Naar hoofdinhoud

ARR:handhavingscollege-brussel-04-09-2025

🏛️ Handhavingscollege Brussel 📅 2025-09-04 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht

Geciteerde wetgeving

29 juli 1991, gw

Volledige tekst

HHC - 1 HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 4 september 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partijen 1. 2. vertegenwoordigd door advocaat , met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse Regerin g, ten verzoeke van de Vlaamse m inister van Omgeving en Landbouw vertegenwoordigd door advocaat , met woonplaatskeuze te I. Voorwerp van het beroep Verzoekende partijen vorderen door neerlegging van een verzoekschrift in het digitaal loket op 18 september 2024 de vernietiging van de beslissing en van de gewestelijke entiteit van 6 augustus 2024 met nummer s , waarmee hen elk een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van telkens 8.725 euro wegens schending van artikel 6.2.1, 1° en 2° van de Vlaamse Codex Ruimtelijke Ordening (hierna: VCRO), in samenlezing met artikel 4.2.1, 1° VCRO. Er wordt hen m et name verweten dat ze zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen meerdere constructies hebben geplaatst, de bo dem van een terrein hebben afgegraven en opgehoogd met steenpuin, en een grond gewoonlijk hebben gebruikt voor het opslaan van allerlei materialen, materiee l, afval en voertuigen . HHC - 2 II. Rechtspleging Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in. Verzoekende partijen dienen een wederantwoordnota in. De kamervoorzitter behandelt de vorderingen tot vernietiging op de openbare zitting van 17 juli 2025 . Advocaat loco voert het woord voor verzoekende partijen . Advocaat voert het woord voor verwerende partij . De raadsman van verzoekende partijen legt ter zitting een pleitnota met aanvullende stukken neer, waaruit het herstel van het terrein in de oorspronkelijke toestand moet blijken . III. Regelmatigheid van de rechtspleging – neerleggen aanvullend stuk ter zitting 1. Het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges (hierna: Procedurebesluit) regelt strikt het procesverloop van de rechtspleging, in functie van een ordentelijke en faire rechtsstrijd, waarbij de rechten van verdediging worden geëerbiedigd. Verzoekende partij dient in beginsel alle stukken te voegen bij het verzoekschrift. Dit mo et een inventaris van deze stukken bevatten, terwijl de overtuigingsstukken die daarin zijn vermeld en overeenk omstig die inventaris zijn genummerd bij het verzoekschrift moeten worden gevoegd (artikelen 15, 5° en 16, 4° Procedurebesluit). Verzoekende partij kan bij haar wederantwoordnota nog aanvullende geïnventariseerde overtuigingsstukken toevoegen, als ze daarover nog niet kon beschikken op het ogenblik waarop ze haar verzoekschrift indiende of als deze noodzakelijk zijn voor de repliek op de antwoordnota van verwerende partij (a rtikel 29, lid 3 Procedurebesluit). Partijen kunnen ter zitting geen aanvullende stukken neerleggen (artikel 42, §2 Procedurebesluit). Verzoekende partij kan dus in beginsel geen procedure - of overtuigingsstukken neerleggen buiten de termijnen in het Proce durebesluit. Dit belet niet dat ze het College kan inlichten over nieuwe relevante gegevens of stukken, waarover ze op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift of de wederantwoordnota niet beschikte of kon beschikken. 2. Verzoekende partijen leggen ter zitting een ‘pleitnota’ met bijkomende stukken neer, waarin ze de huidige staat van het terrein nader omschrijven en waaruit met name moet blijken dat ze het terrein ondertussen verder hebben hersteld in de oorspronkelijke t oestand. Deze nota en in het bijzonder de bijkomende stukken, die pas tijdens de zitting ter kennis worden gebracht HHC - 3 aan verwerende partij, bestonden klaarblijkelijk nog niet op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift en de wederantwoordnota. Gelet op de relevantie van de aanvullende stukken voor de beoordeling van de middelen en in het bijzonder de verzacht ende omstandigheden, wordt hiermee in het licht van de concrete gegevens van de zaak uitzonderlijk rekening gehouden als inlichting. IV. Feiten 1. Op 23 november 2023 stelt een gewestelijk verbalisant ruimtelijke ordening bij de afdeling Handhaving van het Departement Omgeving (hierna: verbalisant) , op de percelen , met kadastrale omschrijving , die volgens het gewestelijk ruimtelijk uitvoeringsplan ‘ ’ zijn gesitueerd in agrarisch gebied, lastens verzoekende partijen het volgende vas t: “… Voorgeschiedenis : Op 25/07/2023 werd voor dit misdrijf reeds een aanmaning gestuurd naar de overtreder, nadat uit een controle op 14/06/2023 gebleken was dat er op de betrokken percelen tal van constructies en verhardingen aangebracht werden en dat het terrein daarnaast ook gewoonlijk gebruikt werd voor de opslag van allerhande materiaal, materieel, afval en voertuigen. Hieraan werd tot op heden geen passend gevolg gegeven. Vaststellingen : Op 23/11/2023 omstreeks 11:39 uur begeef ik mij naar het betrokken adres … Startende aan de voorliggende openbare weg werd er over de percelen een met steenpuin verharde weg aangelegd die uitkomt op het perceel . Op dit perceel staan twee oudere constructies die voorzien zijn van asbestplaten daken. Ach ter de grootste van deze twee reeds bestaande constructies werd een nieuwe constructie opgetrokken van 10,00 op 12,00 meter groot. Deze constructie werd opgetrokken uit hout en metalen dakplaten. Onder deze nieuwe constructie en aan de voorzijde van de nie uwe constructie werd dezelfde verharding in steenpuin aangelegd die gebruikt werd om de weg aan te leggen. Deze verharding heeft een oppervlakte van + 265 m2. Achteraan de nieuwe constructie van 10 op 12 meter werd een nieuw afdak geplaatst van ongeveer 5,00 op 10,00 meter. HHC - 4 Op perceel werd er aansluitend op de nieuw aangelegde weg een verharding aangebracht bestaande uit gebroken steenpuin. De verharding heeft een oppervlakte van + 20 m2. Op perceel werd een nieuw schuilhok opgericht van 4,00 op 5,00 meter met aan de voorzijde een dakoversteek van + 3,00 meter. Alle betrokken percelen worden gewoonlijk gebruikt voor de opslag van materiaal, materieel, afval en voertuigen zoals personenwagens, aanhangwagens, paardentrailers, een vrachtwagentrailer, een tractor, een vorkheftruck, containers, plastieken en metalen v aten, watertanks, dakplaten, hooibalen, dierenhokken, schrijnwerk, hout, paletten, … Op de percelen en ter hoogte van de plaats waar twee vrachtwagentrailers geplaatst staan, werd het terrein afgegraven en opgehoogd met grote hoeveelheden steenpuin. … Tijdstip van het misdrijf : Het misdrijf is gepleegd of voltrokken na 28 februari 2018 …, aangezien op een luchtfoto van Geopunt Vlaanderen, die genomen werd in de winter van 2021, enkel maar de twee oudere asbestplaten constructies zichtbaar zijn. Op de meest recente luchtfoto uit 2 023 zijn alle vastgestelde zaken duidelijk zichtbaar. …” Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces -verbaal nr. van 5 december 2023, dat op dezelfde dag wordt afgesloten en op respectievelijk 7 en 11 december 2023 wordt verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partijen. Verzoekende partijen worden naar aanleiding hiervan nogmaals aangemaand om de v astgestelde stedenbouwkundige misdrijven te remediëren. 2. Op 12 januari 2024 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des Konings van 5 januari 2024 dat de stedenbouwkundige misdrijven niet strafrechtelijk zullen worden behandeld. 3. Op 5 februari 2024 vraagt de gewestelijke entiteit bijkomende inlichtingen aan de verbalisant over de oppervlakte waarop de wederrechtelijke verhardingen, de gewoonlijk opgeslagen materialen en de afgraving en ophoging van het terrein zijn gesitueerd, en o ver de stand van zaken van een gebeurlijk herstel. In antwoord hierop, stelt de verbalisant stelt in een mailbericht van 13 februari 2024 het volgende: HHC - 5 “… Na berekening kom ik op volgende benaderende oppervlaktes uit: - 1150m² voor de verhardingen; - 500m² voor alle materialen, materieel, afval en voertuigen; - 90 tot 100m² voor de afgraving en ophoging van het terrein. Tot op vandaag is er geen enkele vorm van herstel geweest. De kans op regularisatie is quasi onbestaande daar het Departement Landbouw & Visserij een negatief advies gegeven heeft voor de vastgestelde activiteiten en eveneens aandringt op een herstel van d e plaats. …” 4. Op 1 maart 2024 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partijen op de hoogte van haar voornemen om eventueel een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen . Ze nodigt hen daarbij uit om hun schriftelijk verweer mee te delen , eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, terwijl ze ook de mogelijkheid krijgen om inzage te vragen in het administratief dossier. Verzoekende partijen dienen geen schriftelijk verweer in en vragen niet om te worden gehoord. 5. Op 11 maart 2024 dienen verzoekende partijen bij het college van burgemeester en schepenen een aanvraag in voor de regularisatie van de stallen, die op 24 mei 2024 in eerste bestuurlijke aanleg wordt geweigerd. Tegen deze beslissing tekenen ze op 28 juni 2 024 bestuurlijk beroep aan bij de deputatie van , die dit beroep op 19 september 2024 verwerpt. 6. Op 6 augustus 2024 legt de gewestelijke entiteit aan elk van verzoekende partijen, op basis van analoge overwegingen, een geldboete op van 8.725 euro, waarvan ze met een aangetekende brief van 13 augustus 2024 in kennis worden gesteld. Dat zijn de bestrede n beslissingen. HHC - 6 V. Onderzoek van de middelen A. Eerste middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij en betwist en in essentie dat de vastgestelde stedenbouwkundige misdrijven hen kunnen worden toegerekend en er hen hier voor een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze voeren dus feitelijk de schending aan van de artikel en 6.2.7, §1 en 6.1.1, 6° VCRO en van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld , in samenlezing met de volgens de bestreden beslissing geschonden artikel en 4.2.1, 1°, 4° en 5° en 6.2.1, lid 1, 1° VCRO. Ze verwijten de gewestelijke entiteit met name dat deze bij haar beoordeling hierover in de bestreden beslissing ten onrechte geen rekening houdt met hun respectievelijke precaire gezondheidssituatie ten tij de van de aanmaning van de verbalisant van 25 juli 2023 om de vastgestelde stedenbouwkundige misdrijven ongedaan te maken en de opmaak van het PV op 5 december 2023. Ze stellen dat hun medische problemen, die gepaard gingen met ingrijpende behandelingen, hospitalisaties en revalidatietrajecten, onvoorzienbaar en onvermijdbaar waren en een overmachtssituatie uitmaken, waardoor hen niet kan worden verweten dat ze bewust en uit vrije wil de stedenbouwkundige m isdrijven op de betrokken percelen in stand hebben gehouden. Ze stellen dat ze hierdoor op dat ogenblik redelijkerwijze niet in staat waren om de gevraagde remediërende maatregelen te nemen en vervolgens om de bestuurlijke boeteprocedure op te volgen. Ze m erken op dat de verbalisant hiervan in kennis is gesteld via een mailbericht van hun buren van 29 december 2023. Ze benadrukken dat ze daarna, zodra hun persoonlijke medische situatie dit toeliet, inspanningen hebben geleverd om de stedenbouwkundige misdrijven te remediëren en de nadelige gevolgen hiervan te bep erken en hebben gehandeld als een goede huisvader, waarbij ze in de lente van 2024 een regularisatieaanvraag hebben ingediend en vervolgens de wederrechtelijke verhardingen hebben verwijderd. 2. Verwerende partij stelt dat uit de door foto’s ondersteunde vaststellingen van de verbalisant in het PV, die gelden tot bewijs van het tegendeel, en uit de argumentatie van verzoekende partijen in hun verzoekschrift, ontegensprekelijk blijkt dat ze wetens en willens stedenbouwkundige misdrijven hebben gepleegd, zodat de beoordeling hierover in de bestreden beslissingen juist is. Ze merkt op dat verzoekende partijen niet ook wordt verweten dat ze deze stedenbouwkundige misdrijven in stand hebben gehouden. Ze meent dat de HHC - 7 gebeurlijke vaststelling, dat verzoekende partijen zich niet bewust waren van de vergunningsplicht voor de vastgestelde wederrechtelijke stedenbouwkundige handelingen, geen afbreuk doet aan het moreel element in hun hoofde omdat ze zich niet zorgvuldig heb ben geïnformeerd over de eventuele vergunningsplicht voor de uitgevoerde handelingen en dus niet hebben gedragen als goede huisvaders. Ze merkt op dat verzoekende partijen, door de aard van de wederrechtelijke stedenbouwkundige handelingen, reeds voor het handhavend optreden van de verbalisant konden en minstens moesten weten dat er hiervoor een voorafgaande omgevingsvergunning was vereist. Ze stelt dat de vastgestelde stedenbouwkundige misdrijven, ongeacht de bereidheid van de overtreders om over te gaan tot herstel, strafrechtelijk worden gesanctioneerd, terwijl er in voorliggend dossier geen sprake is van overmacht op het ogenblik waarop verzoekende partijen deze hebben gepleegd. Ze merkt op dat de medische problemen van verzoekende partijen niet betekent dat deze zich niet langer, als goede huisvaders, dienden te vergewissen van het eventuele vergunningsplichtig karakter van de beoogde en uitgevoerde stedenbouwkundige handelingen. Ze stelt voorts dat verzoekende partijen de gewestelijke entiteit bezwaarli jk kunnen verwijten dat deze hun precaire gezondheidstoestand niet bij haar beoordeling heeft betrokken omdat overmacht moet worden bewezen door diegene die ze inroept en verzoekende partijen hierop tijdens de bestuurlijke boeteprocedure, die is opgestart met een brief van 1 maart 2024, nooit hebben gewezen, zodat de gewestelijke entiteit hiervan niet op de hoogte was. In de rand hiervan merkt ze op dat verzoekende partijen de gewestelijke entiteit onterecht vereenzelvigen met de verbalisant, die klaarblijk elijk via een mailbericht van hun buren in kennis is gesteld van hun medische problemen. Ze stelt dat verzoekende partijen, op het ogenblik van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure, volgens hun verzoekschrift nochtans al aan de beterhand waren, zo als blijkt uit de vaststelling dat ze kort daarna, op 11 maart 2024, een regularisatieaanvraag hebben ingediend, maar dat ze desondanks geen schriftelijk verweer hebben ingediend en ook niet hebben gevraagd om te worden gehoord, zodat de gewestelijke entit eit ook geen kennis had van deze regularisatieaanvraag, die overigens niet heeft geleid tot een vergunning. Ze benadrukt dat de door verzoekende partijen aangehaalde overmachtssituatie door hun precaire gezondheidssituatie, die hen klaarblijkelijk niet hee ft verhinderd om een regularisatieaanvraag in te dienen, hoogstens kan worden aangehaald als reden waarom de uitgevoerde wederrechtelijke stedenbouwkundige handelingen niet tijdig zijn hersteld, maar niet om deze handelingen op zich te verschonen. 3. Verzoekende partijen stellen in hun wederantwoordnota dat ze zich als particulieren op leeftijd, van wie niet kan worden verwacht dat ze welbeslagen zijn in de reglementering inzake ruimtelijke ordening, niet bewust waren van het vergunningsplichtig karakt er van hun project, HHC - 8 om op vraag van de buurt een mini -kinderboerderij op te starten, zodat hen niet zonder meer kan worden verweten dat ze niet hebben gehandeld als een goede huisvader. Ze herhalen dat ze door hun precaire medische situatie rond het tijdstip waarop het PV is opgemaakt, niet in staat waren om de nodige stappen te ondernemen in functie van het herstel of de regularisatie en de stedenbouwkundige misdrijven niet wetens en willens in stand hebben gehouden. Ze herhalen ook dat ze door deze overmachtssituatie niet in staat waren om een verweer in te dienen tijdens de bestuurlijke boeteprocedure. Ze menen dat het aan de verbalisant stond om de hierover ontvangen informatie ten gepaste tijde over te maken aan de gewestelijke entiteit, opdat deze hiermee rekening kon hou den bij de opmaak van haar boetebeslissing. Beoordeling door het College 1. De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor gedragingen die een stedenbouwkundig misdrijf uitmaken in de zin van artikel 6.2.1, lid 1 VCRO en die naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk ku nnen worden bestraft (artikelen 6.2.6 VCRO). Elke schending van de gehandhaafde regelgeving die wetens en willens gebeurt is in beginsel strafbaar, zodat enkel (algemeen) opzet is vereist. De geldboete kan alleen worden opgelegd aan de ‘overtreder’, hetzij de natuurlijke persoon of de rechtspersoon die het stedenbouwkundig misdrijf heeft uitgevoerd, er opdracht toe heeft gegeven of er zijn medewerking aan heeft verleend (artikel 6.2.7, §1, lid 1 VCRO en artikel 6.1.1, 6° VCRO), en kan worden opgelegd aan al le overtreders (artikel 6.2.13, §4 VCRO). De kwalificatie van de feiten als een stedenbouwkundig misdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partijen als overtreder s vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om hen een geldboete op te leggen. Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het stedenbouwkundig misdrijf en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar an alogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een stedenbouwku ndig misdrijf aan te duiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de men s en de fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en inhoudelijk vlak. HHC - 9 2. De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing, bij ‘de toerekenbaarheid (van de stedenbouwkundige misdrijven) aan de overtreder’, het volgende: “… Volgens artikel 4.2.1, 1° VCRO is er een vergunning nodig voor het uitvoeren van de navolgende bouwwerken, met uitzondering van onderhoudswerken: a) het optrekken of plaatsen van een constructie, b) het functioneel samenbrengen van materialen waardoor een constructie ontstaat, c) het afbreken, herbouwen, verbouwen en uitbreiden van een constructie. Artikel 4.1.1, 3° VCRO omschrijft een constructie als … In voormeld proces -verbaal stelde de verbalisant vast dat allerlei constructies, zoals hoger nader omschreven werden geplaatst, en dit zonder vergunning. De constructies van 50 m2 en 120 m2 en het schuilhok betreffen een gebouw zijn dus constructies. De verharding is eveneens een constructie. Artikel 2.1 Vrijstellingenbesluit is niet van toepassing omdat de constructies niet horen bij een woning: er bevindt zich namelijk geen woning op het terrein. Artikel 3.1, 11° Vrijstellingenbesluit is ook niet van toepassing omdat het geen kleine tuinconst ructies betreft en de constructies bovendien niet volledig gelegen zijn binnen 30 m van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw; minstens is dit niet aangetoond (artikel 3.2, 1° Vrijstellingenbesluit). Het schuilhok is niet vrijgesteld volgens a rtikel 5.1, 3° Vrijstellingenbesluit omdat het niet volledig uit houten wanden bestaat. De aangelegde weg valt niet onder de toepassing van artikel 5.2, 3° Vrijstellingenbesluit omdat deze geen toegang vormt tot een agrarisch bedrijfsgebouw; er is immers g een agrarische uitbating gekend aldaar, minstens is dit niet aangetoond. De constructies vallen evenmin onder het toepassingsgebied van het Meldingenbesluit. Het plaatsen van deze constructies is dus vergunningsplichtig. Volgens artikel 4.2.1, 4° VCRO is er een vergunning nodig voor het aanmerkelijk wijzigen van het reliëf van de bodem, onder meer door de bodem aan te vullen, op te hogen, uit te graven of uit te diepen waarbij de aard of de functie van het terrein wijzigt. Uit het proces -verbaal blijkt dat de bodem van het terrein werd afgegraven en opgehoogd met steenpuin, over een oppervlakte van 90 m2, waardoor het uitzicht en dus de aard van het terrein ter plaatse wijzigde. Het Meldingenbesluit is niet van toepassing op een reliëfwijziging. Artikel 6.2 Vrijstellingenbesluit is niet van toepassing, omdat het geen project betreft dat valt onder artikel 6.2, tweede lid; minstens HHC - 10 wordt dit niet aangetoond. Artikel 7.4 Vrijstellingenbesluit is ook niet van toepassing, omdat het geen tijdelijke reliëfwijziging in het kader van een sportmanifestatie betreft. Ook artikel 10 Vrijstellingenbesluit is niet van toepassing, omdat het terrei n geen openbaar domein betreft. Evenmin is artikel 12/1.1 Vrijstellingenbesluit van toepassing, omdat het terrein gelegen is een 7gebied dat aangeduid is in bijlage IV of V (watertoetskaarten met de fluviale en pluviale overstromingskans) bij het Watertoet sbesluit. De reliëfwijziging is dus vergunningsplichtig. Volgens artikel 4.2.1, 5° VCRO is er een vergunning nodig om een grond gewoonlijk te gebruiken, aan te leggen of in te richten voor: a) het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval, b) het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens, … In voormeld proces -verbaal stelde de verbalisant vast dat op de grond allerhande materiaal, materieel en afval en voertuigen, zoals hoger omschreven, aanwezig waren, die ook al aanwezig waren bij vaststellingen op 14 juni 2023. Hiervoor is geen vergunning verleend. Het gewoonlijk gebruik als misdrijf vereist een zekere regelmaat en duurtijd en veronderstelt dat er verschillende actieve handelingen van gewoonlijk gebruik werden gesteld. In voormeld proces - verbaal stelde de verbalisant op 23 november 2023 vast dat de g rond gebruikt wordt voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval en het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens. Er zijn onder meer personenwagens, aanhangwagens, paardentrailers, een vrac htwagentrailer, een tractor, een vorkheftruck, containers, plastieken en metalen vaten, watertanks, dakplaten, hooibalen, dierenhokken, schrijnwerk, hout en paletten vastgesteld. Deze waren ook al vastgesteld op 14 juni 2023. Op basis van luchtfoto’s besch ikbaar op www.geopunt.be , die een bovenaanzicht van het terrein tonen, kan vastgesteld worden dat vooral in de periode tussen winter 2022 en winter 2023 steeds zaken aanwezig waren op het terrein, die variëren in plaats en hoeveelheid tussen beide tijdstip pen heen. Uit het voorgaande blijkt dat het gebruik van de grond voor het opslaan van allerlei materialen, materieel of afval en het parkeren van voertuigen zich uitstrekt over een zekere duurtijd en gekenmerkt wordt door het met een zekere regelmaat plaat sen en verwijderen van zaken op verschillende plaatsen, zodat deze handelingen te beschouwen zijn als gewoonlijk gebruik van de grond. Artikel 2.1 Vrijstellingenbesluit is niet van toepassing omdat het aangetroffen materiaal, materieel en afval, niet horen bij een woning; er bevindt zich namelijk geen woning op het perceel. Artikel 3.1, 11° Vrijstellingenbesluit is niet van toepassing omd at het aangetroffen materiaal, materieel en afval, niet gelegen is binnen 30 m van een hoofdzakelijk vergund of vergund geacht gebouw; minstens is dit niet aangetoond (artikel 3.2, 1° Vrijstellingenbesluit). Het gewoonlijk gebruik van de grond valt evenmin onder het toepassingsgebied van het Meldingenbesluit. Het gewoonlijk gebruik van de grond is dus vergunningsplichtig. HHC - 11 Het stellen van een handeling, zoals onder meer bepaald in artikel 4.2.1 VCRO, zonder voorafgaande omgevingsvergunning voor stedenbouwkundige handelingen of in strijd met de vergunning vormt een stedenbouwkundig misdrijf (artikel 6.2.1, 1° VCRO). Bovenvermelde feiten zijn een schending van: VCRO: artikel 6.2.1, 1° in samenhang met artikel 4.2.1, 1°, artikel 6.2.1, 1° in samenhang met artikel 4.2.1, 4° en artikel 6.2.1, 1° in samenhang met artikel 4.2.1, 5°. Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een stedenbouwkundig misdrijf als bedoeld in artikel 6.2.1 en artikel 6.2.13 VCRO, waarvoor een bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. De vermoedelijke overtreder heeft, als eigenaar, de handelingen uitgevoerd of daartoe de opdracht gegeven en is dus een overtreder in de zin van artikel 6.1.1, 6° VCRO. Dit artikel definieert een overtreder immers als … Bovenvermelde feiten zijn bovendien toerekenbaar aan de vermoedelijke overtreder. Er is geen bijzonder opzet vereist voor een stedenbouwkundig misdrijf en het volstaat dat men wetens en willens handelt in strijd met het decreet. Het moreel bestanddeel kan dus worden afgeleid uit het louter plegen van het materiële feit (= handeling op zich) door de vermoedelijke overtreder en uit de vaststelling dat dit feit hem kan worden toegerekend, tenzij een schulduitsluitings - of rechtvaardigingsgrond enigszins geloof waardig is gemaakt, wat niet het geval is. Het stedenbouwkundig misdrijf staat vast in hoofde van overtreder. …” 3. Verzoekende partijen tonen in het licht van de stukken van het administratief dossier en de procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat het oprichten van meerdere constructies, het afgraven en ophogen met steenpuin van de bodem van het terrein en het gewoonlijk gebruik van het terrein voor het opslaan van allerlei materialen, materieel, afval en voertuigen , stedenbouwkundige misdrijven uitmaken , die hen kunnen worden toegerekend, foutief dan wel kennelijk onredelijk is en er ter zake (minstens) twijfel bestaat. 3.1. Verzoekende partijen voeren op zich geen betwisting over de vaststellingen van de verbalisant in het PV, dat overigens geldt tot bewijs van het tegendeel (artikel 6.2.4, lid 1 VCRO). Da aruit blijkt dat ze in de periode tussen 2021 en 2023 meerdere stedenbouwkundige misdrijven hebben gepleegd, die volgens hen kaderden in de opstart van een mini -kinderboerderij. HHC - 12 3.2. Verzoekende partijen maken ook niet aannemelijk dat deze vastgestelde stedenbouwkundige misdrijven hen niet kunnen worden toegerekend omwille van hun precaire medische toestand. Zoals gesteld, vereisen de stedenbouwkundig e misdrij ven naar aanleiding waarvan de boete s word en opgelegd als moreel element enkel (algemeen) opzet, dat bestaat uit het wetens en willens handelen in strijd met de VCRO. Wetens betekent handelen met kennis van zaken, waarbij de overtreder weet of behoort te weten dat de stedenbouwkundige handeling enke l mag worden uitgevoerd na het verkrijgen van een vergunning. Willens betekent bewust handelen, dat wordt verondersteld bij het plegen van de materiële handeling , die als de uiting van de vrije en bewuste wil van de overtreder moet worden aanzien, in zover re deze niet aannemelijk maakt dat er sprake is van een schulduitsluitingsgrond zoals overmacht of onoverkomelijke (rechts)dwaling of van een rechtvaardigingsgrond zoals noodtoestand. Overmacht kan slechts als schulduitsluitingsgrond worden aanvaard als de ingeroepen omstandigheden onvermijdbaar en onvoorzienbaar zijn en niet toerekenbaar zijn aan de overtreder zelf. De gewestelijke entiteit moet dus aantonen dat de overtreder het stede nbouwkundig misdrijf waarvoor een geldboete wordt opgelegd wetens en wil lens pleegde. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekende partijen, in navolging van de eerste inspectie van het terrein door de verbalisant op 14 juni 2023, op 25 juli 2023 zijn aangemaand om de wederrechtelijke stedenbouwkundige handelingen op het terrein te remediëren. Hoewel uit de voorliggende stukken blijkt dat ze deze aanmaning in goede orde hebben ontvangen, hebben ze klaarblijkelijk nagelaten om de nodige stappen te ondernemen. De verbalisant heeft vervolgens pas ongeveer vier maanden later, op 5 decem ber 2023, het PV opgemaakt. Verzoekende partijen stellen in hun wederantwoordnota tevergeefs, en overigens voor het eerst, dat ze als particulieren op leeftijd niet wisten dat ze voor hun project dienden te beschikken over een omgevingsvergunning en steeds te goeder trouw hebben gehandeld, waarmee ze zich feitelijk beroepen op onoverkomelijke dwaling. Gelet op de aard en de omvang van de wederrechtelijke stedenbouwkundige handelingen, worden ze redelijkerwijze verondersteld te weten dat er hiervoor een omge vingsvergunning is vereist, terwijl ze zich bij gebeurlijke twijfel hierover minstens degelijk dienden te informeren. Ze hadden hiervan alleszins vanaf de eerste aanmaning op 25 juli 2023 onmiskenbaar kennis. Verzoekende partijen beroepen zich ter zake ook tevergeefs op overmacht omwille van hun precaire gezondheidssituatie. Uit het door hen voorgelegde stuk van hun geneesheer blijkt immers dat ze zowel voor als tijdens de wederrechtelijke werken allebei werden geconfronteerd met HHC - 13 medische problemen, die hen er blijkbaar niet van hebben weerhouden om meerdere constructies op te richten, een deel van de bodem van het terrein af te graven en op te hogen met steenpuin en een deel van het terrein gewoonlijk te gebruiken voor het opslaan van allerlei materialen, materieel, afval en voertuigen. Verzoekende partijen lijken dit in hun verzoekschrift en wederantwoordnota ook te erkennen, vermits ze daarin vooral benadrukken d at ze de vastgestelde stedenbouwkundige misdrijven niet wetens en wi llens in stand hebben gehouden, terwijl de bestreden boetes worden opgelegd omwille van het plegen van deze misdrijven. Hoewel ze nog enigszins kunnen worden gevolgd dat hun precaire gezondheidssituatie en de aanwezigheid van meerdere dieren tot gevolg had dat ze niet onmiddellijk konden tegemoetkomen aan de aanmaningen van de verbalisant, van respectievelijk 25 juli 2023 en 11 december 2023, om de wederrechtelijke toestand te remediëren, maken ze niet aannemelijk dat ze op het ogenblik van het plegen van d e stedenbouwkundige misdrijven niet wetens en willens handelden en hierdoor geen strafrechtelijke verantwoordelijkheid dragen. 3.3. In zoverre verzoekende partijen aanvoeren dat ze door hun precaire gezondheidssituatie ook niet in staat waren om adequaat te reageren op de aanmaningen van de verbalisant en om hun rechten naar aanleiding van de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure te vrijwaren, door het indienen van een schriftelijk verweer dan wel te vragen om te worden gehoord, dient te worden vastgesteld dat deze bewering, ongeacht de ernst hiervan, alleszins geen afbreuk doet aan het bestaan van de stedenbouwkundige misdrijven e n de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partijen. Verzoekende partijen maken bovendien redelijkerwijze niet aannemelijk dat ze geheel niet in staat waren om de verbalisant dan wel de gewestelijke entiteit op de hoogte te brengen van hun medische prob lemen en van de impact hiervan op de opvolging van het dossier. Zoals gesteld, hebben de medische problemen, die verzoekende partijen klaarblijkelijk sinds 2019 ondervinden, hen er niet van weerhouden om de wederrechtelijke werken uit te voeren dan wel te laten uitvoeren . Ze overtuigen in dit kader ook niet dat de beoordeling van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissingen, met betrekking tot de toerekenbaarheid van de stedenbouwkundige misdrijven, kennelijk onzorgvuldig is omdat daarbij geen rekening is gehouden met het mailbericht van hun buren aan de verbalisant van 29 december 2023, waarmee deze in kennis is gesteld van hun precaire gezondheidssituatie. Ook dit stuk doet geen afbreuk aan het bestaan van de stedenbouwkundige misdrijven en de toe rekenbaarheid hiervan aan verzoekende partijen. Zoals gesteld, tonen ze bovendien ook niet aan dat ze de gewestelijke entiteit hiervan nooit zelf in kennis konden stellen, terwijl ze klaarblijkelijk wel op 11 maart 2024, ofwel kort na de HHC - 14 opstart van de bestuurlijke boeteprocedure met een brief van 1 maart 2024, een regularisatieaanvraag konden indienen bij het college van burgemeester en schepenen. Het middel wordt verworpen. B. Tweede middel Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partijen voeren de schending aan van: - artikel 6.2.7 VCRO - de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: Motiveringswet) - het redelijkheids - en evenredigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Ze betwisten in essentie de degelijkheid van de beoordeling door de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing van het waarderingscriterium van de omstandigheden, die ze kennelijk onredelijk achten. Ze verwijten de gewestelijke entiteit met name dat deze daarbij ten onrechte geen rekening houdt met hun pogingen om de stedenbouwkundige misdrijven te remediëren en met de vaststelling dat ze daarbij zijn gehinderd door hun precaire gezondheidssituatie. Ze wijzen ter zake op hun poging om de wederrechteli jke werken te regulariseren via een regularisatieaanvraag op 11 maart 2024 bij het college van burgemeester en schepenen, die is geweigerd, maar waarbij de bestuurlijke beroepsprocedure bij de deputatie van Vlaams - Brabant op het ogenblik van de bestreden b eslissing en van hun verzoekschrift nog hangende is. Ze wijzen ook op hun precaire gezondheidssituatie, waarvan de verbalisant door de buren in kennis is gesteld met een mailbericht van 29 december 2023, waaruit bovendien ook blijkt dat de buurt voorstande r was om de mini -kinderboerderij in stand te houden. Ze wijzen voorts op de vaststelling dat ze ondertussen de wederrechtelijke verhardingen op het terrein hebben verwijderd, waaruit blijkt dat ze zich willen inzetten voor het herstel van het terrein in de oorspronkelijke toestand. Ze menen dat de vaststelling, dat ze de gewestelijke entiteit hiervan in het kader van de bestuurlijke beroepsprocedure niet hebben ingelicht, geen afbreuk doet aan de zorgvuldigheids - en motiveringsplicht in hoofde van de gewest elijke entiteit, op basis waarvan deze het dossier grondig moet onderzoeken en haar beslissing afdoende moet motiveren. Ze herhalen daarbij dat de ontstentenis tijdens de bestuurlijke beroepsprocedure van een schriftelijk verweer en van de vraag om te word en gehoord is te wijten aan hun medische toestand, die overmacht uitmaakt, zodat daaruit geen bewust gebrek aan HHC - 15 medewerking mag worden afgeleid. Ze stellen voorts dat de begroting van de boetebedragen in de bestreden beslissingen niet afdoende wordt gemotiveerd. Wat betreft de ernst van de feiten, verwijten ze de gewestelijke entiteit dat deze zich steunt op algemene overwegingen inzake goede ruimtelijke ordening en het belang van de vergunningsplicht, verminderde infiltratie van het hemelwater door de verhardingen en visuele hinder, zonder te verduidelijken in welke mate deze elementen doorwegen in het boetebedrag e n zonder dit bedrag afdoende concreet te motiveren, zodat dit steunt op willekeur. Ze merken daarbij op dat de visuele impact van de wederrechtelijke constructies op de omliggende agrarische omgeving moet worden genuanceerd, gelet op de nabijheid van een s poorweg en van de Aarschotse steenweg, die wordt gekenmerkt door een hoge bebouwingsgraad en lintbebouwing. Wat betreft de omstandigheden, herhalen ze dat de gewestelijke entiteit ten onrechte geen rekening houdt met hun pogingen, ondanks hun precaire gezo ndheidstoestand, om de wederrechtelijke werken te regulariseren. Ze verwijten de gewestelijke entiteit ook dat de boetes disproportioneel zijn in het licht van hun financiële toestand als particulieren, die ook al worden geconfronteerd met hoge medische kosten door hun ziekte. Ze herhalen daarbij dat het hierdoor voor hen, op het ogenblik van de opmaak van het PV en de opstart v an de bestuurlijke boeteprocedure, onmogelijk was om de stedenbouwkundige misdrijven te remediëren, te meer gelet op de aanwezighei d van veel dieren, hoewel ze steeds bereid waren om dit te doen. In zoverre het College oordeelt dat er toch een boete moet worden opgelegd, vragen ze in ondergeschikte orde om deze, na indeplaatsstelling, te beperken tot een absoluut minimum en te verlene n met uitstel in het licht van het benaarstigde herstel. 2. Verwerende partij verwijst naar de overwegingen in de bestreden beslissingen met betrekking tot de begroting van de boetes, waaruit blijkt dat de gewestelijke entiteit het dossier zorgvuldig heeft onderzocht aan de hand van de voorliggende stukken en haar beslissing afdoende heeft gemotiveerd, zoals wordt bevestigd door de wettigheidskritiek hierop van verzoekende partijen. Verwerende partij merkt ten overvloede op dat de overweging in de bestreden beslissingen, dat de percelen volgens het gewestplan deels zijn gelegen in agrarisch gebied en deels in woongebied, een materiële vergissing betreft, die geen impact had op de begroting van de boetes, te meer de voorschriften van het geldende GRUP niet wezenlijk verschillen van deze van het gewestplan. Verwerende partij stelt voorts dat uit de bestreden beslissingen duidelijk blijkt dat de boetes door de gewestelijke entiteit correct zijn geïndividualiseerd in functie van de ernst van de feiten en van de omstandigheden waarin deze zijn gepleegd, terwijl verzoekende partijen niet aantonen dat deze beoordeling foutief of kennelijk onredelijk is. Ze wijst daarbij nog op de vaststelling dat de regularisatieaanvraag van verzoekende partijen finaal door de deputatie van de provincie in graad van bestuurlijk beroep is HHC - 16 geweigerd, nadat ze ook al in eerste bestuurlijke aanleg was geweigerd door het college van burgemeester en schepenen van . 3. Verzoekende partijen herhalen in hun wederantwoordnota dat de boete bedragen zijn gesteund op willekeur en dat de gewestelijke entiteit daarbij niet alle relevante feiten in rekening heeft gebracht, waaronder hun zware ziekte, waarvan de gewestelijke entiteit nochtans kennis moest hebben via de verbalisant. Ze wijzen op de vaststelling dat ze ondertussen, vanaf 1 februari 2025, een loods hebben gevonden om hun hooi en dierenvoeding op te slaan, terwijl ze ook het herstel van het terrein in de oorspronkelijke toestand zullen verderzetten van zodra de weersomstandigheden dit toelaten. Beoordeling door het College 1. De gewestelijke entiteit (artikel 6.1.1, 2° VCRO) moet in het licht van het evenredigheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete zorgen dat de boete evenredig is tot de feiten (zie naar analogi e artikel 16.4.4 DABM). Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke geldboete wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundig misdrijf, terwijl er ook rekening wordt gehouden met de frequentie en de omstandigheden w aarin de overtreder dit heeft gepleegd of beëindigd (artikel 6.2.7, §1, lid 2 VCRO). De gewestelijke entiteit beschikt hierbij , in het licht van het maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 6.2.13, §4 VCRO) , over een ruime discretionaire bevoegdheid, waarbij ze op vraag van de overtreder in beginsel ook de mogelijkheid heeft om de boete op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging (artikel 6.2.7, §2, lid 1 VCRO ). Het College zal bij het toezicht hierop , aan de hand van de argumentatie die regelmatig en in het bijzonder door verzoekende partij wordt voorgelegd , nagaan of de gewestelijke entiteit is uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op grond daarvan de waarderingscriteria om het boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk onredelijk heeft toegepast. D it zal met name moeten blijken uit de motieven die aan de boetebeslissing ten grondslag liggen en die daari n worden vermeld en afdoende moeten zijn, vermits de beslissing als individuele bestuurshandeling ressorteert onder de Motiveringswet. De beslissing moet dus een concrete, precieze en pertinente of draagkrachtige motivering bevatten, waaruit de keuze van d e gewestelijke entiteit voor een boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de overtreder hiertegen met kennis van zaken kan opkomen. HHC - 17 2. De gewestelijke entiteit houdt in de bestreden beslissing en, bij de beoordeling van de hoogte van de boete , rekening met de ernst van de feiten, hun frequentie en de omstandigheden waarin ze zijn gepleegd of beëindigd. Ze overweegt daarover het volgende: “… 4.2.1. De ernst van de feiten De doelstelling van bovenvermelde regelgeving is gericht op een duurzame ruimtelijke ontwikkeling waarbij de ruimte beheerd wordt ten behoeve van de huidige generatie, zonder dat de behoeften van de toekomstige generaties in het gedrang gebracht worden. Da arbij worden de ruimtelijke behoeften van de verschillende maatschappelijke activiteiten gelijktijdig tegen elkaar afgewogen. Er wordt rekening gehouden met de ruimtelijke draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetisc he en sociale gevolgen. Op deze manier wordt gestreefd naar ruimtelijke kwaliteit (artikel 1.1.4 VCRO). Dit gebeurt onder andere door het instellen van een voorafgaande vergunnings - of meldingsplicht naargelang de handeling en het gebied waar de handeling plaatsvindt en het opleggen van strikte voorwaarden waaraan moet worden voldaan. De naleving van de voorafgaande vergunningsplicht behoort tot de meest elementaire verplichtingen. Zij laat de vergunningverlenende overheid toe om kennis te nemen van de voorgenomen handeling, te beoordelen of deze al dan niet vergund kunnen worden, desge vallend mits oplegging van voorwaarden, en de toezichthoudende overheden om controle uit te oefenen op deze handelingen. Het verzaken aan deze voorafgaande vergunningsplicht leidt ertoe dat de vergunningverlenende overheid niet in kennis wordt gesteld van de voorgenomen handelingen, de mogelijkheid wordt ontnomen om na te gaan of de goede ruimtelijke ordening, de ruimtelijk e draagkracht, de gevolgen voor het leefmilieu en de culturele, economische, esthetische en sociale gevolgen aanvaardbaar zijn, desgevallend mits oplegging van bijzondere voorwaarden, en het de toezichthoudende overheden onmogelijk wordt gemaakt, minstens ernstig wordt bemoeilijkt, om controle uit te oefenen. De eerste schending betreft de plaatsing van allerlei constructies, waaronder overdekte constructies voor een geschatte gezamenlijke oppervlakte van 205 m2 en een verharding met een geschatte oppervlakte van 1.150 m2, minstens deels in agrarisch gebied. Het plaatsen van allerlei constructies hindert de infiltratie van hemelwater ter plaatse; dit risico is des te ernstiger gezien de ligging van het terrein in een overstromingsgevoelige zone volgens de watertoetskaarten . De constructies kunnen ook een visuele impact hebben op de omgeving, zeker gezien de ligging deels in agrarisch gebied, wat eerder een open karakter heeft. De tweede schending betreft een reliëfwijziging met een geschatte gezamenlijke oppervlakte van 90 m2, minstens deels in agrarisch gebied. De reliëfwijziging werd uitgevoerd met steenpuin. Het HHC - 18 storten van steenpuin hindert eveneens de infiltratie van hemelwater ter plaatse. De aanwezigheid van steenpuin kan ook een impact hebben op het uitzicht van het terrein. De derde schending betreft het gewoonlijk gebruik van een grond voor het opslaan van gebruikte of afgedankte voertuigen, of van allerlei materialen, materieel of afval en het parkeren van voertuigen, wagens of aanhangwagens voor een oppervlakte van ongevee r 500 m2, minstens deels in agrarisch gebied. Ook het plaatsen van allerlei zaken en voertuigen op de onverharde bodem hindert de infiltratie van hemelwater ter plaatse. Het verspreid over het terrein en op een weinig ordelijke manier plaatsen van allerlei zaken en voertuigen veroorzaakt mogelijk visuele hinder. Het regelmatig gebruiken van het terrein kan ook hinder met zich meebrengen voor de omwonenden. Door het regelmatig gebruiken van het terrein kan ook de ruimtelijke draagkracht overstegen worden en de ruimtelijke kwaliteit ervan in het gedrang komen. Uit het voorgaande blijkt dat het allerminst vaststaand is dat voor voornoemde handelingen een vergunning verkregen kan worden. De feiten zijn voldoende ernstig om te worden gesanctioneerd met een bestuurlijke geldboete van 16.550 euro. 4.2.2. De frequentie Het betreft een eenmalige schending. Er zijn geen indicaties die erop wijzen dat bij de overtreder reeds eerder vergelijkbare feiten werden vastgesteld. Het criterium frequentie geeft derhalve geen aanleiding tot een hogere geldboete. 4.2.3. De omstandigheden Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete kan worden rekening gehouden met de bereidheid van de overtreder om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen. Uit het dossier blijkt niet dat het herstel werd gerealiseerd. Er kan dan ook geen ver zachtende omstandigheid worden meegenomen bij het bepalen van de hoogte van de geldboete. Ten slotte zijn er, wat dit misdrijf betreft, geen verdere bijzondere omstandigheden die in rekening worden genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete. De feiten zijn voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke geldboete van 16.550 euro. Overtreder is samen met de andere eigenaar verantwoordelijk voor het stedenbouwkundig misdrijf. Het dossier bevat geen elementen die toelaten te be sluiten dat de ene meer verantwoordelijkheid zou dragen dan de andere. Bijgevolg wordt de geldboete gelijk aan elke overtreder opgelegd, zijnde 8.275 euro. …” HHC - 19 3. Verzoekende partijen tonen niet aan dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de ernst van de stedenbouwkundig e misdrij ven, als eerste waarderingscriterium om het boetebedrag te bepalen , foutief of kennelijk onredelijk is en dat deze de haar toegekende appreciatiebevoegdheid niet naar behoren heeft uitgeoefend. H un kritiek vormt eerder opportuniteitskritiek, waarbij ze h un visie over de be groting van het basisbedrag van de boete stellen tegenover d eze van de gewestelijke entiteit, die ter zake in het licht van het mogelijke boetebedrag over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt. Ze tonen niet aan dat er in voorliggend do ssier een kennelijke wanverhouding b estaat tu ssen de feiten en de basisboete die daarvoor is opgelegd . De handhaving van een stedenbouwkundig misdrijf strekt tot vrijwaring van de goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 4.3.1, §2 VCRO (artikel 6.1.2 VCRO). Zoals blijkt uit de beoordeling van het eerste middel, hebben verzoekende partijen wetens en willens op hun terrein in agrarisch gebied meerdere stallingen en verhardingen aangelegd, de bodem van het terrein deels afgegraven en opgehoogd met steenpuin, en een deel van het terrein gewoonlijk gebruikt voor het opslaan van allerlei materialen, materi eel, afval en voertuigen . Verzoekende partijen betwisten niet dat ze hiervoor geen voorafgaande omgevingsvergunning hebben gevraagd. Ze maken ook niet aannemelijk dat deze wederrechtelijke constructies, in het licht van de nabijheid van een spoorlijn en een drukke steenweg met lin tbebouwing, geen afbreuk doen aan de goede ruimtelijke ordening aldaar. De ongunstige uitkomst van hun regularisatieaanvraag in zowel eerste bestuurlijke aanleg als in graad van bestuurlijk beroep vormt de bevestiging dat hun proje ct daar ruimtelijk niet inpasbaar is. Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit alle wederrechtelijke stedenbouwkundige handelingen opsomt en telkens hun ruimtelijke impact beoordeelt, terwijl verzoekende partijen geen concrete pertin ente argumenten aanvoeren, waaruit blijkt dat deze gemotiveerde beoordeling onjuist dan wel kennelijk onredelijk is. 4. Verzoekende partijen maken op basis van de thans voorliggende gegevens wel afdoende aannemelijk dat de opgelegde boete s disproportioneel zijn in het licht van h un bereidheid om voor de vastgestelde schendingen , met enige vertraging door hun precaire gezondheidssituatie, alsnog maatregelen te nemen door het indienen van een regularisatieaanvraag en het uitvoeren van herstelwerkzaamheden, en dat deze elementen een reden vorm en voor een verlaging van de boete s. HHC - 20 4.1. Zoals wordt bevestigd in de bestreden beslissing, zijn de omstandigheden waarin de overtreder het stedenbouwkundig misdrijf heeft gepleegd of beëindigd een waarderings criterium bij de begroting van d e boete . De gewestelijke entiteit kan met name rekening houden met de inspanningen van de overtreder om de wederrechtelijke stedenbouwkundige handelingen , waarvoor de boete wordt opgelegd , te remediëren , en dit element meenemen als een verzachtende omstandigheid. Verzoekende partijen kunnen de gewestelijke entiteit in voorliggend dossier echter niet verwijten dat deze bij het bepalen van het boetebedrag geen rekening houdt met hun bereidwilligheid om de wederrechtelijke situatie te herstellen, door een regularisatieaanvraag in te dienen en door over te gaan tot herstel werkzaamheden. Uit het dossier blijkt immers niet dat ze de gewestelijke entiteit hiervan tijdens de bestuurlijke boeteprocedure informeerden, zodat deze daarvan op het ogenblik van de boetebeslissing geen kennis had. Ongeacht de discussie in hoeverre de g ewestelijke entiteit via de verbalisant minstens kennis diende te hebben van hun precaire gezondheidssituatie, dan wel ambtshalve moest nagaan of er al een regularisatieaanvraag was ingediend of herstel was gebeurd, belet dit niet dat ze dit argument alsno g voor het College kunnen opwerpen, en dat het College hiermee rekening kan houden bij de beoordeling van de proportionaliteit van de boete. Het College kan na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de boetebeslissing immers zelf een beslissing nemen ove r het bedrag van de boete en bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt (artikel 44 DBRC - decreet). Het beschikt bij de behandeling van het jurisdictioneel beroep dus over een eigen beoordelingsbevoegdheid en beslist daarbij op g rond van de meest actuele elementen die haar regelmatig worden voorgelegd, zodat het bij de beoordeling van de boete rekening kan houden met nieuw aangereikte gegevens. Gelet op het punitief karakter van een bestuurlijke geldboete vormt de bereidheid tot h erstel van de overtreder één van de elementen waarmee het College in het licht van de waarderingscriteria in artikel 6.2.7 VCRO rekening kan houden. 4.2. Het College oordeelt op basis van de thans voorliggende gegevens dat verzoekende partijen afdoende aantonen dat de opgelegde boetes disproportioneel zijn in het licht van hun inspanningen om de stedenbouwkundig e misdrij ven te remediëren en dat die inspanningen een reden vormen voor een verlaging van de boetes, te meer gelet op hun precaire gezondheidssituatie op het ogenblik van de aanmaningen en de opstart van de bestuurlijke boeteprocedure. Zoals blijkt uit het administratief dossier en door partijen niet wordt betwist, hebben verzoekende partijen op 11 maart 2024, ofwel kort na de opstart van de bestuurlijke HHC - 21 boeteprocedure met een brief van 1 maart 2024, bij het college van burgemeester en schepenen alsnog een regularisatieaanvraag ingediend voor de stallen, die op 24 mei 2024 in eerste bestuurlijke aanleg is geweigerd. Ze hebben hiertegen vervolgens op 28 jun i 2024 tijdig bestuurlijk beroep aangetekend bij de deputatie van , die dit beroep op 19 september 2024, ofwel na tussenkomst van de bestreden beslissingen op 6 augustus 2024, heeft verworpen. In die optiek heeft de gewestelijke entiteit in d e bestreden beslissingen, bij de beoordeling van de ernst van de feiten, correct ingeschat ‘dat het allerminst vaststaand is dat voor voornoemde handelingen een vergunning verkregen kan worden ’. Dit gegeven doet echter geen afbreuk aan de vaststelling dat verzoekende partijen, in navolging van de suggestie in de aanmaningen, minstens hebben gepoogd om voor een deel van de wederrechtelijke constructies een regulariserende vergunning te bekomen, zo dat ze wel degelijk bereidheid hebben getoond om voor de vastg estelde schendingen maatregelen te nemen , ook al heeft hun regularisatiepoging finaal niet geleid tot herstel . Uit de door verzoekende partijen bij hun verzoekschrift gevoegde foto’s, die volgens hen dateren van 18 september 2024, blijkt ook dat ze minstens een deel van de wederrechtelijke verhardingen op het terrein hebben verwijderd. Voorts hebben ze tijdens de z itting, in navolging van de bewering in hun wederantwoordnota dat ze bezig waren met het verder herstel van het terrein in de oorspronkelijke toestand, maar dat dit tijdens de wintermaanden van 2024 -2025 werd bemoeilijkt door de drassigheid van het terrein , verklaard dat ze ondertussen alle wederrechtelijke stedenbouwkundige handelingen hebben geremedieerd, ten bewijze waarvan er enkele foto’s worden voorgelegd , waaruit blijkt dat het terrein minstens deels in de oorspronkelijke toestand is hersteld. Hoewel verzoekende partijen tijdens de zittin g ook hebben verklaard dat de gewestelijke stedenbouwkundige inspecteur kort voor de zitting is langsgekomen om het herstel van het volledige terrein in de oorspronkelijke toestand vast te stellen, liggen er hiervan t ot op heden geen objectieve stukken voor, terwijl dit ook niet ontegensprekelijk blijkt uit de voorliggende foto’s, zodat het College daarmee geen rekening kan houden. Het geheel van de voorliggende stukken en verklaringen van verzoekende partijen vormen w el een begin van bewijs dat ze inspanningen hebben geleverd om de wederrechtelijke toestand effectief te beëindigen door het herstel van het terrein in de oorspronkelijke toestand en dat dit ondertussen minstens deels is gerealiseerd. Daaruit blijkt ook af doende dat hun precaire gezondheidstoestand minstens mee aan de basis lag van het lang stilzitten van verzoekende partijen, ondanks de twee aanmaningen van de verbalisant om de wederrechtelijke situatie te remediëren en de opstart van de bestuurlijke boete procedure, terwijl daarnaast redelijkerwijze kan worden aangenomen dat ook de herhuisvesting van dieren enige tijd in beslag neemt. Hoewel hun medische problemen geen vrijgeleide vormen voor het plegen van stedenbouwkundige misdrijven en hoewel ze hierdoor , zoals gesteld, HHC - 22 redelijkerwijze niet in de onmogelijkheid waren om de gewestelijke entiteit hiervan in kennis te stellen, kan wel worden aangenomen dat het opvolgen van de aanmaningen van de verbalisant en van de bestuurlijke boeteprocedure op dat ogenblik voor verzoekend e partijen geen prioriteit was. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. VI. Indeplaatsstelling 1. Het College kan na de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de bestreden beslissing zelf een beslissing nemen over het bedrag van de boete en bepalen dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt (artikel 44 DBRC -decreet). De boete moet zoals gesteld evenredig zijn tot de feiten, waarbij de hoogte hiervan wordt afgestemd op de ernst van het stedenbouwkundig misdrijf , terwijl er ook rekening wordt gehouden met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtreder dit heeft gepleegd of b eëindigd (artikel 6.2.7, §1, lid 2 VCRO). 2. Gelet op de beoordeling van de middelen , onderschrijft het College het gemotiveerde standpunt van de gewestelijke entiteit in de bestreden beslissing en over de toerekenbaarheid van de stedenbouwkundige misdrijven aan verzoekende partij en en over de waarderingscriteria van de ernst van de feiten en de frequentie om het boetebedrag te bepalen. Het College wijkt enkel af van het standpunt van de gewestelijke entiteit over het beoordelingscriterium van de omstandigheden en met name over de bereidheid van verzoe kende partijen om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen . Het oordeelt dat verzoekende partijen wel degelijk inspanningen hebben geleverd om de stedenbouwkundig e misdrij ven te remediëren , waarvan het late tijdstip moet worden gekaderd in het licht van hun met stukken aangetoonde precaire gezondheidssituatie, en dat die inspanningen een verzachtende omstandigheid vormen, die aanleiding heeft tot een verlaging van de boetes. Het College hou dt daarbij in het bijzonder rekening met de poging van verzoekende partijen om de wederrechtelijke stallen te regulariseren, en met het minstens gedeeltelijk herstel van het terrein in de oorspronkelijke toestand, waardoor de ruimtelijke impact van de stedenbouwkundige misdrijven in het agrarisch gebied minste ns is gereduceerd. Het College houdt geen rekening met de beweerde precaire financiële toestand van verzoekende partijen omdat er hiervan geen enkel stuk voorligt. HHC - 23 Het College gaat in het licht van de concrete gegevens van het dossier, in het bijzonder de poging tot regularisatie van de wederrechtelijke stallen door de regularisatieaanvraag tijdens de bestuurlijke boeteprocedure en het minstens gedeeltelijk herstel van het terrein in de oorspronkelijke toestand, ondanks de precaire gezondheidstoestand en de leeftijd van verzoekende partijen, o ver tot een herleiding van de boete s tot 5.000 euro in totaal, ofwel 2.500 euro per verzoekende partij. Ongeacht de vraag in hoeverre verzoekend e partijen voldoen aan de voorwaarden om te kunnen genieten van een uitstel (artikel 16.4.29, §2, lid 1 DABM) , breng en ze tijdens voorliggende procedure geen overtuigende concrete motieven aan om de (herleide) bestuurlijke geldboete geheel of gedeeltelijk op te leggen met uitstel van tenuitvoerlegging. VII. Beslissing 1. De bestreden beslissingen worden vernietigd. 2. Het College legt ter vervanging van de vernietigde beslissing en aan elke verzoekende partij een alternatieve bestuurlijke geldboete op van 2.500 euro, ofwel 5.000 euro in totaal . 3. De kosten van het beroep , begroot op 200 euro rolrechten, zijn ten laste van verwerende partij. Dit arrest is uitgesproken op 4 september 2025 door de eerste kamer . De griffier , De voorzitter van de eerste kamer,

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot