ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.156
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-11-27
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
strafrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
13 mei 1955, 15 juni 1935, 18 juli 1966, 6 januari 1989, Constitution
Samenvatting
de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 11 en 22 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door het Hof van Beroep te Luik en door de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.156
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 27 november 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.156
Arrest- Rolnummer:
156/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-12-08
Raadplegingen:
44 - laatst gezien 2025-12-15 14:50
Versie(s):
Versie FR
Fiche
- Schending (artikel 11 van de wet van 15 juni 1935, in de interpretatie
dat een proces-verbaal met betrekking tot feiten die zich in het Duitse
taalgebied hebben voorgedaan, in het Frans of in het Nederlands moet worden
opgesteld wanneer dat proces-verbaal in een ander taalgebied dan het Duitse
werd opgemaakt) - Geen schending (dezelfde bepaling, in de interpretatie
dat een proces-verbaal met betrekking tot feiten die zich in het Duitse
taalgebied hebben voorgedaan, in het Duits moet worden opgesteld, ongeacht
het taalgebied waarin dat proces-verbaal werd opgemaakt)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 11 en 22 van de wet van
15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld
door het Hof van Beroep te Luik en door de Rechtbank van eerste aanleg
te Eupen. Gerechtelijk recht - Gebruik der talen in gerechtszaken - Taal
van de processen-verbaal - Misdrijven die in het Duitse taalgebied hebben
plaatsgevonden - Plaats waar het proces-verbaal wordt opgesteld
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 156/2025
van 27 november 2025
Rolnummers : 8386 en 8404
In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 11 en 22 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door het Hof van Beroep te Luik en door de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
a. Bij arrest van 21 november 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 10 december 2024, heeft het Hof van Beroep te Luik de volgende prejudiciële vragen gesteld :
« - Schendt artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en/of 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het aldus wordt geïnterpreteerd dat bij vaststellingen in het Duitse taalgebied betreffende natuurlijke of rechtspersonen die in het Duitse taalgebied wonen of gevestigd zijn, een voor het Duitse taalgebied bevoegde verbaliserende overheid het proces-verbaal in het Frans of het Nederlands mag opstellen, wanneer het proces-verbaal wordt opgemaakt in een kantoor buiten het Duitse taalgebied ?
- Schendt artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6
en/of 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, indien het aldus wordt geïnterpreteerd dat bij vaststellingen in het Duitse taalgebied betreffende natuurlijke of rechtspersonen die in het Duitse taalgebied wonen of gevestigd zijn, een voor het Duitse taalgebied bevoegde verbaliserende overheid het proces-verbaal in het Frans of het Nederlands
2
mag opstellen, wanneer het proces-verbaal wordt opgemaakt in een kantoor buiten het Duitse taalgebied, zonder dat ambtshalve een behoorlijke Duitse vertaling bij dat proces-verbaal wordt gevoegd ? ».
b. Bij vonnis van 18 december 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 januari 2025, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen de volgende prejudiciële vragen gesteld :
« - Schendt artikel 11, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken artikel 13 van de Grondwet, dat het recht op een eerlijk proces inhoudt, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 mei 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, doordat het, ook in de gevallen waarin dit niet is wordt gerechtvaardigd door objectieve elementen van het vooronderzoek, het onderzoek of de strafvordering, in het kader van hun systematische uitbesteding toestaat dat de processen-verbaal betreffende de vaststelling en de opsporing in het Frans worden opgemaakt, terwijl alle elementen van het strafbare feit in het Duitse taalgebied zijn gesitueerd ?
- Schendt artikel 11, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het, zonder redelijke verantwoording, in het kader van een systematische uitbesteding van de processen-verbaal betreffende de vaststelling en de opsporing toestaat dat de persoon die in het Duitse taalgebied woont, de voormelde documenten in het Frans ontvangt, terwijl die persoon, wanneer hij mededelingen ontvangt van een centrale overheid van de federale Staat, zoals de politieoverheid, met toepassing van de wet van 18 juli 1966 op het gebruik van de talen in bestuurszaken, ze in het Duits kan ontvangen met toepassing van de artikelen 40, 41 en 42 van die wet ?
- Schenden de artikelen 11, eerste lid, en 22 van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken artikel 13 van de Grondwet en het daarin vervatte recht op een eerlijk proces, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, ondertekend te Rome op 4 mei 1950 en goedgekeurd bij de wet van 13 mei 1955, in zoverre de ontvanger van het proces-verbaal betreffende de vaststelling en de opsporing in het geval dat hij het voormelde document in een andere taal ontvangt dan die welke in zijn taalgebied wordt gebruikt, niet in de taal die in zijn taalgebied van toepassing is, ervan op de hoogte wordt gebracht binnen welke termijn en onder welke voorwaarden hij een vertaling van het proces-verbaal betreffende de vaststelling en de opsporing kan verkrijgen ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8386 en 8404 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.
Memories zijn ingediend door :
- T.E., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patrick Thevissen, advocaat bij de balie te Eupen (in de zaak nr. 8386);
- de procureur des Konings bij de Rechtbank van eerste aanleg te Eupen (in de zaak nr. 8404);
3
- de Regering van de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Guido Zians, mr. Andrea Haas, mr. Rainer Palm, mr. Frédéric Maraite, mr. David Hannen en mr. Ines Laschet, advocaten bij de balie te Eupen (in de zaak nr. 8386);
- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen (in beide zaken).
De Regering van de Duitstalige Gemeenschap heeft ook een memorie van antwoord ingediend.
Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen
Zaak nr. 8386
De beklaagde woont in het Franse taalgebied, maar wordt vervolgd als bestuurder van een vennootschap met zetel in het Duitse taalgebied. De vervolging betreft overtredingen van de algemene hygiënevoorschriften en van de voedselveiligheidsregels in een vleesverwerkend bedrijf. De ambtenaren van het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen(FAVV) hebben hun vaststellingsverslagen in het Frans opgesteld, in hun kantoor te Luik, zonder toevoeging van een Duitse vertaling.
Bij vonnis van 1 juni 2023 heeft de correctionele rechtbank te Eupen de beklaagde vrijgesproken, vanwege de nietigheid van de processen-verbaal. Aangezien zij feiten betreffen die in het Duitse taalgebied zijn gepleegd en zijn vastgesteld, dienden de processen-verbaal volgens de rechtbank in het Duits te zijn opgesteld.
Het Hof van Beroep te Luik heeft het hoger beroep van het openbaar ministerie ontvankelijk verklaard. De partijen zijn het erover eens dat de vaststellingsverslagen van het FAVV processen-verbaal zijn in de zin van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935). Volgens het openbaar ministerie is niet de plaats van de feiten bepalend voor de taal van de processen-verbaal, maar de plaats waar die processen-verbaal zijn opgesteld. De opstelling van de processen-
verbaal vond in dit geval plaats in het Franse taalgebied. Alvorens uitspraak te doen, stelt het Hof van Beroep te Luik de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof.
Zaak nr. 8404
De beklaagde wordt vervolgd voor een snelheidsovertreding die ze heeft begaan in het Duitse taalgebied, waarvoor zij wordt vervolgd. Zij ontving het proces-verbaal en het antwoordformulier in het Frans. Zij antwoordde in het Frans, maar uitte tegelijk de wens om zich tijdens een gerechtelijke procedure in het Duits uit te drukken.
4
De Politierechtbank te Eupen stelde vast dat het proces-verbaal werd opgesteld in Namen en dus overeenkomstig artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 terecht in het Frans was opgesteld. Aldus leidde die bepaling naar het oordeel van de Politierechtbank tot een schending van het recht op een eerlijk proces van de Duitstalige beklaagde. De Politierechtbank oordeelde ook dat het antwoordformulier een akte van rechtspleging is die krachtens artikel 38, derde lid, van dezelfde wet had moeten worden vertaald. Bij gebrek aan dergelijke vertaling was die akte van rechtspleging nietig. Bij vonnis van 16 april 2024 werd de beklaagde vrijgesproken.
Het openbaar ministerie heeft tegen dat vonnis hoger beroep ingesteld. De Rechtbank van eerste aanleg te Eupen is van oordeel dat het antwoordformulier een proces-verbaal is in de zin van het voormelde artikel 11 en geen akte van rechtspleging in de zin van het voormelde artikel 38, derde lid. Aangezien het in de wettelijk voorgeschreven taal is opgesteld, is het rechtsgeldig. Alvorens verder uitspraak te doen, stelt de voormelde Rechtbank de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof.
III. In rechte
-A-
A.1. De beklaagde in de zaak nr. 8386 meent dat de ratio legis van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935
« op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935) erin bestond de feiten te registreren in de taal van de plaats waar de feiten zich hebben voorgedaan. Die historische interpretatie kan niet worden vervangen door een evolutieve interpretatie die rekening houdt met de moderne technologie (zoals camera’s en computers) om een registratie op afstand te doen. Alleen de oorspronkelijke interpretatie voorkomt dat er willekeur ontstaat door « Sprachenshopping ». De prejudiciële vragen gaan echter uit van de andere interpretatie.
Volgens de beklaagde in de zaak nr. 8386 doet de in het geding zijnde bepaling in die laatste interpretatie een ongelijke behandeling ontstaan volgens het soort misdrijf, naargelang de verbaliserende overheid wel of geen vestiging heeft in het Duitse taalgebied, en ook volgens het taalgebied waar het misdrijf plaatsvindt, aangezien het Federaal Agentschap voor de Veiligheid van de Voedselketen (FAVV) enkel in het Duitse taalgebied geen vestiging heeft. Die ongelijke behandeling kan niet worden verantwoord. De verandering van taal is uitsluitend het gevolg van de keuze van de opsteller van het proces-verbaal. Zij stelt de burgers uit het Duitse taalgebied bloot aan willekeur. Hetzelfde geldt niet voor de burgers van de andere taalgebieden. De toevoeging van een Duitse vertaling zou de ongelijke behandeling slechts gedeeltelijk compenseren en dus het verschil in behandeling niet kunnen verantwoorden. De twee prejudiciële vragen dienen bevestigend te worden beantwoord.
A.2. De Ministerraad merkt in de zaak nr. 8386 op dat het territorialiteitsbeginsel een belangrijk kenmerk is van de wet van 15 juni 1935. Dat beginsel houdt in dat de taal van de rechtspleging in beginsel de streektaal is.
Een tweede uitgangspunt van de voormelde wet betreft de eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging. Daarnaast moet de wetgever bij het regelen van het taalgebruik in gerechtszaken rekening houden met het recht op toegang tot de rechter en het recht op een behoorlijke rechtsbedeling.
Voorts wijst de Ministerraad erop dat processen-verbaal betreffende de opsporing en de vaststelling van misdrijven niet noodzakelijk zijn opgesteld in de taal van de rechtspleging. Het zijn immers geen daden van vervolging of van onderzoek waarop artikel 12 van de wet van 15 juni 1935 van toepassing is. Er bestaat ook geen verplichting om de processen-verbaal ambtshalve te laten vertalen, al kan in voorkomend geval een vertaling worden gevraagd met toepassing van artikel 22 van dezelfde wet als het gaat om essentiële documenten van het dossier, zoals dat in het bodemgeschil het geval is. De Ministerraad vraagt ook om het voorwerp van de prejudiciële vragen te beperken tot het concrete geval van het bodemgeschil. In zoverre zij een ruimere draagwijdte hebben, zijn zij ze niet nuttig voor de oplossing van dat geschil.
Ten gronde meent de Ministerraad dat artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 in beide reeds vermelde interpretaties grondwettig is. Ongeacht de interpretatie is het aangevoerde verschil in behandeling immers onbestaand. Zowel ten aanzien van personen in het Duitse taalgebied als ten aanzien van personen in de andere taalgebieden dient een proces-verbaal te worden opgesteld in de taal van het taalgebied van de plaats van de vaststelling. De vraag of de verbaliserende dienst wel of geen zetel heeft in het Duitse taalgebied is geen relevant criterium om de taal van de processen-verbaal te bepalen. Voorts volgt uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor
5
de rechten van de mens geen verplichting om de processen-verbaal op te stellen in de taal van de beklaagde of in de taal van het gebied waar de vaststellingen worden gedaan.
A.3. De Regering van de Duitstalige Gemeenschap is van oordeel dat de prejudiciële vragen in de zaak nr. 8386 een bevestigend antwoord behoeven. De interpretatie van de in het geding zijnde bepaling die daarin is vooropgesteld, houdt een uitholling in van de taalwetgeving en het daardoor gewaarborgde beginsel van eentaligheid. Naast een schending van het recht op een eerlijk proces is er ook een discriminatie op grond van taal doordat de ongunstige behandeling alleen voor procespartijen in het Duitse taalgebied geldt. Het toevoegen van een vertaling zou een en ander slechts onder bepaalde strikte voorwaarden kunnen verhelpen.
De bewering van de Ministerraad dat het verschil in behandeling onbestaand is, steunt op een abstracte analyse en gaat voorbij aan de vaststelling dat de verplaatsing van het opstellen van de processen-verbaal naar een ander taalgebied enkel ten nadele van het Duitse taalgebied bestaat. Het Hof dient de specifieke reikwijdte en toepassing van de norm te onderzoeken. Ook een gelijke behandeling van verschillende situaties kan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie schenden, als daarvoor geen verantwoording bestaat.
A.4. In de zaak nr. 8404 merkt de Ministerraad aanvullend op dat « de objectieve elementen van het vooronderzoek, het onderzoek of de strafvordering », vermeld in de eerste prejudiciële vraag, geen relevante criteria zijn om de taal van de processen-verbaal te bepalen. Op basis van de wet van 15 juni 1935 is het perfect mogelijk dat de processen-verbaal betreffende de opsporing en de vaststelling van misdrijven in een andere taal dan die van de rechtspleging zijn gesteld. Er bestaat ook geen verplichting om de processen-verbaal dan te laten vertalen.
Wat de vergelijking betreft, in de tweede prejudiciële vraag, van de wet van 15 juni 1935 met de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, betwist de Ministerraad de vergelijkbaarheid van de categorieën van personen die aan die respectieve wetten zijn onderworpen. In elk geval steunt het verschil in behandeling op een objectief en pertinent criterium dat de verschillende regels inzake taalgebruik verantwoordt en dat ook door de Grondwetgever zelf wordt gemaakt (artikelen 30 en 129 van de Grondwet). De wetgever beschikt ter zake over een ruime discretionaire beoordelingsvrijheid.
A.5. Het openbaar ministerie wijst in de zaak nr. 8404 erop dat artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 in de rechtsleer zo wordt uitgelegd dat een proces-verbaal in straf- en belastingzaken wordt opgesteld in de taal van de plaats waar de verbalisant het proces-verbaal maakt, zodat de betrokken ambtenaar die onderzoeken of vaststellingen doet buiten zijn taalgebied niet de taal van de plaats van de vastgestelde feiten moet gebruiken.
Aangezien die interpretatie niet ter discussie staat, zou de prejudiciële vraag niet ontvankelijk zijn.
In ondergeschikte orde meent het openbaar ministerie in de zaak nr. 8404 dat het recht op een eerlijk proces is gewaarborgd en dat de prejudiciële vragen een ontkennend antwoord behoeven. De beoordeling betreft immers het proces als geheel en niet een enkel element of een specifiek incident, tenzij een bepaalde schending tijdens een eerdere fase van het proces het recht op een eerlijk proces op beslissende wijze heeft geschonden. Het feit dat het proces-verbaal aan het begin van de procedure in het Frans is opgesteld, houdt geen schending in van het recht op een eerlijk proces. Op grond van artikel 22 van de wet van 15 juni 1935 hebben de partijen de mogelijkheid om een kosteloze vertaling van de essentiële documenten te vragen. Daarbij geldt geen algemene verplichting om informatie te verstrekken over de mogelijkheid om de vertaling van documenten aan te vragen.
-B-
B.1.1. De prejudiciële vragen betreffen de taal van de processen-verbaal van misdrijven die in het Duitse taalgebied hebben plaatsgevonden.
B.1.2. Artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken »
(hierna : de wet van 15 juni 1935) bepaalt :
6
« De processen-verbaal betreffende de opsporing en de vaststelling van misdaden, wanbedrijven en overtredingen, alsook de processen-verbaal van fiskale aangelegenheden worden, in het Franse taalgebied in het Frans, in het Nederlands taalgebied in het Nederlands en in het Duitse taalgebied in het Duits gesteld.
In de gemeenten der Brusselse agglomeratie, worden die processen-verbaal gesteld in het Frans of in het Nederlands, naar gelang dat degene die er het voorwerp van is, de ene of de andere dezer talen voor zijn verklaringen gebruikt, en bij gemis van verklaring, volgens de noodwendigheden der zaak ».
B.2. De eerste prejudiciële vraag in de zaak nr. 8386 heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en/of 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Die prejudiciële vraag moet worden begrepen als een verzoek aan het Hof om het verschil in behandeling te onderzoeken onder de personen ten aanzien van wie een proces-verbaal wordt opgemaakt met betrekking tot feiten die zich in het Duitse taalgebied hebben voorgedaan, naargelang van de plaats waar het proces-verbaal wordt opgesteld. In de interpretatie die het verwijzende rechtscollege aan de in het geding zijnde bepaling geeft, moet het proces-verbaal in het Duits worden opgesteld wanneer dat proces-
verbaal in het Duitse taalgebied wordt opgemaakt, terwijl het in het Frans of in het Nederlands moet worden opgesteld indien het in een ander taalgebied dan het Duitse wordt opgemaakt.
B.3. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
7
B.4.1. Artikel 13 van de Grondwet waarborgt het recht op toegang tot de bevoegde rechter.
Het waarborgt eveneens aan alle personen die zich in dezelfde toestand bevinden het recht om volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging te worden berecht.
Het recht op toegang tot de rechter zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan het recht op een eerlijk proces, zoals gewaarborgd bij artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken.
B.4.2. De waarborgen van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zijn van toepassing zodra er een « strafvervolging » bestaat, en kunnen dus een rol spelen in het stadium vóór de vonnisfase indien en voor zover de initiële niet-naleving ervan de eerlijkheid van het proces ernstig in het gedrang dreigt te brengen (EHRM, grote kamer, 13 september 2016, Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk,
ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108
, § 253). Er is met name sprake van strafvervolging wanneer de bevoegde overheid iemand formeel het plegen van strafbare feiten ten laste legt (EHRM, grote kamer, 3 november 2022, Vegotex International S.A. t. België,
ECLI:CE:ECHR:2022:1103JUD004981209
, § 150).
In veel gevallen vormt een proces-verbaal het aanvangspunt voor de toepassing van het geheel van de rechtsregels betreffende de opsporing, de vervolging en de berechting van personen die ervan worden verdacht een strafbaar feit te hebben gepleegd. Het proces-verbaal is in dat geval een onderdeel van de strafvervolging.
B.5. Het in B.2 vermelde verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het taalgebied waarin het proces-verbaal wordt opgesteld.
B.6. De wet van 15 juni 1935 onderscheidt vier taalgebieden : het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied (artikel 42; Hand., Kamer, 1933-1934, 15 mei 1934, p. 1455). Zij stemt aldus overeen met de indeling in taalgebieden zoals vastgelegd in artikel 4 van de Grondwet. Artikel 4 vormt de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige gebied of van het tweetalige karakter van het gebied.
8
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 juni 1935 blijkt dat de wetgever het beginsel « Gewesttaal, voertaal » wilde huldigen (Parl. St., Kamer, 1932-1933, nr. 136, pp. 12-13).
B.7. In het licht van de doelstellingen die aldus door de wetgever worden nagestreefd, is het in B.5 vermelde criterium van onderscheid niet pertinent. Dat criterium komt immers erop neer dat de verbaliserende overheid zelf de taal van het proces-verbaal kan kiezen door de keuze voor de plaats waar dat proces-verbaal wordt opgesteld.
B.8. Artikel 11, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 kan op tweevoudige wijze worden begrepen. Een eerste interpretatie houdt in dat de verbalisant het proces-verbaal opstelt in de taal van het gebied waar de feiten zich hebben voorgedaan. Een tweede interpretatie houdt in dat de verbalisant het proces-verbaal opstelt in de taal van het gebied waar het proces-verbaal wordt gemaakt.
De prejudiciële vragen gaan uit van de tweede interpretatie. Aangezien zij niet kennelijk verkeerd is, staat het niet aan het Hof die interpretatie ter discussie te stellen. Wanneer het Hof de voormelde bepaling in die interpretatie ongrondwettig bevindt, kan het vervolgens wel onderzoeken of een grondwetsconforme interpretatie mogelijk is.
B.9. In de interpretatie dat een proces-verbaal met betrekking tot feiten die zich in het Duitse taalgebied hebben voorgedaan, in het Frans of in het Nederlands moet worden opgemaakt wanneer dat proces-verbaal in een ander taalgebied dan het Duitse werd opgesteld, is artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met artikel 6
van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
B.10.1. Artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 kan niettemin anders worden geïnterpreteerd. Die bepaling kan in die zin worden geïnterpreteerd dat een proces-verbaal met betrekking tot feiten die zich in het Duitse taalgebied hebben voorgedaan, in het Duits moet worden opgesteld, ongeacht het taalgebied waarin dat proces-verbaal werd opgemaakt.
Een dergelijke interpretatie, volgens welke de plaats waar de feiten zich hebben voorgedaan, de taalregeling bepaalt die op de opmaak van het proces-verbaal van toepassing is,
9
werd reeds door het Hof van Cassatie aangenomen. Bij een arrest van 29 oktober 1997 heeft het Hof van Cassatie geoordeeld dat « het bestreden vonnis […] beslist dat […] de twee processen-verbaal van vaststelling zijn opgemaakt overeenkomstig artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 betreffende het gebruik der talen in gerechtszaken, d.w.z. in de taal die is voorgeschreven voor de plaats waar de vaststelling is gedaan » en heeft het beslist dat het cassatiemiddel niet kon worden aangenomen (Cass., 29 oktober 1997,
ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971029.2
). In dezelfde zin heeft het Hof van Cassatie bij een arrest van 12 maart 2019 geoordeeld dat « het bestreden vonnis [vaststelt] dat de inbreuk is gepleegd in Menen waar de streektaal het Nederlands is en […] aldus naar recht [oordeelt] dat het proces-verbaal met het antwoordformulier correct in het Nederlands werd opgesteld », en heeft het beslist dat het cassatiemiddel in die mate niet kon worden aangenomen (Cass., 12 maart 2019,
ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.1
).
B.10.2. Indien artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 in de voormelde zin wordt geïnterpreteerd, is het in B.2 vermelde verschil in behandeling aldus onbestaand. In die interpretatie is artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11
van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
10
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
- In de interpretatie dat een proces-verbaal met betrekking tot feiten die zich in het Duitse taalgebied hebben voorgedaan, in het Frans of in het Nederlands moet worden opgesteld wanneer dat proces-verbaal in een ander taalgebied dan het Duitse werd opgemaakt, schendt artikel 11 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
- In de interpretatie dat een proces-verbaal met betrekking tot feiten die zich in het Duitse taalgebied hebben voorgedaan, in het Duits moet worden opgesteld, ongeacht het taalgebied waarin dat proces-verbaal werd opgemaakt, schendt dezelfde bepaling niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.156
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:CASS:1997:ARR.19971029.2
ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190312.1
ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108
ECLI:CE:ECHR:2022:1103JUD004981209
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==