Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.157

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-11-27 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

fiscaal_recht

Geciteerde wetgeving

6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Ger.W., Gerechtelijk Wetboek

Samenvatting

de prejudiciële vragen betreffende artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.157 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.157 Arrest- Rolnummer: 157/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-08 Raadplegingen: 52 - laatst gezien 2025-12-15 14:51 Versie(s): Versie FR Fiche 1. Geen schending 2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Vestiging en invordering - Aanslag - Bezwaar - Beslissing met betrekking tot het bezwaar - Vordering in rechte - Vestiging van een subsidiaire aanslag Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 157/2025 van 27 november 2025 Rolnummer : 8414 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 9 januari 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 15 januari 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Oost-Vlaanderen, afdeling Gent, de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt art. 356 WIB 92 het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, desgevallend in combinatie met artikel 13 EVRM (recht op een effectieve rechtsbescherming, waaronder het recht op een passend en daadwerkelijk rechtsherstel), in die interpretatie waarin deze bepaling de fiscale administratie ook zou toelaten om een subsidiaire aanslag voor te leggen wanneer de beslissing van de adviseur-generaal wordt vernietigd, aangezien er in deze interpretatie een onderscheid wordt gemaakt tussen : - Belastingplichtigen wiens elementaire recht op een spoedig en nauwgezet onderzoek van hun bezwaarschrift wordt geschonden (waarbij de fiscale administratie niet beschikt over de mogelijkheid om een subsidiaire aanslag voor te leggen, wanneer de belastingplichtige de beslissing over zijn bezwaarschrift niet heeft afgewacht maar meteen een vordering in rechte heeft ingesteld), en - Belastingplichtigen wiens elementaire (en zelfs grondwettelijk beschermde) hoor- en inzagerecht wordt geschonden (waarbij de fiscale administratie steeds zou beschikken over de 2 mogelijkheid om een subsidiaire aanslag voor te leggen, wanneer de belastingplichtige – noodgedwongen – tegen o.a. de onwettige beslissing een vordering in rechte heeft ingesteld), terwijl het doel van deze sanctie (het verval van subsidiaire aanslag-mogelijkheid) erin bestaat om de fiscale administratie te sanctioneren voor de schending van de elementaire rechten van de belastingplichtige tijdens de bezwaarfase ? 2. Schendt art. 356 WIB 92 het gelijkheidsbeginsel zoals vastgelegd in de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, desgevallend in combinatie met artikel 13 EVRM (recht op een effectieve rechtsbescherming, waaronder het recht op een passend en daadwerkelijk rechtsherstel), in die interpretatie waarin deze bepaling de fiscale administratie ook zou toelaten om een subsidiaire aanslag voor te leggen wanneer de beslissing van de adviseur-generaal wordt vernietigd, aangezien er in deze interpretatie een onderscheid wordt gemaakt tussen : - Belastingplichtigen die deze onwettige directoriale beslissing eerst aanvechten voor de Raad van State en de vernietiging ex tunc zullen verkrijgen (waardoor geen subsidiaire aanslag meer mogelijk zal zijn wanneer er nadien een tijdige vordering in rechte wordt ingesteld voor de burgerlijke rechtbank), en - Belastingplichtigen die deze onwettige directoriale beslissing niet eerst (kunnen) aanvechten voor de Raad van State en dus voor de burgerlijke rechtbanken slechts een vernietiging ex tunc [lees : ex nunc] kunnen bekomen (waardoor een subsidiaire aanslag steeds mogelijk blijft), omdat op deze manier de juridische gevolgen van het ene rechtsmiddel (Raad van State - vernietiging ex tunc) aanzienlijk voordeliger zullen zijn dan de juridische gevolgen van het andere rechtsmiddel (fiscale rechtbank - vernietiging ex nunc) ? ». Memories zijn ingediend door : - Stijn Bauwens, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Luc De Meyere, advocaat bij de balie te Gent; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Reinhard Van Hecke, advocaat bij de balie te Gent. Stijn Bauwens heeft ook een memorie van antwoord ingediend. Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. 3 De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Stijn Bauwens is aandeelhouder van een Hongaarse vennootschap. In 2020 heeft die vennootschap hem dividenden uitgekeerd, waarop overeenkomstig de Hongaarse belastingwetgeving een voorheffing van 10 % is ingehouden. Stijn Bauwens heeft het door hem ontvangen bedrag opgenomen in de aangifte in de personenbelasting voor het aanslagjaar 2021. Op 18 maart 2022 heeft de belastingadministratie een aanslag gevestigd waarbij op de voormelde dividenden een belasting van 30 % wordt geheven, zonder verrekening van de in Hongarije ingehouden voorheffing. Op 23 augustus 2022 heeft Stijn Bauwens tegen die aanslag een bezwaar ingediend. Op 7 februari 2023 heeft de belastingadministratie aan Stijn Bauwens een gemotiveerd voorstel tot afstand overgemaakt, waarop zij geen reactie zou hebben ontvangen. Bij beslissing van 23 februari 2023 is het bezwaar afgewezen. Op 27 februari 2023 heeft Stijn Bauwens tegen die beslissing een beroep ingesteld bij het verwijzende rechtscollege. Bij zijn vonnis van 9 januari 2025 heeft het verwijzende rechtscollege vastgesteld dat de belastingadministratie is afgeweken van de door Stijn Bauwens ingediende belastingaangifte, zonder hem een bericht van wijziging te verzenden overeenkomstig artikel 346 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992). Het verwijzende rechtscollege heeft daarom geoordeeld dat de aanslag integraal dient te worden vernietigd. Het heeft vervolgens overwogen dat de belastingadministratie in beginsel over de mogelijkheid beschikt om, binnen een termijn van zes maanden vanaf de rechterlijke beslissing, een subsidiaire aanslag aan het oordeel van de rechter te onderwerpen, overeenkomstig artikel 356 van het WIB 1992. Opdat het kan beoordelen of die mogelijkheid te dezen effectief aan de belastingadministratie kan worden toegestaan, is het volgens het verwijzende rechtscollege noodzakelijk om aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen te stellen. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.1. Stijn Bauwens zet uiteen dat artikel 356 van het WIB 1992 een subsidiaire aanslag uitsluit in de situatie, zoals bedoeld in artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, waarin de belastingadministratie geen beslissing heeft genomen over het door de belastingplichtige ingediende bezwaar binnen een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst ervan. In het bodemgeschil heeft Stijn Bauwens daarnaast aangevoerd dat de terugwerkende kracht van de vernietiging van een tijdig genomen, maar onwettige beslissing over het bezwaar als gevolg heeft dat er evenmin een subsidiaire aanslag mogelijk is. Het Hof van Cassatie heeft echter geoordeeld dat een dergelijke vernietiging geen afbreuk doet aan de mogelijkheid voor de belastingadministratie om een subsidiaire aanslag te vestigen. Ook het verwijzende rechtscollege gaat uit van die interpretatie. A.1.2. Stijn Bauwens voert aan dat, in tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, de in de prejudiciële vraag vermelde categorieën van belastingplichtigen wel degelijk vergelijkbaar zijn. Verschil en niet- vergelijkbaarheid mogen immers niet worden verward. Hij vervolgt dat de regeling inzake de subsidiaire aanslag is ingegeven door verschillende doelstellingen. Enerzijds beoogde de wetgever de belangen van de Schatkist te vrijwaren en de gelijkheid van de burgers voor de belastingwet te waarborgen. Anderzijds beoogde hij de fiscale procedure zoveel mogelijk te versnellen. Wat die laatste doelstelling betreft, merkt Stijn Bauwens op dat zij uitsluitend betrekking heeft op de procedure na de vernietiging, door de rechter, van de oorspronkelijke aanslag. De wetgever wenste die specifieke procedure te versnellen door de belastingadministratie toe te laten onmiddellijk 4 een subsidiaire aanslag aan de rechter voor te leggen, zonder dat het noodzakelijk is de aanslagprocedure te herbeginnen. De wetgever kan niet de bedoeling hebben gehad om de belastingadministratie louter ertoe aan te zetten zo snel mogelijk een beslissing te nemen over het bezwaarschrift, ongeacht de kwaliteit van die beslissing en ongeacht of daarbij de rechten van de belastingplichtige worden geschonden. In tegenstelling tot wat de Ministerraad laat uitschijnen, strekt de bezwaarprocedure in de eerste plaats ertoe onnodige gerechtelijke procedures te vermijden. A.1.3. Volgens Stijn Bauwens zijn de voormelde doelstellingen legitiem. Zij kunnen evenwel niet verantwoorden dat de belastingadministratie geen subsidiaire aanslag kan vestigen indien de belastingplichtige, bij gebrek aan een tijdige beslissing over zijn bezwaarschrift, onmiddellijk een vordering in rechte heeft ingesteld, terwijl de belastingadministratie wel over die mogelijkheid beschikt indien de beslissing van de adviseur-generaal wordt vernietigd wegens een schending van het recht om te worden gehoord of het recht op inzage. De onmogelijkheid om een subsidiaire aanslag te vestigen in de situatie waarin er geen tijdige beslissing is genomen over het bezwaarschrift, dient immers te worden beschouwd als een sanctie voor het stilzitten van de belastingadministratie. De wetgever streeft daarmee een evenwicht na tussen het recht van de belastingadministratie om de belasting te innen en het recht van de belastingplichtige op een spoedig en nauwgezet onderzoek van het bezwaarschrift. Hoewel de Ministerraad, in de zaak die aanleiding heeft gegeven tot het arrest van het Hof nr. 53/2005 van 8 maart 2005 ( ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.053 ), zelf heeft gewezen op het bestraffend karakter van de in het geding zijnde maatregel, gaat hij daaraan voorbij in de onderhavige procedure. Het is niet redelijk verantwoord dat de belastingadministratie wordt bestraft voor een schending van het vereiste van een redelijke termijn, maar niet voor een schending van de andere rechten van verdediging van de belastingplichtige, met name het recht om te worden gehoord en het recht op inzage. Die laatste rechten hebben, in tegenstelling tot het vereiste van een redelijke termijn, zowel een grondwettelijke als een wettelijke grondslag. Het is vaste rechtspraak dat een schending van die rechten aanleiding geeft tot de vernietiging van de beslissing over het bezwaarschrift. Uit het voorgaande volgt dat een schending van het recht om te worden gehoord of van het recht op inzage een aanzienlijk zwaardere fout vormt vanwege de belastingadministratie dan een schending van het vereiste van een redelijke termijn, aldus Stijn Bauwens. Het is derhalve onredelijk dat de wetgever uitsluitend voor die laatste schending een sanctie heeft opgelegd aan de belastingadministratie. In de beide situaties dient de belastingplichtige een passend rechtsherstel te genieten. Overigens heeft artikel 356 van het WIB 1992, in de aan het Hof voorgelegde interpretatie, als onwenselijk gevolg dat de belastingadministratie, wanneer zij de behandeling van het bezwaar niet tijdig heeft aangevat en de beslissingstermijn daardoor dreigt te verstrijken, ertoe wordt aangezet om toch maar een beslissing te nemen binnen die termijn, ook al weet zij dat die beslissing door de rechter zal worden vernietigd wegens een schending van het recht om te worden gehoord en/of het recht op inzage. In die situatie behoudt de belastingadministratie immers de mogelijkheid om nadien een subsidiaire aanslag te vestigen. In de voormelde interpretatie schendt artikel 356 van het WIB 1992 bijgevolg de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.1.4. Volgens Stijn Bauwens kan artikel 356 van het WIB 1992 evenwel op een andere wijze worden geïnterpreteerd, namelijk in die zin dat de mogelijkheid om een subsidiaire aanslag te vestigen eveneens is uitgesloten indien de rechter de beslissing van de adviseur-generaal vernietigt. Die interpretatie van artikel 356 van het WIB 1992 sluit aan bij het beginsel dat de vernietiging van een administratieve rechtshandeling terugwerkende kracht heeft, waardoor die rechtshandeling wordt geacht nooit te hebben bestaan. In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, wordt er daardoor geen voorwaarde toegevoegd aan artikel 356 van het WIB 1992. Opdat de belastingadministratie een subsidiaire aanslag kan vestigen, vereist die bepaling immers het bestaan van een beslissing van de adviseur-generaal of van de door hem gedelegeerde ambtenaar. Evenmin geeft een dergelijke interpretatie aanleiding tot een nieuwe discriminatie, zoals de Ministerraad aanvoert. De Ministerraad gaat eraan voorbij dat de belastingadministratie, in geval van een subsidiaire aanslag, per definitie ook een fout heeft begaan gedurende de initiële aanslagprocedure. Aldus heeft de belastingadministratie, in de aan het Hof voorgelegde hypothese, de rechten van de belastingplichtige geschonden in zowel de initiële aanslagprocedure als de daaropvolgende bezwaarprocedure. In de voormelde interpretatie is artikel 356 van het WIB 1992 bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat de in de eerste prejudiciële vraag vermelde categorieën van belastingplichtigen niet vergelijkbaar zijn. Uitsluitend de tweede categorie van belastingplichtigen beschikt immers over een gemotiveerde beslissing over het door hen ingediende bezwaar. Die beslissing beëindigt op definitieve wijze de administratieve fase en doet de beroepstermijn van drie maanden lopen. De bezwaarprocedure 5 dient als een filterprocedure te worden opgevat. Bovendien is de door de belastingplichtige ingestelde vordering in rechte gericht tegen de aanslag zelf en niet tegen de beslissing over het bezwaar. A.2.2. Volgens de Ministerraad bestaat de doelstelling van de in het geding zijnde maatregel, in tegenstelling tot wat Stijn Bauwens betoogt, niet erin de belastingadministratie te bestraffen voor de schending van de rechten van de belastingplichtige tijdens de bezwaarprocedure. De wetgever wenste de belangen van de Schatkist te vrijwaren en de gelijkheid van de burgers voor de belastingwet te waarborgen, door te vermijden dat een belastingplichtige, louter wegens een procedurele fout tijdens de aanslagprocedure, aan de wettelijk verschuldigde belasting kan ontkomen. Daarenboven heeft de wetgever de fiscale procedure zoveel mogelijk willen versnellen, zodat de aanslag zo snel mogelijk definitief wordt. Ten aanzien van die doelstellingen is het redelijk verantwoord om een onderscheid te maken naargelang er al dan niet een beslissing is genomen met betrekking tot het door de belastingplichtige ingediende bezwaar. De omstandigheid dat die beslissing nadien wordt vernietigd, doet daaraan geen afbreuk. Daar anders over oordelen zou ingaan tegen de doelstelling van artikel 356 van het WIB 1992 en erop neerkomen dat een voorwaarde wordt toegevoegd aan die bepaling, hetgeen in strijd is met het wettigheidsbeginsel. Bovendien zou zulks aanleiding geven tot een nieuwe discriminatie, in zoverre er in geval van een procedurele fout tijdens de initiële aanslagprocedure wel nog een subsidiaire aanslag zou kunnen worden gevestigd, maar niet in geval van een procedurele fout tijdens de bezwaarprocedure. Artikel 356 van het WIB 1992 is bijgevolg bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aldus de Ministerraad. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.3.1. Stijn Bauwens zet uiteen dat de tweede prejudiciële vraag betrekking heeft op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, belastingplichtigen die de beslissing over het bezwaar eerst kunnen aanvechten bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, en, anderzijds, belastingplichtigen die een dergelijke beslissing onmiddellijk dienen aan te vechten bij de burgerlijke rechter. In het eerste geval leidt de vernietiging, door de Raad van State, van de beslissing ertoe dat zij met terugwerkende kracht uit het rechtsverkeer verdwijnt. Wanneer de belastingplichtige zich vervolgens tot de burgerlijke rechter wendt en die laatste de oorspronkelijke aanslag vernietigt, beschikt de belastingadministratie niet over de mogelijkheid om nog een subsidiaire aanslag te vestigen. In het tweede geval heeft de vernietiging van de beslissing, door de burgerlijke rechter, geen terugwerkende kracht en behoudt de belastingadministratie de mogelijkheid om een subsidiaire aanslag te vestigen, althans in de aan het Hof voorgelegde interpretatie van artikel 356 van het WIB 1992. Hoewel de beide belastingplichtigen worden geconfronteerd met een onwettige beslissing van de belastingadministratie en zij zich dus in vergelijkbare situaties bevinden, genieten zij een wezenlijk verschillend niveau van rechtsbescherming. Dat verschil in behandeling is niet redelijk verantwoord. A.3.2. Stijn Bauwens herhaalt dat artikel 356 van het WIB 1992 evenwel ook zo kan worden geïnterpreteerd dat de belastingadministratie geen subsidiaire aanslag kan vestigen indien de burgerlijke rechter de beslissing over het bezwaar vernietigt. In die interpretatie is die bepaling bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. A.4.1. De Ministerraad voert aan dat het niet relevant is voor de beoordeling van de aanslag of er al dan niet een beroep is ingesteld bij de Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak. Dat rechtscollege is niet bevoegd om te oordelen over de individuele toepassing van de belastingwet. Krachtens de artikelen 569, eerste lid, 32°, en 1385undecies van het Gerechtelijk Wetboek, zijn de hoven en rechtbanken daarvoor exclusief bevoegd. Daarnaast beschikt een belastingplichtige niet over het vereiste belang om uitsluitend de vernietiging te vorderen van de beslissing over zijn bezwaar, aangezien zulk een vernietiging geen gevolgen heeft voor de geldigheid van de aanslag zelf. A.4.2. De Ministerraad vervolgt dat enkel de aanslag aan het oordeel van de rechter wordt onderworpen. Het voorhanden zijn van een beslissing van de adviseur-generaal betreft slechts een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de vordering. Eventuele fouten tijdens de bezwaarprocedure kunnen worden hersteld tijdens de gerechtelijke procedure met betrekking tot de subsidiaire aanslag. Om de in A.2.2 vermelde redenen is de in het geding zijnde maatregel redelijk verantwoord, aldus de Ministerraad. 6 Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.5. In ondergeschikte orde verzoekt de Ministerraad, in zoverre het Hof zou besluiten tot de ongrondwettigheid van artikel 356 van het WIB 1992, de gevolgen van die bepaling te handhaven, in afwachting van het optreden van de wetgever. A.6. Volgens Stijn Bauwens dient het verzoek tot handhaving te worden verworpen. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de subsidiaire aanslag in de inkomstenbelastingen, bedoeld in artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992). B.2.1. Krachtens artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek neemt de rechtbank van eerste aanleg kennis « van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet ». B.2.2. Artikel 1385undecies, eerste tot derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt : « Tegen de belastingadministratie wordt de vordering inzake de geschillen bedoeld in artikel 569, eerste lid, 32°, slechts toegelaten indien de eiser voorafgaandelijk het door of krachtens de wet georganiseerde administratief beroep heeft ingesteld. De vordering wordt ingesteld ten vroegste zes maanden vanaf de datum van ontvangst van het administratief beroep zo over dit beroep geen uitspraak is gedaan en, op straffe van verval, uiterlijk binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van de beslissing met betrekking tot het administratief verhaal. De in het tweede lid bedoelde termijn van zes maanden wordt met drie maanden verlengd wanneer de betwiste aanslag van ambtswege door de administratie is gevestigd ». B.2.3. Krachtens artikel 366, eerste lid, van het WIB 1992 kan de belastingschuldige tegen het bedrag van de gevestigde aanslag schriftelijk bezwaar indienen bij de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen. 7 B.2.4. Het in het geding zijnde artikel 356 van het WIB 1992 bepaalt : « Wanneer tegen een beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, blijft de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol. Gedurende die termijn van zes maanden die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, kan de administratie een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag. Als de administratie een subsidiaire aanslag binnen de voornoemde termijn van zes maanden aan de rechter voorlegt, beginnen, in afwijking van het eerste lid, de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen of om een voorziening in cassatie in te dienen te lopen vanaf de betekening van de rechterlijke beslissing betreffende de subsidiaire aanslag. [...] De subsidiaire aanslag is slechts invorderbaar of terugbetaalbaar ter uitvoering van de rechterlijke beslissing. [...] ». B.3. De minister van Financiën heeft, in antwoord op een parlementaire vraag, met betrekking tot de draagwijdte van artikel 356 van het WIB 1992 verklaard : « De tekst van het nieuwe artikel 356 van het W.I.B. 1992, in de huidige formulering ervan, kan alleen worden toegepast wanneer de directeur van de belastingen effectief een beslissing heeft genomen. Indien de belastingplichtige een vordering instelt wegens het ontbreken van een beslissing van de directeur, overeenkomstig artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, kan de administratie geen subsidiaire aanslag vestigen. Dat betekent dat de administratie er dus belang bij heeft dat, in geval van aanslag van ambtswege, de beslissingen binnen de termijn van 6 of 9 maanden worden genomen » (Parl. St., Kamer, CRIV 50 COM 452, 24 april 2001, p. 5) (eigen vertaling). B.4. Bij zijn arrest van 28 februari 2019 ( ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190228.12 ) heeft het Hof van Cassatie geoordeeld : « Krachtens artikel 356, eerste lid, WIB 92, zoals van toepassing op het geschil, kan, wanneer tegen een beslissing van de directeur van de belastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar een vordering in rechte is ingesteld en de rechter de aanslag geheel of ten dele nietig verklaart, om een andere reden dan verjaring, de zaak gedurende een termijn van zes maanden te rekenen vanaf de rechterlijke beslissing ingeschreven op de rol en kan de administratie, gedurende die termijn die de termijnen om verzet of hoger beroep aan te tekenen 8 of om een voorziening in cassatie in te dienen schorst, een subsidiaire aanslag door middel van conclusies aan het oordeel van de rechter onderwerpen op naam van dezelfde belastingschuldige en op grond van alle of een deel van dezelfde belastingelementen als de initiële aanslag. Hieruit volgt dat die bepaling van toepassing is op alle gevallen waarin de rechter uitspraak moet doen over een geschil inzake inkomstenbelastingen, op grond van artikel 569, eerste lid, 32°, Gerechtelijk Wetboek na een beslissing over het administratief beroep bedoeld in de artikelen 1385decies en 1385undecies van dat wetboek. De omstandigheid dat de rechter die uitspraak doet over dat geschil de administratieve beslissing vernietigt, heeft geen invloed op de toepassing van artikel 356, eerste lid, WIB 92 ». Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.5. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 356 van het WIB 1992, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling in het leven roept tussen twee categorieën van belastingplichtigen, naargelang er al dan niet een tijdige beslissing is genomen door de belastingadministratie over het bezwaar dat zij hebben ingesteld tegen een aanslag in de personenbelasting. Enerzijds gaat het om de belastingplichtigen die, bij gebrek aan een beslissing van de adviseur-generaal of de bevoegde ambtenaar over het bezwaar, na het verstrijken van een termijn van zes maanden vanaf de ontvangst van dat bezwaar een vordering in rechte hebben ingesteld, overeenkomstig artikel 1385undecies, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Anderzijds gaat het om de belastingplichtigen ten aanzien van wie de adviseur-generaal of de bevoegde ambtenaar een beslissing met betrekking tot het bezwaar heeft genomen, en die, overeenkomstig dezelfde bepaling van het Gerechtelijk Wetboek, binnen een termijn van drie maanden vanaf de kennisgeving van die beslissing een vordering in rechte hebben ingesteld. Het verwijzende rechtscollege verwijst in het bijzonder naar de situatie waarin de beslissing met betrekking tot het bezwaar is genomen met miskenning van de rechten van de belastingplichtige, met name het recht om te worden gehoord en het recht op inzage van het belastingdossier. Indien de rechter de aanslag nietig verklaart om een andere reden dan verjaring, beschikt de belastingadministratie niet over de mogelijkheid om een subsidiaire aanslag te vestigen ten 9 aanzien van de eerste categorie van belastingplichtigen, maar wel ten aanzien van de tweede categorie van belastingplichtigen. Krachtens artikel 356, eerste lid, van het WIB 1992 is een subsidiaire aanslag immers slechts mogelijk in geval van een vordering in rechte « tegen een beslissing van de adviseur-generaal van de administratie belast met de vestiging van de inkomstenbelastingen of van de door hem gedelegeerde ambtenaar ». Zoals ook blijkt uit de in B.4 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie, heeft de omstandigheid dat de rechter de administratieve beslissing nietig verklaart bovendien geen invloed op de toepassing van die bepaling. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof of dat verschil in behandeling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.6.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van dat beginsel in fiscale aangelegenheden. B.6.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.3. Artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt voor personen van wie de rechten en vrijheden vermeld in dat Verdrag zijn geschonden, een recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie. Het verwijzende rechtscollege vermeldt geen andere bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 13 ervan. Bijgevolg onderzoekt 10 het Hof de prejudiciële vraag niet in zoverre zij is afgeleid uit de schending van artikel 13 van het Verdrag, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. B.7. Bij het bepalen van zijn beleid in fiscale zaken beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Het Hof vermag, in die aangelegenheid, de beleidskeuzen van de wetgever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of indien zij onredelijk zouden zijn. B.8. De Ministerraad voert aan dat de voormelde categorieën van belastingplichtigen niet vergelijkbaar zijn. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen echter niet met elkaar worden verward. Het feit dat er in het ene geval bedoeld in B.5 geen en in het andere geval wel een beslissing is genomen met betrekking tot het bezwaar tegen de aanslag, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar kan niet volstaan om tot de niet-vergelijkbaarheid te besluiten. B.9. Zoals het Hof bij zijn arrest nr. 18/2019 van 7 februari 2019 ( ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.018 ) heeft geoordeeld, streeft de wetgever met de procedure van de subsidiaire aanslag een dubbel doel na door de belastingadministratie niet langer toe te staan een nieuwe aanslag in te kohieren wanneer de initiële aanslag bij een rechterlijke beslissing nietig is verklaard, maar door haar in dat geval ertoe te verplichten een subsidiaire aanslag rechtstreeks voor te leggen aan de rechter die de nietigverklaring heeft uitgesproken. De wetgever beoogt, enerzijds, het vrijwaren van de belangen van de Schatkist en het waarborgen van de gelijkheid van de burgers voor de belastingwet, door te voorkomen dat een belastingplichtige, enkel wegens een procedurefout die zich tijdens de aanslagprocedure heeft voorgedaan, aan de wettelijk verschuldigde belasting kan ontsnappen. Wanneer de belasting krachtens de wet verschuldigd is, vormt het vestigen van een aanslag immers een verplichting voor de administratie waardoor de gelijkheid van de burger voor de fiscale wet kan worden gewaarborgd. Anderzijds beoogt de wetgever, sedert de hervorming van de fiscale procedure in 1999, de fiscale procedure zoveel mogelijk te versnellen zodat de aanslag zo snel mogelijk definitief wordt, hetzij in het voordeel, hetzij in het nadeel van de administratie. 11 Dergelijke doelstellingen zijn legitiem. B.10.1. Ten aanzien van die doelstellingen is het redelijk verantwoord dat artikel 356 van het WIB 1992 de mogelijkheid van een subsidiaire aanslag uitsluit indien de belastingplichtige, bij gebrek aan een beslissing van de belastingadministratie over zijn bezwaar binnen een termijn van zes maanden, onmiddellijk een vordering in rechte heeft ingesteld (zie in die zin ook het arrest nr. 53/2005 van 8 maart 2005, ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.053 ). Zoals ook blijkt uit de in B.3 vermelde verklaring van de minister van Financiën, kan een dergelijke maatregel de belastingadministratie ertoe aanzetten tijdig een beslissing te nemen over het bezwaar van de belastingplichtige, hetgeen ertoe bijdraagt dat de aanslag zo snel mogelijk definitief wordt. B.10.2. Daarenboven beperkt de procedure van de subsidiaire aanslag, zoals bepaald in artikel 356 van het WIB 1992, niet op onevenredige wijze de rechten van de belastingplichtigen ten aanzien van wie de belastingadministratie binnen de termijn een beslissing heeft genomen over het bezwaar, in het bijzonder het recht op toegang tot de rechter. Zij kunnen hun bezwaren tegen de subsidiaire aanslag meteen doen gelden voor het rechtscollege dat reeds kennis heeft van hun situatie. Wanneer het geschil voor de fiscale rechter wordt gebracht, heeft de initiële aanslag voordien het voorwerp uitgemaakt van een administratief bezwaar, zodat de belastingplichtige reeds de gelegenheid heeft gehad om zijn argumenten te doen gelden, in eerste instantie voor de adviseur-generaal en vervolgens voor het rechtscollege waarbij de zaak aanhangig is gemaakt. Dat rechtscollege heeft kennisgenomen van het dossier en van de argumenten van de partijen, en heeft de initiële aanslag nietig verklaard. Met het oog op een versnelling en rationalisatie van de procedure is het verantwoord dat hetzelfde rechtscollege zich ook snel uitspreekt over de subsidiaire aanslag, zonder dat opnieuw een administratieve fase moet worden doorlopen. In dat verband komt het de administratie toe, naar aanleiding van het debat op tegenspraak dat plaatsvindt voor de rechter ingevolge het neerleggen van de conclusies met betrekking tot de subsidiaire aanslag, de verantwoording te verstrekken die noodzakelijk is voor de geldigverklaring, door de rechter, van de subsidiaire aanslag. De betrokken belastingplichtige kan dus zijn argumenten aanvoeren in een tegensprekelijke gerechtelijke procedure. 12 Ook al zou de belastingadministratie derhalve, zoals wordt vermeld in de prejudiciële vraag, gedurende de bezwaarprocedure ten onrechte hebben nagelaten de belastingplichtige inzage te verlenen in het belastingdossier en/of te horen, dan nog belet zulks die laatste niet om in het kader van de gerechtelijke procedure kennis te nemen van de elementen waarop de aanslag steunt en daaromtrent zijn standpunt te doen gelden. Overigens kan, in tegenstelling tot wat de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aanvoert, niet worden aangenomen dat de in het geding zijnde maatregel de belastingadministratie ertoe zou aanzetten onzorgvuldig te handelen en doelbewust de rechten van de belastingplichtige te miskennen bij de behandeling van diens bezwaar. De belastingadministratie dient de beginselen van behoorlijk bestuur na te leven. Zij is in beginsel evengoed erbij gebaat betwistingen in rechte te vermijden. Voorts is de vestiging van een subsidiaire aanslag uitgesloten in de gevallen waarin de schending van de wettelijke regel betrekking heeft op de verjaringstermijn en dient de aanslag te worden gevestigd ten name van dezelfde belastingplichtige en op grond van dezelfde belastingelementen of op een gedeelte ervan. Die laatste begrenzing verzekert dat de administratie geen andere belastingelementen naar voren kan brengen via een subsidiaire aanslag en vormt dan ook een belangrijke waarborg voor de belastingplichtige (zie in die zin de arresten nrs. 53/2005, 82/2011 ( ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.082 ), 18/2019 en 12/2025 ( ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.012 )). B.10.3. Voor het overige komt het, zoals het Hof reeds heeft geoordeeld bij zijn voormelde arrest nr. 53/2005, de wetgever toe te beslissen of de mogelijkheid van een subsidiaire aanslag dient te worden uitgebreid tot de situatie waarin er geen beslissing is genomen over het bezwaar van de belastingplichtige. B.11. Artikel 356 van het WIB 1992 is bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.12. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 356 van het WIB 1992, in zoverre die bepaling een verschil in behandeling in het leven roept tussen belastingplichtigen 13 die een bezwaar hebben ingediend tegen een aanslag in de personenbelasting, naargelang van het rechtscollege dat uitspraak doet over de beslissing met betrekking tot dat bezwaar. Enerzijds gaat het om de belastingplichtigen die de beslissing over het bezwaar « eerst aanvechten voor de Raad van State en de vernietiging ex tunc zullen verkrijgen ». Anderzijds gaat het om de belastingplichtigen die de voormelde beslissing « niet eerst (kunnen) aanvechten voor de Raad van State en dus voor de burgerlijke rechtbanken slechts een vernietiging ex tunc [lees : ex nunc] kunnen bekomen ». Indien de rechter de aanslag nietig verklaart om een andere reden dan verjaring, zou de belastingadministratie niet over de mogelijkheid beschikken om een subsidiaire aanslag te vestigen ten aanzien van de eerste categorie van belastingplichtigen, maar wel ten aanzien van de tweede categorie van belastingplichtigen. Het verwijzende rechtscollege vraagt aan het Hof of dat verschil in behandeling bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.13.1. De Raad van State, afdeling bestuursrechtspraak, doet uitspraak over de beroepen tot nietigverklaring ingesteld tegen de akten en reglementen van de onderscheiden administratieve overheden, « indien het geschil niet door de wet aan een ander rechtscollege wordt toegekend » (artikel 14, § 1, eerste lid, 1°, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973). B.13.2. Zoals is vermeld in B.2.1, kent artikel 569, eerste lid, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek de geschillen betreffende de toepassing van de belastingwet toe aan de rechtbank van eerste aanleg. B.14. De Raad van State heeft met betrekking tot die bepalingen geoordeeld : « 9. In eerste instantie dient vastgesteld dat de vernietigingsbevoegdheid van de Raad van State op grond van artikel 14, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State residuair van aard is, waarbij de Raad van State enkel optreedt wanneer geen ander rechtscollege bevoegd is. Artikel 569, 32°, van het Gerechtelijk Wetboek bepaalt dat de rechtbank van eerste aanleg kennis neemt ‘ van geschillen betreffende de toepassing van een belastingwet ’. De hervorming 14 in het fiscale geschillencontentieux beoogt de integratie van het fiscaal contentieux in de rechterlijke macht, meer bepaald bij de ‘ bijzondere, exclusieve bevoegdheden van de rechtbank van eerste aanleg ’. Bijgevolg vallen (individuele) fiscale geschillen ‘ betreffende de toepassing van een belastingwet ’ niet langer onder de algemene residuaire bevoegdheid van de Raad van State en heeft deze – behoudens een uitdrukkelijk andersluidende of van artikel 569, 32°, van het Ger.W. afwijkende bepaling – nog enkel rechtsmacht voor normatieve fiscale rechtshandelingen (Parl. St. Kamer 1997-1998, nrs. 1341-1342/1, 35-36; RvS nr. 231.595 van 16 juni 2015). Geschillen ‘ betreffende de toepassing van een belastingwet ’ omvatten volgens het Hof van Cassatie niet alleen de betwistingen over de verschuldigdheid van de aanslag of de heffing zelf, maar ook de betwistingen naar aanleiding van andere individuele fiscale rechtshandelingen vóór of na de vestiging van de belasting, onverminderd de bevoegdheid van de beslagrechter voor vorderingen betreffende bewarende beslagen en middelen tot tenuitvoerlegging (Cass., 5 mei 2017, ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170505.4 ). De wetgever heeft bepaald dat elk geschil dat betrekking heeft op de toepassing van een belastingwet in de meest ruime zin aan de rechtbanken wordt toevertrouwd. [...] [...] 11. Op grond van wat hiervoor is uiteengezet, volgt dat de fiscale kamers van de rechtbanken van eerste aanleg dus bevoegd zijn voor individuele beslissingen genomen door de fiscus, niet alleen wat de betwistingen over de verschuldigdheid van de aanslag of de heffing zelf betreft, maar ook de betwistingen naar aanleiding van andere individuele fiscale rechtshandelingen vóór of na de vestiging van de belasting, zelfs wanneer het fiscaal bestuur over een discretionaire beoordelingsbevoegdheid beschikt. Op grond van artikel 569, 32°, van het Ger.W. is de rechtbank van eerste aanleg dan ook bevoegd voor de administratieve geldboetes genomen op grond van een belastingwet, alsook voor het milderen en kwijtschelden ervan zoals te dezen » (RvSt, 22 november 2023, ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.969 ). B.15. Uit het bovenstaande volgt dat de tweede prejudiciële vraag berust op een verkeerd uitgangspunt, in zoverre zij ervan uitgaat dat een belastingplichtige een beroep kan instellen bij de Raad van State tegen een beslissing over zijn bezwaar tegen een aanslag in de personenbelasting. Zulk een geschil betreft de toepassing van een belastingwet, waarvoor de Raad van State zonder rechtsmacht is (zie in die zin ook RvSt, 18 juli 2024, ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.446 ; 25 oktober 2012, ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.205 ). Het in de tweede prejudiciële vraag vermelde verschil in behandeling is bijgevolg onbestaande. B.16. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 356 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 schendt de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet niet. 2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.157 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2017:ARR.20170505.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190228.12 ECLI:BE:GHCC:2005:ARR.053 ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.082 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.018 ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.012 ECLI:BE:RVSCE:2012:ARR.221.205 ECLI:BE:RVSCE:2023:ARR.257.969 ECLI:BE:RVSCE:2024:ARR.260.446 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot