ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.151
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-11-27
🌐 FR
Arrest
verworpen
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
14 augustus 1986, 21 februari 2024, 27 april 2007, 6 januari 1989, 6 januari 2014
Samenvatting
het beroep tot vernietiging van de wet van 21 februari 2024 « tot wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten », ingesteld door de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA).
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.151
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 27 november 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.151
Arrest- Rolnummer:
151/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-12-08
Raadplegingen:
42 - laatst gezien 2025-12-15 14:48
Versie(s):
Versie FR
Fiche
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
het beroep tot vernietiging van de wet van 21 februari 2024 « tot wijziging
van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten
», ingesteld door de vzw « Global Action in the Interest of Animals
» (GAIA). Burgerlijk recht - Verkopen aan consumenten - Verplichtingen
van de verkoper - Verkoop van levende dieren - Bevoegdheidverdelende regels
- Bescherming van de consument
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 151/2025
van 27 november 2025
Rolnummer : 8323
In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 21 februari 2024 « tot wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten », ingesteld door de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA).
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 september 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 19 september 2024, heeft de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA), bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Anthony Godfroid, advocaat bij de balie van Antwerpen, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 21 februari 2024 « tot wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 20 maart 2024).
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Carmenta Decordier, advocate bij de balie te Gent, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend.
Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was en de dag van de terechtzitting bepaald op 1 oktober 2025.
Op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2025 :
2
- zijn verschenen :
. mr. Anthony Godfroid, voor de verzoekende partij;
. mr. Laurent Bracke, advocaat bij de balie te Gent, loco mr. Carmenta Decordier, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
A.1.1. De vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA) vordert de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 februari 2024 « tot wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten » (hierna : de wet van 21 februari 2024). Zij voert aan dat zij, overeenkomstig haar maatschappelijk doel, opkomt voor de optimale kwaliteit van leven voor dieren (ook voor levende dieren die het voorwerp uitmaken van verkoopovereenkomsten die worden gesloten tussen professionele verkopers en consumenten). Alle bestreden artikelen hebben daar een negatieve impact op.
A.1.2. De Ministerraad voert de onontvankelijkheid van het ingediende vernietigingsberoep aan, wegens gebrek aan belang van de verzoekende partij. Een recent arrest van het Hof van Cassatie van 11 juni 2024
(
ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.21
) bevestigt dat de vzw « GAIA » immers geen belang heeft om op treden ter bevordering of vrijwaring van het dierenwelzijn, omdat dierenwelzijn geen milieuaangelegenheid is zoals bedoeld in het Verdrag van 25 juni 1998 betreffende toegang tot informatie, inspraak in besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden. Daar de inhoud van artikel 17 van het Gerechtelijk Wetboek analoog is met die van artikel 2, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof en artikel 142 van de Grondwet, is de rechtspraak van het Hof van Cassatie mutatis mutandis ook van toepassing op vernietigingsberoepen ingesteld bij het Hof.
A.1.3. In antwoord op de memorie van de Ministerraad verwijst de verzoekende partij naar de arresten nrs. 114/2023 (
ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.114
), 11/2021 (
ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.011
) en 118/2021(
ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.118
), waar haar belang werd aanvaard om in rechte op te treden.
A.1.4. De Ministerraad voert aan dat het voormelde arrest van 11 juni 2024 van het Hof van Cassatie richtinggevend moet zijn voor de rechtspraak van het Hof. De arresten waarnaar de vzw « GAIA » verwijst, dateren van vóór het arrest van het Hof van Cassatie en zijn derhalve achterhaald.
A.2.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de wet van 21 februari 2024, wegens schending van de bevoegdheidverdelende regels; het « dierenwelzijn » is een gewestmaterie, hetgeen wordt aangetoond door het garantiecertificaat dat is vormgegeven in gewestelijk bepaalde regels die volgens de Raad van State kunnen worden ingepast in de gewestelijke bevoegdheid inzake dierenwelzijn (zie RvSt, 8 juni 2020, nr. 247.721,
ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.721
).
3
A.2.2. Vooreerst voert de Ministerraad aan dat uit artikel 6, § 1, VI, vierde lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen enkel blijkt dat de bijzondere wetgever aan de gewesten de mogelijkheid heeft willen bieden om de aangelegenheden die onder hun bevoegdheid vallen, te onderwerpen aan extra kwalitatieve voorwaarden, maar dat een overheveling tot op heden niet is gebeurd. Daardoor mist dit middel juridische grondslag.
Ten gronde doet de Ministerraad gelden dat de bestreden wetgeving moet worden ingepast in de regeling betreffende de bescherming van consumenten en niet in de regeling betreffende het dierenwelzijn. Dit wordt bevestigd door de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies nr. 72.872/VR van 22 maart 2023. Het komt toe aan de federale wetgever om de algemene bescherming van consumenten bij de aankoop van levende dieren vast te leggen op nationaal niveau, hetgeen sinds 2005 gebeurt in de wetgeving betreffende de bescherming van de consumenten bij de verkoop van consumptiegoederen.
A.3.1. Als tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Artikel 4, 1°, 2° en 3°, van de wet van 21 februari 2024, in artikel 5, 5°, van dezelfde wet de woorden « met dien verstande dat de kosten die door de verkoper in voorkomend geval moeten worden gedragen met het oog op de genezing van het dier niet meer kunnen bedragen dan : - driehonderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier tussen 0,01 euro en 500 euro; - tweehonderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier tussen 500,01 euro en 1500 euro; - honderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier die meer bedraagt dan 1500,01 euro » en in hetzelfde artikel 5, 5°, de passage « Tenzij het dier is overleden als gevolg van een conformiteitsgebrek, stelt de consument het dier bij een herstelling of vervanging onverwijld ter beschikking van de verkoper. De verkoper neemt het te vervangen dier op zijn kosten terug », zijn strijdig met het gelijkheidsbeginsel en het niet-discriminatiebeginsel.
Als eerste onderdeel voert de verzoekende partij aan dat voor de verschillende waarborgtermijn, de verschillende meldtermijn na kennisname van het conformiteitsgebrek en de ingevoerde aansprakelijkheidsbeperking geen redelijke verantwoording bestaat.
Als tweede onderdeel voert de verzoekende partij aan dat voor de gelijke behandeling, wat betreft de terugnameplicht door de verkoper, van een levend dier en van elk ander consumptiegoed geen redelijke verantwoording bestaat. Terwijl de specifieke aard van de levende dieren wordt ingeroepen om een kortere waarborgtermijn, een kortere meldtermijn en een beperktere aansprakelijkheidsregeling te verantwoorden, worden levende dieren wel op dezelfde manier behandeld als reguliere consumptiegoederen wat de terugnameplicht betreft.
A.3.2. De Ministerraad voert in hoofdorde aan dat de te vergelijken categorieën van personen niet met elkaar kunnen worden vergeleken. Men mag een levend dier niet als een consumptiegoed beschouwen, hetgeen ook wordt bevestigd in de richtlijn (EU) 2019/771 van het Europees Parlement en de Raad van 20 mei 2019 « betreffende bepaalde aspecten van overeenkomsten voor de verkoop van goederen, tot wijziging van Verordening (EU) 2017/2394 en Richtlijn 2009/22/EG, en tot intrekking van Richtlijn 1999/44/EG ». Met die richtlijn erkent de Europese wetgever dat het kopen van een levend dier bij een professionele verkoper niet moet worden gelijkgesteld met het kopen van eender welk consumptiegoed bij een professionele verkoper (artikel 3).
Indien het Hof van oordeel zou zijn dat de categorieën wel vergelijkbaar zijn, voert de Ministerraad aan dat het verschil in behandeling op een objectief criterium steunt, namelijk de specifieke kenmerken van levende dieren, als wezens met een gevoelsleven, waarbij die gevoelens evolueren, en waarbij dieren een emotionele band met hun eigenaar ontwikkelen en derhalve niet kunnen worden vervangen of hersteld als een regulier consumptiegoed.
Tevens wordt door de wet van 21 februari 2024 een wettig doel nagestreefd, namelijk de bescherming van de consument bij de verkoop van levende dieren. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat naar een evenwicht werd gezocht tussen de belangen en wensen van de consument, de belangen en de aansprakelijkheid van de verkoper en de fysieke en mentale gezondheid van het levende dier. Het is niet de bedoeling de verkoper extra rechtszekerheid toe te kennen wanneer hij de door en krachtens de wet vereiste erkennings-, quarantaine-, vergunnings- of kwekerijvoorwaarden niet heeft gerespecteerd.
Vervolgens voert de Ministerraad aan dat de bestreden maatregelen pertinent en proportioneel zijn. De kortere garantietermijn betekent niet dat het levende dier iedere vorm van bescherming verliest. Het beperken van de aansprakelijkheid van de verkoper van levende dieren wordt gerechtvaardigd door het feit dat het gaat om een levend dier, dat interageert met zijn onmiddellijke omgeving en afhangt van een correcte verzorging door zijn eigenaar. De vereiste van onverwijlde kennisgeving is opgenomen in de bestreden wet omdat gebreken bij levende
4
dieren een sneller optreden vereisen zodat kan worden vermeden dat er bijkomende of blijvende schade zou ontstaan, en zodat de gezondheid van het levende dier kan worden verzekerd. Bovendien verliest de consument die het gezondheidsprobleem niet onmiddellijk meldt, zijn rechten onder de wettelijke garantie niet. De consument kan de verkoper naderhand nog aansprakelijk stellen, maar de verkoper kan dan niet meer aansprakelijk worden gesteld voor de verergering van de schade aan het levende dier. Er is tevens in een uitzondering voorzien voor het geval de gezondheid van het levende dier een onmiddellijke tussenkomst van een dierenarts vereist. In dat geval kan de consument toch zijn eigen dierenarts raadplegen zonder eerst via de verkoper te moeten gaan en zonder zijn recht op een schadevergoeding te verliezen.
A.3.3. De verzoekende partij voert aan dat de verdubbeling van de termijn waarbinnen de anterioriteitsvereiste geldt, geen extra bescherming biedt wanneer de symptomen zich pas manifesteren na het verstrijken van de garantietermijn van één jaar.
-B-
B.1.1. Het beroep tot vernietiging strekt tot de gehele of gedeeltelijke vernietiging van de wet van 21 februari 2024 « tot wijziging van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten » (hierna : de wet van 21 februari 2024).
B.1.2. De wet van 21 februari 2024 strekt tot het wijzigen van de artikelen 1649bis tot 1649quinquies in afdeling IV (« Bepalingen met betrekking tot de verkopen aan consumenten ») onder hoofdstuk IV (« Verplichtingen van de verkoper ») van titel VI
(« Koop ») van boek III van het oud Burgerlijk Wetboek, teneinde bijzondere bepalingen in te voeren ter bescherming van de consument bij de verkoop van levende dieren.
Artikel 2 van de wet van 21 februari 2024 wijzigt en voegt een aantal definities toe in verband met de verkoop van levende dieren, en omschrijft het toepassingsgebied duidelijker.
Artikel 3 wijzigt een aantal bepalingen inzake de subjectieve en objectieve conformiteitsvereisten in artikel 1649ter van het oud Burgerlijk Wetboek. Het bepaalt onder meer dat elk gebrek dat het gevolg is van verkeerde instructies verstrekt door de verkoper, met betrekking tot de verdere vaccinaties, de leefruimte, de voeding en de verzorging van het dier, eveneens moet worden beschouwd als een conformiteitsgebrek (artikel 1649ter, § 9).
Artikel 4 van de wet van 21 februari 2024 wijzigt artikel 1649quater van het oud Burgerlijk Wetboek dat de aansprakelijkheid van de verkoper voor conformiteitsgebreken regelt. Er worden drie afwijkende regels ingevoerd ten opzichte van de regels voor de reguliere consumptiegoederen : (1) de aansprakelijkheid van de verkoper voor levende dieren is beperkt
5
tot gebreken die zich manifesteren binnen een termijn van één jaar, in plaats van de termijn van twee jaar voor reguliere consumptiegoederen, (2) de consument moet de verkoper onverwijld in kennis stellen van een conformiteitsgebrek zodra dat gebrek zich op een voldoende duidelijke wijze heeft gemanifesteerd, in plaats van twee maanden voor de reguliere consumptiegoederen en (3) er geldt een specifieke regeling inzake het anterioriteitsvermoeden.
Artikel 5 van de wet van 21 februari 2024 wijzigt artikel 1649quinquies van het oud Burgerlijk Wetboek dat de rechtsmiddelen omschrijft waarover de consument beschikt tegen de verkoper in de gevallen waarin de verkoper aansprakelijk is. De hiërarchie van de rechtsmiddelen zoals bepaald voor de reguliere consumptiegoederen, met name eerst de herstelling of vervanging en vervolgens de prijsvermindering of ontbinding, blijft gelden onder voorbehoud van bepaalde afwijkingen. Op die manier kan rekening worden gehouden met het feit dat de consument die zich aan het dier heeft gehecht, weinig interesse heeft in de vervanging van het dier of in een ontbinding van de overeenkomst.
Artikel 7 van de wet van 21 februari 2024 voert een overgangsbepaling in voor de overeenkomsten betreffende de verkoop van levende dieren die tussen een verkoper en een consument werden gesloten in de periode van 1 juni 2022 tot 1 mei 2024.
Artikel 9 regelt de datum van inwerkingtreding van de wet van 21 februari 2024, te weten 1 mei 2024.
B.2.1. De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 februari 2024 vermeldt :
« Dit ontwerp beoogt de bijzondere bepalingen voor de verkoop van levende dieren in de garantieregeling op te nemen. Deze regeling moet rekening houden met alle specifieke kenmerken van dieren. Deze laatste kunnen niet worden behandeld als louter voorwerpen, het zijn wezens met een gevoelsleven die evolueren, een emotionele band met hun eigenaar ontwikkelen en derhalve niet kunnen worden vervangen of hersteld als louter consumptiegoed »
(Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/006, pp. 3-4).
« Meer concreet is het de betrachting een evenwichtig regime uit te werken, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de consument, de belangen van de verkoper, de rechtszekerheid en de fysieke en mentale gezondheid van het dier » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/001, p. 5).
6
B.2.2. Het toepassingsgebied van de wet van 21 februari 2024 is beperkt tot koopovereenkomsten tussen een consument, « dit is een natuurlijk persoon die het dier voor privédoeleinden aankoopt », en een professioneel verkoper, « dit is een verkoper die optreedt in het kader van een beroepsactiviteit » (ibid., p. 6).
De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 februari 2024 verduidelijkt :
« Noch overeenkomsten tussen twee personen die elk optreden in het kader van hun beroepsactiviteit (bijvoorbeeld een overeenkomst betreffende de verkoop van een paard gesloten tussen een professionele verkoper en een professionele koper), noch overeenkomsten tussen twee personen die elk optreden buiten beroepsactiviteit (bijvoorbeeld een consument koopt een kitten van een particulier die bij toeval één nestje heeft) zijn aan de garantieregeling voor consumptiegoederen onderworpen » (ibid.).
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
B.3.1. De Ministerraad voert aan dat het vernietigingsberoep onontvankelijk is, wegens gebrek aan belang in hoofde van de verzoekende partij, de vzw « Global Action in the Interest of Animals » (GAIA).
B.3.2. Wanneer een vereniging zonder winstoogmerk die niet haar persoonlijk belang aanvoert, voor het Hof optreedt, is vereist dat haar statutair doel van bijzondere aard is en, derhalve, onderscheiden van het algemeen belang; dat zij een collectief belang verdedigt; dat haar doel door de bestreden norm kan worden geraakt; dat ten slotte niet blijkt dat dit doel niet of niet meer werkelijk wordt nagestreefd.
B.3.3. In zoverre de vzw « GAIA » aanvoert, met verwijzing naar haar statuten en naar haar activiteiten, dat zij zich tot doel stelt op te komen voor de rechten en de belangen van dieren, doet zij blijken van een voldoende belang bij haar vernietigingsberoep.
7
Ten gronde
Wat betreft het eerste middel met betrekking tot de bevoegdheidsverdeling
B.4. De verzoekende partij vordert de vernietiging van de wet van 21 februari 2024, wegens schending van bevoegdheidverdelende regels. Volgens de verzoekende partij heeft de wet van 21 februari 2024 betrekking op het « dierenwelzijn », dat een gewestbevoegdheid is, hetgeen zou worden aangetoond door het bestaan van het garantiecertificaat in het Vlaamse Gewest.
B.5. Artikel 6 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980) bepaalt :
« § 1. De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn :
[...]
VI. Wat de economie betreft :
[...]
De federale overheid is met dit doel bevoegd om algemene regels vast te stellen inzake :
[...]
2° de bescherming van de verbruiker;
[...] ».
B.6. Artikel 6, § 1, XI, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt dat de gewesten bevoegd zijn voor « het dierenwelzijn ».
B.7.1. Het bevoegdheidsvoorbehoud ten aanzien van de federale overheid inzake de bescherming van de consument is vervat in artikel 6, § 1, VI, vierde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 teneinde de uitvoering te verzekeren van de beginselen die zijn opgenomen in het derde lid van dezelfde bepaling, dat bepaalt :
« In economische aangelegenheden oefenen de Gewesten hun bevoegdheden uit met inachtneming van de beginselen van het vrije verkeer van personen, goederen, diensten en
8
kapitalen en van de vrijheid van handel en nijverheid, alsook met inachtneming van het algemeen normatief kader van de economische unie en de monetaire eenheid, zoals vastgesteld door of krachtens de wet, en door of krachtens de internationale verdragen ».
De parlementaire voorbereiding van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 vermeldt :
« De vrijwaring van de economische unie en de monetaire eenheid gebeurt eveneens door naleving van de normen inzake de overheidsopdrachten, de bescherming van de verbruiker, de bedrijfsorganisatie en de maxima inzake economische expansiehulp aan ondernemingen. Deze normen blijven tot de bevoegdheid van de nationale overheid behoren. In deze aangelegenheden heeft de nationale overheid de bevoegdheid om de grote principes vast te leggen in organieke regels (het algemeen kader). Zowel de nationale overheid als de Gewesten zijn gehouden het aldus vastgestelde algemeen normatief kader te eerbiedigen. Nochtans kunnen de Gewesten dit vervolledigen, ook via normatieve weg, teneinde een beleid te voeren aangepast aan hun behoeften voor zover ze niet strijdig zijn met het normatief kader bepaald door de nationale overheid.
[...]
- met ‘ de bescherming van de verbruiker ’ worden de minimanormen bedoeld inzake veiligheid en kwaliteit van produkten en diensten; » (Parl. St., Kamer, B.Z. 1988, nr. 516/1, p. 10).
B.7.2. Daaruit volgt dat de federale overheid, op grond van artikel 6, § 1, VI, vierde lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, ertoe gemachtigd is de algemene regels inzake consumentenbescherming vast te stellen, alsook de specifieke regels met betrekking tot bepaalde overeenkomsten in het bijzonder, zoals te dezen de verkoop van levende dieren aan consumenten door professionele verkopers, onverminderd de mogelijkheid van de gewesten om die aangelegenheid, met inachtneming van de economische beginselen vervat in artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, aan bijkomende kwalitatieve voorwaarden te onderwerpen op grond van hun bevoegdheid inzake het dierenwelzijn.
B.7.3. Het garantiecertificaat voor honden en katten, waarnaar de verzoekende partij verwijst, wordt geregeld in artikel 30 en bijlage XI van het koninklijk besluit van 27 april 2007
« houdende erkenningsvoorwaarden voor inrichtingen voor dieren en de voorwaarden inzake de verhandeling van dieren » en vindt zijn rechtsgrond in artikel 10 van de wet van 14 augustus 1986 « betreffende de bescherming en het welzijn der dieren », dat bepaalt :
« De Koning kan voorwaarden opleggen aan de verhandeling van dieren met het doel hen te beschermen en hun welzijn te verzekeren.
9
Deze voorwaarden mogen slechts betrekking hebben op de leeftijd van de te koop aangeboden dieren, de identificatie, de informatie aan de koper, de waarborgen aan de koper en de getuigschriften in verband hiermede, de preventieve behandeling tegen ziekten, de verpakking, de aanbieding en de tentoonstelling voor de verhandeling ».
Het garantiecertificaat is onderdeel van de regeling inzake dierenwelzijn. Artikel 24 van de bijzondere wet van 6 januari 2014 met betrekking tot de Zesde Staatshervorming heeft de aangelegenheid betreffende het dierenwelzijn aan de gewesten toegewezen.
B.8. De bestreden bepalingen, die betrekking hebben op de conformiteitscriteria, de informatieplichten, de aansprakelijkheid van de verkoper en de rechtsmiddelen van de koper, bieden in de eerste plaats bescherming aan de consument. Zij behoren aldus tot de bevoegdheid van de federale wetgever inzake « de bescherming van de verbruiker ». De vaststelling dat de betrokken regeling ook het welzijn van de verkochte dieren ten goede komt, doet daaraan geen afbreuk. Op grond van artikel 7bis, tweede lid, van de Grondwet, moet ook de federale wetgever bij de uitoefening van zijn bevoegdheden streven naar bescherming van en zorg voor dieren als wezens met gevoel.
B.9. In de uitoefening van zijn bevoegdheden dient de federale wetgever evenwel het evenredigheidsbeginsel, dat inherent is aan elke bevoegdheidsuitoefening, in acht te nemen. Hij moet derhalve erover waken dat hij de uitoefening van de gewestbevoegdheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt.
Zoals is vermeld in B.7.2, verhindert de bestreden regeling de gewesten niet om de verkoop van levende dieren aan bijkomende kwalitatieve voorwaarden te onderwerpen op grond van hun bevoegdheid inzake het dierenwelzijn, zodat zij de uitoefening van die bevoegdheid niet in de weg staat.
B.10. Het eerste middel is niet gegrond.
10
Wat betreft het tweede middel met betrekking tot de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel
B.11.1. De verzoekende partij voert de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet door artikel 4, 1°, 2° en 3°, van de wet van 21 februari 2024, alsook door artikel 5, 5°, van dezelfde wet, meer bepaald door de zinsnede « met dien verstande dat de kosten die door de verkoper in voorkomend geval moeten worden gedragen met het oog op de genezing van het dier niet meer kunnen bedragen dan : - driehonderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier tussen 0,01 euro en 500 euro; - tweehonderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier tussen 500,01 euro en 1500 euro; - honderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier die meer bedraagt dan 1500,01 euro » en de zinnen « Tenzij het dier is overleden als gevolg van een conformiteitsgebrek, stelt de consument het dier bij een herstelling of vervanging onverwijld ter beschikking van de verkoper. De verkoper neemt het te vervangen dier op zijn kosten terug ».
Het eerste onderdeel van het tweede middel gaat uit van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat voor het verschil in behandeling van de consumenten die levende dieren kopen en de consumenten die reguliere consumptiegoederen kopen, wat betreft de waarborgtermijn, de kennisgevingstermijn van het conformiteitsgebrek en de beperking van de aansprakelijkheid van de verkoper voor de terugbetaling van de herstelkosten, geen redelijke verantwoording zou bestaan.
Het tweede onderdeel van het tweede middel gaat uit van een schending van het gelijkheidsbeginsel omdat voor de gelijke behandeling van de consumenten die levende dieren kopen en de consumenten die reguliere consumptiegoederen kopen, wat de terugnameplicht betreft, geen redelijke verantwoording zou bestaan.
B.11.2. Artikel 1649quater van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals gewijzigd door artikel 4, 1°, 2° en 3°, van de wet van 21 februari 2024, bepaalt (de wijzigingen zijn cursief weergegeven) :
« § 1. De verkoper is jegens de consument aansprakelijk voor elk conformiteitsgebrek dat bestaat bij de levering van de consumptiegoederen en dat zich manifesteert binnen een termijn van twee jaar te rekenen vanaf voornoemde levering. Deze termijn bedraagt evenwel één jaar
11
indien het consumptiegoed een dier is, tenzij de verkoper in voorkomend geval de door of krachtens de wet vereiste erkennings-, vergunnings-, quarantaine-, of kwekerijvoorwaarden niet heeft gerespecteerd.
[...]
§ 2. De consument moet de verkoper op de hoogte brengen van het conformiteitsgebrek binnen de twee maanden vanaf de dag waarop de consument het gebrek heeft vastgesteld. De verkoper en de consument kunnen een langere termijn overeenkomen.
In afwijking van het eerste lid moet de consument, indien het consumptiegoed een dier is, de verkoper onverwijld in kennis stellen van het conformiteitsgebrek zodra dit gebrek zich op een voldoende duidelijke wijze heeft gemanifesteerd.
[...]
§ 4. Manifesteert zich een conformiteitsgebrek binnen een termijn van twee jaar vanaf de levering van het consumptiegoed, dan geldt tot bewijs van het tegendeel het vermoeden dat dit gebrek bestond op het tijdstip van levering, tenzij dit vermoeden onverenigbaar is met de aard van het consumptiegoed of met de aard van het conformiteitsgebrek, door onder andere rekening te houden met het feit of het consumptiegoed nieuw dan wel tweedehands is.
In afwijking van het eerste lid bedraagt deze termijn één jaar indien het consumptiegoed een dier is.
[...] ».
Artikel 1649quinquies, § 3/1, van het oud Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 5, 5°, van de wet van 21 februari 2024, bepaalt :
« In afwijking van paragraaf 3 wordt de herstelling of vervanging geregeld door deze paragraaf indien het consumptiegoed een dier is.
Elke herstelling of vervanging wordt verricht :
1° kosteloos, met dien verstande dat de kosten die door de verkoper in voorkomend geval moeten worden gedragen met het oog op de genezing van het dier niet meer kunnen bedragen dan :
– driehonderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier tussen 0,01 euro en 500 euro;
– tweehonderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier tussen 500,01 euro en 1500 euro;
– honderd procent op de schijf van de aankoopprijs van het dier die meer bedraagt dan 1500,01 euro;
12
2° binnen een redelijke termijn na het tijdstip waarop de verkoper door de consument in kennis is gesteld van het conformiteitsgebrek, met dien verstande dat de verkoper in voorkomend geval zo snel als mogelijk de nodige maatregelen dient te nemen met het oog op de genezing van het dier; en
3° zonder ernstige overlast voor de consument of het dier.
De verkoper wijst de consument zowel in de overeenkomst als bij de uitoefening van het recht op herstelling van het dier op het bestaan van de in het tweede lid, 1°, bedoelde beperking.
De in het tweede lid, 1°, bedoelde beperking is niet van toepassing indien de verkoper te kwader trouw was of in voorkomend geval de door of krachtens de wet vereiste erkennings-, vergunnings-, quarantaine- of kwekerijvoorwaarden niet heeft gerespecteerd.
Tenzij het dier is overleden als gevolg van een conformiteitsgebrek, stelt de consument het dier bij een herstelling of vervanging onverwijld ter beschikking van de verkoper. De verkoper neemt het te vervangen dier op zijn kosten terug.
In afwijking van het vijfde lid kan de consument, met het oog op de genezing van het dier, een dierenarts naar keuze consulteren indien diens onmiddellijke tussenkomst voor de gezondheid van het dier redelijkerwijze noodzakelijk is. In voorkomend geval heeft de consument recht op een schadevergoeding ten belope van de kosten die de verkoper redelijkerwijze zelf had moeten dragen met het oog op de genezing van het dier indien het dier hem ter beschikking zou zijn gesteld. Het komt aan de verkoper toe om, in voorkomend geval, de onredelijke aard van de ingeroepen kosten aan te tonen. De beperking en de uitzondering bedoeld in het tweede lid, 1°, zijn onverkort van toepassing.
De consument die zich op het zesde lid wenst te beroepen, maakt aannemelijk dat voor de gezondheid van het dier een onmiddellijke tussenkomst van een dierenarts redelijkerwijze noodzakelijk was. Hij stelt de verkoper onverwijld op de hoogte van de tussenkomst van de dierenarts. Op vraag van de verkoper, bezorgt de consument de relevante bewijsstukken die de gemaakte kosten staven.
De consument is niet gehouden om te betalen voor het normaal gebruik of genot van het vervangen dier tijdens de periode die aan de vervanging voorafgaat.
Een vervanging ontbindt automatisch de bestaande koopovereenkomst en doet een nieuwe koopovereenkomst ontstaan, met daarbij horende aansprakelijkheidsregeling zoals vervat in deze afdeling.
De Koning kan, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad, overgaan tot de aanpassing van de bedragen of percentages van de beperking bedoeld in het tweede lid, 1° ».
B.12.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een
13
objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.12.2. De wetgever beschikt in sociaaleconomische aangelegenheden over een ruime beoordelingsvrijheid. Dat geldt met name wat de bescherming van de consumenten betreft, maar ook wanneer het dierenwelzijn in het geding is (zie o.a. arrest nr. 134/2016 van 20 oktober 2016,
ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.134
, B.8).
1. Het verschil in behandeling van de consumenten die levende dieren kopen en de consumenten die reguliere consumptiegoederen kopen, wat de garantieregeling betreft (het eerste onderdeel van het tweede middel)
B.13. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is de categorie van consumenten die levende dieren kopen vergelijkbaar met de categorie van consumenten die reguliere consumptiegoederen kopen, wat betreft de garantieregeling voor de koper. Voor de toepassing van afdeling IV in hoofdstuk IV van titel VI van boek III van het Oud Burgerlijk Wetboek wordt een « dier » nog steeds aanzien als een « consumptiegoed » (artikel 1649bis, § 1, 4°, c), van het oud Burgerlijk Wetboek), waardoor, tenzij het expliciet anders is vermeld, alle bepalingen van de artikelen 1649bis tot 1649nonies van het oud Burgerlijk Wetboek van toepassing zijn op levende dieren.
Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet met elkaar worden verward. Het verschil tussen een levend dier en een regulier consumptiegoed kan weliswaar een element vormen bij de beoordeling van het verschil in behandeling, maar volstaat niet om te besluiten tot de
14
niet-vergelijkbaarheid, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan.
B.14. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium, namelijk het feit of het consumptiegoed al dan niet een levend dier is, waarbij onder « dier » moet worden verstaan een « meercellig levend organisme dat in staat is om te bewegen en te reageren op zijn omgeving door middel van zintuigen en dat niet bestemd is voor humane consumptie, noch dient als aas of dierenvoer » (artikel 1649bis, § 1, 14°, van het oud Burgerlijk Wetboek).
B.15. Zoals vermeld in B.2.1, is het de bedoeling van de federale wetgever om een evenwichtige regeling uit te werken waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de consument, de belangen van de verkoper, de rechtszekerheid en de fysieke en mentale gezondheid van het dier, hetgeen legitieme doelstellingen zijn.
B.16.1. Wat de waarborgtermijn betreft (eerste grief van het eerste onderdeel van het tweede middel), wordt de aansprakelijkheid van de verkoper van levende dieren beperkt tot de gebreken die zich manifesteren gedurende een periode van één jaar te rekenen vanaf de levering. De termijn van één jaar is korter dan de gemene termijn van twee jaar die geldt voor reguliere consumptiegoederen (artikel 1649quater, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek).
De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 februari 2024 vermeldt :
« De kortere termijn wordt gerechtvaardigd door het feit dat het gaat om een levend dier, dat enorm interageert met zijn onmiddellijke omgeving en afhangt van een correcte verzorging door zijn eigenaar. Na het verstrijken van deze termijn zijn de gemeenrechtelijke bepalingen met betrekking tot de vrijwaring voor de verborgen gebreken van de verkochte zaak onverminderd van toepassing » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/001, p. 8).
B.16.2. Wat de termijn voor de kennisgeving van een conformiteitsgebrek betreft (tweede grief van het eerste onderdeel van het tweede middel), bepaalt artikel 1649quater, § 2, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek dat de verkoper onverwijld in kennis moet worden gesteld van het conformiteitsgebrek, zodra dat gebrek zich op een voldoende duidelijke wijze heeft gemanifesteerd. Voor de reguliere consumptiegoederen bedraagt de termijn twee maanden vanaf de dag waarop de consument het gebrek heeft vastgesteld (artikel 1649quater, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek). Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van
15
21 februari 2024 is een onverwijlde kennisgeving vereist « omdat gebreken bij levende dieren een sneller optreden vereisen om te vermijden dat er bijkomende/blijvende schade ontstaat, alsook met het oog op het verzekeren van de gezondheid van het dier » (ibid., p. 9).
B.16.3. Wat de beperking van de aansprakelijkheid van de verkoper voor de terugbetaling van de herstelkosten betreft (derde grief van het eerste onderdeel van het tweede middel), wordt gewerkt met een trapsgewijze beperking die rekening houdt met de hoogte van de aankoopprijs.
Voor de reguliere consumptiegoederen geldt er geen beperking (artikel 1649quinquies, § 3, van het oud Burgerlijk Wetboek). De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 februari 2024
vermeldt :
« Dit amendement [nr. 8] tracht een nog groter evenwicht te bereiken tussen de belangen van de consument en die van de verkoper.
Tegelijkertijd wordt ook bepaald dat deze bedragen of percentages in de toekomst nog kunnen aangepast worden via een koninklijk besluit, als uit de praktijk zou blijken dat dit noodzakelijk is » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/004, p. 6).
Vóór het invoeren van de trapsgewijze beperking ingevolge het amendement nr. 8 was in het wetsontwerp « tot wijziging van de bepalingen van het oud Burgerlijk Wetboek met betrekking tot de verkopen aan consumenten » reeds geopteerd voor een beperking van de terugbetaling van dierenartskosten tot maximaal 130 %. De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 februari 2024 vermeldt :
« Er moet, indien geopteerd wordt voor een genezing, niet enkel rekening worden gehouden met de belangen van de consument en de gezondheid van het dier, doch tevens met de belangen van de verkoper. Indien de consument opteert voor herstelling in de vorm van genezing van het dier en de kost daarvan disproportioneel is ten aanzien van de overige remedies, dan kan niet van de verkoper verwacht worden dat hij deze kost volledig draagt. (vgl.
HvJ 16 juni 2011 C-65/09, Weber en Putz). [...] Additionele kosten moeten door de consument, die blijft opteren voor genezing, gedragen worden, tenzij de verkoper te kwader trouw was bij de verkoop van het dier of, in voorkomend geval, de door of krachtens de wet vereiste erkennings-, vergunnings- of fokkerijvoorwaarden niet heeft gerespecteerd » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/001, p. 11).
B.17.1. De verschillen die bestaan tussen de garantieregeling voor reguliere consumptiegoederen en de garantieregeling voor levende dieren worden verantwoord door de vaststelling dat de verkoop een levend dier behelst dat interageert met zijn onmiddellijke omgeving en waarvan de gezondheid afhangt van een correcte verzorging door zijn eigenaar.
16
Rekening houdende met de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever, biedt het feit dat de gezondheid van een dier afhankelijk is van zijn onmiddellijke omgeving en een correcte verzorging een objectieve en redelijke verantwoording voor de verschillende waarborgtermijn.
De koper beschikt bovendien over de mogelijkheid om zich op de vrijwaring voor de verborgen gebreken te beroepen (artikel 1649quater, § 5, van het oud Burgerlijk Wetboek).
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond is.
B.17.2. De vereiste van de onverwijlde kennisgeving van het conformiteitsgebrek wordt verantwoord door de vaststelling dat gebreken bij levende dieren een snel optreden vereisen om te vermijden dat bijkomende of blijvende schade voor de dieren zou ontstaan, alsook om de gezondheid van de dieren te verzekeren. De verkoper moet de kans krijgen om het dier in overeenstemming te brengen met de verkoopovereenkomst, omdat « de voorrang van het kosteloze herstel of de kosteloze vervanging [...] niet enkel [geldt] voor de consument, maar ook voor de verkoper » (Cass., 18 juni 2020,
ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.30
).
Maar dat betekent niet dat de consument die het gezondheidsprobleem niet onmiddellijk meldt, zijn rechten verliest onder de wettelijke garantie, aangezien hij de verkoper naderhand nog aansprakelijk zal kunnen stellen, zonder hem evenwel aansprakelijk te kunnen stellen voor de verergering van de schade aan het levende dier (het niet aangevochten artikel 1649quinquies, § 1, derde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek).
Bovendien bepaalt artikel 1649quinquies, § 3/1, zesde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek dat, wanneer de gezondheid van het dier, met het oog op zijn genezing, een onmiddellijke tussenkomst vereist van een dierenarts, zonder voorafgaande kennisgeving aan de verkoper, de consument een dierenarts naar keuze mag raadplegen, waarbij de consument recht heeft op een schadevergoeding « ten belope van de kosten die de verkoper redelijkerwijze zelf had moeten dragen met het oog op de genezing van het dier indien het dier hem ter beschikking zou zijn gesteld ».
Tot slot staat het aan de verkoper om aan te tonen dat de kennisgeving door de consument niet tijdig was (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/001, p. 9).
17
Gelet op die elementen is het verschil in behandeling, wat betreft de kennisgevingstermijn, redelijk verantwoord en is de tweede grief van het eerste onderdeel van het tweede middel niet gegrond.
B.17.3. De beperking van de aansprakelijkheid van de verkoper voor de terugbetaling van herstelkosten, zoals bepaald in artikel 1649quinquies, § 3/1, van het oud Burgerlijk Wetboek, wordt door de wetgever verantwoord door de noodzaak van het bewerkstelligen van een groter evenwicht tussen de belangen van de consument en die van de verkoper. Wanneer de kosten voor de genezing van het levende dier onevenredig zijn, kan van de verkoper niet worden verwacht dat hij die kosten volledig terugbetaalt.
Artikel 1649quinquies, § 4, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt als algemene regel dat, wanneer de kosten voor het herstel van een consumptiegoed onevenredig zouden zijn, de consument moet terugvallen op de secundaire remedies van koopontbinding en prijsvermindering. Dat betekent dat, wanneer de kosten niet onevenredig zijn, rekening houdend met alle omstandigheden, de verkoper de herstelkosten dient te dragen, maar dat de totale kosten bepaalde limieten niet kunnen overschrijden (artikel 1649quinquies, § 3/1). De beperking van de aansprakelijkheid voor de terugbetaling van de herstelkosten geldt niet wanneer de verkoper « te kwader trouw was of in voorkomend geval de door of krachtens de wet vereiste erkennings-, vergunnings-, quarantaine- of kwekerijvoorwaarden niet heeft gerespecteerd » (artikel 1649quinquies, § 3/1, vierde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek).
Het verschil in behandeling, wat betreft de beperking van de aansprakelijkheid van de bonafide verkoper voor de terugbetaling van de herstelkosten, wordt verantwoord door de vaststelling dat een koper van een levend dier veelal zal opteren voor een herstelling in plaats van een vervanging of ontbinding, omdat de consument zich aan het levend dier heeft gehecht (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/001, p. 10) en dat dier voor de consument uniek is. Dienvolgens kan van de consument worden verwacht dat hij een deel van de kosten dient te dragen wanneer hij om emotionele redenen een herstelling wenst en die herstelkosten bepaalde grenzen overschrijden.
Bovendien bieden de wettelijke grenzen rechtszekerheid, zowel voor de consument als voor de verkoper, over de hoegrootheid van de herstelkosten die op de verkoper zullen kunnen
18
worden verhaald. Indien de kosten van het herstel hoger zijn dan de grenzen bepaald in artikel 1649quinquies, § 3/1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, kan de consument nog steeds ervoor opteren het herstel niet te laten verrichten en de ontbinding of een evenredige prijsvermindering aan de verkoper te vragen (artikel 1649quinquies, § 5, eerste lid, 6°, van het oud Burgerlijk Wetboek).
Uit hetgeen voorafgaat volgt dat het verschil in behandeling wat betreft de beperking van de aansprakelijkheid van de verkoper voor de terugbetaling van de herstelkosten, redelijk verantwoord is.
B.18. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond.
2. De gelijke behandeling van de consumenten die levende dieren kopen en de consumenten die reguliere consumptiegoederen kopen, wat de terugnameplicht betreft (tweede onderdeel van het tweede middel)
B.19. Door de bestreden passage in artikel 5, 5°, van de wet van 21 februari 2024 « Tenzij het dier is overleden als gevolg van een conformiteitsgebrek, stelt de consument het dier bij een herstelling of vervanging onverwijld ter beschikking van de verkoper. De verkoper neemt het te vervangen dier op zijn kosten terug », ontstaat een gelijke behandeling voor levende dieren en reguliere consumptiegoederen (artikel 1649quinquies, § 3, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek), wat betreft de terugnameplicht. Het behandelt de koper van een levend dier en de koper van een regulier consumptiegoed op dezelfde manier, terwijl een levend dier, in tegenstelling tot een regulier consumptiegoed, een gevoelsleven heeft dat evolueert en een emotionele band ontwikkelt met zijn eigenaar (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/006, p. 3), zodat beide categorieën van consumptiegoederen zich in een verschillende situatie bevinden. Een gelijke behandeling van wezenlijk verschillende situaties is onverenigbaar met het gelijkheidsbeginsel, tenzij ze redelijk verantwoord is.
B.20.1. Vooreerst blijft de algemene regel van artikel 1649quinquies, § 2, van het oud Burgerlijk Wetboek gelden zodat consumenten steeds de keuze blijven hebben tussen een herstelling – in geval van een dier vaak genezing – of een vervanging door de verkoper van het levende dier. De verkoper moet die keuze respecteren « tenzij de gekozen remedie onmogelijk
19
is of in vergelijking met de andere remedies voor de verkoper onevenredige kosten met zich mee zou brengen, rekening houdend met alle omstandigheden » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/004, p. 6).
B.20.2. Vervolgens bepaalt artikel 1649quinquies, § 3/1, zesde lid, van het oud Burgerlijk Wetboek dat de consument, in plaats van het dier te laten herstellen of te laten vervangen door de verkoper, zelf een dierenarts naar keuze mag consulteren als de onmiddellijke tussenkomst van de dierenarts voor de gezondheid van het dier redelijkerwijze noodzakelijk is.
De parlementaire voorbereiding van de wet van 21 februari 2024 vermeldt :
« Daar waar de herstelling als remedie geweigerd wordt door de verkoper omdat dit manifest in strijd is met de gezondheid van het dier, dient de beslissing hiertoe in voorkomend geval door de betrokken dierenarts(en) te worden genomen en dit met eerbiediging van de code der plichtenleer van de dierenartsen. Als gevolg hiervan rest de consument dan enkel vervanging, prijsvermindering (met behoud van dier) of ontbinding (teruggave van dier en terugbetaling aankoopprijs) als remedie » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3330/001, p. 11).
B.20.3. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat de gelijke behandeling van de verkopers van levende dieren en reguliere consumptiegoederen, wat betreft de terugnameplicht, redelijk verantwoord is.
B.21. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond.
20
Om die redenen,
het Hof
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 27 november 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.151
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200618.1N.30
ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240611.2N.21
ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.134
ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.011
ECLI:BE:GHCC:2021:ARR.118
ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.114
ECLI:BE:RVSCE:2020:ARR.247.721
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==