Naar hoofdinhoud

ARR:handhavingscollege-brussel-04-09-2025-0

🏛️ Handhavingscollege Brussel 📅 2025-09-04 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht

Volledige tekst

HHC - 1 HANDHAVINGSCOLLEGE ARREST van 4 september 2025 met nummer in de zaak met rolnummer Verzoekende partij vertegenwoordigd door advocaten , met woonplaatskeuze te Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse Regerin g, ten verzoeke van de Vlaamse m inister van Omgeving en Landbouw vertegenwoordigd door advocaat , met woonplaatskeuze te I. Voorwerp van het beroep Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 29 juni 2024 de vernietiging van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 24 mei 2024 met nummer , waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 4.900 euro wegens schending van de artikel en 81 en 90bis Bosdecreet van 13 juni 1990 (hierna: Bosdecreet) . Er wordt haar met name verweten dat ze een ontbossing van 7.893 m² heeft uitgevoerd zonder kapmachtiging, onthe ffing of vergunning . II. Rechtspleging 1. Het beroep wordt initieel behandeld volgens de vereenvoudigde procedure omdat de voorzitter van het College, met de beschikking van 4 december 2024, vaststelt dat dit op het eerste gezicht klaarblijkelijk onontvankelijk is wegens niet tijdige betaling van het rolrecht (a rtikel 31/1, HHC - 2 §4 van het decreet van 4 april 2014 betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges - hierna: DBRC -decreet). De procedure wordt vervolgens voortgezet volgens de gewone rechtspleging omdat de voorzitter van het College, op basis van een door verzoekende partij via het digitaal loket op 20 december 2024 ingediende verantwoordingsnota , met de beschikking van 21 januari 2025 oordeelt dat d e zaak niet langer in aanmerking komt voor een vereenvoudigde procedure . 2. Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in. Verzoekende partij dient een wederantwoordnota in. Partijen worden opgeroepen voor de zitting van 17 juli 2025. Ze stemmen in met het schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering (artikel 41, §3 van het besluit van de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vl aamse bestuursrechtscolleges - hierna: Procedurebesluit ). III. Feiten 1. Op 4 april 2023 stelt een natuurinspecteur O.G.P./ gewestelijke toezichthouder voor het Agentschap voor Natuur en Bos te n (hierna: verbalisant) , op een bosperceel van verzoekende partij in agrarisch gebied, vast dat het bos is kaalgekapt en omgevormd tot weide: “… 1) Aanleiding : Naar aanleiding van een anonieme melding wordt opsteller op de hoogte gebracht dat op het kadastraal perceel een bos verdwenen is. 2) Vaststellingen : Op dinsdag 04/04/2023 om 15.00 uur gaat opsteller ter plaatse en stelt inderdaad vast dat het bos verdwenen is. Het perceel is helemaal ontbost. Op het perceel is er nu gras gezaaid . 3) Ten burele Via een opzoeking in het kadaster komen wij te weten dat het perceel eigendom is van (verzoekende partij). We komen ook te weten dat er geen vergunning is afgeleverd voor het kappen en van het ontstronken van de bomen . HHC - 3 Dit alles wijst erop dat aan het bosperceel een andere bestemming is gegeven en aldus werd ontbost. Ontbossing is verboden . Men moet hier middels een ontheffing van het Agentschap de toelating voor krijgen en vervolgens een omgevingsvergunning aanvragen. Deze vergunning ontbreekt Het perceel is volgens de Ruimteboekhouding gelegen in agrarisch gebied . De oppervlakte van het perceel bedraagt 7893.91 m² . …” Deze vaststellingen worden opgenomen in het aanvankelijk proces -verbaal nr. , dat op 20 juli 2023 wordt afgesloten en op dezelfde dag wordt verstuurd aan de procureur des Konings en aan verzoekende partij met een aangetekende brief met ontvangstbewijs. 2. Op 13 juli 2023 wordt er, naar aanleiding van de vaststellingen in het PV , aan verzoekende partij een bestuurlijke maatregel opgelegd met referentie , waarbij ze tegen 31 december 2023, op straffe van een bestuurlijke dwangsom, moet overgaan tot herbebossing van h et perceel met inheemse boomsoorten en/of struiken . 3. Op 23 augustus 2023 ontvangt de gewestelijke entiteit de melding van de procureur des Konings van 22 augustus 2023 dat het milieumisdrijf niet strafrechtelijk zal worden behandeld. 4. Op 25 april 2024 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van h aar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leg gen. Ze wijst haar daarbij op de mogelijkheid van een bestuurlijke transactie mits betaling van 6.550 euro (artikel 6. 4.36, §3 DABM ). Ze nodigt haar ook uit om bij gebreke van tijdige en volledige betaling van de voorgestelde geldsom een schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot hoorzitting, en biedt haar de mogelijkheid om inzage te vragen in het administratief dossier. Verzoekende partij gaat niet over tot betaling, bezorgt geen sc hriftelijk verweer en vraagt niet om te worden gehoord. HHC - 4 5. Op 6 mei 2024 verleent de verbalisant de door de gewestelijke entiteit gevraagde bijkomende inlichtingen met betrekking tot de uitvoering van de bestuurlijke herstelmaatregel: “Ik ben vrijdag gaan kijken naar het perceel. Hij heeft aangeplant maar niet het volledige perceel. Maar dit komt omdat dat stuk van het perceel nu nog te nat is. Het is een zeer uitzonderlijke nat jaar al geweest. De rest van de aanplant is zeer goed gelu kt , deze boompjes zijn goed vertrokken. Ik heb telefonisch contact gehad met en hij heeft de situatie uitgelegd. Hij gaat de rest nog aanplanten in de herfst. Voor mij mag het boetebedrag gerust verminderd worden, want hij heeft zeker zijn best gedaan. Hij kan er immers niet aan doen dat het te nat is.” 6. De gewestelijke entiteit legt op 24 mei 2024 een bestuurlijke geldboete op, waarvan verzoekende partij met een aangetekende brief van 7 juni 2024 in kennis wordt gesteld. Dat is de bestreden beslissing. IV. Ontvankelijkheid van het beroep A. Betaling rolrecht – artikel 31/1, §4 DBRC -decreet Standpunt van de partijen 1. Verzoekende partij stelt dat ze de vereiste betaling van het verschuldigde rolrecht tijdig heeft geregulariseerd. Ze toont aan de hand van stukken aan dat ze de aangetekende brief van de griffie van 16 juli 2024 , waarmee ze is uitgenodigd om het verschuldigde rolrecht alsnog te betalen , heeft ontvangen op 18 juli 2024 , waarna ze Bpost op 26 juli 2024 opdracht gaf tot betaling van het rolrecht. 2. Verwerende partij formuleert hierover geen opmerkingen en gedraagt zich naar de wijsheid van het College. HHC - 5 Beoordeling door het College 1. Elke verzoekende partij is bij het indienen van een verzoekschrift tot vernietiging een rolrecht verschuldigd van 100 euro (artikel 31/1, §1 DBRC -decreet). Ze moet het verschuldigde rolrecht in beginsel uiterlijk bij het indienen van haar verzoek tot verni etiging betalen, waarbij ze gelijktijdig met haar verzoekschrift het bewijs dient te bezorgen dat er hiervoor een overschrijvingsopdracht is gegeven of een storting is uitgevoerd. Als niet blijkt dat het rolrecht uiterlijk op het ogenblik van indiening van het verzoekschrift is betaald, nodigt de griffier verzoekende partij met een beveiligde zending uit om dit alsnog te betalen, waarna het rolrecht moet worden gestort binnen een vervaltermijn van acht dagen na de dag van de betekening van deze beveiligde z ending. De griffier vermeldt daarbij duidelijk de sanctie dat het beroep onontvankelijk is als het verschuldigde rolrecht niet tijdig is gestort (artikel 31/1, §4 DBRC - decreet). 2. Verzoekende partij, die het verschuldigde rolrecht niet stort op het ogenblik van indiening van haar verzoekschrift , wordt door de griffie m et een aangetekende brief van 16 juli 2024 uitgenodigd om dit rolrecht alsnog te betalen binnen een verval termijn van acht dagen , die ingaat op de dag na de betekening van deze brief. Uit de verantwoordingsnota en de bijgevoegde stukken van verzoekende partij blijkt dat deze uitnodiging tot betaling van het rolrecht haar is betekend op 18 juli 2024, en dat ze op 26 juli 2024 opdracht gaf tot betaling van het rolrecht, dat door de griffie op 29 juli 2024 is ontvangen. Verzoekende partij heeft de betaling van het verschuldigde rolrecht dan ook tijdig geregulariseerd. B. Overmaken bestreden beslissing – artik el 16, 1° Procedurebesluit Standpunt van de partijen 1. Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift omdat verzoekende partij haar verzoekschrift niet tijdig heeft vervolledigd door toevoeging van een afschrift van de bestreden beslissing . Ze stelt dat verzoekende partij hiertoe door de griffie m et een aangetekende brief van 16 juli 2024 is uitgenodigd , terwijl ze de betreden beslissing pas heeft bijgevoegd met haar verantwoordingsnota van 20 december 2024, ofwel buiten de vervaltermijn van acht dagen. HHC - 6 2. Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota dat de griffie en verwerende partij op basis van haar verzoekschrift in staat waren om de bestreden beslissing te identificeren. Ze meent dat dit wordt bevestigd door de inschrijving door de griffie van he t verzoekschrift op het definitieve register. Ze stelt dat uit de antwoordnota van verwerende partij blijkt dat het normdoel van de vereiste om een afschrift van de bestreden beslissing bij het verzoekschrift te voegen is bereikt, en dat verwerende partij geen belangenschade aantoont. Ze merkt op dat de door verwerende partij beoogde strikte toepassing van de vormvereisten tot gevolg heeft dat haar recht op toegang tot de rechter onredelijk wordt belemmerd. Beoordeling door het College 1. Een verzoekende partij dient aan haar verzoekschrift onder meer een afschrift van de bestreden beslissing toe te voegen , dan wel een verklaring dat ze daarvan niet in het bezit is (artikel 16, 1° Procedurebesluit ). Bij gebreke hieraan schrijft d e griffie het verzoekschrift niet in op het definitieve register en stelt ze v erzoek ende partij i n staat om de ze vormvereist e te regulariseren binnen een vervaltermijn van acht dagen , die ingaat op de dag na de betekening van het verzoek tot regularisatie. Als verzoekende partij haar verzoekschrift tijdig regulariseert, wordt ze geacht dit te hebben ingediend op de datum van de eerste verzending of neerlegging , terwijl e en verzoekschrift dat niet, onvolledig of laattijdig is geregulariseerd, wordt geacht ni et te zijn ingediend (17, §2, lid 1, 4° en leden 3, 4 en 5 Procedurebesluit). 2. Verzoekende partij, die bij haar verzoekschrift geen afschrift van de bestreden beslissing voegt, wordt door de griffie m et een aangetekende brief van 16 juli 2024 uitgenodigd om dit alsnog te doen binnen een verval termijn van acht dagen , die ingaat op de dag na de betekening van deze brief. Verzoekende partij voegt pas bij haar verantwoordingsnota van 20 december 2024 met betrekking tot de discussie over de tijdigheid van de betaling van het rolrecht een kopie van de bestreden beslissing. Hoewel verzoekend e partij haar verzoekschrift strikt gezien pas laattijdig heeft vervolledigd, wordt dit door de g riffie toch ingeschreven op het definitieve register . Er bestaat geen reden om thans alsnog te oordelen dat verzoekende partij heeft nagelaten om haar verzoekschrift tijdig te regularise ren, waardoor dit wordt geacht niet te zijn ingediend . Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekende partij daarin expliciet melding maakt van het dossiernummer , zodat het voorwerp van het beroep daarin wordt vermeld (a rtikel 15, 3° Procedurebesluit ) en verwerende partij onmiddellijk wist tegen welke boetebeslissing het beroep is gericht. Voorliggende procedure is bovendien pas met de HHC - 7 beschikking van 21 januari 2025 voortgezet volgens de gewone rechtspleging , terwijl er op dat ogenblik al een kopie van de bestreden beslissing voorlag, die door verzoekende partij was overgemaakt bij haar verantwoordingsnota van 20 december 2024 . Het normdoel van deze vormvereiste is in voorliggend dossier dan ook bereikt en d e goede rechtsbedeling en de rechtszekerheid zijn niet in het gedrang gekomen. V erwerende partij voert ook niet aan dat ze hierdoor is geschaad in haar belangen. C. Middelen in het verzoekschrift – artikel 15, 4° Procedurebesluit Standpunt van de partijen 1. Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift omdat verzoekende partij daarin nalaat om de bestreden beslissing bij haar kritiek te betrekken, waardoor het onduidelijk is waarom ze meent dat deze beslissing onwettig is. 2. Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota dat verwerende partij in haar antwoordnota klaarblijkelijk in staat was om de wettigheidskritiek in het verzoekschrift ten aanzien van de bestreden beslissing af te leiden en om daarop een repliek te formuleren , zodat ze op basis van het verzoekschrift wel degelijk begrijpt wat de bestreden beslissing wordt verweten. Beoordeling door het College 1. Een verzoekende partij dient in het verzoekschrift verplicht minstens één ontvankelijk middel aan te voeren, bij gebreke waarvan de vordering onontvankelijk is, terwijl de niet -naleving van deze vereiste naderhand niet kan worden geregulariseerd (artikel 1 7 DBRC -decreet, in samenlezing met artikel 15, 4° Procedurebesluit). Een middel bestaat uit een voldoende en duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel of het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop deze rechtsregel of dit rechtsbeginse l volgens verzoekende partij wordt geschonden. De vereiste dat het verzoekschrift een uiteenzetting dient te bevatten van de feiten en de middelen impliceert niet dat verzoekende partij expliciet de rechtsregels of rechtsbeginselen moet vermelden die volge ns haar door de bestreden beslissing worden geschonden. Het is enkel noodzakelijk dat de uiteenzetting in het verzoekschrift het voor het College in het kader van zijn legaliteitstoetsing, en voor verwerende partij in het kader van haar verdediging, mogeli jk maakt duidelijk te begrijpen wat de bestreden beslissing wordt HHC - 8 verweten. In zoverre verzoekende partij in haar verantwoordings - of wederantwoordnota bijkomende middelen aanvoert ten opzichte van haar verzoekschrift, dan wel een andere wending geeft aan de in het verzoekschrift aangevoerde middelen, zonder aannemelijk te maken dat ze deze argumentatie niet kon aanvoeren op het ogenblik van het indienen van haar verzoekschrift, zijn deze nieuwe middelen in beginsel onontvankelijk (artikel 15, 4° in samenlezing met artikel 29 Procedurebesluit). Het College vernietigt de b estreden beslissing wanneer deze onregelmatig is omwille van de schending van een rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel (artikel 35 DBRC -decreet). 2. Verwerende partij stelt tevergeefs dat het verzoek tot vernietiging onontvankelijk is omdat het verzoekschrift geen uiteenzetting bevat van de middelen, zodat haar exceptie wordt verworpen. Op basis van de argumentatie in het verzoekschrift kan redelijkerw ijze worden vastgesteld dat verzoekende partij de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf betwist, op basis van de vaststelling dat ze nooit de intentie had om het bosperceel om te vormen naar een andere bestemming. Bovendien blijkt uit de antwoordnota van verwerende partij dat ze daarover inhoudelijk standpunt heeft ingenomen, zodat ze wel degelijk begrijpt waarom verzoekende partij meent dat de bestreden beslissing onregelmatig is en om die reden moet worden vernietigd. V. Onderzoek van het middel 1. Verzoekende partij betwist in haar verzoekschrift in essentie dat ze een milieumisdrijf pleegde dat haar kan worden toegerekend en waarvoor haar een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd. Ze voert dus feitelijk de schending aan van artikel 16.4.25 DABM en van het algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, in samenlezing met de volgens de bestreden beslissing geschonden artikelen van het Bosdecreet . Ze stelt met name dat ze nooit de intentie had om het bos perceel om te vormen n aar een andere bestemming , maar dat de ontbossing was genoodzaakt door de slechte staat van de aanwezige fijnsparren, die waren aangetast door de lederzetter en die op vraag van de gemeente aan de vorige eigenaar vanuit veiligheidsoverwegingen zijn verwijderd. Ze stelt dat ze stee ds de intentie had om het perceel daarna te herbebossen, maar dat dit niet onmiddellijk kon worden gerealiseerd doordat ‘het toen niet het seizoen was om bosgoed te planten (mei -juni)’. Ze stelt dat ze uiteindelijk ‘door het schrij ven om dit perceel terug op te planten alles in het werk heeft gezet om dit te realiseren’ en het perceel is herbeplant met inheems loofhout, waardoor ze feitelijk een fijnsparbos heeft omgevormd tot een inheems loofbos. HHC - 9 2. Verwerende partij merkt in haar antwoordnota op dat de bewering van verzoekende partij, dat ze geen intentie had om het bosperceel om te vormen naar een andere bestemming , maar dat ze door de aantasting van de fijnsparren door de lederzetter was genoodzaakt om de bomen te rooien en de gemeente haar dit ook had gevraagd, nooit eerder tijdens de bestuurlijke boeteprocedure is aangevoerd, zodat de gewestelijke entiteit hierme e geen rekening kon houden. Ze stelt dat deze bewering bovendien wordt tegengesproken door de vaststelling in het PV dat het perceel was ing ezaaid met gras. Ze wijst op de vaststelling dat o pzet geen constitutieve vereiste is voor de kwalificatie van de feiten als milieu misdrijf , en dat e en gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid volstaat , terwijl hieraan ook geen afbreuk wordt gedaan door de beweerde goede trouw in hoofde van verzoekende partij. Ze wijst op de overwegingen hierover in de bestreden beslissing, op basis van de vaststelling in het PV. Ze benadrukt dat verzoekende partij op zich niet betwist dat z e bomen heeft gerooid zonder te beschikken over de daarvoor vereiste machtiging en /of vergunning , zodat ze het bestaan van het milieumisdrijf op zich niet b etwist. Ze stelt voorts dat verzoekende partij niet aantoont dat de gemotiveerde begroting van de boete door de gewestelijke entiteit steunt op foutieve gegevens of kennelijk onredelijk is, en met name nalaat om de overwegingen hierover in de bestreden beslissing concreet bij haar kritiek te betrekken. 3. Verzoekende partij stelt in haar wederantwoordnota nog dat ze geen weiland wenste aan te leggen, ‘maar de grond net kocht om het bos in stand te houden’. Ze herhaalt dat het bos met fijnsparren, op het ogenblik van de ontbossing, reeds grotendeels was afge storven door toedoen van de letterzetter, zoals blijkt uit luchtfoto’s , zodat de bomen reeds voor de ontbossing één voor één omvielen. Ze herhaalt ook dat ze ‘ het perceel op vraag van de gemeente op ruimde, nu de omgevallen bomen de overlevingskansen van de overige bomen beperkten en er een gevaarlijke situatie ontstond ’. Ze verwijt de gewestelijke entiteit voorts dat deze de reden van de teloorg ang van het bos en haar goede intenties bij de begroting van de boete ten onrechte niet ook heeft meegenomen als een verzachtende omstandigheid, naast de heraanplant van het bos. Ze merkt in dit kader op dat bovendien enkel rekening wordt gehouden met haar be reidheid om remediërende maatregelen te nemen, en niet met de volledige heraanplant van het perceel met inheems loofhout, die op het ogenblik van de bestreden beslissing reeds was uitgevoerd. HHC - 10 Beoordeling door het College 1. Verzoekende partij betwist (in navolging van de gelijkaardige argumentatie in haar verantwoordingsnota in het licht van de vereenvoudigde procedure) voor het eerst in haar wederantwoordnota de degelijkheid van de begroting door de gewestelijke entiteit van het boetebedrag en met name de beoordeling van de verzachtende omstandigheden. Ze voert geen reden aan waarom ze deze wettigheidskritiek niet aanvoerde in haar verzoekschrift, waarin ze enkel de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf betwist, op basis va n de bewering dat ze nooit de intentie had om het bosperceel om te vormen tot weiland. Het College oordeelt in het licht van de concrete omstandigheden van het dossier dat verzoekende partij deze argumentatie met betrekking tot de begroting van de boete re delijkerwijze ook al in haar verzoekschrift kon aanvoeren. De vaststelling dat ze op dat ogenblik nog niet was vertegenwoordigd door een advocaat doet hieraan geen afbreuk. Het nieuwe middel, dat een schending vormt van de loyale procesvoering en het norma le en behoorlijke verloop van het vooronderzoek verstoort, is dan ook onontvankelijk. 2. De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen wor den bestraft overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3bis, 16.6.3ter, 16.6.3quater, 16.6.3quinquies, 16.6.3sexies en 16.6.3septies DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2, 2° DABM). De geschonden artikelen zijn dergelijke milieuvoorsch riften (artikel 16.1.1, lid 1, 14° DABM). Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde schending van de gehandhaafde regelgeving is in beginsel strafbaar (de artikelen 16.6.1, §1 en 16.6.3quinquies, lid 2 DABM). De geldboete k an enkel worden opgelegd aan de ‘overtreder’, hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of die opdracht geeft om handelingen te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25, lid 1 DABM). De kwalificatie van de feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om haar een geldboete op te leggen. Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken, in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering HHC - 11 betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel 6, lid 2 van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel e n inhoudelijk vlak. 3. De gewestelijke entiteit overweegt in de bestreden beslissing met betrekking tot de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf aan verzoekende partij als overtreder het volgende: “… Elke kapping die niet is voorzien in een goedgekeurd beheerplan, moet door het ANB gemachtigd worden (artikel 81 Bosdecreet). Een ontbossing is verboden tenzij mits het bekomen van een omgevingsvergunning en/of een individueel toegestane ontheffing (artikel 90bis Bosdecreet). Artikel 4, 15° van het Bosdecreet definieert ontbossen als “iedere handeling waardoor een bos geheel of gedeeltelijk verdwijnt en aan de grond een andere bestemming of gebruik wordt gegeven.” Op 4/4/2023 begaf verbalisant zich naar het kadastraal perceel en stelde vast dat op dit perceel bomen gekapt werden en vervolgens de grond ingezaaid werd met gras en omgezet naar weiland, waardoor een ontbossing werd uitge voerd. De ontboste oppervlakte bedroeg 7893,91 m². Er was geen kapmachtiging, noch een onthe ffing op het ontbossingsverbod of een vergunning tot ontbossing afgeleverd voor dit perceel. Bovenvermelde feiten zijn een schending van: Bosdecreet: artikel 81 en 90bis. Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2, 2° DABM. Ze zijn strafbaar gesteld in hoofdstuk VI van titel XVI van het DABM en op grond van artikel 16.4.27 kan een bestuurlijke geldboete opgelegd worden . Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van overtreder.” HHC - 12 4. Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat de vastgestelde feiten moeten worden beschouwd als een milieumisdrijf dat haar kan worden toegerekend, foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat. De gewestelijke entiteit steunt haar oordeel op de met foto’s onderbouwde vaststellingen van de verbalisant in het PV . Deze vaststellingen worden door verzoekende partij op zich niet betwist en hebben overigens bijzondere bewijswaarde . Verzoekende partij laat na om de overwegingen in de bestreden beslissing met betrekking tot de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf concreet bij haar beoordeling te betrekken, en beperkt zich tot de bewering dat ze nooit de intentie had om het bos perceel om te vormen naar een weiland, maar enkel op vraag van de gemeente uit veiligheidsoverweging en is overgaan tot het verwijderen van de door de lederzetter aangetaste fijnsparren, in functie van de herbebossing hiervan. Verzoekende partij betwist tevergeefs dat het milieumisdrijf haar niet kan worden verweten omdat ze nooit de intentie had om het bosperceel te ontbossen en om te vormen naar een weiland. Zoals gesteld, vereist het milieumisdrijf waarvoor de boete wordt opgelegd als moreel element enkel een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid, opdat de schending van de gehandhaafde regelgeving strafbaar is. Ve rzoekende partij maakt niet redelijkerwijze aannemelijk dat elke normaal redelijk en vooruitziend e burger , geplaat st in dezelfde omstandigheden, ook niet op de hoogte zou zijn geweest van het principieel verbod om een bosperceel z onder vergunning of machtiging volledig te ontbossen en in te zaaien met gras, zelfs al zou dit slechts tijdelijk zijn, en weerlegt dus niet dat ze onvoldoende voorzorg of voorzichtigheid aan de dag heeft gelegd. Ze diende zich als boseigenaar desnoods vooraf degelijk te informeren. Ze kan zich dan ook niet verschuilen achter de bewering dat ze steeds te goeder trouw handel de en maakt niet aannemelijk dat er in haar hoofde sprake is van een schulduitsluitingsgrond en met name onoverkomeli jke (rechts)dwaling. Haar bewering, dat veel bomen op het bosperceel waren aangetast door de letterzetter en de ontbossing gebeurde naar aanleiding van de vraag van de gemeente aan de vorige eigenaar van het bosperceel om dit uit veiligheidsoverwegingen op te ruimen, doet hieraan geen afbreuk en wordt bovendien ook voor het College door geen enkel stuk gestaafd. Het valt overigens niet in te zien waarom verzoekende partij, die in haar wederantwoordnota aanvoert dat ze ‘ het perceel op vraag van de gemeente o pruimde, nu de omgevallen bomen de overlevingskansen van de overige bomen beperkten en er een gevaarlijke situatie ontstond ’, het perceel volledig heeft ontbost, en niet enkel de omgevallen bomen heef t verwijderd. Uit geen enkel stuk blijkt HHC - 13 dat het bos op het ogenblik van de door verzoekende partij beweerde ‘opruimingswerken’ al op natuurlijke wijze volledig teniet was gegaan. Bovendien blijkt uit de vaststellingen van de verbalisant dat het bosperceel op 4 april 2023 volledig was ontbost, inclusief de verwijdering van de stronken, en was begroeid met gras, waaruit blijkt dat de ontbossing al enige tijd daarvoor was gefinaliseer d. De bewering van verzoekende partij in voorliggende procedure, dat ze steeds de intentie had om het perceel, na de ontbossing hiervan, zo spoedig als mogelijk te herbebossen, is ongeloofwaardig omdat niet valt in te zien waarom ze het perceel dan eerst h eeft ingezaaid met gras. Ook haar bewering, dat de herbebossing op het ogenblik van de vaststellingen door de verbalisant nog niet kon worden uitgevoerd omdat het plantseizoen voorbij was, waarbij ze in haar verzoekschrift wijst op de maanden ‘mei -juni’, i s ongeloofwaardig omdat uit de datum van deze vaststellingen en het op dat ogenblik al aanwezige gras blijkt dat het perceel alleszins nog in maart 2023 kon worden herbebost. 5. Voor de volledigheid kan nog worden opgemerkt dat het feit , dat er zich heden op het perceel, door toedoen van verzoekende partij, een inheems loofbos ontwikkelt, het gevolg is van de wederrechtelijke ontbossing van dit perceel door verzoekende partij en de naar aanleiding hiervan opgelegde bestuurlijke herstelma atregel van 13 juli 2023 om de gevolgen van dit milieumisdrijf ongedaan te maken, die door verzoekende partij niet is betwist. Verzoekende partij wijst tevergeefs op het gegeven dat ze na de vastste llingen door de verbalisant per kerende remediëringsmaatregelen nam en met name van zodra mogelijk overging tot de herbebossing van het ontboste perceel. Het niet betwiste gegeven, dat verzoekende partij tijdig heeft voldaan aan de door de verbalisant gevr aagde herstelmaatregelen, doet geen afbreuk aan het bestaan en de ernst van het milieumisdrij f en verhindert niet dat er haar hiervoor naderhand nog een bestuurlijke geldboete wordt opgelegd. Er is haar in functie van het herstel van het ontboste perceel b ovendien een bestuurlijke maatregel opgelegd, zodat haar inspanningen ter zake niet vrijblijvend waren. Bestuurlijke maatregelen zijn gericht op het spoedig beëindigen van een vastgesteld milieumisdrijf of om de gevolgen hiervan geheel of gedeeltelijk ongedaan te maken of herhaling te voorkomen (artikelen 16.4.5 en 16.4.7. DABM ), terwijl ee n alternatieve bestuurlijke geldboete een sanctie is, waarbij de gewestelijke entiteit een overtreder verplicht om een geldsom te betalen wegens het plegen van een milieu misdrijf (de artikel en 16.4.25 en 16.4.27. DABM ). Beide handhavingsvormen hebben een andere finaliteit en sluiten elkaar niet uit (zoals blijkt uit artikel 16.4.2, lid 1 DABM ). Het plegen van een milieumisdrijf kan d us worden gesanctioneerd, ook als de overtreder ondertussen al dan niet vrijwillig uitvoering gaf aan bestuurlijke maatregelen , die naar aanleiding daarvan zijn HHC - 14 opgelegd, dan wel zelf initiatief nam om de gevolgen van het milieumisdrijf te herstellen of om gelijkaardige misdrijven in de toekomst te vermijden . Het uitvoeren van ( bestuurlijke) herstelmaatregelen ontneemt de feiten hun strafbaar karakter niet en doet in beginsel geen afbreuk aan de mogelijkheid om (alsnog) een bestuurlijke geldboete op te leggen voor het vastgestelde milieumisdrij f. Het kan wel een omstandigheid zijn die door de gewestelijke entiteit in aanmerking wordt genomen bij de begroting van de boete, zoals in voorliggend dossier ook effectief is gebeurd. De gewestelijke entiteit houdt bij de begroting van de boete immers effe ctief rekening met de remediëring van het milieumisdrijf door verzoekende partij, na de vaststellingen door de verbal isant, en neemt dit gegeven mee als een verzachtende omstandigheid, waardoor de boete aanzienlijk en meetbaar wordt verlaagd. Verzoende partij toont niet aan dat de beoordeling hierover in de bestreden beslissing foutief of kennelijk onredelijk is. Het middel wordt verworpen. VI. Kosten De kosten van het geding worden ten laste gelegd van verzoekende partij, die door het verwerpen van het verzoek tot vernietiging wordt beschouwd als de partij die in het ongelijk wordt gesteld (artikel 33 DBRC -decreet). Verwerende partij vordert een rechtsplegingsvergoeding ten belope van het basisbedrag van 840 euro, die niet wordt toegekend. Het College kan (sinds 7 september 2024) op verzoek van een parti j een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in het gelijk wordt gesteld (artikel 31/1, §5 DBRC -decreet , dat is ingevoegd door artikel 107 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van h et Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en dat op 7 september 2024 in werking getreden op basis van artikel 139, §1 van voormeld decreet en artikel 35 van het besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges, wat betreft de uitbreiding van de procedure bij het Handhavingscollege, en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 1, artikel 105 tot en met 1 16 en artikel 138 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 , zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 28 augustus 2024). Er wordt in voorliggende procedure geen rechtsplegingsvergoeding toegekend omdat de procedure is ingeleid voor de inwerkingtreding HHC - 15 van de artikelen die daarop betrekking hebben, waardoor partijen de impact hiervan op dat ogenblik nog niet konden inschatten. VII. Beslissing 1. Het beroep wordt verworpen. 2. De kosten van het beroep , begroot op 100 euro rolrecht, zijn ten laste van verzoekende partij . Dit arrest is uitgesproken op 4 september 2025 door de eerste kamer . De griffier , De voorzitter van de eerste kamer,

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot