Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.152

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-11-27 🌐 FR Arrest verworpen

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

15 mei 2024, 15 juni 1935, 15 mei 2024, 18 april 2017, 18 februari 2014

Samenvatting

het beroep tot vernietiging van de artikelen 14 en 16 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake de taalvereisten met betrekking tot de korpschefs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen te Brussel en de aanwijzing van de procureur des Konings te Brussel, de arbeidsauditeur te Brussel, de adjunct-procureurs des Konings te Brussel en de adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel », ingesteld door Christophe Maes.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.152 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 27 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.152 Arrest- Rolnummer: 152/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-12-08 Raadplegingen: 34 - laatst gezien 2025-12-15 14:48 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 14 en 16 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake de taalvereisten met betrekking tot de korpschefs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen te Brussel en de aanwijzing van de procureur des Konings te Brussel, de arbeidsauditeur te Brussel, de adjunct-procureurs des Konings te Brussel en de adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel », ingesteld door Christophe Maes. Gerechtelijk recht - Rechterlijke organisatie - Gerechtelijk arrondissement Brussel - Arbeidsauditoraat - Eerste substituten, met als titel adjunct-arbeidsauditeur te Brussel - Lid van het directiecomité - Taalrol Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 152/2025 van 27 november 2025 Rolnummer : 8342 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 14 en 16 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake de taalvereisten met betrekking tot de korpschefs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen te Brussel en de aanwijzing van de procureur des Konings te Brussel, de arbeidsauditeur te Brussel, de adjunct-procureurs des Konings te Brussel en de adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel », ingesteld door Christophe Maes. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 4 oktober 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 7 oktober 2024, heeft Christophe Maes, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pascal Hubert, advocaat bij de balie te Brussel, beroep tot vernietiging ingesteld van de artikelen 14 en 16 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake de taalvereisten met betrekking tot de korpschefs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen te Brussel en de aanwijzing van de procureur des Konings te Brussel, de arbeidsauditeur te Brussel, de adjunct-procureurs des Konings te Brussel en de adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 24 mei 2024). De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Juliette Van Vyve en mr. Rebecca Mirzabekiantz, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep A.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 14 en 16 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake de taalvereisten met betrekking tot de korpschefs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen te Brussel en de aanwijzing van de procureur des Konings te Brussel, de arbeidsauditeur te Brussel, de adjunct-procureurs des Konings te Brussel en de adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel » (hierna : de wet van 15 mei 2024), in zoverre zij het adjunct-mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel regelen. A.1.2. De verzoekende partij zet uiteen dat zij aan alle voorwaarden voldoet voor een aanstelling in het adjunct-mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel, zodat zij doet blijken van een belang om in rechte te treden in zoverre zij mogelijk persoonlijk, rechtstreeks en ongunstig door de bestreden bepalingen wordt geraakt. A.2.1. De verzoekende partij is van mening dat de bestreden bepalingen zich niet beperken tot een eenvoudige bevestiging van de bestaande situatie, maar dat zij tot doel hebben het systeem van de mandaten binnen het gerechtelijk arrondissement Brussel wezenlijk te herzien, als reactie op het arrest van het Hof nr. 96/2014 van 30 juni 2014 ( ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.096 ). Zij leidt daaruit af dat het beroep ratione temporis ontvankelijk is. A.2.2. De Ministerraad merkt op dat het de wet van 19 juli 2012 « betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel » (hierna : de wet van 19 juli 2012) is die in het Gerechtelijk Wetboek het adjunct-mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel heeft ingevoerd en die er een loutere bijkomende titel van een bestaand adjunct-mandaat van heeft gemaakt. Hij stelt dat de wet van 15 mei 2024, in artikel 14 ervan, zich ertoe beperkt het adjunct-mandaat te ontdubbelen. Hij leidt daaruit af dat de eventuele schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in de veronderstelling dat die wordt aangetoond, reeds bestond vóór de aanneming van artikel 14 van de bestreden wet. Hij voegt eraan toe dat de door de verzoekende partij aangevoerde grieven te dezen geen betrekking hebben op wijzigingen die zijn aangebracht bij artikel 14 van de wet van 15 mei 2024, maar wel op elementen die voortkomen uit vroegere wetgeving en die onveranderd zijn gebleven. Hij wijst in dat verband erop dat artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 noch de verantwoordelijkheden, noch de voorrang, noch de rang, noch de wedde van de adjunct-arbeidsauditeurs van Brussel wijzigt en preciseert dat die aspecten door andere bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek worden geregeld, die niet werden gewijzigd door de bestreden bepaling. Hij besluit daaruit dat de identieke behandeling en het verschil in behandeling die door de verzoekende partij worden aangeklaagd, hun oorsprong vinden in het normatieve kader dat reeds bestond vóór de aanneming van de wet van 15 mei 2024 en dat het beroep niet tijdig is ingesteld in zoverre het artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 beoogt. 3 A.2.3. De verzoekende partij antwoordt dat alle discriminaties die zij aanklaagt hun oorsprong vinden in het feit dat het adjunct-mandaat van adjunct-arbeidsauditeur te Brussel geen volwaardig adjunct-mandaat is, maar enkel een bijkomende titel die is toegevoegd aan een reeds bestaand adjunct-mandaat van eerste substituut. Zij voegt eraan toe dat zij geen enkel belang erbij had om de wet van 19 juli 2012 te bestrijden ten tijde van de bekendmaking ervan, aangezien die enkel voorzag in een mandaat van eerste substituut met als titel adjunct- arbeidsauditeur van Brussel en dat mandaat enkel openstond voor de magistraten van de Nederlandse taalrol. Zij geeft aan dat haar, indien het standpunt van de Ministerraad wordt gevolgd, elke mogelijkheid wordt ontzegd om een beroep tot vernietiging in te stellen tegen een bepaling die betrekking heeft op een nieuw adjunct-mandaat dat haar zou kunnen betreffen. A.2.4. De Ministerraad doet gelden dat de onontvankelijkheid waarmee het beroep is aangetast op twee manieren kan worden benaderd. Enerzijds kan worden aangenomen dat het beroep, via artikel 14 van de wet van 15 mei 2024, artikel 2 van de wet van 19 juli 2012 beoogt en dat het beroep in dat geval niet tijdig is ingesteld. Anderzijds kan worden aangenomen dat het beroep betrekking had moeten hebben op alle artikelen van de wet van 15 mei 2024 die het mandaat van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel regelen, in zoverre zij de inhoud van dat adjunct-mandaat zouden wijzigen zonder te voorzien in een wijziging van het loon of de rang die zijn verbonden aan de uitoefening ervan. Hij meent dat in beide hypothesen de geformuleerde grieven hun oorsprong vinden in andere bepalingen dan de bestreden bepaling. Hij voegt eraan toe dat de vernietiging van artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 geen weerslag zou hebben op de grieven van de verzoekende partij, die geen enkel voordeel uit de vernietiging zou halen. Ten gronde Wat betreft artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 A.3.1. De verzoekende partij leidt een eerste middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 14 van de wet van 15 mei 2024. Zij verwijt de bestreden bepaling, enerzijds, de eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel en, anderzijds, de eerste substituut zonder die titel op dezelfde wijze te behandelen. Zij merkt in het bijzonder op dat de eerste substituut met als titel adjunct- arbeidsauditeur van Brussel geen enkele erkenning, noch tegeldemaking geniet die overeenstemt met de uitoefening van het adjunct-mandaat, zij het op het niveau van de personeelsformatie van de entiteit, van de wedde, van de rang of van de voorrang. Zij zet uiteen dat het adjunct-mandaat van adjunct-arbeidsauditeur geen volwaardig mandaat is, maar dat het een loutere bijkomende titel betreft van een reeds bestaand mandaat van eerste substituut. Daaruit volgt dat de titularis van het adjunct-mandaat van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel een eerste substituut is en blijft en dat hij op dezelfde manier wordt behandeld als een eerste substituut zonder die titel. Zij doet gelden dat die identieke behandeling in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, aangezien de eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel bijkomende verantwoordelijkheden op zich moet nemen die specifieke competenties impliceren en aangezien hij bovendien is onderworpen aan strengere evaluatiecriteria en aan een bijkomende evaluatiecyclus. Wat de verantwoordelijkheden betreft die worden opgenomen door de eerste substituut met als titel adjunct, haalt de verzoekende partij de artikelen 152, § 2, 2°, 150ter, 152bis, eerste lid, 185/2, § 3, en 318, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan. Wat de bijkomende evaluatiecriteria betreft waaraan de eerste substituut met als titel adjunct wordt onderworpen, verwijst zij naar het koninklijk besluit van 18 april 2017 « tot vaststelling van de evaluatiecriteria van de afdelingsvoorzitters, ondervoorzitters van de vrederechters en rechters in de politierechtbank, afdelingsprocureurs, afdelingsauditeurs, adjunct-procureurs des Konings van Brussel en adjunct-arbeidsauditeurs van Brussel en de weging van de criteria » (hierna : het koninklijk besluit van 18 april 2017). Zij doet gelden dat de bestreden bepaling, door van het mandaat van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel een loutere bijkomende titel van een reeds bestaand adjunct-mandaat van eerste substituut te maken, belet te voorzien in het minste voordeel voor het adjunct-mandaat van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel in vergelijking met het adjunct-mandaat van eerste substituut, terwijl elk ander adjunct-mandaat bedoeld in artikel 58bis, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek aanleiding geeft tot eigen voordelen, wegens de competenties en verantwoordelijkheden die het impliceert, zowel op het niveau van de wedde als op het niveau van de rang en de voorrang. A.3.2. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dat middel, aangezien de door haar aangevoerde schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover die kan worden 4 aangetoond, haar oorsprong niet in artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 zou vinden, maar wel in de artikelen 58bis, 3°, 153, 312, 314 en 355 van het Gerechtelijk Wetboek en in het koninklijk besluit van 18 april 2017. In ondergeschikte orde meent hij dat de adjunct-arbeidsauditeurs van Brussel vooreerst eerste substituut- arbeidsauditeurs zijn en blijven en dat zij exact dezelfde functie uitoefenen als alle eerste substituut- arbeidsauditeurs, namelijk een ondersteunende functie. Volgens hem ligt hun bijzonderheid in het feit dat hun ondersteunende rol is aangepast aan de taalkundige specifieke kenmerken van het gerechtelijk arrondissement Brussel en dat de opdracht van adjunct vanuit taalkundig oogpunt in het Gerechtelijk Wetboek is gepreciseerd en nader geregeld. Hij legt uit dat die nader geregelde ondersteunende rol de deelname van een adjunct- arbeidsauditeur aan bepaalde comités of raden impliceert, evenals de toepassing van nader bepaalde en aan die functie aangepaste evaluatiecriteria, maar dat de opdracht een ondersteunende opdracht blijft die wordt uitgeoefend in het kader van een mandaat van eerste substituut en dat niets erop wijst dat zij een werklast of verantwoordelijkheden zouden dragen die dermate groter zijn dan die van de andere eerste substituten dat zij een verschil in behandeling zouden verantwoorden. A.3.3. De verzoekende partij antwoordt dat het niet volstaat vast te stellen dat twee categorieën van magistraten een ondersteunende rol opnemen om te besluiten dat het normaal is dat zij op dezelfde wijze worden behandeld. A.4.1. De verzoekende partij leidt een tweede middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 14 van de wet van 15 mei 2024. Zij verwijt de bestreden bepaling, enerzijds, het adjunct- mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel en, anderzijds, het mandaat van afdelingsauditeur verschillend te behandelen. Zij zet uiteen dat de houders van die twee mandaten zich in vergelijkbare situaties bevinden, terwijl de houder van het adjunct-mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel behandeld blijft worden als een eerste substituut, zonder enige erkenning, tegeldemaking of enig voordeel verbonden aan de uitoefening van de bijkomende functie die hij opneemt. Zij beklemtoont het feit dat het adjunct-mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel niet op zichzelf bestaat binnen de personeelsformatie, die niet werd gewijzigd na de invoering van de twee nieuwe functies van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel, terwijl de afdelingsauditeur wel als dusdanig deel uitmaakt van de personeelsformatie. De verzoekende partij merkt op dat het het enige adjunct-mandaat is zonder eigen wedde en zij geeft aan dat het mandaat van afdelingsauditeur op zijn beurt aanleiding geeft tot een specifieke wedde die 2 339,47 euro, niet geïndexeerd, meer bedraagt dan die van een eerste substituut. Ten slotte merkt zij op dat het adjunct-mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel het enige adjunct-mandaat is waarvan de uitoefening geen enkel gevolg heeft op het niveau van de rang en van de voorrang, terwijl de afdelingsauditeur in rang voor de eerste substituten komt en beiden in de raad van auditeurs zitting nemen. A.4.2. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partij geen belang heeft bij dat middel, aangezien de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, voor zover die kan worden aangetoond, haar oorsprong niet in artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 zou vinden, maar wel in de artikelen 58bis, 3°, 153, 312, 314 en 355 van het Gerechtelijk Wetboek en in het koninklijk besluit van 18 april 2017. In ondergeschikte orde is hij van mening dat de afdelingsauditeurs en de adjunct-arbeidsauditeurs twee verschillende categorieën van adjunct-mandaten vormen en dat de verschillen daartussen verantwoord worden door de doelstelling die de wetgever nastreefde bij de invoering van die functies en door de organisatorische structuur waarin die functies werden ingevoerd. Hij zet uiteen dat de mandaten van afdelingsauditeur werden ingevoerd na de fusie van de gerechtelijke arrondissementen en dat het aantal afdelingsauditeurs overeenstemt met het aantal nieuwe arrondissementen die worden gedekt door de entiteit waaronder die auditeurs vallen. Hij preciseert dat de invoering van de functie van adjunct-arbeidsauditeur voortvloeit uit een omgekeerde beweging, namelijk de territoriale splitsing van het gerechtelijk arrondissement Brussel-Halle-Vilvoorde, en dat het mandaat van adjunct in Brussel werd ingevoerd uit de bekommernis om het institutionele akkoord en het taalevenwicht dat dat akkoord inhield na te leven. A.4.3. De verzoekende partij antwoordt dat de Ministerraad in de feiten niet aantoont in welk opzicht de werklast van een adjunct-arbeidsauditeur minder hoog zou zijn dan die van een afdelingsauditeur. 5 Wat artikel 16 van de wet van 15 mei 2024 betreft A.5.1. De verzoekende partij leidt een derde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 16 van de wet van 15 mei 2024. Zij verwijt de bestreden bepaling dat ze de twee Franstalige eerste substituten met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel op verschillende wijze behandelt wanneer de korpschef tot de Nederlandse taalrol behoort, aangezien slechts een van hen door die laatste moet worden aangeduid om deel uit te maken van het directiecomité van de entiteit. Zij doet gelden dat de twee Franstalige eerste substituten met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel hetzelfde mandaat binnen de eenheid uitoefenen. Zij zet uiteen dat de Nederlandstalige korpschef een van de twee Franstalige adjuncten moet aanduiden voor verschillende doeleinden : namelijk zetelen in het coördinatiecomité, zetelen in de Raad van auditeurs, zetelen in het directiecomité en de dienst der zitting bepalen. Zij is van mening dat hoewel de drie andere aanstellingen van slechts een van de twee Franstalige adjuncten verantwoord zijn, het niet verantwoord is dat de twee Franstalige adjuncten niet allebei ambtshalve deel mogen uitmaken van het directiecomité van hun entiteit. A.5.2. De Ministerraad is van mening dat dat verschil in behandeling verantwoord is. Hij herinnert eraan dat de keuze van de wetgever om een bijkomend mandaat van adjunct-arbeidsauditeur die tot de Franse taalrol behoort te creëren door twee redenen wordt gemotiveerd, namelijk, ten eerste, het streven naar een taalevenwicht binnen het gerechtelijk arrondissement en, ten tweede, de bedoeling om het aantal adjunct-arbeidsauditeurs aan te passen aan de werklast, aangezien uit de personeelsformaties blijkt dat er een groter aantal Franstalige magistraten is. Hij preciseert dat de wetgever de vooraf bestaande dynamieken binnen het directiecomité evenwel heeft willen bewaren. Hij wijst erop dat, hoewel alle eerste substituut-arbeidsauditeurs een rol van ondersteuning van de korpschef hebben bij de leiding van de entiteit, niet alle eerste substituut-arbeidsauditeurs deel uitmaken van het directiecomité van het auditoraat. Wat de evenredigheid van de maatregel betreft, merkt hij op dat de deelname van de tweede adjunct-arbeidsauditeur van Brussel niet automatisch wordt uitgesloten, aangezien de arbeidsauditeur altijd kan gebruikmaken van de mogelijkheid die hem bij artikel 185/2, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek wordt toegekend om het directiecomité uit te breiden met maximaal twee personen van zijn entiteit die hij bekwaam acht wegens hun kennis inzake beheer. A.5.3. De verzoekende partij verwijst naar de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling om aan te tonen dat de wetgever de intentie had te voorzien in de aanwezigheid van beide adjuncten in het directiecomité, zelfs in de hypothese waarin zij beiden tot de Franstalige taalrol zouden behoren. Zij voegt eraan toe dat niet wordt ingezien hoe de wetgever een doelstelling van taalevenwicht kon nastreven op het niveau van de managementfuncties in de parketten en auditoraten van het gerechtelijk arrondissement Brussel zonder tegelijkertijd erin te voorzien dat de personen die dergelijke functies uitoefenen niet ambtshalve deel uitmaken van het directiecomité van hun entiteit, waar de beslissingen omtrent de organisatie en het beheer worden genomen. Zij is ten slotte van mening dat de discretionaire bevoegdheid die artikel 185/2, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de arbeidsauditeur toekent niet toelaat de door haar aangeklaagde discriminatie te verhelpen. A.6.1. De verzoekende partij leidt een vierde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 16 van de wet van 15 mei 2024. Zij verwijt de bestreden bepaling de twee eerste substituten met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel op verschillende wijze te behandelen wanneer de korpschef tot de Franse taalrol behoort, aangezien enkel diegene die tot de Nederlandse taalrol behoort van rechtswege lid is van het directiecomité van de entiteit. Zij doet gelden dat de twee eerste substituten met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel hetzelfde mandaat binnen de eenheid uitoefenen. Zij is van mening dat, hoewel het feit dat slechts één adjunct lid is van de Raad van auditeurs en dat slechts één adjunct lid is van het coördinatiecomité verantwoord is, het daarentegen niet verantwoord is dat de Franstalige eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel niet van rechtswege lid is van het directiecomité, terwijl de Nederlandstalige eerste substituut met als titel adjunct- arbeidsauditeur van Brussel wel van rechtswege lid ervan is. A.6.2. De Ministerraad verwijst naar de argumentatie die hij heeft uiteengezet in antwoord op het derde middel van het verzoekschrift. A.7.1. De verzoekende partij leidt een vijfde middel af uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 16 van de wet van 15 mei 2024. Zij verwijt de bestreden bepaling dat zij de Franstalige eerste substituten met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel en de afdelingsauditeurs verschillend behandelt. Zij zet uiteen dat het bestaan van twee situaties waarin de Franstalige eerste substituut met als titel adjunct- 6 arbeidsauditeur van Brussel niet ambtshalve lid is van het directiecomité in tegenstelling tot de afdelingsauditeur, die steeds lid ervan is, niet verantwoord is. Zij doet gelden dat de eerste substituten die de functie van adjunct-arbeidsauditeur uitoefenen en de afdelingsauditeurs zich in een vergelijkbare situatie bevinden. A.7.2. De Ministerraad doet gelden dat de adjunct-arbeidsauditeurs van Brussel en de afdelingsauditeurs zich niet in voldoende vergelijkbare situaties bevinden ten aanzien van de bestreden bepaling. Hij merkt op dat er geen afdeling en dus geen afdelingsauditeur is in het gerechtelijk arrondissement Brussel, maar dat dat gerechtelijk arrondissement de bijzonderheid vertoont dat het is samengesteld uit magistraten die tot de twee taalrollen behoren, hetgeen een specifieke organisatie impliceert. Bovendien beklemtoont hij het feit dat de adjunct-arbeidsauditeur van Brussel een eerste substituut blijft die enkel de arbeidsauditeur van Brussel ondersteunt, terwijl de afdelingsauditeur instaat voor de dagelijkse leiding van zijn afdeling. In ondergeschikte orde voegt hij eraan toe dat de maatregel niet onevenredig is, aangezien de arbeidsauditeur de mogelijkheid heeft om zijn directiecomité uit te breiden met de adjunct-arbeidsauditeur die niet ambtshalve deel ervan uitmaakt krachtens artikel 185/2, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek. A.7.3. De verzoekende partij is van mening dat de functies van afdelingsauditeur en van adjunct- arbeidsauditeur vergelijkbaar zijn en zij merkt op dat de evaluatiecriteria identiek zijn voor beide functies. Zij is ten slotte van mening dat de discretionaire bevoegdheid die bij artikel 185/2, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek aan de arbeidsauditeur is toegekend niet toelaat de door haar aangeklaagde discriminatie te verhelpen. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 14 en 16 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake de taalvereisten met betrekking tot de korpschefs, hoofdgriffiers en hoofdsecretarissen te Brussel en de aanwijzing van de procureur des Konings te Brussel, de arbeidsauditeur te Brussel, de adjunct-procureurs des Konings te Brussel en de adjunct-arbeidsauditeurs te Brussel » (hierna : de wet van 15 mei 2024), in zoverre zij het adjunct-mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel regelen. B.1.2. De wet van 15 mei 2024 beoogt wijzigingen aan te brengen in de regeling ingevoerd bij de wet van 19 juli 2012 « betreffende de hervorming van het gerechtelijk arrondissement Brussel » (hierna : de wet van 19 juli 2012) ingevolge het arrest van het Hof nr. 96/2014 van 30 juni 2014 ( ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.096 ). B.1.3. Als een van de genomen maatregelen in het kader van de zesde staatshervorming, hebben de Grondwetgever en de wetgever het parket en het arbeidsauditoraat van het gerechtelijk arrondissement Brussel willen opsplitsen in een parket en een arbeidsauditoraat 7 van Brussel, bevoegd op het grondgebied van het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad, en een parket en een arbeidsauditoraat van Halle-Vilvoorde, bevoegd op het grondgebied van het administratief arrondissement Halle-Vilvoorde. Er werd een coördinatiecomité opgericht om de coördinatie tussen die parketten en arbeidsauditoraten te regelen. Om de in de context van die hervorming nagestreefde communautaire evenwichten te bereiken, werden bij artikel 43, § 4quater, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », zoals ingevoegd bij artikel 57, 5°, van de wet van 19 juli 2012, de mandaten van procureur des Konings en van arbeidsauditeur van Brussel voorbehouden voor magistraten die geslaagd waren voor de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in de Franse taal. De procureur des Konings en de arbeidsauditeur van Brussel werden elk bijgestaan door een adjunct (artikelen 150, § 2, 2°, en 152, § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de artikelen 15 en 18 van de wet van 19 juli 2012) die was geslaagd voor de examens van doctor, licentiaat of master in de rechten in de Nederlandse taal. Het coördinatiecomité was samengesteld uit de procureur des Konings van Brussel en de procureur des Konings van Halle-Vilvoorde, alsook de arbeidsauditeur van Brussel en de arbeidsauditeur van Halle-Vilvoorde. B.2.1. Bij zijn arrest nr. 96/2014 heeft het Hof geoordeeld : « B.101.3. Uit wat voorafgaat vloeit evenwel voort dat, mede gelet op het feit dat de procureur des Konings en de arbeidsauditeur van het administratief arrondissement Brussel- Hoofdstad hun ambt uitoefenen in een administratief arrondissement waarvan het grondgebied overeenstemt met het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, het niet redelijk is verantwoord dat een persoon die zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Nederlands heeft behaald, niet in aanmerking komt voor die ambten en dat een persoon die zijn diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten in het Frans heeft behaald, niet in aanmerking komt voor het ambt van adjunct-procureur des Konings of van adjunct-arbeidsauditeur in het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad ». Het Hof heeft bijgevolg artikel 57, 5°, van de wet van 19 juli 2012 vernietigd. B.2.2. Met de wet van 15 mei 2024 wil de wetgever de door het Hof vastgestelde ongrondwettigheid verhelpen, met eerbiediging van het taalevenwicht dat is gevestigd bij het institutioneel akkoord van 11 oktober 2011, dat bij de wet van 19 juli 2012 ten uitvoer is gelegd : 8 « Het institutioneel akkoord van 11 oktober 2011 onderstelt dat het taalevenwicht in acht moet worden genomen op het niveau van het gerechtelijk arrondissement Brussel. Er wordt dan ook voorzien in een taalevenwicht tussen de procureur des Konings te Brussel en de arbeidsauditeur te Brussel, wat waarborgt dat ofwel de procureur des Konings te Brussel ofwel de arbeidsauditeur Franstalig zal zijn. Het taalevenwicht in het gerechtelijk arrondissement Brussel wordt hersteld door naast die alternantie een Franstalige adjunct-procureur en een Franstalige adjunct-auditeur toe te voegen aan het coördinatiecomité. Het evenwicht situeert zich tussen enerzijds de drie Nederlandstalige korpschefs en anderzijds de Franstalige korpschef en twee Franstalige adjuncten. In het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad zullen twee adjunct-procureurs des Konings en twee adjunct-arbeidsauditeurs respectievelijk de procureur des Konings te Brussel en de arbeidsauditeur te Brussel bijstaan en deel uitmaken van het directiecomité. De aanwijzing van een tweede adjunct in het parket van de procureur des Konings en het arbeidsauditoraat valt te verklaren door de noodzaak te voorzien in een Nederlandstalige adjunct wanneer de procureur des Konings te Brussel of de arbeidsauditeur te Brussel Franstalig is. Het globale evenwicht in het gerechtelijk arrondissement verantwoordt dat wanneer de procureur des Konings of de arbeidsauditeur Nederlandstalig is, de twee adjuncten Franstalig zijn. Het evenwicht situeert zich dan tussen de drie Nederlandstalige korpschefs en de Nederlandstalige adjunct enerzijds en de Franstalige korpschef en drie Franstalige adjuncten anderzijds » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3936/001, p. 5). B.2.3. In haar advies over het voorontwerp van wet dat aanleiding heeft gegeven tot de wet van 15 mei 2024, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State besloten : « De oplossing waarvoor in het voorontwerp is gekozen, [kan] borg […] staan voor het nagestreefde communautaire evenwicht, en dit met inachtneming van de lering van arrest nr. 96/2014 van het Grondwettelijk Hof » (ibid., p. 59). B.3.1. Artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 vervangt artikel 152, § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij de wet van 19 juli 2012, als volgt : « 2° de arbeidsauditeur te Brussel voert in het administratief arrondissement Brussel- Hoofdstad onder het gezag van de procureur-generaal te Brussel de opdrachten van openbaar ministerie uit bij de rechtbanken. Hij wordt bijgestaan door twee eerste substituten, elk met als titel adjunct-arbeidsauditeur te Brussel. Een is Franstalig en de tweede behoort luidens zijn diploma tot een verschillende taalrol dan die van de arbeidsauditeur. De adjunct- arbeidsauditeurs te Brussel treden op onder het gezag en de leiding van de arbeidsauditeur te Brussel. Onverminderd de bevoegdheden die zij uitoefenen met het oog op het coördinatiecomité bedoeld in artikel 150ter, staat, wanneer de arbeidsauditeur te Brussel Franstalig is, de Nederlandstalige adjunct-arbeidsauditeur hem bij, in het bijzonder voor de relaties met het arbeidsauditoraat te Halle-Vilvoorde, de goede werking van de Nederlandstalige 9 arbeidsrechtbank en voor de relaties met de Nederlandstalige magistratuur en het Nederlandstalig personeel van het arbeidsauditoraat te Brussel, en staat de Franstalige adjunct- arbeidsauditeur hem bij, in het bijzonder voor de relaties met de substituten bedoeld in artikel 43, § 5quater, eerste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken, de goede werking van de Franstalige arbeidsrechtbank te Brussel en voor de relaties met de Franstalige magistratuur en het Franstalig personeel van het arbeidsauditoraat te Brussel. De aan de arbeidsauditeur te Brussel verbonden ambtenaren van het openbaar ministerie worden benoemd bij de Brusselse rechtbanken met als standplaats het administratief arrondissement Brussel-Hoofdstad ». B.3.2. Artikel 16 van de wet van 15 mei 2024 bepaalt : « In artikel 185/2, § 3, van hetzelfde Wetboek, ingevoegd bij de wet van 18 februari 2014 en gewijzigd bij de wetten van 4 mei 2016 en 23 december 2021, wordt het vijfde lid vervangen als volgt : ‘ Bij het parket van de procureur des Konings te Brussel en bij het arbeidsauditoraat te Brussel maken de adjunct-procureur des Konings en de adjunct-arbeidsauditeur die ingevolge hun diploma tot een verschillende taalrol behoren dan die van de procureur des Konings respectievelijk die van de arbeidsauditeur, deel uit van de directiecomités. Wanneer de beide adjunct-procureurs des Konings of de beide adjunct-arbeidsauditeurs tot dezelfde taalrol behoren, wijst de procureur des Konings te Brussel of de arbeidsauditeur te Brussel de adjunct- procureur des Konings of de adjunct-arbeidsauditeur aan die deelneemt aan het comité. ’ ». Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in zoverre het artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 beoogt B.4.1. De Ministerraad voert aan dat het beroep niet ontvankelijk is in zoverre het artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 beoogt, omdat de door de verzoekende partij aangevoerde grieven geen betrekking hebben op wijzigingen die bij die bepalingen werden ingevoerd, maar wel op normen uit andere bepalingen, die uit eerdere wetgeving voortkomen en die onveranderd zijn gebleven. B.4.2. Het eerste en tweede middel zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, door artikel 14 van de wet van 15 mei 2024. In het eerste middel verwijt de verzoekende partij de bestreden bepaling, enerzijds, een eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel en, anderzijds, een eerste substituut zonder die titel op dezelfde wijze te behandelen. In het tweede middel verwijt zij dezelfde bepaling, enerzijds, het adjunct-mandaat van eerste substituut met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel en, 10 anderzijds, het mandaat van afdelingsauditeur op verschillende wijze te behandelen. Die twee middelen berusten in wezen op de grief dat de adjunct-arbeidsauditeurs van Brussel geen enkele erkenning noch tegeldemaking genieten die overeenstemt met de uitoefening van het adjunct-mandaat, zij het op het niveau van de personeelsformatie van de entiteit, van de wedde, van de rang of van de voorrang. Volgens de verzoekende partij volgt die situatie uit de keuze van de wetgever om van het mandaat van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel een bijkomende titel te maken van het reeds bestaand adjunct-mandaat van eerste substituut, in plaats van een volwaardig adjunct-mandaat. B.5.1. Het verschil in behandeling en de gelijke behandeling die worden opgeworpen door de verzoekende partij vloeien niet voort uit de bestreden bepaling, maar uit artikel 58bis, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek, dat erin voorziet dat het mandaat van eerste substituut- arbeidsauditeur die de functie van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel uitoefent een adjunct- mandaat is, uit de artikelen 312 en 314 van hetzelfde Wetboek, die de rang van de magistraten van de arbeidsrechtbank bepalen, en uit artikel 355 van hetzelfde Wetboek, dat de wedden van de magistraten van de rechterlijke orde bepaalt. De wet van 15 mei 2024 wijzigt die bepalingen niet. B.5.2. In tegenstelling tot hetgeen de verzoekende partij aanvoert, is het niet mogelijk te oordelen dat de wetgever, door in artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 in een tweede mandaat van adjunct-arbeidsauditeur voor het auditoraat te Brussel te voorzien, « op substantiële wijze het systeem van mandaten binnen het gerechtelijk arrondissement Brussel [zou hebben herzien] ingevolge het [voormelde] arrest » van het Hof nr. 96/2014. Het mandaat van « eerste substituut-arbeidsauditeur die de functie van adjunct-arbeidsauditeur van Brussel uitoefent » werd gecreëerd bij de wet van 19 juli 2012. Artikel 152, § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 14 van de wet van 15 mei 2024, verschilt in wezen van de bepaling die het vervangt, in zoverre het bepaalt dat twee eerste substituten-arbeidsauditeurs van Brussel met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel de arbeidsauditeur van Brussel ondersteunen, terwijl de vorige bepaling in slechts één adjunct-arbeidsauditeur voorzag. 11 B.6.1. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de bestreden bepaling alsook artikel 11 van de wet van 15 mei 2024 tot wijziging van artikel 150, § 2, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek wat de adjunct-procureurs des Konings van Brussel betreft, de politieke keuze vertolken om een Franstalige adjunct en, op basis van de taalrol van de procureur des Konings en van de arbeidsauditeur, een Nederlandstalige of Franstalige adjunct aan te stellen « om de geest van het institutioneel akkoord te respecteren » (Parl. St., 2023-2024, DOC 55- 3936/001, pp. 15 en 18). Op geen enkel moment, noch in de memorie van toelichting, noch tijdens de besprekingen in de Kamercommissie, blijkt dat de wetgever de aard van het mandaat van adjunct-eerste substituut-procureur des konings en van adjunct-eerste substituut- arbeidsauditeur heeft willen wijzigen. B.6.2. Uit het voorgaande volgt dat de wetgever, wanneer hij artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 heeft aangenomen, niet opnieuw wetgevend heeft opgetreden met betrekking tot het mandaat van adjunct-arbeidsauditeur, noch met betrekking tot het statuut, de wedde of de rang van de eerste substituten die zijn aangesteld om dat mandaat uit te oefenen. B.7. De omstandigheid dat de verzoekende partij niet op geldige wijze beroep zou hebben kunnen instellen tegen de in B.5.1 vermelde bepalingen bij de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad omdat zij niet voldeed aan de voorwaarden om in het mandaat van adjunct-arbeidsauditeur te kunnen worden benoemd, leidt niet tot een andere conclusie. Daarover anders beslissen zou immers erop neerkomen toe te laten dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon een beroep tot vernietiging kan instellen tegen een bepaling na de termijn waarin is voorzien bij artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op het moment waarop hij zou menen te beschikken over het bij artikel 2, eerste lid, 2°, van de voormelde bijzondere wet vereiste belang. B.8. De grieven over artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 staan los van de bestreden bepaling. Het beroep tot vernietiging is onontvankelijk in zoverre het artikel 14 van de wet van 15 mei 2024 beoogt. Bijgevolg onderzoekt het Hof de eerste twee middelen van het verzoekschrift niet. 12 Ten gronde B.9. Het derde en vierde middel zijn afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 16 van de wet van 15 mei 2024. In het derde middel verwijt de verzoekende partij de bestreden bepaling de Franstalige eerste substituten met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel op verschillende wijze te behandelen wanneer de arbeidsauditeur Nederlandstalig is, in zoverre, in die situatie, slechts een van hen moet worden aangeduid om deel uit te maken van het directiecomité van de entiteit. In het vierde middel verwijt zij dezelfde bepaling de eerste substituten met als titel adjunct-arbeidsauditeur van Brussel op verschillende wijze te behandelen wanneer de arbeidsauditeur Franstalig is, in zoverre, in die situatie, enkel de Nederlandstalige adjunct-arbeidsauditeur van rechtswege lid is van het directiecomité. Die twee middelen berusten in wezen op de grief dat slechts een van de twee adjunct-arbeidsauditeurs van Brussel ambtshalve deel uitmaakt van het directiecomité van de entiteit en op een vergelijking tussen de adjunct-arbeidsauditeur die deel uitmaakt van dat comité en de adjunct-arbeidsauditeur die geen deel ervan uitmaakt. Het Hof onderzoekt het derde en vierde middel samen. B.10.1. Overeenkomstig artikel 185/2 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 19 van de wet van 18 februari 2014 « betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie » (hierna : de wet van 18 februari 2014), hebben elk hof, elke rechtbank en elk parket een directiecomité. Krachtens de derde paragraaf van die bepaling is het directiecomité in de arbeidsauditoraten samengesteld uit de arbeidsauditeur, de afdelingsauditeurs en de hoofdsecretaris of, in de arbeidsauditoraten zonder afdelingen, uit de arbeidsauditeur, twee substituten aangewezen door de korpschef en de hoofdsecretaris. De substituten die lid zijn van het directiecomité worden gekozen uit die « welke door hun kennis of hoedanigheid » betrokken worden bij het beheer van het auditoraat. B.10.2. Het directiecomité is een « lokale beheerstructuur », waarin de korpschef « de mogelijkheid [krijgt] om [...] substituten met kennis inzake beheer op te nemen » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3068/001, pp. 22-23). Om de competentie en de deskundigheid van dat comité te vergroten, heeft de korpschef bovendien de mogelijkheid om de samenstelling ervan uit te breiden met twee personen van zijn gerechtelijke entiteit (artikel 185/2, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek), die volledig deel ervan uitmaken : « De korpschef [heeft] de mogelijkheid om twee personen [...] met expertise of interesse in beheersaangelegenheden 13 toe te voegen aan het directiecomité » (ibid., p. 23). De rol van het directiecomité is om « de korpschef [bij te staan] bij de beheerstaken » en het « zal [ook] […] het beheerplan afsluiten en mede instaan voor de uitvoering ervan » (ibid.). Bij de oprichting van het directiecomité bij de wet van 18 februari 2014 heeft de wetgever gemeend dat de adjunct-procureur des Konings en de adjunct-arbeidsauditeur van Brussel van rechtswege deel ervan dienden uit te maken, « gezien hun bijstand aan de procureur des Konings en de auditeur en hun relatie ten aanzien van de Nederlandstalige magistraten en personeel van parket en auditoraat » (ibid.). B.11. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12. De bestreden bepaling doet twee verschillen in behandeling ontstaan : enerzijds, wanneer de arbeidsauditeur van Brussel Nederlandstalig is, tussen de Franstalige adjunct-arbeidsauditeurs van Brussel, in zoverre in die situatie slechts een van hen moet worden aangeduid om deel uit te maken van het directiecomité, en, anderzijds, wanneer de arbeidsauditeur van Brussel Franstalig is, tussen de Nederlandstalige en de Franstalige adjunct-arbeidsauditeurs van Brussel, in zoverre in die situatie enkel de Nederlandstalige adjunct-arbeidsauditeur van rechtswege lid is van het directiecomité. Die verschillen in behandeling berusten in het eerste geval op de keuze van de korpschef om een van zijn twee adjuncten aan te duiden om deel uit te maken van dat comité en in het andere geval op de taalrol waartoe de adjunct-auditeur die van rechtswege lid van het directiecomité is, behoort. 14 B.13. Uit de toelichting bij de bestreden bepaling valt niet af te leiden waarom slechts een van de twee adjunct-arbeidsauditeurs in die hoedanigheid deel uitmaakt van het directiecomité. Zoals de Ministerraad opmerkt, kan echter worden aangenomen dat de wetgever de bestaande werking van het directiecomité en het daarin tot stand gekomen evenwicht heeft willen behouden, door te bepalen dat de arbeidsauditeur en de adjunct-arbeidsauditeur die daarvan deel uitmaken tot een andere taalrol behoren. Het blijkt niet dat de wetgever aldus op onredelijke wijze gebruik heeft gemaakt van zijn beoordelingsvrijheid. De bestreden bepaling heeft bovendien geen onevenredige gevolgen, nu die taakverdeling tussen de adjunct-arbeidsauditeurs geen invloed heeft op hun identieke arbeidsvoorwaarden en de korpschef krachtens artikel 185/2, § 4, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek steeds de mogelijkheid heeft om de samenstelling van het directiecomité uit te breiden met twee personen van zijn gerechtelijke entiteit. B.14. Het derde en het vierde middel zijn niet gegrond. B.15. In het vijfde middel, dat eveneens is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 16 van de wet van 15 mei 2024, verwijt de verzoekende partij de bestreden bepaling de Franstalige eerste substituten met als titel adjunct- arbeidsauditeur van Brussel en de afdelingsauditeurs verschillend te behandelen, in zoverre de Franstalige adjunct-arbeidsauditeur van Brussel niet steeds van rechtswege lid is van het directiecomité, in tegenstelling tot de afdelingsauditeur, die altijd lid ervan is. B.16. Daargelaten de vraag of de adjunct-arbeidsauditeurs en de afdelingsauditeurs voldoende vergelijkbaar zijn, volstaat de vaststelling dat het verschil in behandeling redelijk verantwoord is om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in B.13. B.17. Het vijfde middel is niet gegrond. 15 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.152 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.096 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot