ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.149
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-11-13
🌐 FR
Arrest
vernietigd
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 augustus 2012, 15 mei 2024, 18 februari 2014, 19 december 2023, 24 juni 1955
Samenvatting
de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II », ingesteld door Pierre Thiriar en door de Orde van Vlaamse balies.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.149
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 13 november 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.149
Arrest- Rolnummer:
149/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-11-24
Raadplegingen:
76 - laatst gezien 2025-12-15 14:46
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
1. Vernietiging (artikel 725bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek,
zoals ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 « houdende
bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II
», in zoverre het niet waarborgt dat de vertegenwoordigers van de rechterlijke
orde in het gemeenschappelijk beheerscomité, bedoeld in artikel 42, eerste
lid, van de wet van 18 februari 2014 « betreffende de invoering van een
verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie », zich steeds
zouden kunnen verzetten tegen ontwikkelingen, gebruiken of misbruiken
met betrekking tot het Centraal register die hun onafhankelijkheid of
het vertrouwen in het bijhouden van de daarin opgenomen gegevens zouden
aantasten) 2. Verwerping van de beroepen voor het overige
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 mei 2024
« houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen
II », ingesteld door Pierre Thiriar en door de Orde van Vlaamse balies.
Gerechtelijk recht - Modernisering en digitalisering van justitie - Centraal
register van dossiers van de rechtspleging - Beheerscomité van het Centraal
register - Toegang tot het Centraal register
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 149/2025
van 13 november 2025
Rolnummers : 8369 en 8372
In zake : de beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II », ingesteld door Pierre Thiriar en door de Orde van Vlaamse balies.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging
Bij twee verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 27 en 28 november 2024
ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 28 en 29 november 2024, zijn beroepen tot gedeeltelijke vernietiging van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2024) ingesteld respectievelijk door Pierre Thiriar en door de Orde van Vlaamse balies, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Frank Judo, mr. Cedric Jenart en mr. Louise Janssens, advocaten bij de balie te Brussel.
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8369 en 8372 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patrik De Maeyer en mr. Daisy Daniels, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend.
2
Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen.
Ingevolge het verzoek van de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 16 juli 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 1 oktober 2025.
Op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2025 :
- zijn verschenen :
. Pierre Thiriar, verzoekende partij in de zaak nr. 8369, in eigen persoon;
. mr. Louise Janssens, tevens loco mr. Frank Judo en mr. Cedric Jenart, voor de verzoekende partij in de zaak nr. 8372;
. mr. Daisy Daniels en mr. Julien Jouve, advocaat bij de balie te Brussel, loco mr. Patrik De Maeyer, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde partijen gehoord;
- zijn de zaken in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 8369
A.1.1. Het eerste middel in de zaak nr. 8369 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 15, 21 en 22 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II »
(hierna : de wet van 15 mei 2024), van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
A.1.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, is het middel volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8369 ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de artikelen 15 en 21 van de wet van 15 mei 2024. De artikelen 15, 21 en 22 van die wet zijn immers onlosmakelijk met elkaar verbonden.
A.1.3. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8369 hebben de bestreden bepalingen als gevolg dat de griffiers niet langer authenticiteit verlenen aan de procedurestukken die deel uitmaken van de dossiers van de rechtspleging. Voortaan vloeit het authentieke karakter van die stukken voort uit de opname ervan in het Centraal
3
register van dossiers van de rechtspleging (hierna : het Centraal register), dat wordt beheerd door de uitvoerende macht. Aldus roepen de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, de magistraten van de rechterlijke orde en, anderzijds, de magistraten van het Grondwettelijk Hof en van de administratieve rechtscolleges, waaronder de Raad van State. De magistraten van die laatste rechtscolleges oefenen hun rechtsprekende functie uit zonder inmenging van de uitvoerende macht. Daarnaast roepen de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, partijen in een procedure bij de hoven en rechtbanken en, anderzijds, partijen in een procedure bij het Grondwettelijk Hof of een administratief rechtscollege. Enkel de laatstgenoemde procespartijen kunnen erop vertrouwen dat hun zaak in volledige onafhankelijkheid en zonder inmenging van de uitvoerende macht wordt berecht, met name wat betreft het beheer van het dossier van de rechtspleging. Zulks is eveneens in strijd met het recht op een eerlijk proces.
Rechtzoekenden moeten erop kunnen vertrouwen dat hun zaak wordt beoordeeld door een onafhankelijke rechter, zonder dat de uitvoerende macht invloed kan uitoefenen op de toegang tot of de inhoud van de procedurestukken.
Tot slot roepen de bestreden bepalingen een verschil in behandeling in het leven tussen, enerzijds, de leden van de rechterlijke macht en, anderzijds, de leden van de uitvoerende en de wetgevende macht. Enkel die laatsten kunnen onafhankelijk hun dossiers beheren en authenticiteit verlenen aan hun handelingen en akten.
A.2.1. Volgens de Ministerraad blijkt niet uit de uiteenzetting van het middel in het verzoekschrift in welk opzicht de artikelen 15 en 21 van de wet van 15 mei 2024 in strijd zouden zijn met de aangevoerde toetsingsnormen. Het middel is daarom slechts ontvankelijk in zoverre het is gericht tegen artikel 22 van de wet van 15 mei 2024. Een eventuele vernietiging dient bovendien te worden beperkt tot de bij die bepaling ingevoegde paragraaf 3 van artikel 725bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek, aangezien de kritieken van de verzoekende partij in de zaak nr. 8369 enkel betrekking hebben op de wijze waarop het Centraal register wordt beheerd.
A.2.2. De Ministerraad vervolgt dat artikel 725bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek aan de beheerder van het Centraal register geen bevoegdheden toekent met betrekking tot de authenticiteit en de inhoud van de individuele dossiers van de rechtspleging. De beheerder staat slechts in voor de werking van het Centraal register en de controle daarop. Uitsluitend personen met een gerechtelijk ambt, met name de griffiers, zijn bevoegd om de inhoud van de in het Centraal register opgenomen dossiers van de rechtspleging te bepalen. Zulks blijkt eveneens uit het feit dat de door de Koning te bepalen technische en materiële regels voor de inrichting en werking van het Centraal register « geen invloed kunnen hebben op de inhoud of de begrijpelijkheid van de in het Centraal register opgenomen dossiers van de rechtspleging » (artikel 725bis/1, § 7, van het Gerechtelijk Wetboek), alsook uit artikel 722 van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 16 van de wet van 15 mei 2024. Er is geen sprake van enige inmenging door de uitvoerende macht en evenmin komt de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in het gedrang, zoals ook blijkt uit het arrest van het Hof nr. 9/2025 van 30 januari 2025
(
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.009
) met betrekking tot het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde. Artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, aldus de Ministerraad.
Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 8369
A.3.1. Het tweede middel in de zaak nr. 8369 is afgeleid uit de schending, door de artikelen 15, 21 en 22 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 40 en 151, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met titel II (« De Belgen en hun rechten ») ervan en met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In haar memorie van antwoord voert de verzoekende partij bovendien aan dat de bestreden bepalingen ook in strijd zijn met de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) ».
A.3.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 8369 zet uiteen dat de artikelen 40 en 151, § 1, van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht verankeren, hetgeen noodzakelijk is om de rechten en vrijheden bedoeld in titel II van de Grondwet te waarborgen.
In haar memorie van antwoord preciseert de verzoekende partij dat titel II van de Grondwet onder meer bestaat uit de artikelen 13 en 23, die respectievelijk het recht op een « natuurlijke rechter » en het recht op de eerbiediging van de fundamentele rechten, waaronder het recht op rechtszekerheid, waarborgen. Zij vervolgt dat, krachtens artikel 168, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, de griffier een gerechtelijke functie uitoefent, en onder meer de akten verlijdt waarmee hij belast is, alsook de minuten, registers en akten van het gerecht bewaart en daarvan uitgiften, uittreksels of afschriften afgeeft. De bestreden bepalingen onttrekken die taken aan de griffier en wijzen die toe aan het gemeenschappelijk beheerscomité bedoeld in artikel 42 van de wet van 18 februari 2014
4
« betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie » (hierna : de wet van 18 februari 2014), dat is ingesteld bij de Federale Overheidsdienst Justitie. Die overheidsdienst is voortaan bevoegd voor het bijhouden en beheren van de authentieke bron van de dossiers van de rechtspleging van de rechterlijke macht, en krijgt ook een rechtstreekse toegang tot die dossiers. De uitvoerende macht, met name de Federale Overheidsdienst Justitie, is regelmatig partij in de procedures bij de hoven en rechtbanken. Overigens gaan er specifieke risico’s gepaard met de digitalisering van justitie en met het gebruik van geautomatiseerde en algoritmische systemen in gerechtelijke procedures. De digitalisering van justitie geeft vaak aanleiding tot het verzamelen en bewaren van grote hoeveelheden gevoelige informatie.
De verzoekende partij in de zaak nr. 8369 verwijst voorts naar verschillende bepalingen van titel IV (« Beheer van de rechterlijke organisatie ») van het eerste boek (« Organen van de rechterlijke macht ») van deel II van het Gerechtelijk Wetboek. Zij voert aan dat er geen sprake is van een daadwerkelijke verzelfstandiging van het beheer van de gerechtelijke entiteiten. In werkelijkheid wordt dat beheer uitgeoefend door het College van de hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie. De minister van Justitie beschikt over belangrijke bevoegdheden met betrekking tot de samenstelling, de werking en de organisatie van de voormelde colleges en hun steundiensten, die derhalve vatbaar zijn voor beïnvloeding door de uitvoerende macht. Aldus ondermijnt de structuur van die colleges, zoals bepaald in het Gerechtelijk Wetboek, het beginsel van de scheiding der machten.
Aangezien de voormelde colleges zijn vertegenwoordigd in het gemeenschappelijk beheerscomité, komt ook in dat opzicht de controle over de dossiers van de rechtspleging in handen van de uitvoerende macht.
De bestreden bepalingen doen bijgevolg afbreuk aan het beginsel van de scheiding der machten, dat vereist dat de rechterlijke macht op onafhankelijke wijze de digitale dossiers van de rechtspleging beheert en controleert, wat betreft zowel de infrastructuur als het personeel. Eveneens zijn die bepalingen in strijd met het recht op een eerlijk proces, aangezien rechtzoekenden niet langer over de waarborg beschikken dat hun zaak op een onafhankelijke en onpartijdige wijze wordt behandeld. De omstandigheid dat magistraten afhankelijk zijn van elektronische systemen die worden gecontroleerd door de uitvoerende macht, leidt tot een verlies van hun autonomie en tot een beïnvloeding van rechterlijke beslissingen.
A.4.1. Volgens de Ministerraad is het middel onontvankelijk. In werkelijkheid wordt daarin de rechtstreekse schending aangevoerd van de artikelen 40 en 151 van de Grondwet. Het Hof is niet bevoegd voor een dergelijke toetsing. De loutere verwijzing, zonder nadere toelichting, naar alle bepalingen van titel II van de Grondwet leidt niet tot een andere conclusie. Zulk een verwijzing voldoet niet aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, aangezien daaruit niet blijkt in welk opzicht de voormelde bepalingen zijn geschonden. In elk geval is het middel niet ontvankelijk in zoverre het gericht is tegen de artikelen 15 en 21 van de wet van 15 mei 2024, om de in A.2.1 vermelde redenen.
A.4.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat het middel niet gegrond is, om grotendeels dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in A.2.2. Hij voegt daaraan toe dat, krachtens artikel 725bis/1, § 5, van het Gerechtelijk Wetboek, enkel specifiek daartoe aangestelde en gemachtigde leden van de uitvoerende macht die belast zijn met het technisch en operationeel beheer van het Centraal register, bij wege van uitzondering, toegang kunnen krijgen tot dat register. De leden van de uitvoerende macht hebben geen toegang tot procedurestukken voor inhoudelijke doeleinden. In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 8369 tot slot, in het algemeen, ingaat op de verzelfstandiging van het beheer van de gerechtelijke entiteiten en op de rol van het College van de hoven en rechtbanken en van het College van het openbaar ministerie, hebben haar kritieken geen betrekking op de bestreden bepaling, maar op de wet van 18 februari 2014 en op de wijze waarop bepaalde artikelen van het Gerechtelijk Wetboek worden uitgevoerd.
Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 8372
A.5.1. Het eerste middel in de zaak nr. 8372 is afgeleid uit de schending, door artikel 22 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10, 11 en 33 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet en met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
A.5.2. In het eerste onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 aan dat artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 15 mei 2024, een verschil in behandeling in het leven roept wat betreft de raadpleging van de in het Centraal register opgenomen gegevens. Terwijl advocaten die gegevens uitsluitend kunnen raadplegen indien zij een recht
5
van inzage hebben in het betrokken dossier, kunnen de leden van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is en de leden van het openbaar ministerie die gegevens zonder beperking raadplegen binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten.
Voorts roept artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 22
van de wet van 15 mei 2024, volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 een verschil in behandeling in het leven wat betreft de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens. Die bepaling laat de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden toe om de in het Centraal register opgenomen gegevens te verwerken voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, terwijl advocaten niet de mogelijkheid hebben die gegevens te verwerken met het oog op de verbetering van hun juridische dienstverlening.
A.5.3. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn advocaten en magistraten volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 wel degelijk vergelijkbaar ten aanzien van de mogelijkheid tot raadpleging en/of verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens, in zoverre zij allen een belangrijke bijdrage leveren aan de rechtsbedeling.
A.5.4. De verzoekende partij in de zaak nr. 8372 ziet niet in welke doelstelling de voormelde verschillen in behandeling tussen magistraten en advocaten kan verantwoorden. De doelstellingen van het Centraal register, zoals opgesomd in artikel 725bis/1, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, houden geen rekening met de belangen van de procespartijen en hun advocaten. Het is legitiem dat de wetgever een modernisering en digitalisering van justitie beoogt, maar alle beroepsgroepen die wezenlijk bijdragen aan de rechtsbedeling dienen op een gelijkwaardige wijze bij een dergelijk project te worden betrokken.
A.5.5. In elk geval is het volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 niet pertinent om het recht van de advocaten te beperken om de in het Centraal register opgenomen gegevens te raadplegen en te verwerken, terwijl de magistraten van de zetel en van het openbaar ministerie over ruime toegangsrechten beschikken. Ook advocaten hebben een belangrijke rol in de rechtsbedeling en oefenen hun beroep uit in het algemeen belang. Uit artikel 455 van het Gerechtelijk Wetboek en artikel 1 van de Codex Deontologie voor Advocaten van de Orde van Vlaamse balies blijkt bovendien dat advocaten kunnen worden geacht steeds loyaal en binnen hun wettelijke opdrachten te handelen. De wetgever toont niet aan dat de ongelijke behandeling van advocaten en magistraten nodig is om de digitalisering van justitie te verwezenlijken. Het recht op een eerlijk proces geldt evengoed voor de rechtzoekenden die een persoonlijk belang verdedigen, en laat derhalve niet toe om, wat de toegang tot de in het Centraal register opgenomen gegevens betreft, een onderscheid te maken tussen het openbaar ministerie en advocaten. Ook het recht op eerbiediging van het privéleven geldt op dezelfde wijze voor alle personen van wie de gegevens zijn opgenomen in dat register.
A.5.6. Volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 hebben de bekritiseerde verschillen in behandeling onevenredige gevolgen, aangezien daardoor afbreuk wordt gedaan aan het recht op een eerlijk proces en het recht op eerbiediging van het privéleven. Zoals het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld, is de goede werking van de rechtbanken niet mogelijk zonder relaties gebaseerd op wederzijds begrip en respect tussen de verschillende actoren van justitie, in de eerste plaats de rechters en de advocaten (EHRM, grote kamer, 23 april 2015, Morice t. Frankrijk,
ECLI:CE:ECHR:2015:0423JUD002936910
, § 170). Met betrekking tot het recht op een eerlijk proces zet de verzoekende partij uiteen dat de wapengelijkheid tussen de procespartijen wordt geschonden, in zoverre noch de procespartijen en hun advocaten, noch de betrokken magistraat van de zetel kunnen nagaan welke informatie uit andere dossiers van rechtspleging het openbaar ministerie heeft geraadpleegd. De verschillende rollen van het openbaar ministerie en de advocaten bieden daarvoor geen redelijke verantwoording.
De in het Centraal register opgenomen gegevens kunnen worden verwerkt voor de ontwikkeling van informaticasystemen, hetgeen een belangrijk onderscheid vormt met de vroegere situatie, waarin de dossiers van de rechtspleging op papier werden bijgehouden. Met betrekking tot het recht op eerbiediging van het privéleven is het volgens de verzoekende partij onevenredig dat er voor advocaten een principieel verbod geldt op de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens, terwijl derden de mogelijkheid kunnen krijgen die gegevens te verwerken. Advocaten spelen een belangrijke rol met betrekking tot de effectieve naleving van dat recht. De gegevens van de advocaten en hun cliënten kunnen door magistraten worden geraadpleegd en verwerkt zonder dat de advocaten daarop toezicht kunnen uitoefenen.
A.5.7. In het tweede onderdeel van het eerste middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 aan dat artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 in strijd is met het formele wettigheidsbeginsel vervat in artikel 22 van de Grondwet en met het delegatieverbod, dat een onderdeel vormt van het beginsel van de scheiding der machten. De Koning wordt immers gemachtigd om, na advies van de beheerder, de nadere regels en procedures betreffende de
6
toegang tot het Centraal register te bepalen (artikel 725bis/1, § 5, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
Bovendien staat het aan de beheerder te beslissen over de aanvragen van derden om de in het Centraal register opgenomen gegevens te verwerken (artikel 725bis/1, § 3, tweede lid, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek), hetgeen een verordenende precedentswaarde impliceert.
A.6.1. Volgens de Ministerraad is het eerste onderdeel van het eerste middel niet gegrond. Advocaten zijn niet vergelijkbaar met magistraten. Met name het openbaar ministerie staat op onafhankelijke wijze in voor de opsporing en vervolging van misdrijven. Het openbaar ministerie heeft eveneens als opdracht de magistraten van de zetel op onpartijdige wijze in te lichten over de toepassing van de wet, en te waken over de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken. In burgerlijke zaken dienen daarnaast, op straffe van nietigheid, bepaalde vorderingen aan het openbaar ministerie te worden meegedeeld, waarbij het desgevallend ambtshalve kan optreden. Het openbaar ministerie dient bijgevolg de naleving van de wet te waarborgen in het belang van de samenleving, terwijl de voornaamste taak van de advocaten bestaat in het behartigen van de belangen van hun cliënten.
A.6.2. De Ministerraad vervolgt dat de leden van de rechterlijke macht en de advocaten niet verschillend worden behandeld ten aanzien van het recht op een eerlijk proces, in het bijzonder de wapengelijkheid. Een advocaat zal immers, in de zaken waarin hij optreedt, steeds toegang hebben tot het volledige dossier van de rechtspleging. Hij zal derhalve over dezelfde informatie beschikken als de betrokken magistraten. Er valt niet in te zien waarom het in een specifieke procedure nuttig zou zijn voor een advocaat om te beschikken over informatie uit andere dossiers met betrekking tot personen die niet zijn cliënt zijn. In zoverre een advocaat informatie nodig heeft uit andere dossiers waarin zijn cliënt betrokken is geweest, staat het die cliënt vrij die informatie zelf op te vragen en mee te delen.
Daarnaast ziet de Ministerraad niet in hoe er sprake zou zijn van een verschil in behandeling ten aanzien van het recht op eerbiediging van het privéleven. Het is eigen aan elke vorm van bewaring van procedurestukken dat er een verwerking van persoonsgegevens plaatsvindt. Zulks impliceert niet dat er daarop geen toezicht wordt uitgeoefend. Artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 bepaalt duidelijk welke gegevens er worden bewaard, alsook wie die gegevens kan verwerken en voor welke doeleinden zulks mag gebeuren. Advocaten worden niet anders behandeld dan magistraten, van wie de gegevens onder dezelfde voorwaarden kunnen worden geraadpleegd en verwerkt.
A.6.3. In elk geval zijn de verschillen in behandeling tussen advocaten en magistraten redelijk verantwoord, aldus de Ministerraad.
De Ministerraad verwijst naar artikel 725bis/1, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, dat de doelstellingen opsomt van het Centraal register. Die doelstellingen, en met name de hoofddoelstelling om de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde te vergemakkelijken en te voorzien in instrumenten die de kwaliteit van de rechtspraak ten goede komen, zijn legitiem.
Voorts wijst de Ministerraad erop dat de toegangsrechten afhankelijk zijn van het ambt of de functie van de betrokken personen. Gelet op hun specifieke wettelijke opdrachten, zoals vermeld in A.6.1, is het logisch dat de leden van het openbaar ministerie, in tegenstelling tot advocaten, in beginsel toegang kunnen krijgen tot alle dossiers van de rechtspleging. Zoals is vermeld in A.6.2, zal een advocaat bovendien steeds toegang hebben tot het volledige dossier van de rechtspleging in de zaken waarin hij optreedt. Artikel 22 van de wet van 15 mei 2024
beperkt op geen enkele wijze de mogelijkheid van de advocaat om kennis te nemen van alle elementen die relevant zijn om zijn cliënt in rechte te verdedigen. Daarnaast valt er niet in te zien hoe de onmogelijkheid voor een advocaat om de in het Centraal register opgenomen gegevens te verwerken, de verdediging in rechte van zijn cliënten in een concrete zaak zou bemoeilijken.
A.6.4. Met betrekking tot het tweede onderdeel van het eerste middel voert de Ministerraad aan dat het wettigheidsbeginsel zich niet verzet tegen de machtiging aan de Koning om de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register te bepalen, en evenmin tegen de bevoegdheid van de beheerder om derden toe te laten de in dat register opgenomen gegevens te verwerken. De artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet verhinderen de wetgever niet om, in een bepaalde technische materie, specifieke uitvoerende bevoegdheden toe te vertrouwen aan een orgaan van de uitvoerende macht, in zoverre het gaat om de uitvoering van maatregelen waarvan het doel door de bevoegde wetgever is bepaald, in het bijzonder in technische en ingewikkelde materies. Te dezen is aan die voorwaarden voldaan. De doelstellingen van de verwerking zijn immers duidelijk afgebakend in artikel 725bis/1, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek. De Koning kan de Hem toegekende machtiging slechts uitoefenen binnen de grenzen van die doelstellingen. Die machtiging is bovendien
7
minder ruim dan de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 laat uitschijnen. Zij heeft slechts betrekking op technische aangelegenheden, zoals de toegangsverificatie. Ook de bevoegdheden van de beheerder betreffen louter de praktische werking en het technische beheer van het Centraal register. Ten overvloede wijst de Ministerraad erop dat het Hof, bij zijn voormelde arrest nr. 9/2025, eraan heeft herinnerd dat een machtiging aan de Koning niet in strijd is met het wettigheidsbeginsel, in zoverre de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgelegd.
Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 8372
A.7.1. Het tweede middel in de zaak nr. 8372 is afgeleid uit de schending, door artikel 22 van de wet van 15 mei 2024, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 33 van de Grondwet en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
A.7.2. In tegenstelling tot wat de Ministerraad betoogt, is het middel volgens de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 wel degelijk gericht tegen artikel 22 van de wet van 15 mei 2024, en niet tegen het bestaande artikel 42 van de wet van 18 februari 2014. Artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 heeft immers de bevoegdheden van het gemeenschappelijk beheerscomité uitgebreid, zonder de samenstelling ervan aan te passen.
A.7.3. In het eerste onderdeel van het tweede middel voert de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 aan dat artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 aan het gemeenschappelijk beheerscomité de bevoegdheid toekent om publieke overheden en derden te machtigen om de in het Centraal register opgenomen gegevens te verwerken.
Gelet op de ongewijzigde samenstelling van dat comité heeft de bestreden bepaling als gevolg dat de rechterlijke macht haar eigen werking kan controleren, alsook de voorwaarden kan bepalen voor de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens. Aldus is er sprake van een onrechtmatige delegatie van verordenende bevoegdheid aan het gemeenschappelijk beheerscomité.
A.7.4. In het tweede onderdeel van het tweede middel bekritiseert de verzoekende partij in de zaak nr. 8372
dat de advocaten niet zijn vertegenwoordigd in het gemeenschappelijk beheerscomité en derhalve niet worden betrokken bij het beheer van het Centraal register, in tegenstelling tot andere actoren van justitie, met name het openbaar ministerie. Het gemeenschappelijk beheerscomité beschikt over verregaande bevoegdheden met betrekking tot gegevens die essentieel zijn voor de rechtsvinding in hangende zaken. Het is noodzakelijk dat de advocaten inspraak krijgen in de wijze waarop hun persoonsgegevens en die van hun cliënten in het Centraal register worden verwerkt. Dat geldt des te meer in zoverre die gegevens zouden worden aangewend voor de ontwikkeling van toepassingen van artificiële intelligentie ter ondersteuning van magistraten. Advocaten maken op volwaardige wijze deel uit van de rechterlijke organisatie en leveren een wezenlijke bijdrage aan de rechtspleging. Om die reden achtte ook de afdeling wetgeving van de Raad van State de vertegenwoordiging van advocaten in het beheerscomité noodzakelijk (RvSt, advies nr. 75.355/1-2-4-16 van 29 maart 2024, pp. 87-88, punt 5). Overigens zijn de advocaten wel vertegenwoordigd in het beheerscomité van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde en van het videoconferentiesysteem van Justitie, weliswaar slechts met raadgevende stem (artikel 782, § 6, van het Gerechtelijk Wetboek). De verzoekende partij verwijst naar het voormelde arrest nr. 9/2025, waarbij het Hof heeft geoordeeld dat het daaruit voortvloeiende verschil in stemgewicht tussen de leden van dat beheerscomité bestaanbaar is met het beginsel van gelijkheid en niet-
discriminatie (B.33-B.40). Uit dat arrest kan a contrario worden afgeleid dat het niet redelijk verantwoord is dat advocaten op geen enkele wijze worden betrokken bij het beheer van het Centraal register. Dat register vormt eveneens een werkinstrument van de advocaten. Het neerleggen van conclusies en stukken vormt een essentiële taak van de advocaten, en raakt aan de kern van het recht op een eerlijk proces en van het recht op de bescherming van de persoonsgegevens van de procespartijen.
A.8.1. De Ministerraad voert aan dat het tweede middel in de zaak nr. 8372 onontvankelijk is, in zoverre het bekritiseert dat advocaten niet zijn vertegenwoordigd in het gemeenschappelijk beheerscomité. De samenstelling van dat comité wordt niet geregeld in het bestreden artikel 22 van de wet van 15 mei 2024, maar in artikel 42 van de wet van 18 februari 2014.
A.8.2. In elk geval is het middel niet gegrond, aldus de Ministerraad. Wat betreft het eerste onderdeel van dat middel, herhaalt de Ministerraad dat de bevoegdheid van de beheerder om derden ertoe te machtigen de in het Centraal register opgenomen gegevens te verwerken niet in strijd is met de artikelen 33, 105 en 108 van de Grondwet, om grotendeels dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in A.6.4. Artikel 725bis/1, § 3, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek bakent de opdrachten van het beheerscomité duidelijk af. Het gemeenschappelijk
8
beheerscomité kan slechts onder strikte voorwaarden toelating geven om de in het Centraal register opgenomen gegevens te verwerken, namelijk in zoverre zulks in overeenstemming is met de door de wetgever vastgestelde doelstellingen. Wanneer dat comité een machtiging verleent, dient het de toepasselijke regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens na te leven. Er is bijgevolg geen sprake van een onrechtmatige delegatie van bevoegdheden aan het beheerscomité.
A.8.3. Wat betreft het tweede onderdeel van het middel, voert de Ministerraad aan dat de keuze om advocaten geen inspraak te geven in het beheer van het Centraal register is ingegeven door het feit dat het in de eerste plaats gaat om een werkinstrument van de rechterlijke macht. Het is redelijk verantwoord dat het beheer van het Centraal register wordt overgelaten aan het in artikel 42 van de wet van 18 februari 2014 bedoelde gemeenschappelijk beheerscomité, aangezien dat comité hoofdzakelijk is samengesteld uit de leden van de rechterlijke macht, voor wie het register is bedoeld. Zulks wordt bevestigd in het voormelde arrest nr. 9/2025, waarin het Hof heeft geoordeeld dat het redelijk verantwoord is dat de advocatuur geen stemrecht heeft inzake het beheer van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde. Noch de rol van de advocaten in de rechtsbedeling, noch de omstandigheid dat zij toegang hebben tot de dossiers van de rechtspleging in de zaken waarin zij optreden, heeft als gevolg dat zij moeten worden vertegenwoordigd in het beheerscomité. De rol van de advocatuur verschilt immers wezenlijk van die van de magistratuur, en met name die van het openbaar ministerie, zoals blijkt uit hetgeen is vermeld in A.6.1. De beperking van het aantal leden van het beheerscomité draagt eveneens bij aan een efficiënt beheer van het Centraal register. Het feit dat, zoals de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 aanvoert, de advocatuur met een raadgevende stem is vertegenwoordigd in het beheerscomité van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde, leidt niet tot een andere conclusie. Het voorwerp en de doelstellingen van beide registers zijn niet vergelijkbaar. Zoals de minister van Justitie heeft verklaard in de bevoegde Kamercommissie, is het verantwoord dat externe actoren, meer bepaald advocaten, worden betrokken bij het beheer van applicaties met een publiek karakter, zoals het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde, maar niet bij het beheer van louter interne applicaties, zoals het Centraal register van dossiers van de rechtspleging. Overigens oefenen advocaten ook geen toezicht uit op de papieren dossiers van de rechtspleging en zijn zij evenmin verantwoordelijk voor het beheer ervan.
-B-
Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan
B.1. De beroepen tot vernietiging in de zaken nrs. 8369 en 8372 hebben betrekking op het Centraal register van dossiers van de rechtspleging, opgericht bij de wet van 15 mei 2024
« houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (hierna : de wet van 15 mei 2024).
B.2. Volgens de memorie van toelichting voorziet de wet van 15 mei 2024 in het wettelijk kader van het digitaal dossier van de rechtspleging :
« Zo wordt een wettelijke basis voorzien voor de opmaak in gedematerialiseerde (= elektronische) vorm van procedurestukken, wordt geregeld hoe deze stukken elektronisch moeten worden ondertekend […], en wordt voorzien dat een digitaal dossier zowel kan bestaan uit stukken opgemaakt in elektronische vorm, als uit papieren stukken die worden gedematerialiseerd » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 8-9).
9
Eveneens wordt « een aantal artikelen van het Gerechtelijk Wetboek […] aangepast om deze technologieneutraal te maken » (ibid., p. 9).
Daarnaast wordt het voormelde Centraal register van dossiers van de rechtspleging (hierna : het Centraal register) gecreëerd, zijnde de gegevensbank waarin de dossiers van de rechtspleging zullen kunnen worden bewaard. Blijkens de parlementaire voorbereiding wordt daarbij onder meer geregeld :
« de doelstellingen van het Centraal register, de gegevens die erin zullen worden opgenomen, het beheer van het Centraal register, de verwerkingsverantwoordelijkheid, de regels voor de toegang tot de in het Centraal register opgenomen gegevens, evenals hun bewaartermijn » (ibid.).
De structuur en de principes van die gegevensbank zijn geïnspireerd op « het wettelijk kader van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde (artikel 782 van het Gerechtelijk Wetboek) en […] het wettelijk kader van het Centraal register van strafdossiers (artikel 569 van het Wetboek van Strafvordering) » (ibid., p. 69).
B.3.1. Artikel 15 van de wet van 15 mei 2024 vervangt in artikel 721, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek de woorden « Bij het dossier wordt een inventaris van de stukken gevoegd » door de woorden « Voor elk dossier wordt een inventaris van de stukken opgemaakt » (1°). Daarnaast vult het artikel 721 van het Gerechtelijk Wetboek, waarvan de bestaande tekst paragraaf 1 zal vormen, aan met de paragrafen 2 tot 6 (2°).
Als gevolg van die wijzigingen bepaalt artikel 721 van het Gerechtelijk Wetboek :
« § 1. Het dossier bevat onder meer :
1° de akten van rechtsingang of van voorziening en hun bijlagen of, bij gebrek van de originelen, de betekende afschriften van die akten of de eensluidend verklaarde afschriften;
2° de kennisgevingen, aanmaningen, conclusies en memories van de partijen evenals het afschrift van de brief waarbij de toezending van de stukken wordt gemeld, in het geval van artikel 737, tweede lid;
3° de processen-verbaal van de zitting of van de onderzoeksmaatregelen die in de zaak bevolen zijn en in het algemeen alle door de rechter opgemaakte akten;
4° de akte waarin de beëdiging van de deskundige wordt vastgesteld;
10
5° de verslagen opgemaakt ter uitvoering van de beslissingen van de rechter;
6° het advies van het openbaar ministerie;
7° het door de griffier eensluidend verklaarde afschrift van de beslissingen die in de zaak zijn gewezen;
8° de akte van volmacht, bedoeld in artikel 728, §§ 2, 2bis en 3;
9° de inventaris van de stavingstukken van iedere partij;
10° het ontvangstbewijs van neerlegging van de geïnventariseerde stavingstukken.
Deze stukken worden door de griffier in het dossier gevoegd op de dag dat zij worden neergelegd.
Voor elk dossier wordt een inventaris van de stukken opgemaakt, die door de griffier wordt bijgehouden en waarin de datum van neerlegging van die stukken wordt vermeld.
§ 2. Een procedurestuk kan opgemaakt worden in gedematerialiseerde en in materiële vorm.
§ 3. Onder voorbehoud van artikel 782 wordt een procedurestuk dat in gedematerialiseerde vorm wordt opgemaakt en waarvan de wet de ondertekening vereist, ondertekend met een gekwalificeerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.12 van de Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014
betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG.
Voor een procedurestuk dat in gedematerialiseerde vorm wordt opgemaakt en waarvan de wet de ondertekening niet vereist, volstaat een geavanceerde elektronische handtekening in de zin van artikel 3.11 van de Verordening bedoeld in het eerste lid, of een geavanceerd elektronisch zegel in de zin van artikel 3.26 van die Verordening.
De elektronische ondertekening van een procedurestuk door een lid van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, bedoelde elektronische lijst, verzekert de hoedanigheid waarin de ondertekenaar ondertekent.
§ 4. Het digitaal dossier van de rechtspleging kan zowel bestaan uit stukken opgemaakt in gedematerialiseerde vorm, als uit stukken opgemaakt in materiële vorm die worden gedematerialiseerd.
Voor de door de rechterlijke orde in materiële vorm opgemaakte stukken die gedematerialiseerd worden of voor de in materiële vorm opgemaakte stukken van externe bronnen die na neerlegging gedematerialiseerd worden en toegevoegd worden aan het digitaal dossier, verklaren de griffier of de parketsecretaris het gedematerialiseerde stuk eensluidend aan het materiële stuk via een elektronisch zegel als bedoeld in paragraaf 3, tweede lid, of een elektronische handtekening als bedoeld in paragraaf 3, eerste lid.
11
§ 5. De Koning bepaalt de veiligheidsmaatregelen en de minimale technische normen waaraan de informaticasystemen die tot doel hebben de in paragraaf 3 bedoelde handelingen en verwerkingen te verrichten, moeten voldoen.
De Koning kan de wijze bepalen waarop de gekwalificeerde elektronische handtekening wordt gevisualiseerd.
§ 6. Het deel van het dossier van de rechtspleging in materiële vorm dat overeenkomstig paragraaf 4, tweede lid, is gedematerialiseerd en is opgenomen in het digitaal dossier in het Centraal register bedoeld in artikel 725bis/1, § 1, verliest zijn authentiek karakter. De griffier vermeldt in de inventaris van het dossier voor elk stuk van dit deel waar het wordt bewaard in het Centraal register.
Stukken uit het deel bedoeld in het eerste lid kunnen uit het dossier van de rechtspleging in materiële vorm worden verwijderd door de griffier. Hij maakt hiervan melding in de inventaris van het dossier ».
B.3.2. Artikel 21 van de wet van 15 mei 2024 voegt in deel IV, boek II, eerste titel, van het Gerechtelijk Wetboek een hoofdstuk IV/1 in, met als opschrift « Centraal register van dossiers van de rechtspleging ».
B.3.3. Artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 voegt in dat hoofdstuk een artikel 725bis/1
in, dat bepaalt :
« § 1. Bij de Federale Overheidsdienst Justitie wordt een ‘ Centraal register van dossiers van de rechtspleging ’ opgericht, hierna ‘ Centraal register ’ genoemd.
Het Centraal register is een geïnformatiseerde gegevensbank met als doelen :
1° het gecentraliseerd opnemen en bewaren in gedematerialiseerde vorm van de dossiers van de rechtspleging teneinde de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde te vergemakkelijken;
2° te fungeren als authentieke bron, bedoeld in artikel 2, eerste lid, 6°, van de wet van 15 augustus 2012 houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator, van de dossiers van de rechtspleging die er geheel in zijn opgenomen, en van de dossiers van de rechtspleging die er gedeeltelijk in zijn opgenomen, voor dat gedeelte;
3° de raadpleging via elektronische weg van de in het Centraal register opgenomen gegevens toe te laten door de personen en actoren die deze met toepassing van paragraaf 5, eerste lid, mogen raadplegen;
4° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor het verbeteren van de kwaliteit van die gegevens;
12
5° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor het optimaliseren van de organisatie van de rechterlijke orde, om een efficiënter beheer, een betere beleidsondersteuning, een betere impactanalyse van wetswijzigingen en een betere toewijzing van de menselijke en logistieke middelen binnen de rechterlijke orde mogelijk te maken;
6° de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten;
7° de verwerking van een geheel van of van individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor historische of wetenschappelijke doeleinden;
8° de verwerking van gespecifieerde individuele in het Centraal register opgenomen gegevens, voor journalistieke doeleinden;
9° de verwerking voor statistische doeleinden, binnen de grenzen bepaald bij titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, van de in het Centraal register opgenomen gegevens.
§ 2. In het Centraal register worden de volgende gegevens opgenomen :
1° het overeenkomstig artikel 721 in gedematerialiseerde vorm aangelegde dossier van de rechtspleging;
2° het overeenkomstig de wet gedematerialiseerde dossier van de rechtspleging dat aanvankelijk in materiële vorm werd aangelegd;
3° de metagegevens noodzakelijk voor het bereiken van de doelen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, te weten :
a) de gegevens van het gerecht dat en de personen die het dossier van de rechtspleging beheren;
b) de gegevens betreffende het dossier van de rechtspleging;
c) de noodzakelijke identificatiegegevens van de in het dossier van de rechtspleging vermelde personen;
d) het unieke identificatienummer van het dossier van de rechtspleging;
e) de algemene beschrijving van het geschil.
4° de gegevens noodzakelijk voor de veiligheid van het Centraal register.
De Koning bepaalt, na advies van de in paragraaf 3 bedoelde beheerder, de exacte gegevens bedoeld in het eerste lid, 3°, opgenomen in het Centraal register.
De Koning bepaalt de technische voorwaarden waaraan het dossier van de rechtspleging moet voldoen met het oog op zijn opname in het Centraal register.
13
§ 3. Het Centraal register wordt beheerd door de beheerder bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie.
De beheerder staat in voor de inrichting en het beheer van de werking van het Centraal register. Hij heeft in het bijzonder als opdracht :
1° het bewaken van het respecteren van de doelen van het Centraal register en van de maximale afwezigheid van ongemachtigd downloaden van gegevens;
2° het toezien op de werking van het Centraal register, met inbegrip van het toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop;
3° het schriftelijk en onder voorwaarden machtigen van de derden bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 5° en 7°, voor de verwerkingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6° of 9°;
4° het toezien op de technische infrastructuur van het Centraal register;
5° het regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het Centraal register en over de uitoefening van de opdrachten bedoeld in de bepalingen onder 1° tot 4°.
Het verslag bedoeld in het tweede lid, 5°, wordt jaarlijks neergelegd bij de minister van Justitie en bij de functionaris voor gegevensbescherming bedoeld in paragraaf 5, eerste lid, 2°, d).
§ 4. De verwerkingsverantwoordelijkheid wordt geregeld overeenkomstig artikel 42, derde lid, van de wet van 18 februari 2014 betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie.
§ 5. Hebben toegang tot het Centraal register :
1° voor het neerleggen, aanvullen en verbeteren van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens, de personen opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, [bedoelde]
elektronische lijst, van het gerecht waarbij de zaak waarop het dossier betrekking heeft, aanhangig is, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten;
2° voor het raadplegen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens :
a) de personen opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, [bedoelde] elektronische lijst, van het gerecht waarbij de zaak waarop het dossier betrekking heeft, aanhangig is, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten;
b) de personen opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, [bedoelde] elektronische lijst, van het openbaar ministerie, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten;
c) de personen die overeenkomstig de wet inzagerecht hebben in een welbepaald dossier, waarbij de raadpleging beperkt blijft tot dat dossier en het inzagerecht uitsluitend wordt
14
uitgeoefend binnen de grenzen en conform de nadere regels van het Gerechtelijk Wetboek en de bijzondere wetten die betrekking hebben op de rechtspleging en de uitvoeringsbesluiten ervan;
d) de functionaris voor gegevensbescherming aangesteld door de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, binnen de grenzen van zijn wettelijke opdrachten;
3° bij wege van uitzondering, wanneer de vereisten van hun opdracht deze toegang onontbeerlijk maken, de door de beheerder aangestelde personen belast met het technisch en operationeel beheer van het Centraal register, handelend binnen het kader van hun functie;
4° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 5° :
a) de gerechtelijke overheden belast met het beheer en de organisatie van de hoven en rechtbanken;
b) de diensten belast met statistische analyse bij de in de beheerder vertegenwoordigde entiteiten;
5° voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden;
6° voor de gegevensverwerkingen bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 7° of 8°, de door het gerecht waarbij de zaak waarop het dossier betrekking heeft, aanhangig is, schriftelijk gemachtigde derden;
7° Voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 9°, de door de beheerder schriftelijk gemachtigde publieke overheden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden.
Onverminderd de bepalingen onder 1° en 3° kan de Koning, bij een besluit vastgesteld na overleg in de Ministerraad en na advies van de bevoegde toezichthoudende autoriteit, andere overheden, organen of diensten aanwijzen voor het neerleggen van de in paragraaf 2, eerste lid, bedoelde gegevens.
De verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor andere doelen dan diegene bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, is verboden. De overtreding van dit verbod wordt bestraft met de straf bedoeld in artikel 222 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens.
De Koning bepaalt, na advies van de beheerder, de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register.
Hij die in welke hoedanigheid dan ook deelneemt aan het verzamelen of aan de registratie van gegevens in het Centraal register of aan de verwerking of de mededeling van de erin geregistreerde gegevens en daardoor kennis heeft van die gegevens, moet, in voorkomend geval, het vertrouwelijk karakter ervan in acht nemen. Bij een inbreuk zijn de straffen van artikel 458 van het Strafwetboek op hem van toepassing.
15
Wanneer de beheerder vaststelt dat ongerechtvaardigd gebruik wordt gemaakt van de toegang tot het Centraal register, brengt hij dit ter kennis van de overheid die krachtens de wet bevoegd is om een tuchtprocedure in te stellen ten aanzien van de betrokken gebruiker.
§ 6. Het dossier van de rechtspleging wordt bewaard gedurende een termijn van tien jaar vanaf de beëindiging van het geding waarop het dossier betrekking heeft. Deze bewaartermijn wordt zo nodig verlengd tot uitputting van alle gewone rechtsmiddelen en, in voorkomend geval, de voorziening in Cassatie in de zaak waarop het dossier betrekking heeft. In elk geval mag de bewaartermijn niet korter zijn dan deze voorzien in de selectielijst voor de archieven van de rechterlijke macht, opgemaakt in uitvoering van de archiefwet van 24 juni 1955 en vastgelegd in een omzendbrief die wordt bekendgemaakt op de website van het Rijksarchief.
Na afloop van de in het eerste lid bedoelde bewaartermijn wordt een selectie van de dossiers van de rechtspleging, behoudens regelmatige vrijstelling, in goede, geordende en toegankelijke staat naar het Rijksarchief overgebracht. Indien deze overbrenging onmogelijk blijkt, wordt het dossier bewaard in het Centraal register tot wanneer zijn overbrenging overeenkomstig artikel 1, eerste lid, van de archiefwet van 24 juni 1955, plaats vindt.
§ 7. De Koning bepaalt, na advies van de beheerder, de nadere technische en materiële regels voor de inrichting en werking van het Centraal register, die echter geen invloed kunnen hebben op de inhoud of de begrijpelijkheid van de in het Centraal register opgenomen dossiers van de rechtspleging ».
B.4. De artikelen 15, 21 en 22 van de wet van 15 mei 2024 zijn in werking getreden op 1 januari 2025 (artikel 155 van de wet van 15 mei 2024).
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het beroep in de zaak nr. 8369
B.5.1. Het Hof bepaalt het onderwerp van het beroep tot vernietiging op basis van de inhoud van het verzoekschrift en inzonderheid rekening houdend met de uiteenzetting van de middelen. Het onderzoekt alleen de bestreden bepalingen waartegen een middel is gericht.
B.5.2. De verzoekende partij in de zaak nr. 8369 vordert de vernietiging van de artikelen 15, 21 en 22 van de wet van 15 mei 2024. Uit de uiteenzetting van de middelen in het verzoekschrift blijkt evenwel dat haar grieven uitsluitend betrekking hebben op artikel 725bis/1
van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 15 mei 2024, in zoverre die bepaling het beheer regelt van het Centraal register. Het Hof beperkt zijn onderzoek bijgevolg tot die bepaling.
16
Indien het Hof een van de middelen gegrond acht, zouden de artikelen 15 en 21 van de wet van 15 mei 2024 evenwel kunnen worden vernietigd indien zou blijken, zoals de verzoekende partij aanvoert, dat zij onlosmakelijk verbonden zijn met artikel 22 van dezelfde wet.
B.5.3. In zoverre de verzoekende partij in de zaak nr. 8369 in haar memorie van antwoord aanvoert dat artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 in strijd is met de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016
« betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) », voert zij een nieuw middel aan dat bijgevolg niet ontvankelijk is.
Ten gronde
Wat betreft het beheer van het Centraal register
B.6. De verzoekende partij in de zaak nr. 8372 voert aan dat artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 de advocaten discrimineert ten opzichte van de leden van de rechterlijke orde, in zoverre de advocaten niet worden betrokken bij het beheer van het Centraal register. Daardoor zou die bepaling in strijd zijn met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet (tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8372).
B.7.1. Krachtens artikel 725bis/1, § 3, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 15 mei 2024, wordt het Centraal register beheerd door de beheerder bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014 « betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie » (hierna : de wet van 18 februari 2014).
17
B.7.2. Artikel 42 van de wet van 18 februari 2014, zoals gewijzigd bij artikel 41 van de wet van 28 maart 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen Ibis » (hierna : de wet van 28 maart 2024), bepaalt :
« In afwachting dat de beheersbevoegdheid en de verdeling van de middelen worden overgedragen aan de Colleges wordt bij de Federale Overheidsdienst Justitie een gemeenschappelijk beheerscomité ingesteld. Dit comité is samengesteld uit de leden van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie, de voorzitters van de Colleges, de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie.
Onverminderd de bevoegdheid van de minister van Justitie, neemt dit gemeenschappelijk beheerscomité de beslissingen betreffende de opdracht van de Federale Overheidsdienst Justitie inzake de ondersteuning en begeleiding van de rechterlijke organisatie die aan het directiecomité van de Federale Overheidsdienst toekomen.
Wanneer voor het beheer van de interne gegevensbanken en informaticasystemen van justitie ter ondersteuning van de rechterlijke orde sprake is van een gemeenschappelijke verwerkingsverantwoordelijkheid, zal het gemeenschappelijk beheerscomité deze dragen en instaan voor de besluitvorming over het doel en de middelen van deze gegevensbanken en informaticasystemen. Het gemeenschappelijk beheerscomité zal daartoe voorzien in een huishoudelijk reglement ».
De in die bepaling bedoelde Colleges zijn het College van de hoven en rechtbanken en het College van het openbaar ministerie, bedoeld in de artikelen 181 en 184 van het Gerechtelijk Wetboek.
B.8. De omstandigheid dat de samenstelling van het gemeenschappelijk beheerscomité wordt bepaald in artikel 42 van de wet van 18 februari 2014 heeft, in tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, niet als gevolg dat het middel in werkelijkheid is gericht tegen die bepaling. Artikel 725bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek kent immers aan het bestaande beheerscomité, waarin de advocatuur niet is vertegenwoordigd, de bevoegdheid toe met betrekking tot de inrichting en het beheer van het Centraal register, zonder de samenstelling en/of de wijze van besluitvorming van dat comité te wijzigen.
B.9. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
18
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.10.1. Het Centraal register heeft onder meer tot doel te fungeren als authentieke bron van de dossiers van de rechtspleging die er geheel in zijn opgenomen, en van de dossiers van de rechtspleging die er gedeeltelijk in zijn opgenomen, voor dat gedeelte (artikel 725bis/1, § 1, tweede lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek). Het Centraal register betreft aldus een gegevensbank waarin authentieke gegevens worden bijgehouden, dat wil zeggen gegevens die door een instantie verzameld en beheerd worden in een gegevensbank en als unieke en oorspronkelijke gegevens over de desbetreffende persoon of het rechtsfeit gelden, zodanig dat andere instanties diezelfde gegevens niet meer hoeven te verzamelen (cf. artikel 2, eerste lid, 5° en 6°, van de wet van 15 augustus 2012 « houdende oprichting en organisatie van een federale dienstenintegrator »).
B.10.2. De in het Centraal register opgenomen gegevens zijn in het bijzonder de digitale dossiers van de rechtspleging, die onder meer bestaan uit de akten van rechtsingang, de conclusies van de partijen, het advies van het openbaar ministerie, het door de griffier eensluidend verklaarde afschrift van de beslissingen die in de zaak zijn gewezen, en de inventaris van de stavingstukken van iedere partij (artikel 725bis/1, § 2, eerste lid, 1° en 2°, juncto artikel 721, § 1, eerste lid, 1°, 2°, 6°, 7° en 9°, van het Gerechtelijk Wetboek).
B.11.1. In haar advies met betrekking tot het voorontwerp dat tot de wet van 15 mei 2024
heeft geleid, heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat het noodzakelijk is dat er vertegenwoordigers van de advocaten aanwezig zouden zijn in het beheerscomité bevoegd voor het Centraal register (RvSt, advies nr. 75.355/1-2-4-16 van 29 maart 2024, pp. 87-88, punt 5).
19
B.11.2. In de bevoegde Kamercommissie heeft de minister van Justitie in dat opzicht verklaard dat « de advocatuur […] een andere rol [heeft] te spelen dan het openbaar ministerie »
en dat « daarom, en in overeenstemming met eerder gemaakte keuzes, […] het advies van de Raad van State niet [is] gevolgd ». Hij heeft voorts gepreciseerd :
« Om de werking van de beheerscomités voor digitale applicaties efficiënt te houden, wordt een eenduidige en consequente strategie gehanteerd om synergiën tussen beheerscomités te verwezenlijken. De mate waarin applicaties een publiek karakter hebben, is een wezenlijk criterium voor de vertegenwoordiging van actoren in de beheerscomités. JustJudgment (voor rechterlijke uitspraken) en JustCourt (voor verschijningen via videoconferentie) hebben een publiek karakter door het gepseudonimiseerd ter beschikking stellen van uitspraken respectievelijk door de deelname van het publiek aan de zitting. Daarom is voor deze applicaties bepaald dat de advocatuur met raadgevende stem vertegenwoordigd is in de beheerscomités.
Louter interne applicaties zoals dossierbeheersystemen vereisen geen deelname van externe actoren zoals de advocatuur. Het toezicht door de drie gerechtelijke pijlers volstaat hier. Dat is ook reeds het geval in de ‘ papieren ’ wereld. De advocatuur heeft geen toezichthoudende functie op het papieren rechtsplegingsdossier en er is geen reden waarom zij die wel zou krijgen voor het elektronische rechtsplegingsdossier. Bij de digitalisering van de strafdossiers wierpen de balies eenzelfde argument op maar was de Raad van State niet van oordeel dat de advocatuur deel zou moeten uitmaken van het beheerscomité van het Centraal register van strafdossiers.
Dit zou overigens het geheim van het onderzoek in gevaar kunnen brengen omdat het beheerscomité soms kennis kan nemen van geheime informatie in het kader van verzoeken om consultatie van dergelijke informatie. Er is geen goede reden om het strafrechtelijke en het burgerrechtelijke rechtsplegingsdossier op verschillende wijze te behandelen zodat eenzelfde applicatie gebruikt zal worden. Een eenvormige beheersstructuur is het logische gevolg hiervan » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/004, pp. 11-12).
B.12. Het Centraal register is in essentie een geïnformatiseerde gegevensbank waarin de digitale dossiers van de rechtspleging worden opgenomen en bewaard. Zoals onder meer blijkt uit de doelen van het Centraal register, opgesomd in artikel 725bis/1, § 1, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek, staat de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde daarbij centraal. Het zijn in de eerste plaats de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen die, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten, toegang hebben tot het Centraal register, niet alleen voor de raadpleging van de daarin opgenomen gegevens, maar ook voor het neerleggen, aanvullen en verbeteren ervan (artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 1° en 2°, a) en b), van het Gerechtelijk Wetboek).
Weliswaar kunnen ook advocaten het Centraal register raadplegen, maar die raadpleging is beperkt tot de dossiers waarvoor zij overeenkomstig de wet inzagerecht hebben (artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 2°, c), van het Gerechtelijk Wetboek). Overigens worden de procedurestukken die zijn opgenomen in de digitale dossiers van de rechtspleging in beginsel
20
op een andere wijze aan de partijen en hun advocaten ter kennis gebracht. Zo dienen de conclusies aan de tegenpartij of aan haar advocaat te worden gezonden op hetzelfde ogenblik als zij op de griffie worden neergelegd (artikel 745 van het Gerechtelijk Wetboek), worden de akten van rechtsingang aan de tegenpartij betekend of toegezonden bij gerechtsbrief (artikelen 700 en 1034sexies van het Gerechtelijk Wetboek), en wordt het schriftelijk advies van het openbaar ministerie meegedeeld aan de advocaat van de partijen of, indien zij geen advocaat hebben, aan de partijen zelf (artikel 766 van het Gerechtelijk Wetboek). Het is voor een advocaat, teneinde zijn cliënt bij te staan in rechte, slechts in een beperkt aantal gevallen noodzakelijk het Centraal register te raadplegen, in tegenstelling tot wat het geval is voor de leden van de rechterlijke orde, voor wie dat register de voornaamste vindplaats vormt van de procedurestukken op basis waarvan zij uitspraak moeten doen, advies verlenen of een vordering instellen.
B.13. Uit het voorgaande volgt dat de leden van de rechterlijke orde kunnen worden beschouwd als de primaire doelgroep van gebruikers van het Centraal register. Aldus is het redelijk verantwoord dat de wetgever geen stemrecht met betrekking tot de inrichting en het beheer van dat register heeft toegekend aan vertegenwoordigers van de advocaten. Het omgekeerde aanvaarden, zou betekenen dat de advocatuur medezeggenschap zou hebben over het register als werkinstrument voor de rechterlijke orde. Evenmin was de wetgever, rekening houdend met het beperkte publieke karakter van het Centraal register en met de bekommernis om de werking van het gemeenschappelijk beheerscomité efficiënt te houden, ertoe gehouden vertegenwoordigers van de advocaten toe te laten met raadgevende stem deel te nemen aan de werkzaamheden van dat comité, zoals hij heeft gedaan met betrekking tot het beheerscomité van het Centraal register voor de beslissingen van de rechterlijke orde (artikel 782, § 6, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Dat laatste register moet overigens niet alleen dienen als werkinstrument voor de rechterlijke orde, maar eveneens om de bekendmaking van de rechtspraak mogelijk te maken voor het publiek (artikel 782, § 4, 9°, van het Gerechtelijk Wetboek), waardoor de advocatuur kan worden geacht een groter belang te hebben bij de werking ervan (zie in dat opzicht ook het arrest van het Hof nr. 9/2025 van 30 januari 2025,
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.009
, B.40). De verzoekende partij toont niet aan dat het gebrek aan inspraak in de besluitvorming van het beheerscomité te dezen onevenredige gevolgen met zich meebrengt voor de advocaten, in het bijzonder wat betreft de uitoefening van hun taak om hun cliënten juridisch bij te staan.
21
B.14. Het tweede onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8372 is niet gegrond.
B.15. De verzoekende partij in de zaak nr. 8369 voert aan dat artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 afbreuk doet aan het beginsel van de scheiding der machten en aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, doordat het bijhouden van de authentieke bron van de dossiers van de rechtspleging wordt onttrokken aan de griffier, die als lid van de rechterlijke orde een gerechtelijke functie uitoefent, teneinde die taak toe te vertrouwen aan een beheerscomité dat deel uitmaakt van de uitvoerende macht. Daardoor zou die bepaling in strijd zijn met de artikelen 40 en 151, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met titel II (« De Belgen en hun rechten ») ervan en met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (tweede middel in de zaak nr. 8369).
B.16.1. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet.
B.16.2. Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan de artikelen 40 en 151 van de Grondwet en artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, is het tweede middel in de zaak nr. 8369 echter niet alleen afgeleid uit de schending van die artikelen, maar eveneens uit de schending van titel II (« De Belgen en hun rechten ») van de Grondwet, waarvan met name de artikelen 10, 11 en 13 ervan deel uitmaken.
De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.
Artikel 13 van de Grondwet houdt een recht op toegang tot de bevoegde rechter in. Dat recht zou inhoudsloos zijn indien niet voldaan is aan de vereisten van het eerlijk proces dat
22
onder meer wordt gewaarborgd bij artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Bijgevolg dienen bij een toetsing aan artikel 13 van de Grondwet die waarborgen te worden betrokken.
B.16.3. Uit het voorgaande volgt dat het tweede middel in de zaak nr. 8369 in die zin kan worden begrepen dat het Hof ermee wordt gevraagd artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 te toetsen aan de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 40 en 151 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, toetsing waarvoor het Hof bevoegd is. Uit de door de Ministerraad bij het Hof ingediende memories blijkt dat hij op dat punt een dienstig verweer heeft kunnen voeren.
Daarentegen is dat middel onontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van de overige bepalingen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») van de Grondwet, aangezien uit de uiteenzetting ervan in het verzoekschrift niet blijkt in welk opzicht die bepalingen zouden zijn geschonden.
B.17.1. Voorts voert de verzoekende partij in de zaak nr. 8369 aan dat de bestreden bepaling aanleiding geeft tot meerdere verschillen in behandeling, die alle het gevolg zijn van de omstandigheid dat de hoven en rechtbanken, in tegenstelling tot andere rechtscolleges en de uitvoerende en de wetgevende macht, niet langer op onafhankelijke wijze en zonder inmenging van een andere staatsmacht hun taken zouden kunnen uitoefenen, in het bijzonder wat het beheer van hun dossiers betreft. Daardoor zouden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zijn geschonden (eerste middel in de zaak nr. 8369).
B.17.2. De door de verzoekende partij aangehaalde verschillen in behandeling vloeien voort uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden.
Zulk een verschil in behandeling houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.
B.18. Uit het voorgaande volgt dat het Hof, ter beoordeling van zowel het eerste als het tweede middel in de zaak nr. 8369, in essentie dient na te gaan of de wettelijke regeling met
23
betrekking tot het beheer van het Centraal register afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht. Gelet op hun samenhang, onderzoekt het Hof die middelen samen.
B.19.1. Artikel 40 van de Grondwet bepaalt :
« De rechterlijke macht wordt uitgeoefend door de hoven en rechtbanken.
De arresten en vonnissen worden in naam des Konings ten uitvoer gelegd ».
B.19.2. Artikel 151, § 1, eerste lid, van de Grondwet bepaalt :
« De rechters zijn onafhankelijk in de uitoefening van hun rechtsprekende bevoegdheden.
Het openbaar ministerie is onafhankelijk in de individuele opsporing en vervolging onverminderd het recht van de bevoegde minister om de vervolging te bevelen en om de bindende richtlijnen van het strafrechtelijk beleid, inclusief die van het opsporings- en vervolgingsbeleid, vast te leggen ».
B.19.3. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op een eerlijk proces. Krachtens lid 1 van die bepaling heeft eenieder « bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde vervolging […] recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld ».
B.20. De scheiding der machten is een algemeen rechtsbeginsel dat dient te worden geïnterpreteerd overeenkomstig de Grondwet. De door het algemeen rechtsbeginsel van de scheiding der machten gewaarborgde onafhankelijkheid van de rechterlijke macht betreft bijgevolg de functionele onafhankelijkheid van de magistraten.
Niettegenstaande de groeiende nadruk op het beginsel van de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht in de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, schrijft noch artikel 6, lid 1, noch enige andere bepaling van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een specifiek theoretisch constitutioneel model voor met betrekking tot de toelaatbare interactie tussen de verschillende machten (EHRM, grote kamer, 6 mei 2003, Kleyn e.a. t. Nederland,
ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398
, § 193; grote kamer, 6 november 2018, Ramos Nunes de Carvalho e Sá t. Portugal,
24
ECLI:CE:ECHR:2018:1106JUD005539113
, § 144). Een interactie tussen de drie machten is niet alleen onvermijdelijk, maar ook noodzakelijk, zolang geen van hen onrechtmatig ingrijpt in de functies en bevoegdheden van de andere (EHRM, grote kamer, 1 december 2020, Guðmundur Andri Ástráðsson t. IJsland,
ECLI:CE:ECHR:2020:1201JUD002637418
, § 215).
B.21. Het beginsel van de scheiding der machten en de beginselen van onafhankelijkheid, zoals gewaarborgd bij de artikelen 13, 40 en 151 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, verzetten zich niet ertegen dat het bewaren van de authentieke dossiers van de rechtspleging – een activiteit die nauw is verbonden met de rechtsprekende functie – en meer algemeen het beheer van de databank van die dossiers worden toevertrouwd aan een entiteit die wordt ingericht buiten de rechterlijke organisatie voor zover ten aanzien van hun leden de functionele onafhankelijkheid gewaarborgd blijft en de schijn van onafhankelijkheid van de rechtspraak niet in het gedrang wordt gebracht.
B.22. Wat de autonomie van de rechterlijke macht ten opzichte van de uitvoerende macht betreft, dient te worden gewezen op de voormelde wet van 18 februari 2014. Die wet heeft betrekking op het beheer van de middelen van de rechterlijke macht.
Dat beheer werd voorafgaand aan de wet van 18 februari 2014 in essentie waargenomen door de Federale Overheidsdienst Justitie, onder de verantwoordelijkheid van de minister van Justitie. Met de wet van 18 februari 2014 beoogde de wetgever een « verzelfstandiging van het beheer van de rechterlijke organisatie » (Parl. St., Kamer, 2013-2014, DOC 53-3068/001, p. 4).
De verdeling en de inzet van middelen zoals ICT behoorde dan ook tot de discretionaire beslissingsbevoegdheid van de minister van Justitie, maar bij de wet van 18 februari 2014
beoogde de wetgever een autonoom beheer binnen de rechterlijke organisatie uit te bouwen, hetgeen volgens hem veeleer een werk van lange adem betrof.
De parlementaire voorbereiding van de wet van 18 februari 2014 bevat ter zake de volgende toelichting :
« Het proces van verzelfstandiging veronderstelt dat beheerscapaciteiten worden overgedragen vanuit de Federale Overheidsdienst Justitie naar de rechtelijke organisatie. Deze
25
beheerscapaciteit is thans onvoldoende aanwezig binnen de rechterlijke organisatie. Een onmiddellijke overdracht van de beheersverantwoordelijkheid naar de lokale entiteiten is derhalve momenteel niet mogelijk en niet wenselijk. Eerst moet de nodige beheerscapaciteit worden uitgebouwd. Dat betreft zowel managementkennis en ervaring als de uitbouw van een ondersteunende organisatie, structuren en instrumenten. Organisatorisch moeten vele stappen gezet worden. Dergelijke aanpassingen zullen de nodige flexibiliteit vergen van de organisaties en in de regelgeving » (ibid., p. 5).
De wetgever heeft de wet van 18 februari 2014 bijgevolg opgevat als een eerste stap in de richting van een verzelfstandiging van het beheer van de rechterlijke organisatie.
B.23. Voor de inrichting en het beheer van het Centraal register wordt ingestaan door het gemeenschappelijk beheerscomité bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014, dat is ingesteld bij de Federale Overheidsdienst Justitie (artikel 725bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek).
Aldus wordt de digitalisering van de dossiers van de rechtspleging, de ontwikkeling van ICT-hulpmiddelen en het organiseren en beheren van de eigen databank van die dossiers, kortweg de ICT-infrastructuur die het bewaren van de dossiers van de rechtspleging dient te ondersteunen, niet aan een orgaan binnen de rechterlijke macht toevertrouwd.
Bijgevolg heeft de wetgever de oprichting en het beheer van het Centraal register niet als een opdracht opgevat die autonoom door de rechterlijke macht zelf kon worden ingevuld.
B.24. Niet alleen een procespartij, maar ook het publiek moet erop kunnen vertrouwen dat de in het Centraal register opgenomen procedurestukken een authentiek karakter hebben en dat uitsluitend de rechterlijke instantie die is belast met de rechtsprekende functie in een bepaald geschil de inhoud ervan kan controleren en aanpassen, zonder enige vorm van inmenging van de uitvoerende macht. Die bekommernis geldt des te meer daar de uitvoerende macht zelf vaak betrokken partij is in geschillen voor de rechter.
B.25. De wettelijke opdrachten van de beheerder worden algemeen omschreven als de inrichting en het beheer van de werking van het Centraal register en hebben in het bijzonder betrekking op de volgende aangelegenheden : waken over het respecteren van de doelen van het Centraal register en over de maximale afwezigheid van het ongemachtigd downloaden van gegevens; toezicht houden op de werking van het Centraal register, met inbegrip van het
26
toezicht op het toegangsbeleid en het uitoefenen van de controle hierop; derden schriftelijk en onder voorwaarden machtigen voor bepaalde verwerkingen, waaronder de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde; toezien op de technische infrastructuur van het Centraal register; regelmatig verslag uitbrengen over de werking van het Centraal register en over de uitoefening van zijn opdrachten (artikel 725bis/1, § 3, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek).
B.26.1. Krachtens artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek hebben uitsluitend de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen van het gerecht waarbij de zaak waarop het dossier betrekking heeft aanhangig is, toegang tot het Centraal register voor het neerleggen, aanvullen en verbeteren van de digitale dossiers van de rechtspleging, en zulks enkel binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten.
B.26.2. Het bijhouden van het dossier van de rechtspleging is in hoofdzaak een taak van de griffier. Hij zorgt voor de bewaring van de documenten die krachtens de wet ter griffie zijn neergelegd (artikel 168, derde lid, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek) en verleent bijstand aan de magistraat, door onder meer de dossiers van de rechtspleging op te stellen (artikel 168, vierde lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek). De griffier voegt de procedurestukken in het dossier van de rechtspleging in op de dag dat zij worden neergelegd en houdt voor elk dossier een inventaris van de stukken bij (artikel 721, § 1, tweede en derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek). Indien in materiële vorm opgemaakte procedurestukken worden gedematerialiseerd en toegevoegd aan het digitaal dossier van de rechtspleging, is de griffier bevoegd om dat gedematerialiseerde stuk eensluidend te verklaren aan het materiële stuk, door middel van een geavanceerd elektronisch zegel of een gekwalificeerde elektronische handtekening (artikel 721, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek).
B.26.3. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij aanvoert, doen de bevoegdheden van het gemeenschappelijk beheerscomité geen afbreuk aan de wettelijke opdrachten van de griffier, wiens tussenkomst nog steeds dient als een waarborg voor de authenticiteit van de procedurestukken opgenomen in de dossiers van de rechtspleging. In dat opzicht komt de functionele onafhankelijkheid van de rechterlijke orde niet in het gedrang.
27
B.27.1. Het voorgaande neemt niet weg dat het gemeenschappelijk beheerscomité verregaande bevoegdheden heeft met betrekking tot de inrichting en het beheer van de werking van het Centraal register, bevoegdheden die niet louter betrekking hebben op de financiële en/of technische aspecten ervan.
B.27.2. In dat opzicht dient te worden gewezen op artikel 725quater van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 14 van de wet van 19 december 2023 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen » en opgeheven bij artikel 29
van de wet van 28 maart 2024.
Het zesde lid van paragraaf 1 van die bepaling voorzag erin dat de vertegenwoordigers van de FOD Justitie binnen het gemeenschappelijk beheerscomité, wat betreft het beheer van de interne informaticasystemen en registers van Justitie waarvoor de wet dat comité als beheerder aanwijst, slechts stemrecht hadden « in de aangelegenheden die betrekking hebben op de inzet van de middelen en de technische aspecten, in zoverre deze laatsten geen invloed hebben op de inhoud of begrijpelijkheid van de via het desbetreffende interne informaticasysteem of register van Justitie verwerkte gegevens », en dat zij als waarnemer zitting hadden « in aangelegenheden die louter betrekking hebben op de interne werking van de rechterlijke orde ».
B.27.3. Volgens de parlementaire voorbereiding van de wet van 28 maart 2024, die artikel 725quater van het Gerechtelijk Wetboek heeft opgeheven, achtte de wetgever het aangewezen om « een regeling […] voor het beheer van de interne gegevensbanken en informaticasystemen van Justitie ter ondersteuning van de Rechterlijke Orde » op te nemen in artikel 42 van de wet van 18 februari 2014 in plaats van in het Gerechtelijk Wetboek (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3728/006, p. 9). De wet van 28 maart 2024 heeft evenwel niet voorzien in een soortgelijke waarborg als die welke was opgenomen in artikel 725quater, § 1, zesde lid, van het Gerechtelijk Wetboek. Evenmin heeft de wetgever een dergelijke waarborg opgenomen in het thans bestreden artikel 725bis/1 van het Gerechtelijk Wetboek.
B.28. Daarenboven is het gemeenschappelijk beheerscomité « samengesteld uit de leden van het directiecomité van de Federale Overheidsdienst Justitie, de voorzitters van de Colleges, de eerste voorzitter van het Hof van Cassatie en de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie » (artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014). Aldus is het niet uitgesloten dat het gemeenschappelijk beheerscomité meer vertegenwoordigers van de FOD Justitie telt
28
dan vertegenwoordigers van de rechterlijke orde. Thans is het directiecomité van de FOD Justitie immers samengesteld uit « een voorzitter », « de hoofden van de operationele diensten van de federale overheidsdienst », « de hoofden van de functionele diensten belast met ‘ Begroting en Beheerscontrole ’, ‘ Personeel en Organisatie ’ en ‘ Informatie- en Communicatietechnologie van de federale overheidsdienst ’ » en « de directeur(s) van de betrokken beleidscel(len) of hoofd(en) van de betrokken beleidskern(en) » (artikel 4, eerste lid, van het koninklijk besluit van 7 november 2000 « houdende oprichting en samenstelling van de organen die gemeenschappelijk zijn aan iedere federale overheidsdienst »).
B.29.1. Aangezien de vertegenwoordigers van de rechterlijke orde noch een numeriek overwicht, noch een doorslaggevende stem hebben in het gemeenschappelijk beheerscomité, is het niet gewaarborgd dat zij zich steeds zouden kunnen verzetten tegen ontwikkelingen, gebruiken of misbruiken met betrekking tot het Centraal register die hun onafhankelijkheid of het vertrouwen in het bijhouden van de daarin opgenomen gegevens zouden aantasten.
Artikel 725bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek voorziet bijgevolg niet in waarborgen die voldoende toelaten om, wat betreft de functie van het Centraal register als authentieke bron van de dossiers van de rechtspleging, het noodzakelijke vertrouwen in de onafhankelijkheid van de rechtspraak te behouden. In die mate schendt die bepaling de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 40 en 151 ervan en met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
B.29.2. Het eerste en het tweede middel in de zaak nr. 8369 zijn gegrond in de in B.29.1
aangegeven mate. Artikel 725bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 15 mei 2024, dient te worden vernietigd, in zoverre het niet waarborgt dat de vertegenwoordigers van de rechterlijke orde in het gemeenschappelijk beheerscomité, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014, zich kunnen verzetten tegen ontwikkelingen, gebruiken of misbruiken met betrekking tot het Centraal register die hun onafhankelijkheid of het vertrouwen in het bijhouden van de daarin opgenomen gegevens zouden aantasten.
29
Wat betreft de toegang tot het Centraal register
B.30. De verzoekende partij in de zaak nr. 8372 voert aan dat de toegang tot het Centraal register op een discriminerende wijze, in strijd met de wapengelijkheid en met het recht op eerbiediging van het privéleven, wordt geregeld doordat advocaten en magistraten, in het bijzonder het openbaar ministerie, niet dezelfde toegang hebben. Daardoor zou artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 in strijd zijn met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8372).
B.31. Het door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling houdt de wapengelijkheid voor de procespartijen in, waarmee het recht om tegenspraak te voeren nauw is verbonden. Hieruit vloeit voort dat elke partij de mogelijkheid moet hebben om haar argumenten te doen gelden in omstandigheden die haar niet kennelijk benadelen ten opzichte van de tegenpartij (EHRM, 27 oktober 1993, Dombo Beheer B.V. t. Nederland,
ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888
, § 33; 12 maart 2003, Öcalan t. Turkije,
ECLI:CE:ECHR:2003:0312JUD004622199
, § 140; 24 april 2003, Yvon t. Frankrijk,
ECLI:CE:ECHR:2003:0424JUD004496298
, § 31).
Dat recht wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 14, lid 1, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij een algemeen rechtsbeginsel.
B.32.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt :
« Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald.
De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ».
B.32.2. Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :
« 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling.
30
2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van ‘s lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ».
B.32.3. De Grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2).
De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen.
B.32.4. Het recht op eerbiediging van het privéleven, zoals gewaarborgd in de voormelde grondwets- en verdragsbepalingen, heeft als essentieel doel de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven.
In de context van de bescherming van persoonsgegevens heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens benadrukt dat de term privéleven niet restrictief mag worden geïnterpreteerd. Die ruime interpretatie komt overeen met die van het Verdrag van de Raad van Europa van 28 januari 1981 tot bescherming van personen ten opzichte van de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens (hierna : het Verdrag nr. 108), waarvan het doel is « om op het grondgebied van elke Partij voor ieder individu […] eerbiediging van zijn rechten en fundamentele vrijheden te waarborgen, en met name zijn recht op privacy, met betrekking tot de geautomatiseerde verwerking van persoonsgegevens die op hem betrekking hebben », waarbij persoonsgegevens worden gedefinieerd als « alle informatie betreffende een geïdentificeerde of identificeerbare natuurlijke persoon » (EHRM, grote kamer, 16 februari 2000, Amann t. Zwitserland,
ECLI:CE:ECHR:2000:0216JUD002779895
, § 65;
30 januari 2020, Breyer t. Duitsland,
ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD005000112
, § 74).
B.32.5. Het recht op eerbiediging van het privéleven is evenwel niet absoluut. Artikel 22
van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in de uitoefening van dat recht niet uit, voor zover zij wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, zij beantwoordt aan een dwingende
31
maatschappelijke behoefte in een democratische samenleving en zij evenredig is met de daarmee nagestreefde wettige doelstelling.
De wetgever beschikt ter zake over een beoordelingsvrijheid. Die vrijheid is evenwel niet onbegrensd : opdat een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op eerbiediging van het privéleven, is vereist dat de wetgever een billijk evenwicht heeft ingesteld tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Bij de beoordeling van dat evenwicht houdt het Europees Hof voor de Rechten van de Mens onder meer rekening met de bepalingen van het Verdrag nr. 108 (EHRM, 25 februari 1997, Z t. Finland,
ECLI:CE:ECHR:1997:0225JUD002200993
, § 95; grote kamer, 4 december 2008, S. en Marper t. Verenigd Koninkrijk,
ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204
, § 103).
Het Verdrag nr. 108 bevat onder meer de beginselen inzake de verwerking van persoonsgegevens : rechtmatigheid, behoorlijkheid, transparantie, doelbinding, evenredigheid, juistheid, opslagbeperking, integriteit en vertrouwelijkheid, en verantwoordingsplicht.
B.33. Allereerst bekritiseert de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 dat advocaten de in het Centraal register opgenomen gegevens uitsluitend kunnen raadplegen indien zij recht van inzage hebben in het betrokken dossier, terwijl de leden van het gerecht waarbij de zaak aanhangig is en de leden van het openbaar ministerie die gegevens kunnen raadplegen binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten.
B.34. Krachtens artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 2°, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de in het Centraal register opgenomen gegevens worden geraadpleegd door « de personen opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, [bedoelde] elektronische lijst, van het gerecht waarbij de zaak waarop het dossier betrekking heeft, aanhangig is, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten » (a)), « de personen opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, [bedoelde] elektronische lijst, van het openbaar ministerie, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten » (b)), « de personen die overeenkomstig de wet inzagerecht hebben in een welbepaald dossier, waarbij de raadpleging beperkt blijft tot dat dossier en het inzagerecht uitsluitend wordt uitgeoefend binnen de grenzen en conform de nadere regels van het Gerechtelijk Wetboek en de bijzondere wetten die betrekking hebben op de rechtspleging en de
32
uitvoeringsbesluiten ervan » (c)), en « de functionaris voor gegevensbescherming aangesteld door de gezamenlijke verwerkingsverantwoordelijken, binnen de grenzen van zijn wettelijke opdrachten » (d)).
Krachtens artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek « [stelt] de Federale Overheidsdienst Justitie […] een elektronische lijst op van de personen die een gerechtelijk ambt uitoefenen zoals bedoeld in Deel II, boek II, eerste titel, en van de magistraten in opleiding bedoeld in artikel 259octies, § 1, vierde lid ».
B.35. Voorafgaand dient te worden opgemerkt dat de rechtsprekende functie op zichzelf de vermelding met zich meebrengt van persoonsgegevens van de actoren die bijdragen aan de behoorlijke rechtsbedeling, zoals magistraten, griffiepersoneel, advocaten, gerechtsdeskundigen, maar ook partijen of derden. Voorts bevatten de dossiers van de rechtspleging uit de aard zelf van de rechtsprekende functie een aantal persoonsgegevens, die verband houden met de specificiteit van de zaak.
Door de oprichting van het Centraal register wordt een grote hoeveelheid van die gegevens centraal verzameld, aangezien die databank dient als de bewaarplaats voor de authentieke dossiers van de rechtspleging. Uit het voorgaande volgt dat de toegang tot de in het Centraal register opgenomen gegevens uit de aard zelf een toegang tot persoonsgegevens betreft.
B.36. Wanneer de wetgever de toegang tot de authentieke dossiers van de rechtspleging in het Centraal register regelt, dient hij dat op een wijze te doen die niet alleen rekening houdt met de wapengelijkheid, maar ook met de grondwettelijke en verdragsrechtelijke plicht om burgers met betrekking tot hun persoonsgegevens en persoonlijke informatie die vervat zijn in de dossiers van de rechtspleging, te beschermen.
B.37. Gelet op de noodzaak om inmengingen in de grondrechten van burgers te beperken tot het strikt noodzakelijke, vermocht de wetgever met het oog op het regelen van de toegang tot het Centraal register te werken met onderscheiden categorieën, die onder meer afhankelijk van hun wettelijke opdrachten en al dan niet onder bepaalde voorwaarden, toegang tot de authentieke dossiers van de rechtspleging kunnen krijgen.
33
B.38. Rekening houdend met de doelstelling van het Centraal register om « de uitoefening van de wettelijke opdrachten van de rechterlijke orde te vergemakkelijken » (artikel 725bis/1, § 1, tweede lid, 1°, van het Gerechtelijk Wetboek) en met de noodzaak om de toegang tot de persoonsgegevens te beperken tot het strikt noodzakelijke, is het redelijk verantwoord dat de magistraten van de zetel, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten, de dossiers van de rechtspleging kunnen raadplegen van de zaken die aanhangig zijn bij het gerecht waartoe zij behoren. Een dergelijke toegang draagt ertoe bij dat het betrokken gerecht op een efficiënte wijze kan functioneren en laat de magistraten ervan toe met kennis van alle relevante informatie hun rechtsprekende taak uit te oefenen.
B.39.1. Eveneens is het redelijk verantwoord dat de leden van het openbaar ministerie in beginsel, binnen de grenzen van hun wettelijke opdrachten, alle gegevens opgenomen in het Centraal register kunnen raadplegen, waarbij die toegang dus, in tegenstelling tot hetgeen het geval is voor de zittende magistratuur, niet a priori wordt beperkt tot bepaalde zaken.
B.39.2. Zoals wordt aangegeven in de memorie van toelichting van de wet van 15 mei 2024 (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 75-76), dient het openbaar ministerie, dat ondeelbaar is, immers te waken over de regelmatigheid van de dienst van de hoven en rechtbanken (artikel 140 van het Gerechtelijk Wetboek).
Daarenboven komt het openbaar ministerie, in burgerlijke zaken, tussen bij wege van rechtsvordering, vordering of, wanneer het zulks dienstig acht, advies. Het treedt ambtshalve op in de gevallen die de wet bepaalt en bovendien telkens als de openbare orde zijn tussenkomst vergt (artikel 138bis, § 1, van het Gerechtelijk Wetboek). Het openbaar ministerie kan zich, wanneer het zulks dienstig acht, alle zaken laten meedelen waarvan de wet de mededeling niet voorschrijft (artikel 764, tweede lid, van het Gerechtelijk Wetboek). In strafzaken vervult het openbaar ministerie, in het belang van de gemeenschap, de opdrachten van openbare dienst met betrekking tot de opsporing en de vervolging van misdrijven (artikelen 22 tot 47bis van het Wetboek van strafvordering) en vordert het de toepassing van de strafwet (artikel 138 van het Gerechtelijk Wetboek).
Voor de uitoefening van die opdrachten kan het noodzakelijk zijn dat de leden van het openbaar ministerie de in het Centraal register opgenomen gegevens kunnen raadplegen,
34
ongeacht het gerecht waarbij de zaak aanhangig is en ongeacht of het gaat om een zaak waarvoor de wet de tussenkomst van het openbaar ministerie uitdrukkelijk voorschrijft.
B.40. In het licht van wat voorafgaat, is het voorts ook redelijk verantwoord dat de mogelijkheid voor advocaten om de in het Centraal register opgenomen gegevens te raadplegen, beperkt is tot de dossiers waarvoor zij overeenkomstig de wet inzagerecht hebben, meer bepaald de dossiers met betrekking tot de zaken waarin hun cliënt partij is (zie ook artikel 725 van het Gerechtelijk Wetboek). Er valt niet in te zien waarom een dergelijke beperking van de toegangsrechten de uitoefening, door de advocaten, van hun opdrachten van verdediging of vertegenwoordiging in rechte van hun cliënten of van verlening van juridisch advies aan die cliënten, onmogelijk of buitensporig moeilijk zou maken. De wetgever mocht, met het oog op de bescherming van de burgers met betrekking tot hun persoonsgegevens en persoonlijke informatie die vervat zijn in de digitale dossiers van de rechtspleging, ervan uitgaan dat advocaten niet in om het even welk dossier inzage dienen te krijgen.
B.41.1. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij in de zaak nr. 8372 aanvoert, doet het verschil in behandeling tussen de leden van het openbaar ministerie en de advocaten met betrekking tot de toegang tot het Centraal register geen afbreuk aan het recht op een eerlijk proces, in het bijzonder het beginsel van de wapengelijkheid tussen de procespartijen.
B.41.2. Tussen het openbaar ministerie en de andere partijen in een strafproces bestaat immers een fundamenteel verschil dat op een objectief criterium steunt : zoals is vermeld in B.39.2, vervult het openbaar ministerie, in het algemeen belang, de opdrachten van openbare dienst met betrekking tot de opsporing en de vervolging van de misdrijven en vordert het de toepassing van de strafwet; de andere partijen verdedigen hun persoonlijk belang. Dat objectief verschil tussen de situatie van het openbaar ministerie en de andere partijen in het strafproces is aanwezig gedurende de gehele strafvordering. Het recht op een eerlijk proces en in het bijzonder het beginsel van de wapengelijkheid hebben niet een dermate verregaande draagwijdte dat zij elk verschil in behandeling tussen het openbaar ministerie en de verdachte in de weg zouden staan.
Wanneer het openbaar ministerie bepaalde in het Centraal register opgenomen gegevens wenst aan te wenden in het kader van een strafrechtelijke procedure, dient die informatie te
35
worden opgenomen in het strafdossier en zijn de algemene regels betreffende de inzage van het strafdossier, zoals onder meer vervat in de artikelen 21bis en 61ter van het Wetboek van strafvordering, van toepassing.
B.41.3. Meer in het algemeen brengt de aanwending door het openbaar ministerie, in een rechtsgeding, van gegevens uit een dossier van de rechtspleging met betrekking tot een andere zaak, met zich mee dat die gegevens deel uitmaken van het voor de desbetreffende rechter op tegenspraak gevoerde debat, zodat de partijen kennis kunnen nemen van die gegevens, ze kunnen tegenspreken en, in voorkomend geval, kunnen aanwenden ter ondersteuning van hun standpunt. Overigens kan worden aangenomen dat particulieren weet hebben van de eventuele procedures bij de hoven en rechtbanken die op hen betrekking hebben, en dat zij derhalve ook zelf of via hun advocaat steeds de dossiers van de rechtspleging met betrekking tot die procedures kunnen opvragen.
B.42. Tot slot vereisen noch het recht op een eerlijk proces, noch het recht op eerbiediging van het privéleven dat een persoon systematisch ervan in kennis wordt gesteld wanneer het openbaar ministerie in het Centraal register opgenomen gegevens uit een dossier van de rechtspleging raadpleegt die op die persoon betrekking hebben. Met name dient erop te worden gewezen dat de strafprocedure, in haar voorbereidende fase, in beginsel inquisitoriaal en geheim is. Dat geheime karakter wordt in het bijzonder verantwoord door de zorg, enerzijds, een maximale efficiëntie te waarborgen bij het zoeken naar de waarheid en, anderzijds, het vermoeden van onschuld te beschermen (zie ook Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/004, p. 13). Aldus is het niet onredelijk dat de betrokkene pas kennis kan krijgen van de raadpleging van bepaalde in het Centraal register opgenomen gegevens, op het ogenblik dat het openbaar ministerie die gegevens daadwerkelijk heeft aangewend in rechte.
B.43. De verzoekende partij in de zaak nr. 8372 bekritiseert vervolgens dat advocaten niet over de mogelijkheid beschikken de in het Centraal register opgenomen gegevens te verwerken.
B.44.1. Krachtens artikel 725bis/1, § 5, derde lid, van het Gerechtelijk Wetboek is de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens verboden, behalve indien zulks gebeurt voor de doeleinden bepaald in paragraaf 1, tweede lid, van dat artikel.
36
B.44.2. Is met name toegelaten, « de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten »
(artikel 725bis/1, § 1, tweede lid, 6°, van het Gerechtelijk Wetboek). Voor die verwerking hebben « de door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden, overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden » toegang tot het Centraal register (artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek).
B.44.3. De memorie van toelichting van de wet van 15 mei 2024 vermeldt daaromtrent :
« Ten zesde heeft het Centraal register tot doel om de erin opgenomen gegevens te kunnen verwerken voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten. ‘ De ontwikkeling van informaticasystemen ’ betreft meer bepaald de ontwikkeling van informaticatools of de ontwikkeling en training van algoritmes die de magistraten in de uitvoering van hun wettelijke opdrachten zullen moeten ondersteunen. ‘ Ondersteuning ’ impliceert dat het lid van de rechterlijke orde dat zich door een algoritme of informaticatool laat ondersteunen, steeds centraal blijft staan, en steeds het laatste woord zal hebben.
Ondersteuning door algoritmes of informaticatools omvat bijvoorbeeld de verwerking van deze gegevens door algoritmes om magistraten bij te staan in de aanloop naar/voorbereiding van hun beslissing, bijvoorbeeld door ‘ case law enhancement ’, namelijk het gebruik van ‘ Natural Language Processing ’-technieken voor het identificeren en creëren van nieuwe zoek-opties (naast keyword of full-text zoekopdrachten) en/of voor het linken van gegevens uit het Centraal register met gegevens uit andere relevante bronnen (bijvoorbeeld wetgevingsdatabank, databank met rechtsleer, …). Daarnaast kan bijvoorbeeld worden gedacht aan informaticatools die helpen om structuur aan te brengen in complexe en uitgebreide dossiers van de rechtspleging. Deze bepaling heeft niet als doel om te voorzien in een wettelijk kader voor welbepaalde ‘ informaticasystemen ’. Indien dergelijke informaticasystemen worden ontwikkeld, zullen zij, met het oog op hun ingebruikname door leden van de rechterlijke orde, afdoende wettelijk worden omkaderd. Deze bepaling moet samen worden gelezen met de ontworpen paragraaf 5, eerste lid, 5°. Daaruit volgt dat enkel de daartoe schriftelijk door de beheerder gemachtigde derden tot een dergelijke verwerking zullen kunnen overgaan, en dit overeenkomstig de door de beheerder bepaalde voorwaarden » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 71).
B.45. Het principiële verbod op de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens past in het kader van de bescherming van persoonsgegevens, en derhalve van het privéleven van, enerzijds, de bij gerechtelijke procedures betrokken personen en van, anderzijds, de magistraten, de leden van de griffie en de advocaten die bijdragen aan de rechtsbedeling.
37
B.46.1. Het verschil in behandeling met betrekking tot de mogelijkheid tot ontwikkeling van ondersteunende hulpmiddelen om de gegevens van het Centraal register te verwerken, in zoverre wel in een uitzondering op het principieel verbod is voorzien ten behoeve van de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde terwijl dat niet het geval is ten behoeve van de advocatuur, steunt op een objectief criterium.
B.46.2. Het verschil in behandeling is ook pertinent in het licht van de doelstellingen om, enerzijds, ondersteuning te bieden aan de leden van de rechterlijke orde bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten en, anderzijds, tegemoet te komen aan de legitieme bekommernis om persoonsgegevens zoveel mogelijk te beschermen en vooral de risico’s en de gevaren inzake het gebruik van artificiële intelligentie tegen te gaan of onder controle te houden.
Het is dus niet zonder redelijke verantwoording dat de ontwikkeling van informaticasystemen met betrekking tot de gegevens opgenomen in de digitale dossiers van de rechtspleging enkel wordt toegelaten voor het ondersteunen van de leden van de rechterlijke orde. Op die manier wordt immers gewaarborgd dat technische hulpmiddelen en analytische artificiële intelligentie, die ernstige risico’s kunnen inhouden op foutieve correlaties en onjuiste resultaten, hetgeen een verkeerde informatieverstrekking met zich kan meebrengen, enkel op een gecontroleerde wijze – dit is onder de aansturing en het toezicht van de rechterlijke orde –
kunnen worden ontwikkeld en de werkingssfeer ervan beperkt blijft.
Het is bovendien niet onredelijk dat de wetgever vanuit een voorzorgsprincipe oordeelt dat zowel een dergelijke ontwikkeling met betrekking tot persoonsgegevens die de rechterlijke macht noodzakelijkerwijze dient te verwerken, als het gebruik van hulpmiddelen op basis van artificiële intelligentie niet kunnen worden overgelaten aan de private sector voor andere doelen dan de ondersteuning van een publieke taak. De ontstentenis van een uitzondering voor private of commerciële doeleinden heeft bovendien ook geen onevenredige gevolgen voor de uitoefening van juridische dienstverlening door de advocatuur. Het staat de advocaten vrij de inhoud van de dossiers van de rechtspleging van de zaken waarin hun cliënten partij zijn, op te nemen in eigen private databanken met eigen zoekmotoren, zodat zij op basis van die gegevens en persoonlijke ervaring hun cliënten kunnen adviseren. Bijgevolg wordt evenmin de wapengelijkheid geschonden.
38
B.47. Het eerste onderdeel van het eerste middel in de zaak nr. 8372 is niet gegrond.
B.48. De verzoekende partij in de zaak nr. 8372 bekritiseert daarnaast de machtiging aan de Koning om de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register te bepalen. Eveneens bekritiseert zij dat de beheerder derden en publieke overheden kan machtigen om de in het Centraal register opgenomen gegevens te verwerken. Het zou gaan om delegaties van verordenende bevoegdheid die in strijd zijn met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 33 ervan (tweede onderdeel van het eerste middel en eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8372).
B.49.1. Artikel 33 van de Grondwet bepaalt :
« Alle machten gaan uit van de Natie.
Zij worden uitgeoefend op de wijze bij de Grondwet bepaald ».
B.49.2. Artikel 33 van de Grondwet verzet zich niet ertegen dat, in een bepaalde technische materie, de wetgever specifieke uitvoerende bevoegdheden toevertrouwt aan een autonome administratieve overheid die zowel aan de jurisdictionele controle als aan de parlementaire controle is onderworpen, en verbiedt de wetgever niet delegaties te verlenen aan een uitvoerend orgaan, op voorwaarde dat die betrekking hebben op de uitvoering van maatregelen waarvan het doel door de bevoegde wetgever is bepaald, in het bijzonder in technische en ingewikkelde materies.
B.50. Bij artikel 22 van de Grondwet wordt aan de bevoegde wetgever de bevoegdheid voorbehouden om te bepalen in welke gevallen en onder welke voorwaarden afbreuk kan worden gedaan aan het recht op eerbiediging van het privéleven. Het waarborgt aldus aan elke burger dat geen inmenging in de uitoefening van dat recht kan plaatsvinden dan krachtens regels die zijn aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
Het wettigheidsbeginsel gaat niet zover dat het de wetgever ertoe verplicht elk aspect van de verwerking van persoonsgegevens zelf te regelen. Een delegatie aan een ander orgaan is niet in strijd met dat beginsel, voor zover de machtiging voldoende nauwkeurig is omschreven en betrekking heeft op de tenuitvoerlegging van maatregelen waarvan de essentiële elementen vooraf door de wetgever zijn vastgesteld.
39
Bijgevolg moeten de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens in de wet zelf worden vastgelegd. In dat verband maken de volgende elementen, ongeacht de aard van de betrokken aangelegenheid, in beginsel essentiële elementen uit : 1°) de categorie van verwerkte gegevens; 2°) de categorie van betrokken personen; 3°) de met de verwerking nagestreefde doelstelling; 4°) de categorie van personen die toegang hebben tot de verwerkte gegevens; 5°) de maximumtermijn voor het bewaren van de gegevens.
B.51. Wanneer een specifieke grondwetsbepaling, zoals artikel 22 van de Grondwet, de waarborg biedt dat over de essentiële elementen van een bepaalde aangelegenheid door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering dient te worden beslist, wordt de waarborg van de overige bepalingen die de verhouding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht regelen daardoor opgeslorpt. Hetzelfde geldt voor de in de grieven aangevoerde beginselen van de wettigheid en van de scheiding der machten.
B.52.1. Krachtens artikel 725bis/1, § 5, vierde lid, van het Gerechtelijk Wetboek « bepaalt [de Koning], na advies van de beheerder, de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register ».
B.52.2. De memorie van toelichting van de wet van 15 mei 2024 vermeldt daaromtrent :
« In het vierde lid van paragraaf 5 wordt de Koning gemachtigd om, na advies van de beheerder van het Centraal register, de nadere regels en procedures te bepalen betreffende de toegang tot het register. Het gaat hier bijvoorbeeld om de regels en procedures betreffende de toegangsverificatie, die voldoende garanties moet bieden, of over het inrichten van een systeem van logging nodig voor een adequate controle op de toegang tot en het gebruik van het Centraal register » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 77).
B.52.3. De wetgever heeft in artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, van het Gerechtelijk Wetboek zelf bepaald welke categorieën van personen toegang hebben tot het Centraal register, alsook voor welke doeleinden die toegang wordt verleend en op welke gegevens die betrekking heeft.
De aan de Koning verleende bevoegdheid om de nadere regels en procedures betreffende de toegang tot het Centraal register te bepalen, heeft derhalve geen betrekking op de essentiële elementen van de verwerking van de in dat register opgenomen persoonsgegevens. Mede in het
40
licht van de voormelde parlementaire voorbereiding heeft de wetgever daarnaast die bevoegdheid voldoende nauwkeurig afgebakend. Een dergelijke machtiging, die in essentie betrekking heeft op de technische modaliteiten van de toegang tot het Centraal register, is niet in strijd met het in artikel 22 van de Grondwet vervatte formele wettigheidsbeginsel.
B.53.1. Krachtens artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 5°, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen door de beheerder schriftelijk gemachtigde derden, overeenkomstig de door hem bepaalde voorwaarden, toegang krijgen tot het Centraal register « voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 6° ». Het betreft « de verwerking van de in het Centraal register opgenomen gegevens voor de ontwikkeling van informaticasystemen voor de ondersteuning van de leden van de rechterlijke orde, opgenomen in de in artikel 315ter, § 1, eerste lid, bedoelde elektronische lijst, bij de uitoefening van hun wettelijke opdrachten ».
De in B.44.3 vermelde parlementaire voorbereiding preciseert over welke soorten van informaticasystemen het kan gaan. Nog volgens die parlementaire voorbereiding heeft de wet van 15 mei 2024 niet als doel « om te voorzien in een wettelijk kader voor welbepaalde ‘ informaticasystemen ’ » en zullen, « indien dergelijke informaticasystemen worden ontwikkeld, […] zij, met het oog op hun ingebruikname door leden van de rechterlijke orde, afdoende wettelijk worden omkaderd » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 71). Daaruit volgt dat de wetgever aan de beheerder de bevoegdheid heeft willen toekennen om, wanneer het wettelijk kader met betrekking tot het te ontwikkelen informaticasysteem voorhanden is, de concrete personen aan te wijzen die worden belast met de gegevensverwerking die noodzakelijk is voor de ontwikkeling van dat systeem, en te bepalen onder welke voorwaarden dat moet gebeuren.
B.53.2. Eveneens kunnen, krachtens artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 7°, van het Gerechtelijk Wetboek, door de beheerder schriftelijk gemachtigde publieke overheden, overeenkomstig de door hem bepaalde voorwaarden, toegang krijgen tot het Centraal register « voor de gegevensverwerking bedoeld in paragraaf 1, tweede lid, 9° ». Het betreft « de verwerking voor statistische doeleinden, binnen de grenzen bepaald bij titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, van de in het Centraal register opgenomen gegevens ». Die titel voorziet in waarborgen in geval van een verwerking van persoonsgegevens voor statistische doeleinden, onder meer inzake anonimisering of pseudonimisering.
41
De memorie van toelichting van de wet van 15 mei 2024 vermeldt daaromtrent :
« De negende doelstelling, ten slotte, betreft de verwerking voor statistische doeleinden, binnen de grenzen gesteld door titel 4 van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, van de in het Centraal register opgenomen gegevens. Het gaat om een verwerking van in het register opgenomen gegevens, voor statistische doeleinden, door publieke overheden (zie de ontworpen paragraaf 5, eerste lid, 7°). Dergelijke verwerking heeft op beleidsmatig vlak een meerwaarde, bijvoorbeeld op nationaal vlak, voor het opsporen van bepaalde tendensen die het preventief en repressief strafrechtelijk beleid mee richting kunnen geven, maar ook op supra- en internationaal vlak. In meer en meer EU-verordeningen, bijvoorbeeld, wordt bijna standaard een evaluatieclausule ingeschreven, in het kader waarvan de lidstaten aan de Europese Commissie bepaalde gegevens – waaronder statistieken – dienen over te maken, statistieken die op vandaag al te vaak ontbreken of onvolledig zijn.
De gegevens uit het Centraal register zullen worden gebruikt om justitiële statistieken op te stellen. Daartoe worden de gegevens gepseudonimiseerd of geanonimiseerd. Technisch gezien zal het daaropvolgend niet langer mogelijk zijn om betrokkenen hun recht op toegang tot of verbetering van hun gegevens te laten uitoefenen. Anderzijds voorziet titel IV van de van de wet van 30 juli 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens in waarborgen voor gegevensbescherming, zoals vereist door artikel 89, paragrafen 2 en 3, van de AVG. De verwijzing naar titel IV van de voornoemde wet van 30 juli 2018 is daarom relevant » (ibid., pp. 72-73).
B.54. Het feit dat die machtigingen dienen te worden gegeven door de beheerder, te weten het voormelde gemeenschappelijk beheerscomité, die voorwaarden aan die toelating kan koppelen, houdt niet in dat een essentieel element van de verwerking van persoonsgegevens wordt vastgesteld door dat comité. De wetgever heeft zelf erin voorzien dat de in het Centraal register opgenomen gegevens kunnen worden verwerkt door daartoe gemachtigde derden en publieke overheden, en heeft eveneens de precieze doeleinden bepaald waarvoor zulks mogelijk is. De aan het gemeenschappelijk beheerscomité toegekende bevoegdheid houdt geen verordenende bevoegdheid, maar enkel een individuele beslissingsbevoegdheid in waarbij aan een individuele derde of publieke overheid, onder de door dat comité te bepalen voorwaarden, een louter individuele machtiging wordt verleend om tot een verwerking van bepaalde gegevens over te gaan.
B.55. Rekening houdend met het technische en het evolutieve karakter dat de betrokken aangelegenheden kunnen vertonen, mocht de wetgever op geldige wijze aan de beheerder de bevoegdheid toevertrouwen om de individuele derden of publieke overheden aan te wijzen die worden belast met de gegevensverwerking en de concrete voorwaarden daarvan te bepalen. De
42
bij artikel 725bis/1, § 5, eerste lid, 5° en 7°, van het Gerechtelijk Wetboek aan de beheerder verleende machtigingen zijn, mede in het licht van de parlementaire voorbereiding van die bepaling, op voldoende nauwkeurige wijze afgebakend.
B.56. Voor het overige blijkt niet uit de uiteenzetting in het verzoekschrift in welk opzicht de wetgever zou hebben nagelaten zelf de essentiële elementen van de verwerking van persoonsgegevens te bepalen.
B.57. Het tweede onderdeel van het eerste middel en het eerste onderdeel van het tweede middel in de zaak nr. 8372 zijn niet gegrond.
43
Om die redenen,
het Hof
1. vernietigt artikel 725bis/1, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 22 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II », in zoverre het niet waarborgt dat de vertegenwoordigers van de rechterlijke orde in het gemeenschappelijk beheerscomité, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de wet van 18 februari 2014 « betreffende de invoering van een verzelfstandigd beheer voor de rechterlijke organisatie », zich steeds zouden kunnen verzetten tegen ontwikkelingen, gebruiken of misbruiken met betrekking tot het Centraal register die hun onafhankelijkheid of het vertrouwen in het bijhouden van de daarin opgenomen gegevens zouden aantasten;
2. verwerpt de beroepen voor het overige.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 november 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.149
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.009
ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888
ECLI:CE:ECHR:1997:0225JUD002200993
ECLI:CE:ECHR:2000:0216JUD002779895
ECLI:CE:ECHR:2003:0312JUD004622199
ECLI:CE:ECHR:2003:0424JUD004496298
ECLI:CE:ECHR:2003:0506JUD003934398
ECLI:CE:ECHR:2008:1204JUD003056204
ECLI:CE:ECHR:2015:0423JUD002936910
ECLI:CE:ECHR:2018:1106JUD005539113
ECLI:CE:ECHR:2020:0130JUD005000112
ECLI:CE:ECHR:2020:1201JUD002637418
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==