ARR:handhavingscollege-brussel-18-09-2025-0
🏛️ Handhavingscollege Brussel
📅 2025-09-18
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
27 februari 2019, 29 juli 1991
Volledige tekst
HHC - 1
HANDHAVINGSCOLLEGE
ARREST
van 18 september 2025 met nummer
in de zaak met rolnummer
Verzoekende partij
met woonplaatskeuze te
Verwerende partij het VLAAMSE GEWEST , vertegenwoordigd door de Vlaamse
regerin g, ten verzoeke van de Vlaamse m inister van Omgeving
en Landbouw
vertegenwoordigd door advocaat met
woonplaatskeuze te
I. Voorwerp van het beroep
Verzoekende partij vordert met een aangetekende brief van 14 oktober 2024 de vernietiging
van de beslissing van de gewestelijke entiteit van 21 augustus 2024 met nummer
waarmee haar een alternatieve bestuurlijke geldboete wordt opgelegd van 1.062,50 euro
wegens schending van artikel 6.4.0.1, §3, lid 1, 4° en 5° en lid 3 van het besluit van de Vlaamse
regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne
(hierna: VLAREM II) en van de artikelen 11, §1 en 12, § 1 van het decreet van 23 december
2011 betreffende het duurzaam beheer van materiaalkringlopen en afvalstoffen (hierna:
Materialendecreet). Er wordt haar met name verweten dat ze de asbesthoudende
dakbedekking van een tuinhuis niet heeft verwijderd conform de geldende regelgeving om
vezelverspreiding en blootstelling van personen aan asbestvezels te verhinderen, doordat ze
de golfplaten heeft gebroken en niet heeft opgeslagen in e en gesloten verpakking, maar ze
heeft begraven in een put onder het tuinhuis, terwijl ze daarbij geen stofmasker type P3 of
gelijkwaardig stofmasker droeg voor persoonlijke bescherming tegen blootstelling.
HHC - 2
II. Rechtspleging
Verwerende partij legt het administratief dossier neer en dient een antwoordnota in.
Partijen worden opgeroepen voor de openbare zitting van 17 juli 2025. Ze stemmen in met het
schriftelijk behandelen en in beraad nemen van de vordering (artikel 41, §3 van het besluit van
de Vlaamse regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse
bestuursrechtscolleges - hierna: Procedurebeslui t).
III. Feiten
1.
Op 27 augustus 2023 stellen twee inspecteurs van de politiezone (hierna:
verbalisant), op het perceel te , met kadastrale omschrijving
, naar aanleiding van een klacht het volgende vast:
“…
Wij komen ter plaatse en bieden ons aan bij de woning gelegen in de De deur wordt
geopend door een jonge vrouw. Wij brengen haar in kennis van de melding. Hierop begint zij in
een onverstaanbare taal naar achteraan in de woning te roepen. Zij gaat ook zelf naar achter. Na
enige tijd komt (verzoekende partij) ons te woord staan aan de deur. Hij spreekt gebrekkig
Nederlands. Wij brengen hem in kennis van de melding en vragen of wij in de tuin mogen kijken.
(Verzoekende partij) begeleidt ons door de woning tot in de tuin.
In de tuin kunnen wij achteraan een tuinhuis zien staan. Dit tuinhuis is gebouwd over de volledige
breedte van de tuin. Het tuinhuis is aangebouwd aan een gelijkaardig tuinhuis van huisnummer
Het dak van het tuinhuis van huisnummer bestaat uit asbes t golfplaten. Vermoedelijk liep dit
dak door over het tuinhuis van huisnummer Tijdens onze vaststellingen is er geen
dakbedekking meer op het tuinhuis en enkel nog het dakgebinte. In het tuinhuis kunnen wij zien
dat de vloer deels werd weggehaald en da t de grond eronder recent is bewerkt.
Wanneer wij vragen wat er met de dakbedekking is gebeurd krijgen wij eerst ontwijkende
antwoorden. (Verzoekende partij) bevestigt ons dat het gelijkaardige platen waren zoals het
tuinhuis van huisnummer . Hij zegt dat deze reeds zijn weggevoerd door een vriend. (De
eigenaar van de woning) komt eveneens ter plaatse. Hij zegt ons dat de platen enkele dagen
geleden zijn weggevoerd door een vriend. Wanneer wij vragen wie die vriend was en waar deze
platen naartoe zijn, weet hij het niet meer. Wij confronteren hem met het feit dat een getuige gezien
heeft dat er zojuist platen van het dak verwijderd werden. Hierop zegt (verzoekende partij) dat hij
vandaag maar twee platen van het dak heeft gehaald.
HHC - 3
Wij vragen waar deze zijn. (Verzoekende partij) neemt ons mee naar het tuinhuis waar de vloer
deels was verwijderd. Hij schraapt wat grond weg en maakt een deel van een golfplaat bloot.
Opsteller vraagt om hier onmiddellijk mee te stoppen. (Verzoekende par tij) zegt eerst dat hij de
twee platen in stukken heeft gedaan en in een put in de grond heeft gestoken. Wanneer wij vragen
naar de andere platen zegt (verzoekende partij) dat deze ook in die put in de grond zitten.
…”
Zowel verzoekende partij, die eigenaar is van de woning, als zijn inwonende zoon, verklaren
tijdens hun verhoor op 8 september 2023 dat verzoekende partij opdracht gaf aan zijn zoon
om de wederrechtelijke werken uit te voeren. Terwijl verzoekende partij ve rklaart dat hij op de
hoogte was van het feit dat de dakbedekking asbest bevatte, verklaart zijn zoon dat hij geen
weet heeft wat asbest is. Ze verklaren beiden dat ze niet wisten dat er in het kader van de
verwijdering van dergelijke asbestplaten specifie ke veiligheidsmaatregelen moeten worden
nageleefd en dat het asbest niet mag worden begraven, maar de zoon van verzoekende partij
stelt wel dat hij een stofmasker droeg. Ze stellen ook allebei dat het asbest ondertussen door
een gespecialiseerde firma is v erwijderd.
Deze vaststellingen en verhoren worden opgenomen in het aanvankelijk proces -verbaal
nummer van 27 augustus 2023, dat wordt afgesloten op 15 september
2023 (hierna: het PV) en op 19 september 2023 wordt verstuurd aan de procureur des
Konings.
2.
Op 22 september 2023 geeft de procureur des Konings aan de gewestelijke entiteit kennis van
de verlenging van zijn beslissingstermijn (artikel 16.4.32 van het decreet van 5 april 1995
houdende de algemene bepalingen inzake milieubeleid - hierna: DABM) omdat het
opsporingsonderzoek nog bezig is. Op 2 oktober 2023 ontvangt de gewestelijke entiteit de
melding van de procureur des Konings van 25 september 2023 dat het milieumisdrijf niet
strafrechtelijk zal worden behandeld.
3.
Op 1 2 december 2023 brengt de gewestelijke entiteit verzoekende partij op de hoogte van
haar voornemen om een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen. Ze wijst haar daarbij
op de mogelijkheid van een bestuurlijke transactie mits betaling van 850 euro (artikel 16.4.36,
§3 DABM).
HHC - 4
Ze nodigt haar ook uit om bij gebreke van tijdige en volledige betaling van de voorgestelde
geldsom een schriftelijk verweer mee te delen, eventueel vergezeld van een vraag tot
hoorzitting, en biedt haar de mogelijkheid om inzage te vragen in het administr atief dossier.
Verzoekende partij gaat niet over tot betaling . Ze bezorgt ook geen schriftelijk verweer en
vraagt niet om te worden gehoord.
4.
Op 21 augustus 2024 legt de gewestelijke entiteit een geldboete op, waarvan verzoekende
partij op 23 augustus 2024 via haar eBox in kennis wordt gesteld, waarna ze hiervan op
dezelfde dag kennis neemt. Dat is de bestreden beslissing.
5.
Op 21 augustus 2024 legt de gewestelijke entiteit, op basis van hetzelfde PV, een gelijkaardige
geldboete op aan de zoon van verzoekende partij. Hiertegen is ook jurisdictioneel beroep
ingesteld bij het Handhavingscollege, gekend onder rolnummer .
IV. Vraag tot samenvoeging
Standpunt van de partijen
Verzoekende partij vraagt om de zaak samen te voegen met de zaak gekend onder rolnummer
omdat het voorwerp van de respectievelijke verzoeken tot vernietiging in
beide zaken betrekking heeft op een gelijkaardige boetebeslissing, op basis van hetzelfde PV.
Beoordeling door de Raad
1.
De kamervoorzitter kan zaken over hetzelfde of over een verwant onderwerp , die aanhangig
zijn bij dezelfde kamer, voor de behandeling hiervan samenvoegen (artikel 15 DBRC -decreet
juncto artikel 11 , lid 2 Procedurebesluit ). Dit heeft tot doel om de rechtsbedeling te bevorderen
en een vlotte afwikkeling van de zaken mogelijk te maken .
HHC - 5
2.
Het is niet wenselijk om beide zaken samen te voegen. Hoewel de respectievelijke verzoeken
tot vernietiging allebei aanhangig zijn bij de eerste k amer en feitelijk betrekking hebben op
gelijkaardige boetebeslissingen, die zijn opgelegd op basis van hetzelfde PV , zijn ze niet
tegelijkertijd ingesteld , waardoor er in voorliggend dossier ook een exceptie van laattijdigheid
wordt opgeworpen, terwijl de aangevoerde argumentatie in beide verzoekschriften ook niet
volledig gelijkluidend is.
V. Ontvankelijkheid van het beroep
A. Tijdigheid
Standpunt van de partijen
Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep wegens laat tijdigheid. Ze stelt
dat verzoekende partij op 23 augustus 2024 via haar eBox in kennis is ge steld van de
bestreden beslissing, waar van ze nog dezelfde dag kennis nam, zodat haar beroep met een
aangetekende brief van 14 oktober 2024 is ingesteld buiten de vervaltermijn van 30 dagen in
artikel 16.4.39 DABM.
Beoordeling door het College
1.
De persoon aan wie de gewestelijke entiteit een alternatieve bestuurlijke geldboete oplegt kan
tegen deze beslissing, op straffe van onontvankelijkheid, binnen een termijn van dertig dagen
na de kennisgeving hiervan schorsend beroep indienen bij het Handhavingsc ollege. De
kennisgeving met een aangetekende brief met of zonder ontvangstbewijs wordt daarbij geacht
plaats te vinden op de werkdag die valt na de datum van de poststempel hiervan, tenzij de
geadresseerde het tegendeel bewijst, waarbij alleen de dat um van de aanbieding door de
postdiensten geldt en niet de feitelijke kennisneming van deze brief op een later tijdstip (artikel
18 DBRC -decreet, in samenlezing met artikel 4 Procedurebesluit en met artikel 16.4.39
DABM).
De gewestelijke entiteit kan (als onderdeel van de Afdeling Handhaving van het Departement
Omgeving) de eBox (in de zin van artikel 2, 3° van de wet van 27 februari 2019 inzake
elektronische uitwisseling van berichten via de eBox - hierna: eBox -wet) gebruiken voor de
elektronische uitwisseling van berichten (artikel 12 eBox -wet, in samenlezing met artikel
II.23/1, §§1 en 2, lid 1 Bestuursdecreet). De uitwisseling van berichten via de eBox geldt als
HHC - 6
een uitwisseling binnen hetzelfde informatiesysteem en in die optiek geldt een elektronisch
bericht als een aangetekende zending (artikel II.23/1, §2, lid 2 Bestuursdecreet, in
samenlezing met artikel II.23, §2, lid 1 Bestuursdecreet) . Het tijdstip van verzending en
ontvangst bij uitwisselingen via de eBox en de berekening van de termijnen worden daarbij
bepaald overeenkomstig de eBox -wet, in afwijking van artikel II.23, §2, leden 3 en 4
Bestuursdecreet ( artikel II.23/1, §2, lid 2 Bestuursdecreet ). Wat betr eft het tij dstip van
verzending en ontvangst stelt de eBox -wet dat als tijdstip van elektronische verzending aan
de bestemmeling het tijdstip geldt waarop de gebruiker het bericht heeft toevertrouwd aan een
informatiesysteem voor de elektronische uitwisseling van berichten , op een wijze die de
gebruiker niet langer toelaat om het bericht te herroepen of te wijzigen , terwijl als tijdstip van
elektronische ontvangst door de bestemmeling het tijdstip geldt waarop het bericht toegankelijk
is voor de bestemmelin g (artikel 5, leden 3 en 4 eBox -wet). Wat betreft de berekening van de
termijnen stelt de eBox -wet dat als de verzending of de ontvangst van een bericht een termijn
doet lopen, deze termijn begint te lopen vanaf de eerste werkdag na het tijdstip van
elektronische verzending, respectievelijk van elektronische ontvangst (artikel 5, lid 5 eBox -
wet). Als een systeemfout verhindert dat een bericht wordt verzonden of ontvangen, geldt de
informatie die daarover met toepassing van artikel 4, lid 2 van de eBox -wet ter beschikking is
gesteld als bewijs van de systeemfout , die kan worden ingeroepen als bewijs van overmacht
(artikel II.23/1, §2, lid 3 Bestuursdecreet ). In die optiek begint de beroepstermijn van dertig
dagen in beginsel te lopen vanaf de eerste werkdag die volgt op het tijdstip waarop het bericht
via de eBox toegankelijk wordt voor de geadresseerde.
2.
Verzoekende partij toont niet aan dat de kennisgeving door de gewestelijke entiteit van de
bestreden boetebeslissing op 23 augustus 2024 via haar eBox niet kan worden beschouwd
als een rechtsgeldige kennisgeving. De vervaltermijn van dertig dagen, waarbinnen
verzoekende partij jurisdictioneel beroep kon aantekenen tegen de bestreden boetebeslissing,
begon dan ook ‘ in beginsel’ te lopen vanaf 24 augustus 2024.
3.
Ongeacht de vaststelling dat verzoekende partij door de gewestelijke entiteit op 23 augustus
2024, via haar eBox , regelmatig in kennis is gesteld van de bestreden boetebeslissing, was
haar vervaltermijn, na deze kennisgeving, om daartegen beroep aan te tekenen bij het College,
op het ogenblik van de indiening van haar verzoekschrift met een aangetekende brief van 14
oktober 2024 nog niet verstreken omdat de kennisgeving de termijn waarbinnen jurisdictioneel
beroep kan worden aangetekend niet vermeldt .
HHC - 7
De gewestelijke entiteit dient haar boetebeslissing in beginsel binnen een (orde)termijn van
tien dagen na de dag waarop ze is genomen ter kennis te brengen aan de geadresseerde
hiervan, waarbij deze beslissing minstens onder meer de beroepsmogelijkheden en de
voorwaarden van het beroep moet vermelden (a rtikel 16.4.37 DABM). Bij de kennisgeving van
deze beslissing van individuele strekking, die rechtsgevolgen heeft voor de persoon aan wie
de boete wordt opgelegd, dient te word en vermeld of beroep tegen de b eslissing kan worden
ingesteld, bij welke instantie en binnen welke termijn , bij gebreke waarvan de beroepstermijn
pas vier maanden na de kennisgeving start (artikel II.21 Bestuursdecreet ).
Uit het administratief dossier blijkt niet dat het bericht van de gewestelijke entiteit van 23
augustus 2024, waarmee v erzoekende partij via haar eBox in kennis wordt gesteld van de
bestreden boetebeslissing, voldoet aan de vereisten in artikel II.21, lid 1 Bestuursdecreet. Het
blijkt met name niet dat dit bericht vermeldt dat er tegen de boetebeslissing beroep kan worden
ingesteld bij het College ‘binnen een vervaltermijn van dertig dagen’. Het bericht beoogt
nochtans rechtsgevolgen tot stand te brengen bi j de toepassing van wettelijke of reglementaire
bepalingen in de zin van artikel II.19 Bestuursdecreet, terwijl het begrip ‘bericht’ in deze
bepalingen ruim moet worden geïnterpreteerd (Parl.St. Vl.Parl. 2017 -18, nr. 1656/1, 46).
Hoewel de kennisgeving van de boetebeslissing van 23 augustus 2024 hierdoor niet ong eldig
is, wordt als sanctie opgelegd dat de beroepstermijn wordt opgeschort (Parl.St. Vl.Parl. 2017 -
2018, nr. 1656/1, 46 -47) en pas vier maanden na deze kennisgeving begint te lopen. De termijn
om jurisdictioneel beroep in te stellen tegen de bestreden boetebeslissing van de gewestelijke
entiteit was op 14 oktober 2024 dus nog niet verstreken. De vaststelling dat de bestreden
boetebeslissing de beroepsmodaliteiten wel vermeldt doet hieraan geen afbreuk omdat deze
niet (ook) zijn vermeld in het bericht aan de geadresseerde, waarmee deze via zijn eBox in
kennis wordt gesteld v an de boetebeslissing, waarna deze beslissing ook nog afzonderlijk
moet worden geopend.
B. Middel(en)
Standpunt van de partijen
1.
Verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het verzoekschrift omdat verzoekende partij
daarin geen middelen formuleert en enkel een milder oordeel van het College vraagt.
HHC - 8
Beoordeling door het College
1.
Verzoekende partij dient in het verzoekschrift verplicht minstens één ontvankelijk middel aan
te voeren, bij gebreke waarvan de vordering onontvankelijk is, terwijl de niet -naleving van deze
vereiste naderhand niet kan worden geregulariseerd (artikel 17 va n het decreet van 4 april
2014 betreffende de organisatie en rechtspleging van sommige Vlaamse
bestuursrechtscolleges - hierna: DBRC -decreet, in samenlezing met artikel 15, 4°
Procedurebesluit). Een middel bestaat uit een voldoende en duidelijke omschrijvi ng van de
overtreden rechtsregel of het geschonden rechtsbeginsel en van de wijze waarop deze
rechtsregel of dit rechtsbeginsel volgens verzoekende partij wordt geschonden. De vereiste
dat het verzoekschrift een uiteenzetting dient te bevatten van de feite n en de middelen
impliceert niet dat verzoekende partij expliciet de rechtsregels of rechtsbeginselen moet
vermelden die volgens haar door de bestreden beslissing worden geschonden. Het is enkel
noodzakelijk dat de uiteenzetting in het verzoekschrift het v oor het College in het kader van
zijn legaliteitstoetsing, en voor verwerende partij in het kader van haar verdediging, mogelijk
maakt duidelijk te begrijpen wat de bestreden beslissing wordt verweten. Het College vernietigt
de bestreden beslissing wanneer deze onregelmatig is omwille van de schending van een
rechtsregel of algemeen rechtsbeginsel (artikel 35 DBRC -decreet).
2.
Verwerende partij stelt tevergeefs dat het verzoek tot vernietiging onontvankelijk is omdat het
verzoekschrift geen uiteenzetting bevat van de middelen, zodat haar exceptie wordt
verworpen. Op basis van de argumentatie in het verzoekschrift kan redelijkerw ijze worden
vastgesteld dat verzoekende partij daarin zowel de toerekenbaarheid van het milieumisdrijf als
de hoogte van de boete betwist, terwijl ze ook kritiek uit op de regelmatigheid van de
bestuurlijke boeteprocedure. Bovendien blijkt uit de antwoordn ota van verwerende partij dat
ze daarover inhoudelijk standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de kritiek van
verzoekende partij op de begroting van de boete , zodat ze wel degelijk begrijpt en dan wel
redelijkerwijze kon begrijpen waarom verzoekende partij meent dat de bestreden beslissing
onregelmatig is en om die reden moet worden vernietigd.
HHC - 9
VI. Onderzoek van de middelen
A. Eerste middel
Standpunt van de partijen
Verzoekende partij betwist in essentie de regelmatigheid van de bestuurlijke boeteprocedure
omdat ze, net zoals haar zoon, ‘nergens (kan) terugvinden dat (ze) een eerste keer correct (is)
aangemaand om de boete te betalen’. Ze stelt dat ‘er daarover wel ee n mailbericht was, maar
(ze) de betaalgegevens daarin niet (terugvindt)’. Ze doelt hiermee feitelijk op het voornemen
van de gewestelijke entiteit om haar een alternatieve bestuurlijke geldboete op te leggen en
de in dit kader geformuleerde mogelijkheid va n een bestuurlijke transactie . Ze voert dus feitelijk
de schending aan van artikel 16.4.36, §§1 en 3 DABM.
Beoordeling door het College
1.
Als de gewestelijke entiteit het voornemen heeft om een alternatieve bestuurlijke geldboete op
te leggen, moet ze de vermoedelijke overtreder hiervan, binnen een ordetermijn van 30 dagen
na ontvangst van de beslissing van de procureur des Konings om het milieumisdrijf niet
strafrechtelijk te behandelen, met een beveiligde zending (artikel 16.1.2, 3° en 3°bis DABM)
op de hoogte brengen en wordt deze uitgenodigd om schriftelijk zijn verweer mee te delen,
waarbij hij er ook op wordt gewezen dat hij de document en waarop dit voornemen steunt kan
inzien en hiervan kopieën kan krijgen en dat hij, mits een aanvraag, ook mondeling zijn
schriftelijke verweer kan toelichten ( artikel 16.4.36, §1 DABM ). De gewestelijke entiteit kan de
vermoedelijke overtreder daarbij, a lvorens een alternatieve bestuurlijke geldboete op te
leggen , een voorstel doen om een geldsom te betalen binnen een bepaalde termij n. Dit
voorstel schorst de bestuurlijke boeteprocedure, waarna deze bij een tijdige betaling vervalt
en bij een gebrek aan ti jdige betaling wordt hervat (artikel 16.4.36, § §3 en 4 DABM ).
2.
Ongeacht de vaststelling dat het voorstel door de gewestelijke entiteit aan de vermoedelijke
overtreder van een bestuurlijke transactie facultatief is, en de ontstentenis hiervan in beginsel
geen afbreuk doet aan de regelmatigheid van de bestreden beslissing , toont v erzoekende
partij in het licht van de voorliggende stukken niet aan dat ze daarvan tijdens de bestuurlijke
boeteprocedure niet in kennis is gesteld. Uit het administratief dossier blijkt dat de gewestelijke
entiteit verzoekende partij op 12 dece mber 2023 , met een brief die is gedateerd op 11
december 2023 , op de hoogte heeft gebracht van haar voornemen om een alternatieve
HHC - 10
bestuurlijke geldboete op te leggen en van haar voorstel van een bestuurlijke transactie , mits
betaling van 850 euro. Dit wordt door verzoekende partij feitelijk bevestigd, doordat ze in haar
verzoekschrift stelt dat er daarover een mailbericht was, waarmee ze wellicht alludeert op een
bericht via haar eBox. Voor zoveel als nodig kan in dit kader nog worden opgemerkt da t haar
zoon de betreffende gelijkaardige brief van de gewestelijke entiteit van 11 december 2023 ,
waarmee de bestuurlijke boeteprocedure reg elmatig is opgestart, in de vernietigingsprocedure
tegen de gelijkaardige boete die aan hem is opgelegd, gekend onder rolnummer
bijbrengt, zodat niet valt in te zien waarom haar zoon deze brief heeft ontvangen en
verzoekende partij niet.
Het middel wordt verworpen.
B. Tweede middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie dat het milieumisdrijf haar kan worden toegerekend en
er haar hier voor een alternatieve bestuurlijke geldboete kan worden opgelegd . Ze stelt dat ze
niet op de hoogte was van de geldende regelgeving voor de verwijdering van asbesthoudende
dakbedekking omdat ze niet van Belgische origine is en de rechtsregels door de taalbarrière
niet goed begrijpt. Ze stelt ook dat ze geen bedoeling h ad om gezondheidsschade te
veroorzaken of om een milieumisdrijf te verbergen en ter goeder trouw handelde, waarbij ze
enkel de intenti e had om het afval van de verwijderde dakbedekking op haar eigen grond op
te ruimen. Ze voert daarmee feitelijk de schending aan van artikel 16.4.25 DABM en van het
algemeen rechtsbeginsel van het vermoeden van onschuld, waarbij ze zich beroept op dwaling
als schulduitsluitingsgrond, in samenlezing met de volgens de bestreden beslissing
geschonden artikele n van VLAREM II en van het Materialendecreet.
2.
Verwerende partij stelt in haar antwoordnota dat verzoekende partij de vastgestelde
milieu misdrijven niet betwist en dat er op basis hiervan een alternatieve bestuurlijke geldboete
kan worden opgelegd .
HHC - 11
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit kan een alternatieve bestuurlijke geldboete opleggen voor
gedragingen die strijdig zijn met de milieuvoorschriften in artikel 16.1.1, lid 1 DABM en die
naargelang de keuze van de procureur des Konings ook strafrechtelijk kunnen wor den bestraft
overeenkomstig de artikelen 16.6.1, 16.6.2, 16.6.3, 16.6.3bis, 16.6.3ter, 16.6.3quater,
16.6.3quinquies, 16.6.3sexies en 16.6.3septies DABM (artikel 16.4.27, lid 2 DABM en 16.1.2,
2° DABM). De geschonden bepalingen zijn dergelijke milieuvoorsc hriften (artikel 16.1.1, lid 1,
1° en 10° DABM). Elke opzettelijke of door gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid gepleegde
schending van de gehandhaafde regelgeving is in beginsel strafbaar (artikel 16.6.1, §1 DABM),
zodat opzet niet noodzakelijk is vereist. De geldboete kan enkel worden opgelegd aan d e
‘overtreder’, hetzij degene die een milieumisdrijf pleegt of die opdracht geeft om handelingen
te stellen die een milieumisdrijf uitmaken (artikel 16.4.25, lid 1 DABM). De kwalificatie van de
feiten als een milieumisdrijf en de toerekenbaarheid hiervan aan verzoekende partij als
overtreder vormt dus de grondslag voor de bevoegdheid van de gewestelijke entiteit om haar
een geldboete op te leggen.
Een bestuurlijke geldboete is een punitieve sanctie, waarbij de bewijslast van het milieumisdrijf
en de overtreder berust bij de gewestelijke entiteit. Het bewijs van de feiten en het daderschap
kan met het oog op bestuurlijke beboeting, naar analogie met de bewijsvoering in strafzaken,
in beginsel met alle middelen van recht worden geleverd. De principieel vrije bewijsvoering
betekent dat dit bewijs onder meer kan worden geleverd door een geheel van samenhangende
feitelijke vaststellingen, die éénsluidend eenzelfde persoon als pleger van een milieumisdrijf
aanduiden. De beginselen van behoorlijk bestuur en in het bijzonder het
zorgvuldigheidsbeginsel, en het vermoeden van onschuld zoals onder meer bepaald in artikel
6, lid 2 van het Europees verdrag tot bes cherming van de rechten van de mens en de
fundamentele vrijheden, omringen de bewijslevering met waarborgen op procedureel en
inhoudelijk vlak.
2.
De gewestelijke entiteit overweegt met betrekking tot de toerekenbaarheid van het
milieumisdrijf aan verzoekende partij als overtreder in de bestreden beslissing, onder de titel
‘de toerekenbaarheid aan de overtreder’, het volgende:
“…
Wat het breken, gooien en niet afgesloten opslaan van asbest betreft
HHC - 12
De vermoedelijke overtreder 1 heeft het dak van de tuinberging te
samen met de vermoedelijke overtreder 2 afgebroken tussen 25 augustus 2023 en 27
augustus 2023.
…
De asbesthoudende golfplaten van een dak zijn een hechtgebonden toepassing van asbest en
mogen worden verwijderd door middel van eenvoudige handelingen.
Bij de verwijdering van asbesthoudende dakbedekking door middel van eenvoudige handelingen
als vermeld in § 2, 1°, 2° en 3° moeten conform artikel 6.4.0.1, §3, eerste lid van het VLAREM II
evenwel volgende maatregelen worden genomen om vezelverspreiding en blootstelling van
personen aan asbestvezels te verhinderen: …
4° de materialen niet breken;
5° de materialen opslaan in gesloten verpakking.
Volgens hetzelfde artikel moet voor persoonlijke bescherming tegen blootstelling gebruik worden
gemaakt van een stofmasker type P3 of een gelijkwaardig stofmasker.
In casu blijkt uit een getuigenverklaring en de vaststellingen van 27 augustus 2023 dat de
asbesthoudende dakbedekking van het tuinhuis werd gebroken door vermoedelijke overtreders.
Ook droegen ze geen stofmasker. Uit de vaststellingen van de verbalisant bleek dat de platen in
een zelfgemaakte put in de grond onder het tuinhuis werden gegooid. Ze werden dus niet
opgeslagen in gesloten verpakking.
…
Door de asbestplaten te breken, ze niet in gesloten verpakking op te slaan en door geen stofmasker
of beschermende kledij te dragen hebben de vermoedelijke overtreders een schending van artikel
12 van het Materialendecreet en van artikel 6.4.0.1, §3, eerste lid 4° en 5° en laatste lid van het
Vlarem II begaan.
Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2,
2° DABM. Ze zijn strafbaar gesteld in hoofdstuk VI van titel XVI van het DABM en op grond van
artikel 16.4.27 kan een bestuurlijke geldboete opgelegd worden.
Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van overtreder 2.
Wat het storten van het asbestafval in een zelfgemaakte put in de schuur betreft
Artikel 12, §1 van het Materialendecreet verbiedt om afvalstoffen achter te laten of te beheren in
strijd met dit decreet of zijn uitvoeringsbesluiten. Het achterlaten van afvalstoffen omvat zowel het
deponeren van afvalstoffen op een daartoe niet bestemde plaats als het verzuim om de
gedeponeerde afvalstoffen op te ruimen.
HHC - 13
Het storten van afvalstoffen op of in de bodem wordt conform artikel 4.2.1 van het VLAREMA
beschouwd als een verwijderingshandeling (D1) van afvalstoffen. Het verwijderen van afvalstoffen
is conform artikel 11, §1 van het Materialendecreet altijd onderworpen aan een voorafgaande
omgevingsvergunningsplicht. Dit betekent concreet dat het verwijderen van afvalstoffen enkel
toegelaten is op daartoe vergunde stortplaatsen (rubriek 2.3.6 van de indelingslijst). Het begraven
van afvalstoffen op een daartoe niet ve rgunde locatie kwalificeert bijgevolg als een wederrechtelijk
achterlaten van afvalstoffen.
Uit de vaststellingen, het fotodossier en de verklaring van de vermoedelijke overtreder 1 en van
een buur blijkt dat de vermoedelijke overtreders een put hadden gegraven onder de tuinberging te
en daarin het asbesthoudend afval hadden gestort.
Door een hoeveelheid asbesthoudende afvalstoffen te begraven in een put onder de schuur van
de woning hebben de vermoedelijke overtreders een schending van de artikelen 11, §1 en 12, §1
van het Materialendecreet begaan.
Deze feiten vallen daarmee onder de definitie van een milieumisdrijf als bedoeld in artikel 16.1.2,
2° DABM. Ze zijn strafbaar gesteld in hoofdstuk VI van titel XVI van het DABM en op grond van
artikel 16.4.27 kan een bestuurlijke geldboete opgelegd worden.
Het milieumisdrijf staat vast in hoofde van overtreder 2.
…”
3.
Verzoekende partij toont in het licht van de stukken van het administratief dossier en de
procedurestukken niet aan dat het oordeel van de gewestelijke entiteit, dat de vastgestelde
feiten moeten worden beschouwd als een milieumisdrijf dat haar kan worden toegerekend,
foutief dan wel kennelijk onredelijk is en dat er ter zake (minstens) gerede twijfel bestaat.
3.1.
Artikel 6.4.0.1, §2 VLAREM II voorziet dat asbesthoudende onderdakplaten niet noodzakelijk
moeten worden verwijderd door een gespecialiseerd bedrijf, maar zelf kunnen worden
verwijderd, mits ze kunnen worden weggenomen via eenvoudige handelingen, zoals vlo t
losschroeven, en hun verwijdering geen aanleiding geeft tot een wijziging van de toestand.
HHC - 14
Artikel 6.4.0.1, §3, lid 1, 4° en 5° en lid 3 VLAREM II ver eist dat er in het kader van de sloop
en verwijdering van dergelijke platen maatregelen worden ge nomen om vezelverspreiding en
blootstelling van personen aan asbestvezels te verhinderen, waaronder het verbod om de
asbesthoudende materialen te breken en de verplichting om ze op te slaan in een gesloten
verpakking, waarbij de uitvoerder van de werken gebruik moet maken van een stofmasker type
P3 of gelijkwaardig stofmasker voor persoonlijke beschermin g tegen blootstelling.
3.2.
Verzoekende partij voert op zich geen betwisting over de vaststelling van d e gewestelijke
entiteit in de bestreden beslissing op basis van het PV, dat ze de asbesthoudende
dakbedekking van een tuinhuis in het kader van de verwijdering hiervan heeft gebroken en
begraven in een put onder dit tuinhuis, waarbij ze bovendien geen stofmasker type P3 of
gelijkwaardig stofmasker droeg . Dit betreft een milieumisdrijf, waarbij als moreel element enkel
een gebrek aan voorzorg of voorzichtigheid is vereist, opdat de schending van de
gehandhaafde regelgeving strafbaar is.
Verzoekende partij maakt ook niet aannemelijk dat er in haar hoofde sprake was van een
schulduitsluitingsgrond en met name van onoverkomelijke (rechts)dwaling. Ze maakt met
name niet aannemelijk dat elke normale, redelijke en vooruitziende persoon, geplaatst in
dezelfde omstandigheden, ook niet op de hoogte zou zijn geweest van de vereiste
veiligheidsvoorschriften bij het verwijderen van een asbesthoudende dakbedekking. Ze diende
zich als normaal zorgvuldige burger desnoods vooraf degelijk te informeren, te meer gelet op
de algemeen gekende asbestproblematiek en het gegeven dat ze blijkens haar verhoor op de
hoogte is van de gevaren van asbest, en haar bewering dat ze door de aangevoerde
taalbarrière niet alle regelgeving goed verstaat. De bewering van verzo ekende partij dat ze ter
goeder trouw handelde wordt overigens tegengesproken door de vaststelling dat ze initieel,
ten opzichte van de verbalisant, heeft verklaard dat de asbesthoudende dakbedekking door
een vriend was meegenomen, en door het feit dat ze heeft gepoogd om deze dakbedekking
heimelijk te begraven onder het tuinhuis. Uit deze feitelijke vaststellingen blijkt dat
verzoekende partij toen alleszins wel degelijk besefte dat het is verboden om een
asbesthoudende dakbedekking te breken en te storten, in plaats van ze voorzichtig af te
voeren naar een daarvoor geschikte stortplaats. De gewestelijke entiteit o verweegt ter zake,
bij de beoordeling van de ernst van de feiten, dan ook terecht dat ‘h et begraven van
afvalstoffen bovendien een doelbewuste ha ndeling is om zich van de afvalstoffen te ontdoen
en deze aan het zicht te onttrekken ’.
Het middel wordt verworpen.
HHC - 15
C. Derde middel
Standpunt van de partijen
1.
Verzoekende partij betwist in essentie de hoogte van de boete . Ze wijst daarbij op de
vaststelling dat ze naar aanleiding van het PV is overgegaan tot het gedwongen opruimen van
de begraven asbesthoudende dakbedekking en dat dit een aanzienlijke kost met zich
meebracht. Ze wijst ook op haar precaire financiële situatie als zelfstandige. Ze stelt tenslotte
dat haar zoon, die bij haar inwoont om kosten te besparen, een gelijkaardige boete kreeg voor
dezelfde feiten, waardoor ze hiervoor feitelijk een dubbele boete is opgelegd. Ze voert dus
feitelijk de schending aan van de artikelen 16.4.4 en 16.4.29 DABM en van het
evenredigheidsbeginsel als algeme en beginsel van behoorlijk bestuur.
2.
Verwerende partij wijst op de gemotiveerde overwegingen in de bestreden beslissing met
betrekking tot de begroting van de boete. Ze meent dat verzoekende partij niet aantoont dat
de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de omstandigheden waarin het milieumisdrijf
is gepleegd of beëindigd foutief of kennelijk onredelijk is, en dat er een kennelijke
wanverhouding bestaat tussen de feiten en de boete.
Beoordeling door het College
1.
De gewestelijke entiteit moet bij het opleggen van een bestuurlijke geldboete zorgen dat er
geen kennelijke wanverhouding bestaat tussen de opgelegde boete en de feiten die daaraan
ten grondslag liggen (artikel 16.4.4 DABM), zodat de boete evenredig moet z ijn tot de feiten.
Dit wordt nader gepreciseerd door de vereiste dat de hoogte van de bestuurlijke geldboete
wordt afgestemd op de ernst van het milieumisdrijf, terwijl er ook rekening wordt gehouden
met de frequentie en de omstandigheden waarin de overtre der dit heeft gepleegd of beëindigd
(artikel 16.4.29 DABM). De gewestelijke entiteit beschikt hierbij in het licht van het
maximumbedrag van een alternatieve bestuurlijke geldboete (artikel 16.4.27, lid 2 DABM) over
een ruime discretionaire bevoegdheid, wa arbij ze onder bepaalde voorwaarden in beginsel
ook de mogelijkheid heeft om de boete geheel of gedeeltelijk op te leggen met uitstel van
tenuitvoerlegging (artikel 16.4.29, §2 DABM). Het College zal bij het toezicht hierop aan de
hand van de argumentatie die regelmatig en in het bijzonder door verzoekende partij wordt
voorgelegd nagaan of de gewestelijke entiteit is uitgegaan van de juiste feitelijke en juridische
gegevens, deze correct heeft beoordeeld en op grond daarvan de waarderingscriteria om het
HHC - 16
boetebedrag te bepalen niet foutief of kennelijk onredelijk heeft toegepast. Dit zal met name
moeten blijken uit de juridische en feitelijke motieven die aan de boetebeslissing ten grondslag
liggen en die daarin worden vermeld en afdoende moeten zijn, verm its de beslissing als
individuele bestuurshandeling ressorteert onder de wet van 29 juli 1991 betreffende de
uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De beslissing moet dus een concrete,
precieze en pertinente of draagkrachtige motivering beva tten waaruit de keuze van de
gewestelijke entiteit voor een boete en voor een welbepaald boetebedrag blijkt, zodat de
overtreder hiertegen met kennis van zaken kan opkomen.
2.
Uit de bestreden beslissing blijkt dat de gewestelijke entiteit bij het bepalen van het
boetebedrag rekening houdt met de ernst van het milieumisdrijf, de frequentie en de
omstandigheden waarin het is gepleegd of beëindigd . Ze overweegt daarover onder de titel
‘de hoogte van de geldboete’ met name het volgende:
“…
4.2.1. De ernst van de feiten
… De feiten zijn … voldoende ernstig om te worden gesanctioneerd met een alternatieve
bestuurlijke geldboete van 2.520 euro.
4.2.2. De frequentie
Het betreft een eenmalige schending. … Het criterium frequentie geeft derhalve geen aanleiding
tot een hogere geldboete .
4.2.3. De omstandigheden
Bij het bepalen van de hoogte van de geldboete wordt rekening gehouden met de bereidheid van
overtreder 1 en 2 om voor de vastgestelde schendingen maatregelen te nemen. Uit het
administratieve dossier blijkt dat overtreder 1 en 2 het asbestafval legaal hebben afgevoerd. Dit
wordt meegenomen als verzachtende omstandigheid bij het bepalen van de hoogte van de
geldboete, wat leidt tot een verlaging van de geldboete tot 2.125 euro.
Overigens zijn er, wat dit misdrijf betreft, geen bijzondere omstandigheden die in rekening worden
genomen bij het bepalen van de hoogte van de boete.
De feiten zijn voldoende ernstig om gesanctioneerd te worden met een bestuurlijke geldboete van
2.125 euro. Overtreder 1 is samen met zijn zoon verantwoordelijk voor het milieumisdrijf. Het
dossier bevat geen elementen die toelaten dat de ene meer verantwoordelijkheid zou dragen dan
de andere. Bijgevolg wordt de geldboete gelijk aan elke overtreder opgelegd, zijnde 1.062,5 euro.
…”
HHC - 17
3.
Verzoekende partij toont niet aan de hand van concrete en pertinente argumenten aan dat de
motieven in de bestreden boetebeslissing over de hoogte van de boete ontoereikend zijn en
dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de waarderingscriteria om het
boetebedrag te bepalen foutief of kennelijk onredelijk is en er een kennelijke wanverhouding
bestaat tussen de feiten en de opgelegde boete. Ze laat ondanks haar stelplicht na om de
concrete en pertinente motieven daarover in de bestreden beslissin g bij haar kritiek te
betrekken en uit feitelijk enkel opportuniteitskritiek, waarbij ze haar visie over de begroting van
de boete stelt tegenover deze van de gewestelijke entiteit, die ter zake in het licht van het
mogelijke boetebedrag over een ruime discretionaire bevoegdheid beschikt
4.
Verzoekende partij voert op zich geen betwisting over de gemotiveerde beoordeling in de
bestreden beslissing van de ernst en de frequentie van het milieumisdrij f. Ze uit enkel kritiek
op de beoordeling door de gewestelijke entiteit van de omstandigheden en met name de
verzachtende omstandigheid van de remediëring van de gevolgen van het milieumisdrijf en
haar precaire financiële situatie. Ze uit ook kritiek op de vaststelling dat haar zoon voor
dezelfde feiten een gelijkaardige boete kreeg, waardoor er hier voor feitelijk een dubbele boete
is opgelegd.
4.1.
In zoverre verzoekende partij wijst op de vaststelling dat ze de begraven asbesthoudende
dakbedekking door een gespecialiseerde firma heeft laten verwijderen en hiervoor een hoge
kost betaalde, maakt ze niet aannemelijk dat de beoordeling door de gewestelijke entiteit van
de impact van haar houding op het boetebedrag foutief of kennelijk onredelijk is in het licht van
de concrete situatie. Ze betwist op zich niet dat de gewestelijke entiteit hiermee in de bestreden
beslissing effectief rekening houdt en dit element in aanmerking neemt als verzachtende
omstandigheid bij het bepalen van de hoogte van de geldboete, die daardoor wordt verlaagd
met 395 euro . Ze toont niet aan dat deze verlaging kennelijk onredelijk is in het licht van de
door haar geleverde inspanningen, waarbij de opruimkosten volgens de tijdens het verhoor
voorgelegde factuur 520 euro, exclusief BTW bedroegen. Zoals gesteld, doet het niet betwiste
feit dat ze na de vaststellingen door de verbalisant remediër ingsmaatregelen nam geen
afbreuk aan h et bestaan van het milieumisdrijf omdat deze maatregelen kaderen in het
ongedaan maken van de gevolgen van het milieumisdrij f.
HHC - 18
Dergelijke r emediëringsmaatregelen zijn overigens normaal in hoofde van een zorgvuldige
burger, terwijl de werken aan het tuinhuis zonder het verwijderen van het asbestafval ook niet
mochten worden verdergezet, zodat de inspanningen van verzoekende partij niet geheel
vrijblijvend waren , zoals wordt bevestigd door de overweging in haar verzoekschrift dat ze
‘gedwongen’ liet opruimen.
4.2.
In zoverre verzoekende partij wijst op haar precaire financiële situatie, maakt ze opnieuw niet
afdoende aannemelijk dat de opgelegde boete disproportioneel is in het licht van haar beweerd
precaire financiële draagkracht en dat dit een reden vormt voor een (bijkomende) verlaging
van de boete. Verzoekende partij kan de gewestelijke entiteit niet verwijten dat deze bij de
begroting van het boetebedrag geen rekening h oudt met haar beperkte financiële draagkracht
omdat ze de gewestelijke entiteit hiervan tijdens de bestuurlijke boeteprocedure niet heeft
geïnformeerd, zodat deze daarvan op het ogenblik van de boetebeslissing geen kennis had.
Dit belet niet dat ze dit argument alsnog in voorliggende jurisdictionele procedure kan
opwerpen en het College hiermee rekening kan houden bij de beoordel ing va n de
proportionaliteit van de boete. Het College kan na gehele of gedeeltelijke vernietiging van de
boetebeslissing immers zelf een beslissing nemen over het bedrag van de boete en bepalen
dat zijn uitspraak daarover de vernietigde beslissing vervangt (artikel 44 DBRC -decreet). Het
beschikt b ij de behandeling van het jurisdictioneel beroep dus over een eigen
beoordelingsbevoegdheid en beslist daarbij op grond van de meest actuele elementen die
haar regelmatig worden voorgelegd, zodat het bij de beoordeling van de boete rekening kan
houden met nieuw aangereikte gegevens. Verzoekende partij reikt echter ook in voorliggende
procedure geen enkel stuk aan, waaruit redelijkerwijze afdoende blijkt dat de boete
disproportioneel is in het licht van haar financiële draagkracht en, gelet op het punitief karakter
hiervan, om die reden moet worden verlaagd.
4.3.
In zoverre verzoekende partij de gewestelijke entiteit verwijt dat deze voor dezelfde feiten ook
een gelijkaardige boete heeft opgelegd aan haar zoon, als mede -overtreder, waardoor er
hiervoor feitelijk een dubbele boete is opgelegd, mist haar kritiek feit elijke grondslag. Zoals
blijkt uit de bestreden beslissing en door verzoekende partij niet wordt betwist of weerlegd, is
ze samen met haar zoon verantwoordelijk voor het milieumisdrijf. De gewestelijke entiteit heeft
in die optiek de boete voor het milieum isdrijf van 2.125 euro gelijk verdeeld over verzoekende
partij en haar zoon omdat uit het PV blijkt dat beiden dezelfde verantwoordelijkheid dragen ,
terwijl ook dit uitgangspunt door verzoekende partij niet wordt betwist of weerlegd.
HHC - 19
De gewestelijke entiteit mocht in het licht van deze vaststelling en h et algemeen rechtsbeginsel
van het persoonsgebonden karakter van de straf , op basis waarvan een straf persoonlijk, dus
enkel aan diegene die de overtreding heeft gepleegd, en individueel, dus ten aanzien van
iedere overtreder afzonderlijk , moet worden opgelegd , aan elk van beiden een gelijkaardige
boete opleggen.
Het middel wordt verworpen.
VII. Kosten
De kosten van het geding worden ten laste gelegd van verzoekende partij, die door het
verwerpen van het verzoek tot vernietiging wordt beschouwd als de partij die in het ongelijk
wordt gesteld (artikel 33 DBRC -decreet). Verwerende partij vordert een
rechtsplegingsvergoeding van 840 euro, die wordt toegekend ten belope van 200 euro.
Het College kan, op verzoek van een partij, een rechtsplegingsvergoeding toekennen, die een
forfaitaire tegemoetkoming is in de kosten en honoraria van de advocaat van de partij die in
het gelijk wordt gesteld (artikel 31/1, §5 DBRC -decreet, dat is ingevoegd door arti kel 107 van
het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie
van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023, en op 7 september 2024 in
werking is getreden op basis van artikel 139, §1 van voormeld dec reet en artikel 35 van het
besluit van de Vlaamse Regering van 5 juli 2024 tot wijziging van het besluit van de Vlaamse
Regering van 16 mei 2014 houdende de rechtspleging voor sommige Vlaamse
bestuursrechtscolleges, wat betreft de uitbreiding van de proced ure bij het
Handhavingscollege, en tot bepaling van de inwerkingtreding van artikel 1, artikel 105 tot en
met 116 en artikel 138 van het decreet van 26 april 2024 tot wijziging van diverse decreten,
wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023,
zoals bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 28 augustus 2024). H et basis bedrag van
deze vergoeding bedraagt 840 euro en kan op gemotiveerde wijze door het College worden
verlaagd tot minimum 168 euro of verhoogd tot maximum 1.680 euro. Het College houdt
daarbij rekening met de financiële draagkracht van de in het ongelijk gestelde partij, om het
bedrag van de vergoeding te verlagen , de complexiteit van de zaak en de kennelijk onredelijke
aard van de situatie (artikel 31/1, §5, lid 3 DBRC -decreet en artikel 20/1, §1 Procedurebesluit ).
HHC - 20
Gelet op de vaststelling dat het bedrag van de bestreden boete slechts iets meer bedraagt als
het bedrag van de basisrechtsplegingsvergoeding, zou het toekennen van de
basisrechtsplegingsvergoeding in voorliggend dossier, dat bovendien niet complex is,
kennelijk onredelijk zijn, te meer er bij het College door de zoon van verzoekende partij nog
een gelijkaardige procedure is ingesteld tegen een gelijkaardige boete voor dezelfde feiten.
Het zou er feitelijk toe leiden dat verzoekende partij, aan wie de b estuurlijke geldboete met
een punitief karakter is opgelegd, in het kader van de vereiste toegang tot een rechter met
volle rechtsmacht, wordt geconfronteerd met buitensporige potentiële rechtsplegingskosten,
die het boetebedrag evenaren en die er feitelij k op neerkomen dat de toegang tot het College
op overdreven wijze wordt beperkt. H et komt het College daarom passend voor om de
rechtsplegingsvergoeding, in het licht van de concrete omstandigheden van het dossier, te
verlagen tot 200 euro.
VIII. Beslissing
1. Het beroep wordt verworpen.
2. De kosten van het beroep , begroot op 100 euro rolrecht en 200 euro
rechtsplegingsvergoeding voor verwerende partij , zijn ten laste van verzoekende partij .
Dit arrest is uitgesproken op 18 september 2025 door de eerste kamer .
De griffier , De voorzitter van de eerste kamer,