Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.155

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-11-27 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

26 december 2022, 6 januari 1989, 8 augustus 1997, Constitution, GRONDWET

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.155 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.155 Arrest- Rolnummer: 155/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-08 Raadplegingen: 49 - laatst gezien 2025-12-15 14:50 Versie(s): Versie FR Fiche - Schending (artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht, in zoverre het bij de bekendmaking van een vonnis van faillietverklaring of een vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld in het Belgisch Staatsblad, niet voorziet in het verplicht opnemen van de nadere regels met betrekking tot de rechtsmiddelen tegen dat vonnis, met inbegrip van het bevoegde rechtscollege, de beroepstermijnen en de toepasselijke vormvereisten) - De gevolgen van de bekendmakingen die overeenkomstig artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht zijn of zullen worden uitgevoerd, worden gehandhaafd tot de aanneming, door de wetgever, van een bepaling die verzekert dat, bij de bekendmaking van een vonnis van faillietverklaring of een vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld in het Belgisch Staatsblad, de nadere regels met betrekking tot de rechtsmiddelen tegen dat vonnis, met inbegrip van het bevoegde rechtscollege, de beroepstermijnen en de toepasselijke vormvereisten, worden vermeld, en uiterlijk tot en met 31 december 2026 Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Faillissement - Vonnis van faillietverklaring of vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld - Bekendmaking in het Belgisch Staatsblad - Verplichte vermeldingen - Nadere regels met betrekking tot de rechtsmiddelen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 155/2025 van 27 november 2025 Rolnummer : 8383 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 2 december 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 9 december 2024, heeft de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel XX.107 § 1 Wetboek Economisch Recht (WER), de artikelen 10 en 11 van de Grondwet vastgelegd in samenhang gelezen met artikel 6 Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen doordat artikel XX.107 § 1 WER, wanneer de termijn van het rechtsmiddel begint te lopen vanaf de publicatie, niet voorziet in het verplicht opnemen in het uittreksel van dezelfde informatie als deze die verplicht dient opgenomen in het exploot van betekening zoals dit voortvloeit uit de bepalingen van artikel 43 Ger. W., 47bis Ger. W. en artikel 780/1 Ger. W. ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de bv « Giant Benelux », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Joost Verlinden en mr. Arnaud Vannieuwenhuyze, advocaten bij de balie te Brussel; - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. 2 Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het bodemgeschil heeft betrekking op het faillissement van de nv « Sales Force Consultancy Group ». Bij vonnis van de Ondernemingsrechtbank te Gent, afdeling Dendermonde, het verwijzende rechtscollege, van 8 mei 2023 werd de naamloze vennootschap failliet verklaard en werd een curator aangesteld. Bij vonnis van 13 november 2023 werd de datum van staking van betaling vastgesteld op 22 december 2015 en dat vonnis werd bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad op 23 november 2023. Op 7 oktober 2024 stelt de besloten vennootschap naar Nederlands recht « Giant Benelux » derdenverzet in tegen het vonnis van 13 november 2023. Volgens de curator van het faillissement is het derdenverzet niet tijdig, omdat, op grond van artikel XX.108, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht, het derdenverzet dient te gebeuren binnen vijftien dagen na bekendmaking van het vonnis waarbij de staking van betaling werd vastgelegd in het Belgisch Staatsblad, dus uiterlijk op 8 december 2023. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, de bv « Giant Benelux », voert aan dat de termijn voor het derdenverzet nog geen aanvang heeft genomen in de zin van artikel 47bis van het Gerechtelijk Wetboek, omdat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad geen melding heeft gemaakt van de rechtsmiddelen, de termijn waarbinnen dat rechtsmiddel of die rechtsmiddelen moeten worden ingesteld en de benaming en het adres van het rechtscollege dat bevoegd is om van het derdenverzet kennis te nemen, zodat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad niet voldoet aan de eisen gesteld door artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek. Het verwijzende rechtscollege stelt vast dat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad als vertrekpunt voor het derdenverzet uitgaat van het karakter erga omnes van het vonnis gewezen met toepassing van artikel XX.105 van het Wetboek van economisch recht. De vraag wordt gesteld of het gelijkheidsbeginsel en het recht op toegang tot de rechter zijn geschonden doordat artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht niet verplicht om in het uittreksel van het vonnis waarbij de staking van betaling werd vastgelegd, dat moet worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, dezelfde gegevens op te nemen als die welke verplicht zijn in een exploot van betekening, zoals bepaald in de artikelen 43, 47bis en 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek. Het verwijzende rechtscollege stelt derhalve aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. 3 III. In rechte -A- A.1.1. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, de bv « Giant Benelux », voert aan dat er een dubbele vergelijking in de prejudiciële vraag is opgenomen, namelijk, ten eerste, de vergelijking tussen, enerzijds, de belanghebbende derden die partij waren bij het vonnis waarbij de staking van betaling werd vastgelegd en verstek hebben laten gaan en, anderzijds, de belanghebbende derden die geen partij waren bij het vonnis waarbij de datum van de staking van betaling werd vastgelegd, en ten tweede, in het algemeen, de vergelijking tussen, enerzijds, de rechtzoekenden voor wie de termijn van het rechtsmiddel begint te lopen vanaf de betekening en die kennis krijgen van de rechtsmiddelen ingevolge de artikelen 43, 47bis en 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek en, anderzijds, de rechtzoekenden voor wie de termijn van het rechtsmiddel begint te lopen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad en die geen kennis krijgen van de rechtsmiddelen. Het verschil in behandeling tussen de te vergelijken categorieën van personen brengt een onevenredige beperking van de rechten van de betrokken rechtzoekenden met zich mee en belemmert hun toegang tot de rechter. Er zijn, volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, geen goede redenen om de rechtspraak van het Hof bij zijn arresten nrs. 23/2022 ( ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.023 ), 92/2022 ( ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.092 ) en 108/2024 ( ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.108 ) enkel toe te passen bij een kennisgeving in de zin van artikel 792 van het Gerechtelijk Wetboek en een betekening in de zin van artikel 43 van het Gerechtelijk Wetboek, en niet op andere rechtshandelingen, zoals de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad die een termijn voor het instellen van een rechtsmiddel doet lopen. Het vermelden van het bestaan van rechtsmiddelen is een essentieel element van het algemeen beginsel van behoorlijke rechtsbedeling, waarvan het recht op toegang tot de rechter een aspect vormt. Volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege zou het een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter vormen als de termijn voor derdenverzet, zonder bekendmaking in het Belgisch Staatsblad met de vereisten van artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek, zou beginnen te lopen ten aanzien van een derde, zonder dat die derde bij de voorafgaande faillissementsprocedure betrokken was en zonder dat hij op de hoogte was of werd gesteld van een dergelijke procedure. Dat geldt zeker wanneer de belanghebbende derde (1) geen schuldeiser is van de gefailleerde zodat hij de toestand van de gefailleerde niet moet opvolgen, (2) een vennootschap is die niet in België is gevestigd en (3) wordt geconfronteerd met de gevolgen die het vonnis, dat de datum van de staking van betaling verschillende jaren vervroegt, met zich meebrengt. A.1.2. Vervolgens voert de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege aan dat een grondwetsconforme interpretatie van boek XX van het Wetboek van economisch recht, in samenhang gelezen met de artikelen 2 en 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek, mogelijk is, zodat de voorschriften van artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek ook gelden voor de bekendmakingen in het Belgisch Staatsblad op grond van boek XX van het Wetboek van economisch recht. Voor zover een grondwetsconforme interpretatie niet mogelijk zou zijn, is, volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, het ontbreken van een uitdrukkelijke wetsbepaling of het feit dat artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht niet voorziet in de opname van onder meer rechtsmiddelen en termijnen bij de bekendmaking van het uittreksel in het Belgisch Staatsblad, strijdig met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen inzake het recht op toegang tot de rechter. A.1.3.1. In ondergeschikte orde stelt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege een herformulering van de aan het Hof gestelde prejudiciële vraag voor. A.1.3.2. De Ministerraad voert aan dat geen gevolg moet worden gegeven aan de vraag tot herformulering. Ten eerste komt het niet toe aan de partijen om het Hof te verzoeken de prejudiciële vraag te herformuleren en ten tweede is het verzoek tot herformulering bijzonder vaag en wordt niet verduidelijkt waarom de vraag zou moeten worden geherformuleerd. A.2.1.1. De Ministerraad voert aan dat de te vergelijken categorieën van personen in de eerste vergelijking, te weten de rechtsonderhorigen die voor de kennisname van vonnissen zijn onderworpen aan het gemeen procesrecht en de rechtsonderhorigen die voor de kennisname van het faillissementsvonnis en het vonnis dat de datum van de staking van betaling vastlegt, onderworpen zijn aan het faillissementsrecht, niet vergelijkbaar zijn. 4 In het gemeen procesrecht hebben vonnissen een karakter inter partes en in het insolventierecht hebben het faillissementsvonnis en het vonnis dat de datum van de staking van betaling vastlegt een universeel karakter. Het karakter erga omnes van de voormelde vonnissen in het faillissementsrecht heeft als gevolg dat die vonnissen tegenstelbaar zijn aan derden zonder dat derden partij waren of zonder dat de vonnissen werden betekend aan derden die geen partij waren. In tegenstelling tot de vonnissen in het gemeen procesrecht moeten de faillissementsvonnissen en de vonnissen waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgelegd, worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Ook in de tweede vergelijking van de prejudiciële vraag voert de Ministerraad aan dat de categorieën van personen, te weten de gefailleerde aan wie het vonnis is betekend en de belanghebbende derde die voor de kennisname is aangewezen op de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad, niet vergelijkbaar zijn. Het Hof van Cassatie oordeelde bij een arrest van 18 maart 2021 ( ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210318.1F.1 ) dat de daadwerkelijke uitoefening van het recht op beroep voor een belanghebbende partij bij een vonnis van faillietverklaring, die niet de gefailleerde is, niet in het gedrang is gebracht omdat de beroepstermijn ingaat vanaf de bekendmaking bij uittreksel van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad, zonder dat de belanghebbende partij vooraf daarvan integraal in kennis werd gesteld. A.2.1.2. De eisende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de te vergelijken categorieën van personen wel vergelijkbaar zijn. Ten eerste zijn de categorieën die de Ministerraad aanhaalt, niet de categorieën waarop de prejudiciële vraag betrekking heeft. Ten tweede zegt het karakter erga omnes van de vonnissen in het faillissementsrecht niets over de vraag hoe en binnen welke termijn tegen een dergelijk vonnis een rechtsmiddel kan worden aangewend. Ten derde is het karakter erga omnes van bepaalde rechterlijke uitspraken reeds sterk afgezwakt in de rechtsleer, waardoor een eenvoudig beroep op het karakter erga omnes van bepaalde faillissementsvonnissen niet kan rechtvaardigen dat het recht van verdediging van derden wordt geschonden. Ook is de verwijzing naar het arrest van het Hof van Cassatie van 18 maart 2021 niet meer relevant, hetgeen ook uitdrukkelijk wordt gesteld door het verwijzende rechtscollege zelf, omdat het arrest dateert van vóór de wet van 26 december 2022 « betreffende de vermelding van de rechtsmiddelen en houdende diverse bepalingen in gerechtelijke zaken », waarbij artikel 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek is ingevoerd, en van vóór de voormelde arresten van het Hof van 2022 en 2024. A.2.2.1. Verwijzend naar het voormelde arrest van het Hof nr. 108/2024 oordeelt de Ministerraad dat er geen verplichting geldt om de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad gepaard te laten gaan met de vermelding van informatie over de rechtsmiddelen. De regels met betrekking tot de mogelijkheden inzake de rechtsmiddelen zijn duidelijk gesteld in het Wetboek van economisch recht en het wordt de rechtzoekenden niet onmogelijk gemaakt om de beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden, waardoor het recht op toegang tot de rechter niet in het gedrang komt, hetgeen tevens wordt bevestigd in het voormelde arrest van het Hof van Cassatie van 18 maart 2021. Ook kan, volgens de Ministerraad, worden verwezen naar de bekendmaking van reglementaire besluiten en wetgevende akten in het Belgisch Staatsblad, waarbij de bekendmaking het aanvangspunt vormt voor de beroepstermijnen bij de Raad van State en het Hof. Ook bij die bekendmaking moeten de beroepsmogelijkheden niet worden vermeld. A.2.2.2. Wat de schending van het recht op toegang tot de rechter betreft, benadrukt de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege dat de vaststelling dat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad minder waarborgen biedt voor de rechtzoekende (voormelde arrest nr. 108/2024), a fortiori geldt voor een rechtzoekende die helemaal geen partij was bij de procedure tot wijziging van de datum van de staking van betaling en die ook niet kon worden geacht op de hoogte te zijn van het bestaan van een dergelijke procedure. De kern van het recht op toegang tot de rechter wordt aangetast door het feit dat niet wordt voorzien in de vermelding van de rechtsmiddelen. Ook de verwijzing naar reglementaire besluiten en wetten is, volgens de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege, niet relevant, aangezien wetten en bestuurshandelingen behoren tot het objectief contentieux en het insolventierecht tot het subjectief contentieux. Bovendien geldt de verplichting tot kennisgeving van de rechtsmiddelen niet alleen voor procedures voor de gewone hoven en rechtbanken, maar op grond van artikel 19, tweede lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, ook voor bestuurshandelingen met een individuele strekking. 5 -B- B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht dat bepaalt : « Het vonnis van faillietverklaring en het latere vonnis dat de staking van betaling vaststelt, worden, door de curator binnen vijf dagen na hun respectievelijke dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel vermeldt : 1° in het geval van een natuurlijke persoon, de naam, de voornamen, de plaats en datum van geboorte, de aard van de voornaamste activiteit alsmede de handelsnaam waaronder die activiteit wordt uitgeoefend, het adres alsmede de plaats van zijn hoofdvestiging en het ondernemingsnummer; in het geval van een rechtspersoon, de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm, de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, de zetel en het ondernemingsnummer; in het geval van een onderneming als bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, c), de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, in voorkomend geval het ondernemingsnummer en de zetel van de activiteit en de identificatiegegevens van de gemachtigde, in voorkomend geval; 2° de datum van het vonnis van faillietverklaring en de rechtbank die het heeft gewezen en de naam van de rechter-commissaris; 3° in voorkomend geval, de datum van het vonnis waarbij de staking van betaling is vastgesteld, en de datum van die staking; 4° de naam, de voornamen en het adres en elektronisch adres van de curatoren; 5° de termijn en modaliteiten om aangifte van de schuldvorderingen in het register te doen; 6° de datum van de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen ». B.1.2. De parlementaire voorbereiding van de faillissementswet van 8 augustus 1997 verduidelijkt dat de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad als voordeel heeft dat « eenieder met zekerheid [weet] waar het faillissementsvonnis wordt gepubliceerd en vanaf welk ogenblik de termijnen van verhaal lopen » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1991-1992, 631/1, p. 21). De parlementaire voorbereiding preciseert voorts : « De publicatie in de dagbladen, die thans verplichtend was, wordt afgeschaft en vervangen door de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad. [...] De publicatie in de dagbladen was zeer duur en gaf aanleiding tot een groot aantal overbodige betwistingen; daarenboven worden 6 inlichtingen die in het Belgisch Staatsblad gepubliceerd worden door financiële instellingen en professionele organisaties verder aan de belanghebbenden bekend gemaakt zonder kosten voor de boedel of voor de Staat » (ibid.). B.2.1. Met de prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, doordat het in het geding zijnde artikel XX.107, § 1, wanneer de termijn van het rechtsmiddel tegen het vonnis van faillietverklaring of het vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld, begint te lopen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, niet voorziet in het verplicht opnemen in het uittreksel van dezelfde informatie als die welke absoluut dient te worden opgenomen in het exploot van betekening van het vonnis van faillissement aan de gefailleerde, zoals dat voortvloeit uit de artikelen 43, 47bis en 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek. B.2.2. In essentie heeft de prejudiciële vraag betrekking op het verschil in behandeling tussen de gefailleerde die betrokken was bij de faillissementsprocedure en de belanghebbende derde die niet betrokken was bij de faillissementsprocedure. Bij de betekening van een vonnis van faillietverklaring aan de gefailleerde dient de informatie, zoals vermeld in de artikelen 43, 47bis en 780/1 van het Gerechtelijk Wetboek, in het exploot van betekening te worden opgenomen, zo niet is het exploot nietig en begint de termijn voor het aanwenden van een rechtsmiddel niet te lopen. Bij de bekendmaking van het uittreksel van het vonnis van faillietverklaring of het vonnis waarbij het tijdstip van de staking van betaling wordt vastgesteld in het Belgisch Staatsblad, dient die informatie niet te worden opgenomen, waardoor de termijn van vijftien dagen om derdenverzet aan te tekenen, aanvangt na de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie. B.3. Artikel XX.108 van het Wetboek van economisch recht regelt de mogelijkheid voor belanghebbende derden die geen partij zijn geweest bij het vonnis van faillietverklaring of bij het vonnis waarbij het tijdstip van de staking van betaling wordt vastgesteld, om derdenverzet te doen. Artikel XX.108, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht bepaalt : 7 « Het derdenverzet is slechts ontvankelijk indien het wordt gedaan binnen vijftien dagen na de opneming van de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad ». B.4. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen, te dezen het recht op toegang tot de rechter, gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.5. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dat zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 , §§ 35-37; 18 oktober 2016, Miessen t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 , §§ 63-66; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 , § 43). B.6.1. Het behoort tot de beleidskeuze van de wetgever om de mededeling van akten van rechtspleging en de nadere regels voor die mededeling te regelen. 8 Wanneer de wetgever een wijze van mededeling van de rechterlijke beslissingen kiest, staat het eveneens aan hem om, indien hij dat nodig acht, de vermelding van bepaalde inlichtingen ten behoeve van de adressaten ervan op te leggen. B.6.2. De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is het officiële middel waarmee de wetgever de daadwerkelijke toegang waarborgt tot het vonnis van faillietverklaring en het vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld. De datum van bekendmaking bij uittreksel van een vonnis in het Belgisch Staatsblad is bijgevolg de datum waarop de belanghebbende derden worden geacht van dat vonnis kennis te hebben genomen. Hij vormt in principe een relevant aanvangspunt om de termijn van vijftien dagen om derdenverzet te doen, te laten ingaan (artikel XX.108, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht) ten aanzien van belanghebbende derden aan wie het vonnis niet moet worden betekend. B.6.3. Hoewel de wetgever vermocht te voorzien in specifieke regels ten aanzien van de vermeldingen die in de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad worden geëist, dient te worden nagegaan of de ontstentenis van de vermeldingen met betrekking tot de rechtsmiddelen de toegang tot de rechter van de betrokken rechtzoekenden niet op onevenredige wijze kan beperken. B.7.1. Teneinde de daadwerkelijke uitoefening van het derdenverzet binnen de termijn die ingaat vanaf de bekendmaking te kunnen waarborgen, dienen in beginsel aan de belanghebbende derde afdoende waarborgen te worden geboden om op korte termijn en zonder buitengewone inspanningen te kunnen kennisnemen van de vonnissen die hem desgevallend aanbelangen, maar ook van de nadere regels van het derdenverzet tegen het vonnis dat bij uittreksel is bekendgemaakt. B.7.2. Zoals is vermeld in B.5 mogen de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen de rechtzoekenden niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. Teneinde het recht op toegang tot de rechter te waarborgen, is het niet alleen van belang dat de regels met betrekking tot de mogelijkheden inzake de rechtsmiddelen en de termijnen duidelijk worden gesteld, maar ook dat zij zo expliciet mogelijk aan de rechtzoekenden ter kennis worden gebracht zodat deze gebruik ervan kunnen maken overeenkomstig de wet. De regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om 9 rechtsmiddelen in te stellen, gelden op algemene wijze ten aanzien van iedere rechtzoekende, die moet weten welk gevolg kan worden gegeven aan een vonnis, zodat die vereisten ook gelden voor de bekendmaking van een vonnis van faillietverklaring en van een vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld in het Belgisch Staatsblad op grond van artikel XX.107 van het Wetboek van economisch recht. De vermelding van het bestaan van rechtsmiddelen en de nadere regels ervan in de bekendmaking bij uittreksel in het Belgisch Staatsblad op grond van artikel XX.107 van het Wetboek van economisch recht van een vonnis van faillietverklaring en een vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld, is een essentieel element van het algemeen beginsel van behoorlijke rechtsbedeling en van het recht op toegang tot de rechter. Het recht op een eerlijk proces vereist immers niet alleen dat de mogelijkheden en termijnen om rechtsmiddelen aan te wenden, duidelijk worden gesteld, maar ook dat zij zo expliciet mogelijk aan de rechtzoekende ter kennis worden gebracht. Dat is precies het doel zelf van de bekendmaking bij uittreksel van het betrokken vonnis in het Belgisch Staatsblad, namelijk de rechtzoekende inlichten. B.7.3. Het is een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter dat voor een belanghebbende derde die geen partij was bij de faillissementsprocedure, ten aanzien van wie het vonnis van faillietverklaring of het vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld, bij uittreksel wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad, toch de termijn van het derdenverzet begint te lopen vanaf de bekendmaking zonder te voorzien in het verplicht opnemen in het uittreksel van de nadere regels met betrekking tot de rechtsmiddelen tegen dat vonnis, met inbegrip van het bevoegde rechtscollege, de beroepstermijnen en de toepasselijke vormvereisten. De in B.1.2 vermelde doelstelling van rechtszekerheid verandert niets aan die conclusie. B.8. Artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht op toegang tot de rechter. B.9. Teneinde de rechtszekerheid te vrijwaren ten aanzien van de gevolgen van de bekendmakingen in het Belgisch Staatsblad die niet zouden voldoen aan die wezenlijke waarborgen en teneinde de wetgever de nodige tijd te laten om de nadere regels inzake die 10 informatie te bepalen, dienen de gevolgen van het ongrondwettig verklaarde artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht te worden gehandhaafd in de in het dictum aangegeven mate. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In zoverre het bij de bekendmaking van een vonnis van faillietverklaring of een vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld in het Belgisch Staatsblad, niet voorziet in het verplicht opnemen van de nadere regels met betrekking tot de rechtsmiddelen tegen dat vonnis, met inbegrip van het bevoegde rechtscollege, de beroepstermijnen en de toepasselijke vormvereisten, schendt artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met het recht op toegang tot de rechter. - De gevolgen van de bekendmakingen die overeenkomstig artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht zijn of zullen worden uitgevoerd, worden gehandhaafd tot de aanneming, door de wetgever, van een bepaling die verzekert dat, bij de bekendmaking van een vonnis van faillietverklaring of een vonnis waarbij de datum van de staking van betaling wordt vastgesteld in het Belgisch Staatsblad, de nadere regels met betrekking tot de rechtsmiddelen tegen dat vonnis, met inbegrip van het bevoegde rechtscollege, de beroepstermijnen en de toepasselijke vormvereisten, worden vermeld, en uiterlijk tot en met 31 december 2026. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.155 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2021:ARR.20210318.1F.1 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.023 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.092 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.108 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot