Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.154

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-11-27 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

fiscaal_recht

Geciteerde wetgeving

13 juli 2001, 16 januari 1989, 4 maart 1870, 6 januari 1989, 8 augustus 1980

Samenvatting

de prejudiciële vragen betreffende artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.154 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.154 Arrest- Rolnummer: 154/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-08 Raadplegingen: 35 - laatst gezien 2025-12-15 14:49 Versie(s): Versie FR Fiche 1. Geen schending 2. Geen schending Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Brussels Hoofdstedelijk Gewest - Onroerende voorheffing - Onroerende goederen die verbonden zijn aan de openbare uitoefening van een eredienst - Vrijstelling - Voorwaarden Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 154/2025 van 27 november 2025 Rolnummer : 8374 In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest », gesteld door de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij vonnis van 24 oktober 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 2 december 2024, heeft de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schendt artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in zoverre het bepaalt dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing die kan worden toegepast op het kadastraal inkomen van onroerende goederen of delen van onroerende goederen die uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing 1°) enkel betrekking heeft op de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die worden beheerd door een plaatselijke instelling, erkend door de bevoegde overheid, belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, of door een instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad, 2°) toegankelijk voor het publiek moet zijn en 3°) niet wordt toegepast op onroerende goederen of delen van onroerende goederen die worden gebruikt als woning of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik, artikel 143, § 1, van de Grondwet en artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 juni [lees : januari] 1989 betreffende de 2 financiering van de Gemeenschappen en de Gewesten, in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11, 19, 21, 142, 174, 175, tweede lid, 176, tweede lid, 177, tweede lid, en 181 van de Grondwet, doordat het : . de uitoefening, door de federale wetgever, van diens bevoegdheden inzake erkenning van de erediensten of financiering van de erkende erediensten onmogelijk of overdreven moeilijk zou maken ? . tot gevolg zou hebben de begroting van een andere onderverdeling van de Staat (de gemeente), die bestaat uit ontvangsten uit andere belastingen, rechtstreeks te bezwaren en aldus afbreuk te doen aan haar budgettaire autonomie ? - Schendt artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, in zoverre het bepaalt dat de vrijstelling van de onroerende voorheffing die kan worden toegepast op het kadastraal inkomen van onroerende goederen of delen van onroerende goederen die uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing 1°) enkel betrekking heeft op de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die worden beheerd door een plaatselijke instelling, erkend door de bevoegde overheid, belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, of door een instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad, 2°) toegankelijk voor het publiek moet zijn en 3°) niet wordt toegepast op onroerende goederen of delen van onroerende goederen die worden gebruikt als woning of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval gecombineerd met de artikelen 19, 21, 170, 172 en 181 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het, wat betreft de mogelijkheden tot vrijstelling van de onroerende voorheffing van het kadastraal inkomen van de betrokken onroerende goederen, enerzijds, de onroerende goederen die uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, en die voldoen aan de andere voorwaarden die zijn vastgelegd bij de bepaling die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, en, anderzijds, de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die gebruikt worden als woning of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik, en die dienstdoen als woonplaats voor de bedienaar van de eredienst die zijn functie vervult in het onroerend goed dat krachtens die bepaling is vrijgesteld, verschillend behandelt, terwijl die twee categorieën van onroerende goederen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eredienst ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « Uniprobel », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Paul Verhaeghe, advocaat bij de balie te Brussel; - het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, vertegenwoordigd door zijn Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Cédric Molitor, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen 3 was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Het geschil voor de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel heeft betrekking op de aanslag in de onroerende voorheffing ten laste van de vzw « Uniprobel », voor het aanslagjaar 2018, met betrekking tot een onroerend goed waarvan zij eigenaar is, dat in Brussel is gelegen. De vzw « Uniprobel » heeft als statutair doel de werking te steunen van de Verenigde Protestantse Kerk in België. Zij vraagt om te worden vrijgesteld van de onroerende voorheffing, aangezien het onroerend goed als woning (of pastorie) dient voor een bedienaar van de protestantse eredienst. Het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest verzet zich tegen dat verzoek om vrijstelling om reden dat artikel 253 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), zoals het werd vervangen bij artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 23 november 2017), met uitwerking vanaf het aanslagjaar 2018, de onroerende goederen die niet uitsluitend worden gebruikt als plaatsen voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing en die worden gebruikt als woning of zijn uitgerust voor zulk een gebruik, uitsluit van het voordeel van de vrijstelling. Bij een vonnis van 22 april 2021 heeft de Rechtbank aan het Hof twee prejudiciële vragen gesteld over de grondwettigheid van artikel 12 van de ordonnantie van 23 november 2017. Bij zijn arrest nr. 63/2022 van 12 mei 2022 ( ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.063 ) merkt het Hof op dat het betrokken onroerend goed, om te kunnen worden vrijgesteld van de onroerende voorheffing, dient te voldoen aan verschillende cumulatieve voorwaarden die zijn vermeld in artikel 253, § 2, eerste lid, van het WIB 1992, waaronder het vereiste dat het onroerend goed moet worden beheerd door een plaatselijke instelling, erkend door de bevoegde overheid, belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, of door een instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad (artikel 253, § 2, eerste lid, d)). Het Hof merkt eveneens op dat de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen geen betrekking hebben op dat vereiste. Het Hof is van oordeel dat, aangezien de voorwaarde, bepaald in artikel 253, § 2, eerste lid, d), van het WIB 1992, volgens welke het onroerend goed moet worden beheerd door een door de bevoegde overheid erkende plaatselijke instelling die is belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, of door een instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad, volgens de verklaringen van de vzw « Uniprobel » zelf, niet is vervuld in het bodemgeschil, die laatste hoe dan ook niet de vrijstelling van de onroerende voorheffing zou kunnen genieten, los van de antwoorden die het Hof zou kunnen geven op de door de verwijzende rechter gestelde prejudiciële vragen over de grondwettigheid van de uitsluiting van de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor onroerende goederen die als woning worden gebruikt of zijn uitgerust voor zulk een gebruik. Bij wijze van besluit zegt het Hof voor recht dat de prejudiciële vragen geen antwoord behoeven, aangezien de antwoorden op die vragen kennelijk zonder nut zijn voor de oplossing van het bodemgeschil. Bij een vonnis van 24 oktober 2024 is de Rechtbank van oordeel dat het antwoord op de door de partijen gesuggereerde prejudiciële vragen van belang is voor de oplossing van het geschil en stelt zij de twee aangepaste prejudiciële vragen, zoals zij hiervoor worden weergegeven. 4 III. In rechte -A- A.1.1. De vzw « Uniprobel » voert aan dat het verwijzende rechtscollege het Hof vragen stelt over de grondwettigheid van drie discriminaties waarvan zij het slachtoffer is en die betrekking hebben op : (1) de beperking van de vrijstelling tot onroerende goederen die worden « beheerd » door plaatselijke instellingen die zijn erkend door het Gewest; (2) de beperking van de vrijstelling tot de delen van onroerende goederen die toegankelijk zijn voor het publiek, met uitsluiting van vergaderzalen; (3) de uitsluiting van de woonfunctie. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, is de vzw « Uniprobel » van mening dat die is aangetast door een materiële vergissing. In plaats van « woonplaats voor de bedienaar van de eredienst die zijn functie vervult in het onroerend goed dat krachtens die bepaling is vrijgesteld » dient « woonplaats voor de bedienaar van de eredienst die zijn functie vervult in het onroerend goed dat krachtens die bepaling is uitgesloten » te worden gelezen. A.1.2. Wat betreft de voorwaarde volgens welke het onroerend goed moet worden beheerd door een door het Gewest erkende plaatselijke instelling, merkt de vzw « Uniprobel » op dat artikel 255, 12°, van de Nieuwe Gemeentewet de steden en gemeenten verplichtte om een woning te verschaffen aan de bedienaars van de erkende erediensten en dat niet was vereist dat die woning werd beheerd door een plaatselijke gemeenschap of toebehoorde aan een dergelijke gemeenschap. Wanneer een eigenaar zijn goed bestemt voor de uitoefening van een op federaal niveau erkende eredienst, is er geen risico van misbruik. Gelet op het nagestreefde doel is het niet verantwoord dat de eigenaars of beheerders van een onroerend goed dat wordt bestemd voor een erkende eredienst, verschillend worden behandeld naargelang die al dan niet een plaatselijke instelling zijn. In beide situaties verdwijnt het goed van de normale vastgoedmarkt om een doel van algemeen belang te bevorderen dat wordt erkend door de federale Staat. Bijgevolg zou een private eigenaar die zijn goed bestemt voor de huisvesting van de bedienaar van een erkende eredienst, zijnde een doel dat de federale wet van 2018 als noodzakelijk heeft aangemerkt voor de uitoefening van een openbare eredienst, steeds moeten worden vrijgesteld. Aangezien zij een doel nastreeft dat in strijd is met het doel dat de federale overheid nastreeft, schendt de in het geding zijnde bepaling de federale loyauteit. A.1.3. Wat de voorwaarde van toegankelijkheid voor het publiek betreft, merkt de vzw « Uniprobel » op dat niet-openbare functies bij andere wetsbepalingen en bij gemeentelijke reglementen worden vermoed noodzakelijk te zijn voor de uitoefening van een eredienst. De wet van 4 maart 1870 « op het tijdelijke der eerediensten » en artikel 255, 9°, van de Nieuwe Gemeentewet verplichtten de steden en gemeenten in 2018 om de ontoereikendheid van de inkomsten van de op hun grondgebied erkende plaatselijke instellingen te verhelpen. Die bepalingen maken echter geen onderscheid tussen onroerende goederen die toegankelijk zijn voor het publiek en die welke dat niet zijn. Bijgevolg, indien een onroerend goed dat toebehoort aan een plaatselijke instelling, wordt bestemd voor de uitoefening van een eredienst maar niet toegankelijk is voor het publiek, zal de belasting die het bezwaart, ten laste worden gelegd van de plaatselijke instelling en, bij een deficitaire begroting, van de betrokken gemeente. Hetzelfde zal gelden indien het betrokken onroerend goed niet toebehoort aan een plaatselijke instelling, aangezien de eigenaar de plaatselijke instelling zal vragen om de belasting te betalen. Binnen de protestantse eredienst is het van belang en komt het vaak voor dat de Bijbel in groep wordt gelezen en besproken, hetgeen ruimtes voor bezinning vereist die niet toegankelijk zijn voor het publiek. A.1.4. Wat de uitsluiting van de woonfunctie betreft, doet de vzw « Uniprobel » gelden dat bij andere wetsbepalingen uitdrukkelijk wordt vermoed dat die functie noodzakelijk is voor de uitoefening van een openbare eredienst, zoals die welke de verplichting oplegt om een woning ter beschikking te stellen van de bedienaar van de eredienst. De huisvesting en de emolumenten zijn voor de Belgische overheid twee rechtstreekse gevolgen van de erkenning door de federale Staat van de bedienaar van een eredienst die een plaatselijke instelling bedient. De uitsluiting van het voordeel van de vrijstelling van de onroerende voorheffing van ruimtes die als woning dienen, is strijdig met de doelstellingen die bij normen van andere overheden worden nagestreefd en schendt dus de federale loyauteit. Indien de bewoner van de woning de bedienaar van een erkende eredienst is, is er geen enkel risico van fraude. De in het geding zijnde bepaling maakt dus inbreuk op de bevoegdheden van de federale overheid en schendt de artikelen 19, 21 en 181, § 1, van de Grondwet. A.1.5. De vzw « Uniprobel » voert aan dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest een onroerend inkomen belast dat door de federale wetgever wordt vrijgesteld krachtens artikel 12, § 1, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992). Die vrijstelling heeft tot gevolg dat het door het kadastraal inkomen ingevoerde vermoeden van onroerend inkomen wordt tenietgedaan. Aangezien de eigenaar zijn goed 5 bestemt voor een doel van algemeen belang, kan er geen normaal gemiddeld netto-inkomen bestaan en moet het onroerend goed worden vrijgesteld. De in het geding zijnde bepaling is niet alleen in strijd met het fiscale beleid van de federale Staat, dat ertoe strekt onbaatzuchtige activiteiten die van algemeen belang zijn te stimuleren en dat de woning van de bedienaar van de eredienst noodzakelijk acht voor de organisatie van een erkende openbare eredienst, maar vormt ook een buitensporig ingrijpen in de vrije organisatie van de erkende erediensten. Zij is aldus in strijd met de bij de artikelen 19 en 21, eerste lid, van de Grondwet nagestreefde doelstellingen. Volgens de vzw « Uniprobel » schendt de in het geding zijnde bepaling de federale loyauteit, aangezien zij budgettaire gevolgen heeft die indruisen tegen de doelstellingen die worden nagestreefd bij andere normen die van kracht blijven. Ten slotte doet de evenredigheid van de in het geding zijnde bepaling vragen rijzen. A.2.1. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de federale overheid sedert de gedeeltelijke regionalisering van de bevoegdheid met betrekking tot de temporaliën van de erediensten bevoegd is voor de erkenning van nieuwe erediensten, voor de betaling van de wedden en pensioenen van de bedienaars van de erkende erediensten en voor de wetgeving met betrekking tot de georganiseerde vrijzinnigheid, terwijl de gewesten bevoegd zijn voor de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering maakt de in het geding zijnde bepaling de uitoefening, door de federale wetgever, van zijn bevoegdheden inzake de erkenning van de erediensten of de financiering van de erkende erediensten niet onmogelijk of overdreven moeilijk. Inzake de financiering van de erkende erediensten treedt de federale overheid enkel op om de wedden en pensioenen van de bedienaars van de eredienst ten laste te nemen en de toepasselijke regels vast te stellen. De in het geding zijnde bepaling houdt geenszins verband met die bevoegdheid. A.2.2. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering dient het tweede deel van de prejudiciële vraag eveneens ontkennend te worden beantwoord. Bij de uitoefening van hun bevoegdheden met betrekking tot de gemeenten en de provincies kunnen de gewesten voorzien in de verplichting voor de gemeenten om een uitgave op te nemen in hun begroting. Dat is trouwens het onderwerp van artikel 255, 12°, van de Nieuwe Gemeentewet, dat, minstens impliciet, werd opgeheven bij de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 10 december 2021 « betreffende het beheer van de materiële belangen van de erkende plaatselijke levensbeschouwelijke gemeenschappen » (hierna : de ordonnantie van 10 december 2021). Bij die ordonnantie wordt aan het Gewest de last met betrekking tot de financiering van de erkende plaatselijke levensbeschouwelijke gemeenschappen overgedragen. In de parlementaire voorbereiding van die ordonnantie wordt trouwens vermeld dat, in zoverre het Gewest bevoegd is voor de financiering van de gemeenten en het de gemeenten bevrijdt van een last en een uitgave, de impact in het licht van de algehele publieke uitgaven nihil is. Vervolgens staat het niet vast dat de ordonnantiegever, bij de in het geding zijnde bepaling, de begroting van de gemeente rechtstreeks heeft bezwaard en dat hij aldus afbreuk heeft gedaan aan de budgettaire autonomie van die laatste. In dat verband blijkt dat de prejudiciële vraag leidt tot verwarring tussen de budgettaire autonomie van de gemeenten, waarvan het beginsel kan worden betwist, en de fiscale autonomie van de gemeenten. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering voert aan dat, gesteld dat de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat de gemeenten worden verplicht om een nieuwe uitgave op te nemen in hun begroting, zulks geenszins afbreuk doet aan artikel 174 van de Grondwet. Bovendien schendt de in het geding zijnde bepaling artikel 177, tweede lid, van de Grondwet niet. Aangezien de gewesten bevoegd zijn ten aanzien van de ondergeschikte besturen, kunnen zij langs wetgevende weg een bepaalde opdracht toevertrouwen aan de gemeenten en hen verplichten om de uitgaven die noodzakelijk zijn om die opdracht uit te voeren, op te nemen in hun begroting, zonder dat dit kan worden bekritiseerd in het licht van de federale loyauteit. Een dergelijke verrichting past immers volledig binnen de gewestelijke bevoegdheid inzake ondergeschikte besturen. Ten slotte ziet de Brusselse Hoofdstedelijke Regering niet in in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10, 11 en 19 van de Grondwet zou schenden. A.2.3. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de ordonnantiegever niet alleen het bestrijden van bepaalde misbruiken tot doel heeft. Het doel bestaat ook in een optimalisatie van de middelen, met name door bepaalde voorwaarden met betrekking tot de toekenning van verminderingen te vereenvoudigen met een zo klein mogelijke financiële impact, met dien verstande dat de budgettaire impact van al die wijzigingen als marginaal wordt beschouwd. Het is immers niet de bedoeling van de ordonnantie om de belastbare basis uit te breiden of in te perken, maar de inning van de belasting, waar mogelijk, te vereenvoudigen. 6 Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering berust het in het geding zijnde verschil in behandeling op een objectief criterium en streeft het een legitiem doel na. Bovendien maakt niets het mogelijk ervan uit te gaan dat de in het geding zijnde bepaling onevenredige gevolgen zou hebben. In het bijzonder wordt niet aangetoond dat de ingekohierde onroerende voorheffing voor de onroerende goederen die als woonplaats dienen voor de bedienaar van een eredienst, onevenredig zou zijn ten opzichte van de middelen van de betrokken erediensten, noch dat zij hun voortbestaan zou bedreigen en hun interne organisatie, hun werking of hun religieuze activiteiten ernstig zou belemmeren. Ten slotte vloeit uit de in de prejudiciële vraag vermelde toetsingsnormen niet voort dat alle onroerende goederen die noodzakelijk zijn voor het uitoefenen van een eredienst, ongeacht de bestemming ervan, het voorwerp van een en dezelfde behandeling zouden moeten uitmaken, met name op fiscaal vlak. A.3.1. De vzw « Uniprobel » antwoordt dat het budgettaire doel op zichzelf de in het geding zijnde verschillen in behandeling niet kan verantwoorden wanneer de eigenaar van een goed het bestemt voor het uitoefenen van een erkende eredienst. Het tenietdoen van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen waarop artikel 12, § 1, van het WIB 1992 betrekking heeft, geldt bovendien ook voor de onroerende voorheffing. A.3.2. Wat in het bijzonder de eerste prejudiciële vraag betreft, merkt de vzw « Uniprobel » op dat de ordonnantie van 10 december 2021 niet nuttig is voor de oplossing van het in het geding zijnde fiscale geschil, dat betrekking heeft op het jaar 2018. Dat jaar heeft het Gewest de woning van de bedienaar van de eredienst niet ten laste genomen. Bovendien voegt het historisch overzicht van de evolutie van de verdeling van de bevoegdheden inzake erkende erediensten niets toe aan de discussies met betrekking tot de gevolgen, voor de andere overheden, van de uitoefening van de bevoegdheden. Het beschikken over een bevoegdheid moet worden onderscheiden van de uitoefening ervan. A.4.1. Wat de eerste prejudiciële vraag betreft, voert de Brusselse Hoofdstedelijke Regering aan dat de terbeschikkingstelling, ten voordele van de bedienaars van de eredienst, van huisvesting of van een vergoeding niet onder de in artikel 181, § 1, van de Grondwet bedoelde bevoegdheid van de federale overheid valt. Die verplichting, die was vervat in artikel 255, 12°, van de Nieuwe Gemeentewet en in artikel 92, 2°, van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 « op de kerkfabrieken », en die voortaan wordt geregeld in de ordonnantie van 10 december 2021, valt onder de bevoegdheid van de gewesten inzake de temporaliën van de erediensten. De vzw « Uniprobel » voert dus ten onrechte aan dat de in het geding zijnde bepaling de gevolgen van de federale wetgeving die in die verplichting voorziet, zou verstoren. A.4.2. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, merkt de Brusselse Hoofdstedelijke Regering op dat de ordonnantiegever ook beoogde te vermijden dat de vrijstelling een te ruime draagwijdte zou hebben die onverenigbaar zou zijn met de goede werking van de overheidsfinanciën. Het in de tweede prejudiciële vraag in het geding zijnde verschil in behandeling is verantwoord ten aanzien van dat doel. De Brusselse Hoofdstedelijke Regering verwijst naar een arrest van het Hof van Cassatie van 22 februari 2024 ( ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240222.1N.2 ) waaruit blijkt dat de woning van de bedienaar van de eredienst niet noodzakelijk is voor de uitoefening van de eredienst in kwestie. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1.1. Vóór de vervanging ervan bij het in het geding zijnde artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » (hierna : de ordonnantie van 23 november 2017) stelde artikel 253, 1°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) 7 het kadastraal inkomen van de in artikel 12, § 1, van hetzelfde Wetboek vermelde onroerende goederen of delen van onroerende goederen, waaronder de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk had bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst, vrij van de onroerende voorheffing. B.1.2. Zoals vervangen bij artikel 12 van de ordonnantie van 23 november 2017, bepaalt artikel 253 van het WIB 1992, in paragraaf 2 ervan : « Op verzoek van de belastingplichtige, wordt vrijgesteld van de onroerende voorheffing, het kadastraal inkomen van onroerende goederen of delen van onroerende goederen die aan volgende cumulatieve voorwaarden voldoen : a) uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing; b) toegankelijk voor het publiek zijn; c) regelmatig worden gebruikt voor evenementen van eredienst of van morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing; d) worden beheerd door een plaatselijke instelling, erkend door de bevoegde overheid, belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst, of door een instelling voor morele dienstverlening van de Centrale Vrijzinnige Raad. Worden niet beoogd door de vrijstelling vermeld in het vorige lid : a) de onroerende goederen of delen van onroerende goederen gebruikt als woning of uitgerust voor zulk gebruik; b) de feestzalen of vergaderzalen, tenzij het bewijs wordt aangebracht dat het gaat over de hoofdplaats van de openbare uitoefening van de eredienst of de morele dienstverlening en dat evenementen van de eredienst of de morele dienstverlening er gemiddeld minstens drie keer per week worden gehouden ». Uit die wijziging vloeit voort dat, in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, het toepassingsgebied van de vrijstelling van de onroerende voorheffing van het kadastraal inkomen van een onroerend goed dat verbonden is aan de uitoefening van een eredienst, sedert het aanslagjaar 2018, is ingeperkt. Om die vrijstelling te genieten, is het voortaan vereist dat het onroerend goed uitsluitend wordt gebruikt als plaats voor het uitoefenen van de eredienst, dat het toegankelijk is voor het publiek, dat het regelmatig wordt gebruikt voor evenementen van de eredienst en dat het wordt beheerd door een plaatselijke instelling, erkend door de 8 bevoegde overheid, belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst. De onroerende goederen die worden gebruikt als woning of zijn uitgerust voor een dergelijk gebruik, worden uitdrukkelijk uitgesloten van de vrijstelling. Sommige belastingplichtigen die op grond van het vroegere artikel 253 van het WIB 1992, in samenhang gelezen met artikel 12, § 1, van hetzelfde Wetboek, tot dan de vrijstelling van de onroerende voorheffing konden genieten, worden voortaan ervan uitgesloten. B.1.3. De parlementaire voorbereiding van de in het geding zijnde bepaling vermeldt : « § 2 : Vrijstelling gelinkt aan de plaats van de eredienst Deze nieuwe paragraaf 2 heeft betrekking op de vrijstelling van de onroerende voorheffing voor de erkende erediensten en de morele dienstverlening op basis van een niet confessionele levensbeschouwing. In de praktijk werden misbruiken van deze vrijstelling vastgesteld door eigenaars van gebouwen die deze voor fictieve erediensten bestemden. Deze vrijstelling was echter enkel bedoeld voor ‘ authentieke ’ erediensten en morele dienstverlening. Een controle op de authenticiteit van de eredienst die wordt uitgeoefend in een bepaald gebouw om potentiële misbruiken op te sporen ligt echter moeilijk gelet op de grondwettelijke vrijheid van eredienst en het daaruit voortvloeiende verbod van inmenging (artikelen 19 tot 21 van de Grondwet). Als oplossing wenst de Brusselse Hoofdstedelijke Regering de vrijstelling voor gebouwen of delen van gebouwen te beperken tot plaatsen waar enkel erediensten van een erkende godsdienst en van de morele dienstverlening worden uitgeoefend en beheerd worden door een erkende instelling. Het is in dit geval niet aan de overheid om toe te zien op de authenticiteit van de in een gebouw uitgeoefende eredienst of morele dienstverlening, maar aan de erkende instelling van de betrokken godsdienst en morele dienstverlening. Deze begrippen zijn reeds vervat in artikelen 24, § 1, en 181, § 1, van de Grondwet en worden eveneens toegepast bij andere wetgeving, bijvoorbeeld de wetgeving op het godsdienstonderwijs. De grondwettigheid van een onderscheid tussen erkende en niet-erkende godsdiensten werd reeds bevestigd door het Grondwettelijk Hof. In zijn arrest van 4 maart 1993 bevestigt het Hof dat een dergelijk voordeel ‘ gekoppeld mag worden aan het optreden van een van de overheid onafhankelijke instantie die de authenticiteit ervan waarborgt. ’ (GwH, 4 maart 1993, nr. 18/1993). Om te vermijden dat men minieme inrichtingen uitvoert van bepaalde delen om de vrijstelling trachten te bekomen, preciseert deze paragraaf eveneens dat het onroerend goed (of deel ervan) exclusief en regelmatig voor evenementen van eredienst of van morele dienstverlening mogen worden gebruikt » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2016-2017, A-554/1, pp. 9-10). 9 In de commissie heeft de minister van Financiën, Begroting en Externe Betrekkingen aangegeven : « Het ontwerp van ordonnantie dat vandaag voorligt voorziet in een modernisering en vereenvoudiging van bepaalde grondregels en basisbegrippen. In de optiek van deze modernisering, werd resoluut gekozen voor : […] 2. een optimalisatie van de middelen : - door de federale teksten reeds te wijzigen met het oog op een grotere automatisering, ook al is dat pas in een later stadium; - door het vereenvoudigen van bepaalde voorwaarden tot vermindering, met een zo klein mogelijke financiële impact; 3. een aanpassing aan nieuwe maatschappelijke ontwikkelingen : […] - door bepaalde praktijken te verbieden die als misbruik kunnen worden beschouwd, meer bepaald in het kader van het omzeilen van de voorwaarde van afwezigheid van winstoogmerk om van een vrijstelling te kunnen genieten. De budgettaire impact van al deze aanpassingen [wordt] in het algemeen als marginaal beschouwd. Het is namelijk niet de bedoeling met deze tekst om de belastbare basis uit te breiden of in te perken. De aanpassingen zijn bedoeld om, waar mogelijk, de dienst van de belasting te vereenvoudigen » (Parl. St., Brussels Hoofdstedelijk Parlement, 2017-2018, A-554/2, pp. 2-3). Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.2. Met de eerste prejudiciële vraag vraagt het verwijzende rechtscollege het Hof of de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij de vrijstelling van de onroerende voorheffing van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die verbonden zijn aan de uitoefening van een eredienst, aan verschillende voorwaarden en beperkingen onderwerpt, bestaanbaar is met artikel 143, § 1, van de Grondwet en met artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten (hierna : de bijzondere wet 10 van 16 januari 1989), in samenhang gelezen met de artikelen 10, 11, 19, 21, 142, 174, 175, tweede lid, 176, tweede lid, 177, tweede lid, en 181 van de Grondwet. Volgens het verwijzende rechtscollege zou de in het geding zijnde bepaling « de uitoefening, door de federale wetgever, van diens bevoegdheden inzake erkenning van de erediensten of financiering van de erkende erediensten onmogelijk of overdreven moeilijk […] maken » en zou zij « tot gevolg […] hebben de begroting van een andere onderverdeling van de Staat (de gemeente), die bestaat uit ontvangsten uit andere belastingen, rechtstreeks te bezwaren en aldus afbreuk te doen aan haar budgettaire autonomie ». B.3.1. Artikel 143, § 1, van de Grondwet bepaalt : « Met het oog op het vermijden van de belangenconflicten nemen de federale Staat, de gemeenschappen, de gewesten en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie, in de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden, de federale loyauteit in acht ». De inachtneming van de federale loyauteit veronderstelt dat, wanneer zij hun bevoegdheden uitoefenen, de federale overheid en de deelentiteiten het evenwicht van de federale constructie in haar geheel niet verstoren. De federale loyauteit betreft meer dan de loutere uitoefening van bevoegdheden : zij geeft aan in welke geest dat moet geschieden. Het beginsel van de federale loyauteit verplicht elke wetgever erover te waken dat de uitoefening van zijn eigen bevoegdheid de uitoefening, door de andere wetgevers, van hun bevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. B.3.2. Artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 legt de gewesten de verplichting op om hun fiscale bevoegdheden uit te oefenen met naleving van de federale loyauteit. B.4.1. Artikel 174 van de Grondwet bepaalt : « Elk jaar wordt door de Kamer van volksvertegenwoordigers de eindrekening vastgesteld en de begroting goedgekeurd. Evenwel stellen elk jaar de Kamer van volksvertegenwoordigers en de Senaat, ieder wat hem betreft, de dotatie voor hun werking vast. 11 Alle staatsontvangsten en -uitgaven moeten op de begroting en in de rekeningen worden gebracht ». De artikelen 175, tweede lid, 176, tweede lid, en 177, tweede lid, van de Grondwet voorzien in de bevoegdheid van de gemeenschaps- en gewestparlementen om, elk voor zich, de bestemming van hun ontvangsten te regelen bij decreet of bij een in artikel 134 bedoelde regel. In tegenstelling tot hetgeen het verwijzende rechtscollege overweegt, heeft geen van de voormelde bepalingen betrekking op de bevoegdheid van de gemeente- en provincieraden om hun begroting aan te nemen. B.4.2. Artikel 181 van de Grondwet bepaalt : « § 1. De wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken. § 2. De wedden en pensioenen van de afgevaardigden van de door de wet erkende organisaties die morele diensten verlenen op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken ». B.5. Noch uit de eerste prejudiciële vraag, noch uit de motivering van het verwijzingsvonnis blijkt in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling zou moeten worden getoetst aan de artikelen 10, 11, 19, 21 en 142 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het beginsel van de federale loyauteit. Bijgevolg houdt het Hof geen rekening met die bepalingen bij zijn onderzoek. B.6. Krachtens artikel 3, eerste lid, 5°, van de bijzondere wet van 16 januari 1989 is de onroerende voorheffing een gewestelijke belasting. De gewesten zijn bevoegd om de aanslagvoet, de heffingsgrondslag en de vrijstellingen van die belasting te wijzigen. Het federaal kadastraal inkomen kunnen zij echter niet wijzigen (artikel 4, § 2, van dezelfde bijzondere wet). 12 B.7. In zoverre zij de voorwaarden regelt waaronder het kadastraal inkomen van een onroerend goed dat verbonden is aan de uitoefening van een eredienst, kan worden vrijgesteld van de onroerende voorheffing, valt de in het geding zijnde bepaling onder de bevoegdheid van de ordonnantiegever inzake onroerende voorheffing. Het Hof dient te onderzoeken of de in het geding zijnde bepaling een onevenredige weerslag heeft op de uitoefening, door de federale wetgever, van zijn eigen bevoegdheden, hetgeen inhoudt dat eerst de betrokken federale bevoegdheden worden vastgesteld. B.8.1. Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals het is ingevoegd bij artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, bepaalt : « VIII. Wat de ondergeschikte besturen betreft : […] 6° de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten; ». B.8.2. Krachtens die bepaling zijn de gewesten, sedert 1 januari 2002, bevoegd om hetgeen betrekking heeft op de kerkfabrieken en de andere instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, te regelen in het kader van hun bevoegdheden inzake de ondergeschikte besturen. Dezelfde bepaling behoudt aan de federale overheid de bevoegdheid voor om de erediensten te erkennen en wedden en pensioenen toe te kennen aan de bedienaars van de erediensten, die eveneens worden beoogd in artikel 181, § 1, van de Grondwet. B.8.3. Krachtens hun bevoegdheid inzake kerkfabrieken en instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, zijn de gewesten bevoegd om alles met betrekking tot de temporaliën van de erkende erediensten te regelen, met andere woorden het beheer van de goederen en van de inkomsten van de erkende erediensten. Zij zijn eveneens bevoegd om de plaatselijke geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten en hun 13 gebiedsomschrijving te erkennen teneinde de gebiedsomschrijving te bepalen van de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten. De aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid om de erediensten te erkennen, houdt de bevoegdheid in om de erediensten als dusdanig en de representatieve organen ervan te erkennen. De erkenning van een eredienst door de federale overheid brengt een overheidsfinanciering vanwege de Staat met zich mee. B.8.4. De bevoegdheid van de gewesten inzake het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten beperkt zich tot de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de door de federale overheid erkende erediensten. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheid brengt de erkenning, door een gewest, van een plaatselijke geloofsgemeenschap, in beginsel, de oprichting van een openbare instelling die belast is met het beheer van de goederen en de inkomsten van die gemeenschap, met zich mee. B.9. De bevoegdheid van de gewesten met betrekking tot de temporaliën van de erkende erediensten strekt zich uit tot de wetskrachtige bepalingen die voorzien in de verplichting voor de overheid om de ontoereikendheid van de inkomsten van de door de bevoegde overheid erkende instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de eredienst, te verhelpen teneinde het hoofd te bieden aan hun verplichtingen en de daartoe noodzakelijke bedragen op te nemen in hun begroting, alsook tot de wetskrachtige bepalingen die de terbeschikkingstelling van een woning voor de bedienaar van een erkende eredienst of de toekenning van een vergoeding daartoe regelen. B.10. De eerste prejudiciële vraag berust op het uitgangspunt volgens hetwelk de federale wetgever bevoegd zou zijn voor de financiering van de erkende erediensten en voor de tenlasteneming, door de gemeenten, van de terbeschikkingstelling van een woning voor de bedienaar van de eredienst. Aangezien, zoals in B.9 is vermeld, de gewesten bevoegd zijn met betrekking tot de terbeschikkingstelling, door de overheid, van een woning voor de bedienaars van de erkende erediensten, maakt de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij de onroerende goederen die worden bestemd voor de huisvesting van de bedienaar van een erkende eredienst, uitsluit van het voordeel van de vrijstelling van de onroerende voorheffing, de uitoefening, door de federale 14 wetgever, van zijn bevoegdheden inzake de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars van de erediensten niet onmogelijk of overdreven moeilijk. De omstandigheid dat het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, bij de uitoefening van zijn bevoegdheden, doelstellingen kan nastreven die verschillen van die welke door de federale overheid worden nagestreefd bij de uitoefening van haar eigen bevoegdheden, is een gevolg dat inherent is aan het federalisme en aan de autonomie die de federale overheid en de deelentiteiten genieten bij de uitoefening van hun respectieve bevoegdheden; zij kan op zich geen schending van het door artikel 143, § 1, van de Grondwet gewaarborgde beginsel van de federale loyauteit met zich meebrengen. In tegenstelling tot hetgeen de vzw « Uniprobel » aanvoert, heeft de vrijstelling van de inkomsten van onroerende goederen of delen van onroerende goederen die in een lidstaat van de Europese Economische Ruimte zijn gelegen en die een belastingplichtige of een bewoner zonder winstoogmerk heeft bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst, zoals bepaald in artikel 12, § 1, van het WIB 1992, niet tot gevolg « dat het door het kadastraal inkomen ingevoerde vermoeden van onroerend inkomen wordt tenietgedaan », noch « dat het kadastraal inkomen » van de betrokken onroerende goederen « wordt tenietgedaan ». Die vrijstelling heeft betrekking op de personenbelasting, die een federale belasting is, en zij wordt niet opgelegd aan de gewestwetgever, die vrij is om de toepasselijke vrijstellingen te bepalen inzake de onroerende voorheffing, die een gewestelijke belasting is, zoals in B.6 is vermeld. B.11. Gesteld dat de in het geding zijnde bepaling onrechtstreeks een negatieve weerslag zou kunnen hebben op de begroting van de Brusselse gemeenten, rekening houdend met de verplichting die vóór de inwerkingtreding van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 10 december 2021 « betreffende het beheer van de materiële belangen van de erkende plaatselijke levensbeschouwelijke gemeenschappen » (hierna : de ordonnantie van 10 december 2021) op hen rustte om de ontoereikendheid van de inkomsten van de instellingen belast met het beheer van de temporaliën van de eredienst te compenseren teneinde het hoofd te bieden aan hun verplichtingen (zie met name artikel 92, 1°, van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 « op de kerkfabrieken », zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de ordonnantie van 10 december 2021, en artikel 255, 9°, van de Nieuwe Gemeentewet), staat het beginsel van de federale loyauteit niet eraan in de weg dat een gewest aan de gemeenten die onder zijn bevoegdheid ressorteren, de verplichting oplegt om 15 een bepaalde uitgave op te nemen in hun begroting met betrekking tot een aangelegenheid waarvoor dat gewest bevoegd is, noch dat dat gewest een decreets- of ordonnantiebepaling aanneemt met een dergelijk gevolg. B.12. Ten slotte doet de in het geding zijnde bepaling geen afbreuk aan de bevoegdheid van de in de artikelen 174, 175, tweede lid, 176, tweede lid, en 177, tweede lid, van de Grondwet bedoelde wetgevende vergaderingen om de bestemming van hun ontvangsten te regelen bij wet, decreet of ordonnantie. B.13. Artikel 12 van de ordonnantie van 23 november 2017 is in overeenstemming met artikel 143, § 1, van de Grondwet en met artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989, in samenhang gelezen met de artikelen 174, 175, tweede lid, 176, tweede lid, 177, tweede lid, en 181 van de Grondwet. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.14. Met de tweede prejudiciële vraag vraagt het verwijzende rechtscollege het Hof of de in het geding zijnde bepaling, in zoverre zij de vrijstelling van de onroerende voorheffing van het kadastraal inkomen van de onroerende goederen die verbonden zijn aan de uitoefening van een eredienst, aan verschillende voorwaarden en beperkingen onderwerpt, bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in voorkomend geval in samenhang gelezen met de artikelen 19, 21, 170, 172 en 181 ervan en met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat zij, « enerzijds, de onroerende goederen die uitsluitend worden gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, en die voldoen aan de andere voorwaarden die zijn vastgelegd bij de bepaling die het voorwerp uitmaakt van de prejudiciële vraag, en, anderzijds, de onroerende goederen of delen van onroerende goederen die gebruikt worden als woning of die zijn uitgerust voor zulk een gebruik, en die dienstdoen als woonplaats voor de bedienaar van de eredienst die zijn functie vervult in het onroerend goed dat krachtens die bepaling is vrijgesteld, verschillend behandelt, terwijl die twee categorieën van onroerende goederen noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eredienst ». 16 B.15.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.15.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.15.3. Artikel 172 van de Grondwet is een bijzondere toepassing van het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie in fiscale zaken. B.16.1. Artikel 19 van de Grondwet waarborgt de vrijheid van eredienst en de vrije openbare uitoefening ervan. Krachtens artikel 21, eerste lid, van de Grondwet mag de Staat zich niet bemoeien met de benoeming of de installatie van de bedienaren van een eredienst, noch hun verbieden briefwisseling te houden met hun overheid of hun akten openbaar te maken. Die twee bepalingen waarborgen de organisatorische autonomie van de geloofsgemeenschappen. Elke godsdienst is vrij zijn eigen organisatie in te richten waarin de Staat in beginsel niet vermag tussen te komen. B.16.2. Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij 17 alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de practische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften. 2. De vrijheid van godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid of zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». In zoverre het voor eenieder het recht erkent om hetzij alleen, hetzij met anderen, zijn godsdienst tot uiting te brengen, heeft artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 19 van de Grondwet. De bij die bepalingen geboden waarborgen vormen dan ook, in die mate, een onlosmakelijk geheel. B.16.3. De vrijheid van godsdienst houdt niet in dat de Kerken of hun gelovigen een ander fiscaal statuut moeten krijgen dan dat van de andere belastingplichtigen (EHRM, beslissing, 14 juni 2001, Alujer Fernandez en Caballero Garcia t. Spanje, ECLI:CE:ECHR:2001:0614DEC005307299 , p. 8). Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens impliceert evenmin het recht voor een religieuze vereniging om van elke belasting te worden vrijgesteld (EHRM, beslissing, 16 april 1998, Association « Sivananda de Yoga Vedanta », ECLI:CE:ECHR:1998:0416DEC003026096 ). Een maatregel inzake de belasting van een religieuze vereniging vormt evenwel een inmenging in de uitoefening van de rechten die zijn gewaarborgd bij het voormelde artikel 9 wanneer hij tot gevolg heeft de vereniging haar vitale middelen te ontnemen, zodat die laatste niet langer in staat is voor haar aanhangers de vrije uitoefening van hun eredienst concreet te waarborgen, en wanneer hij hun voortbestaan bedreigt of de interne organisatie, de werking van de vereniging en haar religieuze activiteiten ernstig belemmert (EHRM, 30 juni 2011, Association Les Témoins de Jéhovah t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2011:0630JUD000891605 , § 53). Bovendien, wanneer de wetgever in een specifieke fiscale regeling voor erediensten voorziet, moet hij dat doen met inachtneming van het grondwettelijke beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.17. Noch de prejudiciële vraag, noch de motivering van de verwijzingsbeslissing maakt het mogelijk te begrijpen in welk opzicht de in het geding zijnde bepaling onbestaanbaar zou zijn met artikel 170 van de Grondwet. Bijgevolg houdt het Hof geen rekening met die bepaling bij zijn onderzoek. 18 B.18. Wanneer de ordonnantiegever zijn fiscaal beleid vaststelt, beschikt hij over een ruime beoordelingsvrijheid. Dat is met name het geval wanneer hij het belastbare feit en de belastingschuldigen vaststelt van de belasting waarin hij voorziet. Het Hof vermag de beleidskeuzen van de ordonnantiegever, alsook de motieven die daaraan ten grondslag liggen, slechts af te keuren indien zij op een manifeste vergissing zouden berusten of niet redelijk verantwoord zouden zijn. De ordonnantiegever beschikt aldus over een ruime beoordelingsvrijheid om de gevallen te bepalen waarin een belastingplichtige een belastingvrijstelling kan genieten. Echter, wanneer de belastingvrijstelling verband houdt met het recht om zijn godsdienst tot uiting te brengen, ofwel alleen, ofwel samen met anderen, is de ordonnantiegever gebonden aan de neutraliteits- en onpartijdigheidsplicht die hem krachtens de artikelen 19 en 21, eerste lid, van de Grondwet is opgelegd. B.19. Het in het geding zijnde verschil in behandeling berust op de functie van het betrokken onroerend goed, naargelang dat al dan niet uitsluitend wordt gebruikt als plaats voor het openbaar uitoefenen van een eredienst van een erkende godsdienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, en het onroerend goed, in dat laatste geval, wordt gebruikt als woning of uitgerust voor een dergelijk gebruik, en als woning dient voor de bedienaar van een erkende eredienst. Het betreft een objectief criterium. B.20. Volgens de Brusselse Hoofdstedelijke Regering heeft de ordonnantiegever de voorwaarden voor de vrijstelling van de onroerende voorheffing die van toepassing is voor de onroerende goederen die worden bestemd voor het openbaar uitoefenen van een eredienst of van de morele dienstverlening op basis van een niet-confessionele levensbeschouwing, gewijzigd om te vermijden dat die vrijstelling een te ruime draagwijdte zou hebben, die onverenigbaar zou zijn met de goede werking van de overheidsfinanciën. Het betreft een legitiem doel dat redelijkerwijs kan verantwoorden dat het voordeel van de vrijstelling van de onroerende voorheffing wordt voorbehouden aan de onroerende goederen die rechtstreeks worden bestemd voor het openbaar uitoefenen van de betrokken erkende eredienst, en dat daarvan dus worden uitgesloten de onroerende goederen die, hoewel zij nuttig 19 zijn voor die eredienst, niet rechtstreeks worden bestemd voor het openbaar uitoefenen ervan, zoals het onroerend goed dat dient als woning voor de bedienaar van de eredienst. B.21. Overeenkomstig artikel 255 van het WIB 1992, zoals van toepassing in het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest, bedraagt de onroerende voorheffing 1,25 % van het kadastraal inkomen zoals vastgesteld op 1 januari van het aanslagjaar. Er wordt niet aangetoond dat een op dergelijke basis berekende onroerende voorheffing, zelfs wanneer zij wordt vermeerderd met de gemeentelijke opcentiemen en met de opcentiemen ten behoeve van de Brusselse agglomeratie, onevenredig is ten opzichte van de middelen van de betrokken erediensten en hun voortbestaan zou bedreigen of hun interne organisatie, hun werking en hun religieuze activiteiten ernstig zou belemmeren. B.22. Voor het overige heeft het in het geding zijnde verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen voor de betrokken belastingplichtigen, rekening houdend met de verplichting voor de overheid om een woonvergoeding toe te kennen aan de bedienaar van de eredienst (wanneer geen woning wordt verschaft) (zie met name artikel 4 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 29 juni 2006 « houdende diverse bepalingen betreffende de erkende erediensten », zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de ordonnantie van 10 december 2021, artikel 255, 12°, van de Nieuwe Gemeentewet, en artikel 92, 2°, van het keizerlijk decreet van 30 december 1809 « op de kerkfabrieken », zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij de ordonnantie van 10 december 2021), vergoeding die kan dienen om de kosten met betrekking tot de terbeschikkingstelling van een woning door de belastingplichtigen minstens gedeeltelijk te dekken. Ten slotte, door de onroerende goederen die als woning dienen voor de bedienaar van de erkende eredienst, uit te sluiten van een vrijstelling van de onroerende voorheffing, heeft de ordonnantiegever de vrije organisatie van de betrokken erediensten niet beperkt en heeft hij evenmin afbreuk gedaan aan de wedden en de pensioenen van de bedienaars van de erediensten, bedoeld in artikel 181 van de Grondwet. 20 B.23. Artikel 12 van de ordonnantie van 23 november 2017 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 19, 21, 172 en 181 van de Grondwet en met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 21 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. Artikel 12 van de ordonnantie van het Brusselse Hoofdstedelijke Gewest van 23 november 2017 « houdende wetgevende aanpassingen met het oog op de overname van de dienst onroerende voorheffing door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest » schendt noch artikel 143, § 1, van de Grondwet, noch artikel 1ter van de bijzondere wet van 16 januari 1989 betreffende de financiering van de gemeenschappen en de gewesten, in samenhang gelezen met de artikelen 174, 175, tweede lid, 176, tweede lid, 177, tweede lid, en 181 van de Grondwet. 2. Artikel 12 van dezelfde ordonnantie schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 19, 21, 172 en 181 van de Grondwet en met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.154 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240222.1N.2 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.063 ECLI:CE:ECHR:1998:0416DEC003026096 ECLI:CE:ECHR:2001:0614DEC005307299 ECLI:CE:ECHR:2011:0630JUD000891605 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot