernst van de feiten
De natuurregelgeving en de vrijwaring van het natuurlijk milieu is gericht op de bescherming, de
ontwikkeling, het beheer en het herstel van de natuur en het natuurlijk milieu en op de handhaving
of het herstel van de daartoe vereiste milieukwaliteit.
Het beleid is gericht op het nemen van alle maatregelen die nodig zijn voor de uitvoering van
internationale overeenkomsten of verdragen betreffende het natuurbehoud of van akten
betreffende het natuurbehoud, met inbegrip van Europese richtlijnen, vastgesteld op grond van
internationale verdragen.
De Vlaamse regering neemt alle nodige maatregelen ter aanvulling van de bestaande regelgeving
om over het gehele grondgebied van het Vlaamse Gewest de milieukwaliteit te vrijwaren die vereist
is voor het behoud van de natuur en om het standstillbeginsel toe te passen zowel wat betreft de
kwaliteit als de kwantiteit van de natuur.
Het betrokken grasland heeft een grote natuurwaarde door de kwalificatie ervan als biologisch
waardevol historisch permanent grasland met gevarieerde kruidenvegetatie en laantjes en gezien
de ligging ervan in beschermd cultuurhistorisch landschap.
HHC-13
Door het verboden herinzaaien van het historisch permanent grasland met een zeer grote
oppervlakte van ongeveer 2,85 hectare en het opvullen van een laantje wijzigde de overtreder de
beschermde graslandvegetatie en het reliëf met mogelijks verlies van belangrijke natuurwaarden
voor zowel fauna als flora tot gevolg.
De overtreder pleegde de feiten bovendien in professioneel verband. De feiten zijn daarom
voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke geldboete van 18.205 euro.
4.2.3. De omstandigheden
Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met de bereidheid van
de overtreder om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen. Uit het dossier blijkt
dat de overtreder meteen het nodige deed om het laantje en het grasland te herstellen. Dit gegeven
wordt meegenomen als verzachtende omstandigheid bij het bepalen van de hoogte van de
geldboete, wat leidt tot een verlaging van de geldboete tot 11.833 euro.
De bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie met leedtoevoeging als primair doel. Het
afstemmen van de op te leggen bestuurlijke geldboete op de grootte van de onderneming en,
hiermee samenhangend, de financiële draagkracht, is essentieel om dit sanctiedoel te kunnen
realiseren. De gewestelijke entiteit bepaalt de grootte en financiële draagkracht van de overtreder
op basis van de criteria jaargemiddelde van het personeelsbestand, de jaaromzet (excl. BTW) en
het balanstotaal, terug te vinden in de meest recente jaarrekening zoals publiek gemaakt op de
website van de Nationale bank, volgens de drempelwaarden uit de artikelen 1 :24, § 1 en 1 :25, § 1
van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen van 23 maart 2019. Bij ontstentenis van
de jaarrekening en rekening houdend met het feit dat de overtreder een natuurlijke persoon
onderneming is, acht de gewestelijke entiteit het passend en redelijk om de bestuurlijke geldboete
te verlagen tot 8.875 euro.
De gewestelijke entiteit ging per schrijven van 22 augustus 2019 over tot kennisgeving van het
voornemen om een bestuurlijke geldboete op te leggen, al dan niet vergezeld van een
voordeelontneming. De boetebeslissing moet binnen een termijn van 180 dagen na deze
kennisgeving genomen worden (artikel 16.4.37 DABM). Deze beslissingstermijn is inmiddels
verstreken, doch het betreft een termijn van orde, waarvan de overschrijding niet gesanctioneerd
wordt. Omdat de feiten ernstig zijn (zoals gemotiveerd in deze beslissing) meent de gewestelijke
entiteit dat het lange termijnverloop in casu geen reden mag zijn om de overtreder aan
sanctionering te laten ontsnappen. Als professioneel landbouwer mag de overtreder op zijn
verantwoordelijkheid voor het naleven van de natuurregelgeving gewezen worden en het
afschrikwekkend effect dat van de boete uitgaat moet hem motiveren in de toekomst de regelgeving
te blijven naleven. Desondanks dat de overtreder bereid was om het grasland te herstellen, is de
gewestelijke entiteit van oordeel dat met het alsnog opleggen van een bestuurlijke geldboete het
primaire doel, namelijk leedtoevoeging door middel van een punitieve sanctie, bereikt kan worden.
HHC-14
4. Gelet op de nakende verjaring van de feiten acht de gewestelijke entiteit het evenwel passend en
redelijk om het boetebedrag te verlagen tot 4.425 euro.
Ten slotte zijn er verder geen bijzondere omstandigheden die in rekening worden genomen bij het
bepalen van de hoogte van de boete.
Verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de
motieven in de bestreden boetebeslissing over de hoogte van de geldboete ontoereikend zijn
en dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de waarderingscriteria om het
boetebedrag te bepalen foutief of kennelijk onredelijk is en er een kennelijke wanverhouding
bestaat tussen de feiten en de opgelegde geldboete. De keuze voor het basisboetebedrag, op
grond van de ernst van de feiten, wordt in de bestreden beslissing duidelijk toegelicht, waarna
dit bedrag op meetbare en gemotiveerde wijze wordt verlaagd op grond van de bereidheid van
verzoekende partij om remediërende maatregelen te nemen, haar financiële draagkracht en
de overschrijding door de gewestelijke entiteit van haar beslissingstermijn. Verzoekende partij
laat, ondanks haar stelplicht, na om de concrete en pertinente motieven daarover in de
bestreden beslissing bij haar argumentatie te betrekken. Haar kritiek vormt dan ook
opportuniteitskritiek, waarbij ze haar visie over de begroting van de boete stelt tegenover deze
van de gewestelijke entiteit, die ter zake in het licht van het mogelijke boetebedrag over een
ruime discretionaire bevoegdheid beschikt.
4.1
Wat betreft de beoordeling in de bestreden beslissing van de ernst van het milieumisdrijf, als
eerste waarderingscriterium om het boetebedrag te bepalen, toont verzoekende partij niet aan
dat de gewestelijke entiteit de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren
heeft uitgeoefend en dat haar beoordeling, waarbij het basisbedrag van de boete wordt
begroot op 18.205 euro, foutief of kennelijk onredelijk is en dit bedrag disproportioneel is.
Verzoekende partij voert ter zake geen gemotiveerde betwisting en laat na om de pertinente
overwegingen hierover in de bestreden beslissing concreet bij haar argumentatie te betrekken.
Zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middel, mist haar bewering dat ze met het
milieumisdrijffeitelijk streefde naar natuurherstel van het verdorde grasland feitelijke grondslag
omdat ze het perceel grasland eerst heeft doodgespoten, om het vervolgens her in te zaaien
met grassen, terwijl ze ook het reliëf hiervan heeft gewijzigd door het opvullen van één van de
laantjes. Ze toont dan ook niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat
geciteerde motieven de bestreden boetebeslissing redelijkerwijze niet kunnen dragen.
HHC-15
4.2
Wat betreft de beoordeling in de bestreden beslissing van de boeteverlagende omstandigheid
dat verzoekende partij bereidheid heeft getoond om het milieumisdrijf te remediëren, toont ze
opnieuw niet aan dat de gewestelijke entiteit de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet
naar behoren heeft uitgeoefend en dat haar beoordeling, waarbij de boete aanzienlijk wordt
verlaagd met 6.372 euro, foutief of kennelijk onredelijk is en deze verlaging disproportioneel is
in het licht van de genomen remediërende maatregelen. Ze betwist op zich niet dat de
gewestelijke entiteit effectief rekening heeft gehouden met haar bereidheid om remediërende
maatregelen te nemen in functie van het herstel van het grasland en het laantje, waarbij ze de
opgevoerde aarde opnieuw heeft afgegraven. In zoverre ze opnieuw wijst op haar intentie om
het verdorde grasland te herstellen, wordt herhaald dat deze bewering strijdt met de
vaststellingen van de verbalisant, waaruit blijkt dat ze het perceel grasland eerst heeft
doodgespoten en ook het reliëf hiervan heeft gewijzigd.
4.3
Wat betreft de beoordeling in de bestreden beslissing van de gevolgen van de overschrijding
door de gewestelijke entiteit van haar decretale beslissingstermijn, toont verzoekende partij
niet aan dat de gewestelijke entiteit de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar
behoren heeft uitgeoefend en dat haar beoordeling, waarbij de boete hierdoor aanzienlijk wordt
verlaagd met 4.450 euro, foutief of kennelijk onredelijk is in het licht van de ernst van het
milieumisdrijf en er redenen zijn om de boete bijkomend te verminderen omwille van het
tijdsverloop van de boeteprocedure.
Zoals blijkt uit het administratief dossier en door verzoekende partij niet wordt betwist, wordt
het PV naar aanleiding waarvan de bestreden boete is opgelegd afgesloten op 15 juli 2019.
De procureur des Konings beslist vervolgens op 2 augustus 2019 dat het milieumisdrijf niet
strafrechtelijk zal worden behandeld en de gewestelijke entiteit ontvangt deze beslissing op
dezelfde datum. De gewestelijke entiteit brengt verzoekende partij vervolgens op 22 augustus
2019 tijdig op de hoogte van het voornemen om haar eventueel een bestuurlijke geldboete op
te leggen, waarna ze op 2 juli 2024 beslist om een geldboete op te leggen. De gewestelijke
entiteit heeft de termijn van 180 dagen, waarbinnen ze in beginsel moet beslissen over het
opleggen van een geldboete en die een aanvang neemt vanaf de kennisgeving aan de
vermoedelijke overtreder van haar voornemen hiertoe, dus met ongeveer tweeënvijftig
maanden overschreden. Verzoekende partij betwist niet dat de vervaltermijn waarbinnen de
gewestelijke entiteit een geldboete kan opleggen voor het milieumisdrijf op dat ogenblik nog
niet was verstreken.
HHC-16
De gewestelijke entiteit oordeelt in de bestreden beslissing dat het, ondanks de overschrijding
van haar beslissingstermijn, alsnog is aangewezen om een boete op te leggen. Ze steunt dit
oordeel op de ernst van de feiten en op de vaststelling dat het nog altijd is aangewezen om
verzoekende partij als professioneel landbouwer te wijzen op haar verantwoordelijkheid voor
het naleven van de natuurregelgeving, opdat ze deze regelgeving door het afschrikwekkend
effect van de boete ook in de toekomst zou blijven naleven. Ze meent echter dat de opgelegde
boete omwille van het lange tijdsverloop en de nakende verjaring van de feiten dient te worden
gehalveerd. Hieruit blijkt dat ze erkent dat de redelijke termijn waarbinnen de boeteprocedure
in het licht van de concrete omstandigheden moest worden afgehandeld dermate is
overschreden dat dit gegeven moet leiden tot een boetevermindering, om het mogelijk nadeel
dat verzoekende partij heeft geleden door het onredelijk lang uitblijven van een boetebeslissing
te herstellen.
Verzoekende partij betwist niet dat de overschrijding van de redelijke termijn in voorliggend
dossier geen gevolgen had uit het oogpunt van de bewijslevering en haar recht van
verdediging niet heeft aangetast. Ze maakt ook niet afdoende aannemelijk dat ze door het
lange tijdsverloop van de bestuurlijke boeteprocedure zichtbaar schade of nadelen heeft
ondervonden. Ze reikt alleszins geen concrete elementen aan, waaruit blijkt dat het mogelijks
door haar geleden nadeel, door het overschrijden door de gewestelijke entiteit van de
ordetermijn om een boetebeslissing te nemen, niet adequaat is hersteld door de herleiding van
het initiële boetebedrag met ongeveer 50%. Ze toont niet aan dat een bestraffing in het licht
van de ernst van de feiten niet langer passend en noodzakelijk is. Ze maakt met name niet
aannemelijk dat de beoordeling in de bestreden beslissing van de waarderingscriteria van de
ernst van de feiten en de omstandigheid dat ze bereid was om remediërende maatregelen te
nemen, waarnaar de gewestelijke entiteit verwijst, foutief of kennelijk onredelijk is. Dit geldt
overigens ook voor de overige waarderingscriteria. Ze toont tenslotte niet aan dat de door de
gewestelijke entiteit toegepaste herleiding van de boete, naar aanleiding van het tijdsverloop
van de bestuurlijke boeteprocedure, niet evenredig is met de termijnoverschrijding en de
concrete gegevens van het dossier.
De middelen worden verworpen.
HHC • 17
Vl. Kosten
De kosten van het geding worden ten laste gelegd van verzoekende partij, die door het
verwerpen van het verzoek tot vernietiging wordt beschouwd als de partij die in het ongelijk
wordt gesteld (artikel 33 DBRC-decreet).
Verwerende partij vordert een rechtsplegingsvergoeding ten belope van het basisbedrag van
840 euro, die niet wordt toegekend. Het College kan (sinds 7 september 2024) op verzoek van
een partij een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in
de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld (artikel
31/1, §5 DBRC-decreet, dat is ingevoegd door artikel 107 van het decreet van 26 april 2024
tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse
Handhaving van 14 juli 2023, en dat op 7 september 2024 in werking is getreden op basis van
artikel 139, §1 van voormeld decreet en artikel 35 van het besluit van de Vlaamse regering
van 5 juli 2024 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014
houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de
uitbreiding van de procedure bij het Handhavingscollege, en tot bepaling van de
inwerkingtreding van artikel 1, artikel 105 tot en met 116 en artikel 138 van het decreet van 26
april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het
Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, zoals bekendgemaakt in het Belgisch
Staatsblad op 28 augustus 2024 ). Er wordt in voorliggende procedure geen
rechtsplegingsvergoeding toegekend omdat de procedure is ingeleid voor de inwerkingtreding
van de artikelen die daarop betrekking hebben, waardoor partijen de impact hiervan op dat
ogenblik nog niet konden inschatten.
HHC-18
VII. Beslissing
1. Het beroep wordt verworpen.
2. De kosten van het beroep, begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verzoekende
partij.
Dit arrest is uitgesproken op 5 juni 2025 door de eerste kamer.
De griffier, De voorzitter van de eerste kamer,
HHC-19