Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.148

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-11-13 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

13 augustus 2011, 20 juli 1990, 21 november 2016, 25 april 2024, 6 januari 1989

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.148 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.148 Arrest- Rolnummer: 148/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-24 Raadplegingen: 39 - laatst gezien 2025-12-15 14:46 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Strafrechtspleging - Opsporingsonderzoek - Verhoor - Cautieverplichting - Verdachte natuurlijke persoon die vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die potentieel verdachte is Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 148/2025 van 13 november 2025 Rolnummer : 8358 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 19 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 14 november 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 47bis, § 2 van het Wetboek van Strafvordering de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 EVRM, vermits zij in dezelfde cautieverplichting voorziet bij het verhoor van een verdachte - natuurlijke persoon die niet de vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die (potentieel) verdachte is en een verdachte - natuurlijke persoon die vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die (potentieel) verdachte is, terwijl een verdachte die in deze dubbele hoedanigheid wordt ondervraagd zich in een veel kwetsbaardere positie bevindt en aldus uitgebreider dient te worden geïnformeerd over zijn rechten ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de bv « X », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Joris Van Cauter en mr. Karel De Meester, advocaten bij de balie te Gent; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Steve Ronse en mr. Thomas Quintens, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen. Bij beschikking van 24 september 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De bv « X » en haar vennoot P.G. worden gezamenlijk vervolgd wegens verschillende sociaalrechtelijke inbreuken. De eerstgenoemde wordt vervolgd in de hoedanigheid van werkgever en van rechtspersoon die strafrechtelijk verantwoordelijk is op grond van artikel 5 van het Strafwetboek. De laatstgenoemde wordt vervolgd in de hoedanigheid van werkgever en minstens van lasthebber van de bv « X ». P.G. wordt op 31 mei 2021 uitgenodigd voor verhoor. De schriftelijke uitnodiging bevat de beknopte mededeling van de feiten en de verklaring van de rechten overeenkomstig artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering. Op 22 juni 2021 wordt P.G. verhoord met bijstand van een advocaat. Vervolgens worden de bv « X » en P.G. gedagvaard voor de Rechtbank van eerste aanleg West-Vlaanderen, afdeling Brugge, zijnde het verwijzende rechtscollege. De bv « X » werpt op dat voorafgaand aan het verhoor van een natuurlijke persoon die een verdachte is en die de vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die mogelijk ook een verdachte is, moet worden gewezen op de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door verschillende raadslieden of om te verzoeken een lasthebber ad hoc aan te stellen. Anders zou het zwijgrecht of het recht om zichzelf niet te beschuldigen louter illusoir zijn, vermits een rechtspersoon volledig afhankelijk is van de natuurlijke personen die hem vertegenwoordigen. In die omstandigheden beslist het verwijzende rechtscollege om op verzoek van de bv « X » de bovenvermelde prejudiciële vraag te stellen. III. In rechte -A- A.1. De bv « X », zijnde de tweede beklaagde voor het verwijzende rechtscollege, is van oordeel dat het in het geding zijnde artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering de in de prejudiciële vraag vermelde referentienormen schendt, in zoverre die bepaling niet voorziet in de verplichting om, indien de verdachte natuurlijke persoon ook de wettelijke vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die eveneens (een mogelijke) verdachte is, mee te delen in welke hoedanigheid die natuurlijke persoon wordt verhoord. Zulks is nochtans noodzakelijk om de rechtspersoon toe te laten zijn rechten van verdediging, in het bijzonder het recht op bijstand door een raadsman, het zwijgrecht en het recht om zichzelf niet te beschuldigen, uit te oefenen. Meer in het bijzonder laat die mededeling de rechtspersoon toe noodzakelijke keuzes te maken in verband met zijn strafrechtelijke verdediging, en met name te beslissen om zich te laten bijstaan door dezelfde dan wel een andere raadsman als de natuurlijke persoon, of nog te verzoeken om de aanstelling van een lasthebber ad hoc overeenkomstig artikel 2bis van de voorafgaande titel van het Wetboek van strafvordering. 3 De tweede beklaagde voor het verwijzende rechtscollege wijst erop dat een verklaring die niet zelfincriminerend is voor de verdachte natuurlijke persoon, wel zelfincriminerend kan zijn voor de verdachte rechtspersoon die door die natuurlijke persoon wordt vertegenwoordigd. De verklaring van de verdachte natuurlijke persoon kan aldus de rechtspositie van de rechtspersoon schaden. Wanneer de natuurlijke persoon die tevens de wettelijke vertegenwoordiger van de rechtspersoon is, wordt verhoord zonder dat hij voorafgaand aan het eerste verhoor op de voormelde mogelijkheden wordt gewezen, is het te laat om een belangenconflict te vermijden. Het recht om zich te laten bijstaan door verschillende raadslieden dan wel te verzoeken om de aanstelling van een lasthebber ad hoc kan maar daadwerkelijk worden gewaarborgd indien de verdachte op de hoogte is van het bestaan van die rechten. Ook de advocaat van de verdachte kan maar op die mogelijkheden wijzen indien hij voorafgaand aan het verhoor weet in welke hoedanigheid de verdachte zal worden verhoord. De tweede beklaagde voor het verwijzende rechtscollege besluit dat de in het geding zijnde bepaling ten onrechte geen onderscheid maakt tussen een verdachte natuurlijke persoon en een verdachte natuurlijke persoon die de wettelijke vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die eveneens een mogelijke verdachte is, terwijl de laatstgenoemde categorie zich ingevolge die dubbele hoedanigheid in een meer kwetsbare situatie bevindt. A.2. De Ministerraad is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling geen discriminatie creëert tussen de verdachte natuurlijke persoon en de verdachte natuurlijke persoon die tevens de vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die eveneens verdachte is. Ongeacht de hoedanigheid waarin de natuurlijke persoon optreedt, namelijk louter als natuurlijke persoon dan wel als vertegenwoordiger voor een rechtspersoon, heeft hij het recht om een advocaat te consulteren en die advocaat bijstand te laten verlenen tijdens het verhoor. De advocaat van de verdachte licht tijdens het voorafgaandelijk overleg de rechten van de verdachte toe en kan daarbij onder meer wijzen op de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door verschillende raadslieden of om te verzoeken een lasthebber ad hoc aan te stellen. Bovendien wordt aan de betrokkene krachtens artikel 47bis, § 3, van het Wetboek van strafvordering meegedeeld dat hij als een verdachte wordt verhoord, dat hij recht heeft op een voorafgaand overleg met een advocaat en bijstand van een advocaat tijdens het verhoor, dat hij over een zwijgrecht beschikt en dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen. De advocaat waarborgt het zwijgrecht van de verdachte natuurlijke persoon, ongeacht de hoedanigheid waarin die natuurlijke persoon optreedt. Er valt bijgevolg niet in te zien waarom er een discriminerende behandeling zou bestaan naargelang de hoedanigheid waarin de verdachte natuurlijke persoon optreedt. Het doel van de wet, namelijk het waarborgen van het zwijgrecht van de verdachte en het recht om zichzelf niet te beschuldigen, is in elk geval bereikt. Het recht op een eerlijk proces wordt gewaarborgd. -B- B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering, dat deel uitmaakt van het eerste boek (« De gerechtelijke politie en de officieren die ze uitoefenen »), hoofdstuk IV (« De procureur des Konings en hun substituten »), afdeling II (« Wijze waarop de procureurs des Konings handelen in de uitoefening van hun ambt »), van dat Wetboek. B.1.2. Het in het geding zijnde artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering werd ingevoegd bij artikel 2, 2°, van de wet van 13 augustus 2011 « tot wijziging van het Wetboek van strafvordering en van de wet van 20 juli 1990 betreffende de voorlopige hechtenis, om aan elkeen die wordt verhoord en aan elkeen wiens vrijheid wordt benomen rechten te verlenen, 4 waaronder het recht om een advocaat te raadplegen en door hem te worden bijgestaan » (hierna : de wet van 13 augustus 2011) en werd vervolgens vervangen bij artikel 3 van de wet van 21 november 2016 « betreffende bepaalde rechten van personen die worden verhoord » (hierna : de wet van 21 november 2016). In de versie ervan zoals van toepassing vóór de wijziging bij artikel 3 van de wet van 25 april 2024 « houdende verdere omzetting van de richtlijn 2010/64/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 betreffende het recht op vertolking en vertaling in strafprocedures, van de richtlijn 2012/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het recht op informatie in strafprocedures en van de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming » bepaalt artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering : « Vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor van een verdachte, wordt aan de te ondervragen persoon op beknopte wijze kennis gegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord en wordt hem meegedeeld dat : 1) hij als verdachte wordt verhoord en dat hij het recht heeft om voor het verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat, en zich door hem kan laten bijstaan tijdens het verhoor, in zoverre de feiten die hem ten laste kunnen worden gelegd een misdrijf betreffen waarvoor een vrijheidsstraf kan worden opgelegd; en, in geval hij niet van zijn vrijheid is benomen, hij zelf de nodige maatregelen moet nemen om zich te laten bijstaan; 2) hij de keuze heeft na bekendmaking van zijn identiteit om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen; 3) hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen; 4) zijn verklaringen als bewijs in rechte kunnen worden gebruikt; 5) hij kan vragen dat alle vragen die hem worden gesteld en alle antwoorden die hij geeft, worden genoteerd in de gebruikte bewoordingen; 6) in voorkomend geval : hij niet van zijn vrijheid is benomen en hij op elk ogenblik kan gaan en staan waar hij wil; 7) hij kan vragen dat een bepaalde opsporingshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen; 5 8) hij gebruik mag maken van de documenten in zijn bezit, zonder dat daardoor het verhoor wordt uitgesteld en dat hij, tijdens de ondervraging of later, mag vragen dat deze documenten bij het proces-verbaal van het verhoor of bij het dossier worden gevoegd ». B.1.3. De wet van 13 augustus 2011 strekt ertoe de Belgische wetgeving in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens betreffende het recht op toegang tot een advocaat en op diens bijstand gedurende de inleidende fase van het strafproces. Met zijn eerste arrest dienaangaande, gewezen in verband met de situatie van een verdachte die was aangehouden en ondervraagd door de politie, heeft het Europees Hof voor de Rechten van de Mens geoordeeld : « Een nationale wetgeving kan aan de houding van een beklaagde tijdens de aanvangsfase van de ondervragingen door de politie gevolgen verbinden die beslissend zijn voor de vooruitzichten van de verdediging in elke latere strafrechtelijke procedure. Artikel 6 vereist in een dergelijk geval normaal gezien dat de beklaagde reeds tijdens de eerste stadia van de ondervragingen door de politie de bijstand van een advocaat kan genieten » (EHRM, grote kamer, 27 november 2008, Salduz t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2008:1127JUD003639102 , § 52). « [...] opdat het in artikel 6, lid 1, verankerde recht op een eerlijk proces voldoende ‘ concreet en effectief ’ blijft, [...] dient in de regel de toegang tot een advocaat te worden verleend vanaf de eerste ondervraging van een verdachte door de politie, tenzij in het licht van de bijzondere omstandigheden van de zaak wordt bewezen dat er dwingende redenen bestaan om dat recht in te perken. Zelfs indien dwingende redenen uitzonderlijk het weigeren van de toegang tot een advocaat kunnen rechtvaardigen, mag een dergelijke beperking - wat ook de rechtvaardiging ervan moge zijn - niet op onrechtmatige wijze afbreuk doen aan de rechten die uit artikel 6 voortvloeien voor eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd [...]. In beginsel wordt op onherstelbare wijze afbreuk gedaan aan de rechten van de verdediging wanneer incriminerende verklaringen die zijn afgelegd tijdens een politieverhoor zonder de mogelijke aanwezigheid van een advocaat, worden gebruikt om een veroordeling te gronden » (ibid., § 55). B.1.4. Uit de toelichting bij het wetsvoorstel dat tot de wet van 13 augustus 2011 heeft geleid, blijkt dat de wetgever een « werkbaar en efficiënt mechanisme » wou invoeren « dat beantwoordt aan de principes geponeerd door het Europees Hof [voor] de Rechten van [de] Mens », « een antwoord [wou] bieden op de vereisten die voortvloeien uit de ‘ Salduz-rechtspraak ’, niet meer maar ook niet minder dan dat », en « een werkbare oplossing [wou] bieden voor alle actoren op het terrein en die een effectieve uitoefening van de door [de] tekst voorgestelde rechten mogelijk maakt » (Parl. St., Senaat, 2010-2011, nr. 5-663/1, pp. 6-8). 6 B.1.5. Bij artikel 3 van de wet van 21 november 2016 werd artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering vervolgens vervangen teneinde verscheidene richtlijnen, met name de richtlijn 2013/48/EU van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2013 « betreffende het recht op toegang tot een advocaat in strafprocedures en in procedures ter uitvoering van een Europees aanhoudingsbevel en het recht om een derde op de hoogte te laten brengen vanaf de vrijheidsbeneming en om met derden en consulaire autoriteiten te communiceren tijdens de vrijheidsbeneming », in de Belgische wetgeving om te zetten. Daarbij werden de voormelde uitgangspunten van de wet van 13 augustus 2011 hernomen (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-2030/001, p. 33). B.1.6. Artikel 47bis van het Wetboek van strafvordering waarborgt een zeker aantal rechten aan de personen die worden verhoord door de politiediensten, de procureur des Konings of de onderzoeksrechter. Die rechten worden op graduele en gedifferentieerde wijze verleend naargelang de verhoorde persoon de hoedanigheid van verdachte of een andere hoedanigheid (slachtoffer, klager, getuige) heeft, naargelang de verhoorde persoon in de hoedanigheid van verdachte wordt ondervraagd over een misdrijf waarvoor al dan niet een vrijheidsstraf kan worden opgelegd en, ten slotte, naargelang de verhoorde persoon al dan niet van zijn vrijheid wordt beroofd. B.1.7. Het in het geding zijnde artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering betreft de rechten van een verhoorde persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd. Krachtens die bepaling moet, vooraleer wordt overgegaan tot het verhoor, aan de te ondervragen persoon op beknopte wijze worden kennisgegeven van de feiten waarover hij zal worden verhoord. Daarnaast moeten hem de in de voormelde bepaling opgesomde elementen worden meegedeeld. Zo moet hij ervan in kennis worden gesteld dat hij, na bekendmaking van zijn identiteit, de keuze heeft om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de hem gestelde vragen of te zwijgen, en dat hij niet verplicht kan worden zichzelf te beschuldigen. Indien de feiten die de verhoorde ten laste kunnen worden gelegd een misdrijf betreffen waarvoor een vrijheidsstraf kan worden opgelegd, wordt hem bovendien meegedeeld dat hij het recht heeft om voor het verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat, dat hij zich door hem kan laten bijstaan tijdens het verhoor, en, ingeval hij niet van zijn vrijheid is benomen, dat hij zelf de nodige maatregelen moet nemen om zich te laten bijstaan. 7 B.2. Met de prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of het in het geding zijnde artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre die bepaling « in dezelfde cautieverplichting voorziet bij het verhoor van een verdachte - natuurlijke persoon die niet de vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die (potentieel) verdachte is en een verdachte - natuurlijke persoon die vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die (potentieel) verdachte is, terwijl een verdachte die in deze dubbele hoedanigheid wordt ondervraagd zich in een veel kwetsbaardere positie bevindt en aldus uitgebreider dient te worden geïnformeerd over zijn rechten ». Uit de motivering van de verwijzingsbeslissing blijkt dat de prejudiciële vraag peilt naar de grondwettigheid van het in het geding zijnde artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering, in zoverre die bepaling niet voorziet in de verplichting om, voorafgaand aan het verhoor van een verdachte natuurlijke persoon die vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die ook potentieel verdachte is, te wijzen op de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door verschillende raadslieden of om te verzoeken een lasthebber ad hoc aan te stellen. Het Hof beperkt zijn onderzoek in die zin. B.3.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende 8 beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.3.2. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op een eerlijk proces en biedt daarmee ook de grondslag voor het recht om niet zichzelf te beschuldigen (EHRM, 17 december 1996, Saunders t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:1996:1217JUD001918791 , § 68). Het zwijgrecht en het recht om niet bij te dragen tot zijn eigen beschuldiging zijn, ook al worden zij niet uitdrukkelijk vermeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « internationale normen die in het algemeen erkend zijn en deel uitmaken van de kern van het begrip ‘ eerlijk proces ’ verankerd in artikel 6, lid 1 » (EHRM, 5 april 2012, Chambaz t. Zwitserland, ECLI:CE:ECHR:2012:0405JUD001166304 , § 52). Het recht om zichzelf niet te beschuldigen betreft in hoofdorde het eerbiedigen van de wil van de beklaagde om te zwijgen en veronderstelt dat de overheden hun argumentatie trachten te gronden zonder een beroep te doen op bewijselementen die onder dwang of druk zijn verkregen, tegen de wil in van de beklaagde (EHRM, grote kamer, 13 september 2016, Ibrahim e.a. t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108 , § 266). Aldus is dat recht nauw verbonden met het vermoeden van onschuld dat vervat is in artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 17 december 1996, Saunders t. Verenigd Koninkrijk, voormeld, § 68). B.4.1. Het in het geding zijnde artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering voorziet voor de verhoorde persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd waarvoor een vrijheidsstraf kan worden opgelegd in het recht om vóór het verhoor een vertrouwelijk overleg te hebben met een advocaat naar keuze of een hem toegewezen advocaat, en om zich door hem te laten bijstaan tijdens het verhoor. Zoals wordt verduidelijkt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 november 2016, kan daarenboven elke verhoorde persoon die ervan wordt verdacht een misdrijf te hebben gepleegd, zoals elke persoon die wordt verhoord, « indien gewenst, het initiatief [...] nemen om tijdens het verhoor te worden bijgestaan door een advocaat die hijzelf 9 hiertoe vooraf heeft geraadpleegd, zonder dat de verhoorder zich kan verzetten tegen de aanwezigheid van die advocaat tijdens het verhoor en zijn deelname hieraan, overeenkomstig hetgeen waarin is voorzien onder [artikel 47bis, § 6,] punt 7) met betrekking tot de rol van de advocaat » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-2030/001, p. 61). Voorts heeft de persoon die wordt verhoord in de hoedanigheid van verdachte en wiens vrijheid niet is benomen, het recht ‒ dat hem krachtens de in het geding zijnde bepaling moet worden meegedeeld ‒ om het verhoor op elk ogenblik te verlaten, hetgeen hem in voorkomend geval toelaat om overleg te plegen met een advocaat. Het voormelde artikel 47bis, § 6, punt 7, van het Wetboek van strafvordering bepaalt inzake de rol van de advocaat tijdens het verhoor : « [...] De bijstand van de advocaat tijdens het verhoor heeft tot doel toezicht mogelijk te maken op : a) de eerbiediging van het recht van de te horen persoon zichzelf niet te beschuldigen en de keuzevrijheid om een verklaring af te leggen, te antwoorden op de gestelde vragen of te zwijgen; b) de wijze waarop de ondervraagde persoon tijdens het verhoor wordt behandeld, inzonderheid op het al dan niet kennelijk uitoefenen van ongeoorloofde druk of dwang; c) de kennisgeving van de in paragraaf 2, en in voorkomend geval paragraaf 4, bedoelde rechten van verdediging en de regelmatigheid van het verhoor. De advocaat kan op het verhoorblad melding laten maken van de schendingen van de in de bepaling onder a), b) en c) vermelde rechten die hij meent te hebben vastgesteld. De advocaat kan vragen dat een bepaalde opsporingshandeling wordt verricht of een bepaald verhoor wordt afgenomen. Hij kan verduidelijking vragen over vragen die worden gesteld. Hij kan opmerkingen maken over het onderzoek en over het verhoor. Het is hem evenwel niet toegelaten te antwoorden in de plaats van de verdachte of het verloop van het verhoor te hinderen. Al deze elementen worden nauwkeurig opgenomen in het proces-verbaal van verhoor ». B.4.2. De onzekerheid waarin iedere ondervraagde persoon zich bevindt, vermits hij in de regel het ingewikkelde karakter van de regels inzake de strafrechtspleging en de omvang van zijn rechten van de verdediging niet beheerst, wordt op toereikende wijze gecompenseerd door, enerzijds, de verplichting ten aanzien van de overheid, vervat in artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering, om bij de aanvang van het onderhoud te herinneren aan het recht 10 om niet ertoe te worden verplicht zichzelf te beschuldigen en aan het zwijgrecht en, anderzijds, de mogelijkheid voor die persoon om tijdens het verhoor te worden bijgestaan door een advocaat en om vóór dat verhoor een vertrouwelijk onderhoud te hebben met een advocaat, die van dat onderhoud gebruik kan maken om te herinneren aan de rechten van de verdediging en de voor de betrokkene relevante aspecten van de strafrechtspleging uiteen te zetten. Zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 13 augustus 2011, heeft dat overleg « in de eerste plaats tot doel [...] het zwijgrecht van de verdachte effectief te maken en te garanderen, zodat de verdachte met kennis van zaken en op grond van objectieve informatie de beslissing kan nemen om al dan niet een verklaring af te leggen » en kunnen in dat overleg « nog volgende zaken aan bod komen : informatie van de procedure en zijn rechten in het algemeen, bespreking van de zaak en organisatie van de verdediging, zoeken naar bewijzen à décharge, voorbereiding van de ondervraging, morele ondersteuning » (Parl. St., Senaat, 2010-2011, nr. 5-663/1, p. 16). Bijgevolg kan de advocaat, voorafgaand aan het verhoor van een verdachte natuurlijke persoon die vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die ook potentieel verdachte is, wijzen op de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door verschillende raadslieden of om te verzoeken een lasthebber ad hoc aan te stellen teneinde belangenconflicten te vermijden. Daarbij dient erop te worden gewezen dat, overeenkomstig artikel 3.2 van de gedragscode voor Europese advocaten, « de advocaat [...] in eenzelfde zaak niet de raadsman, de vertegenwoordiger of de verdediger [behoort] te zijn van meer dan één cliënt, indien er een belangentegenstelling tussen deze cliënten bestaat of er een wezenlijke dreiging bestaat dat een zodanige tegenstelling zal ontstaan » en « zich ervan [dient] te onthouden de zaken van twee of van alle betrokken cliënten te behandelen, indien zich tussen deze cliënten een tegenstrijdigheid van belangen voordoet, het beroepsgeheim dreigt geschonden te worden of zijn onafhankelijkheid in gevaar dreigt te komen ». B.4.3. Gelet op hetgeen voorafgaat doet de ontstentenis van de verplichting om, voorafgaand aan het verhoor van een verdachte natuurlijke persoon die vertegenwoordiger is van een rechtspersoon die ook potentieel verdachte is, te wijzen op de mogelijkheid om zich te laten bijstaan door verschillende raadslieden of om te verzoeken een lasthebber ad hoc aan te stellen, geen afbreuk aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 11 B.4.4. Artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 12 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 47bis, § 2, van het Wetboek van strafvordering schendt niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 november 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.148 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:1996:1217JUD001918791 ECLI:CE:ECHR:2008:1127JUD003639102 ECLI:CE:ECHR:2012:0405JUD001166304 ECLI:CE:ECHR:2016:0913JUD005054108 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot