Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.146

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-11-13 🌐 FR Arrest verworpen

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

21 november 2017, 28 augustus 2011, 29 september 2020, 30 juli 2013, 5 november 2023

Samenvatting

het beroep tot vernietiging van de artikelen 100, 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (wijzigingen van de wet van 30 juli 2013 « betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen »), ingesteld door de vennootschap naar Zwitsers recht « Viagogo GmbH » en de vennootschap naar het recht van de deelstaat Delaware « Viagogo Entertainment Inc. ».

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.146 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 13 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.146 Arrest- Rolnummer: 146/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-24 Raadplegingen: 83 - laatst gezien 2025-12-15 14:45 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 100, 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (wijzigingen van de wet van 30 juli 2013 « betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen »), ingesteld door de vennootschap naar Zwitsers recht « Viagogo GmbH » en de vennootschap naar het recht van de deelstaat Delaware « Viagogo Entertainment Inc. ». Economisch recht - Verkoop van bewijzen voor de toegang tot evenementen - Consumentenbescherming - Inbreuken - Sancties - Bevoegdheidverdelende regels - Strafrechtelijke waarborgen - Publicatiemaatregel - Recht op eer en integriteit van de reputatie - Verplichtingen tot voorafgaande kennisgeving - Vrij verrichten van diensten Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 146/2025 van 13 november 2025 Rolnummer : 8237 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 100, 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (wijzigingen van de wet van 30 juli 2013 « betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen »), ingesteld door de vennootschap naar Zwitsers recht « Viagogo GmbH » en de vennootschap naar het recht van de deelstaat Delaware « Viagogo Entertainment Inc. ». Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 11 juni 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 juni 2024, is beroep tot vernietiging van de artikelen 100, 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (wijzigingen van de wet van 30 juli 2013 « betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen »), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 11 december 2023, ingesteld door de vennootschap naar Zwitsers recht « Viagogo GmbH » en de vennootschap naar het recht van de deelstaat Delaware « Viagogo Entertainment Inc. », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pieter Paepe, mr. Christoph De Preter, mr. Lucas Falco en mr. Romain Verhoeye, advocaten bij de balie te Brussel, en door mr. Joos Roets en mr. Elke Cloots, advocaten bij de balie van Antwerpen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Valérie De Schepper, advocate bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 16 juli 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 1 oktober 2025. Op de openbare terechtzitting van 1 oktober 2025 : - zijn verschenen : . mr. Christoph De Preter, tevens loco mr. Pieter Paepe, en mr. Joos Roets, tevens loco mr. Elke Cloots, voor de verzoekende partijen; . mr. Valérie De Schepper, voor de Ministerraad; - hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1. De verzoekende partijen zijn twee vennootschappen die lid zijn van « Viagogo », een internationale groep die een onlineverkoopplatform van toegangsbewijzen voor sportmanifestaties en culturele evenementen uitbaat. De artikelen 100 tot 102 van de wet van 5 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (hierna : de wet van 5 november 2023) raken hun situatie rechtstreeks en ongunstig, in zoverre zij de administratie toelaten bepaalde maatregelen te nemen ten aanzien van, enerzijds, gebruikers van het voormelde platform, hetgeen het gebruik ervan minder aantrekkelijk maakt, en, anderzijds, de verzoekende partijen zelf. Dit alles kan hen klanten doen verliezen en hun reputatie schaden. De bestreden bepalingen verplichten de verzoekende partijen bovendien om een bepaald aantal verwerkingen van gegevens van de gebruikers van hun dienst uit te voeren, waardoor zij genoodzaakt zouden zijn Europese verordeningen te schenden, hun lasten zouden stijgen en het aantal transacties op hun platform zou verminderen. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat het beroep onontvankelijk is, aangezien de grieven van de verzoekende partijen in werkelijkheid betrekking hebben op bepalingen van de wet van 30 juli 2013 « betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen » (hierna : de wet van 30 juli 2013) of van het Wetboek van economisch recht die niet door de wet van 5 november 2023 werden geraakt, en dat de termijn om de vernietiging van die bepalingen te vorderen, verstreken is. 3 A.2.2. De Ministerraad voert eveneens aan dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een belang om in rechte te treden tegen de bestreden bepalingen. Ten eerste wordt in het verbod op de doorverkoop van toegangsbewijzen en op de verstrekking van middelen die worden aangewend voor de doorverkoop voorzien bij artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 en niet bij de bestreden bepalingen. De wet van 5 november 2023 strekt ertoe de betrokken wetten in overeenstemming te brengen met de verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 « betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 » (hierna : de SCB-verordening). In die zin draagt de wet van 5 november 2023 niets bij. Voorts bestaat de hoofdactiviteit van de verzoekende partijen erin de regelmatige doorverkopers toe te laten toegangsbewijzen aan het grote publiek door te verkopen en is zij het voorwerp van tal van klachten. Daaruit volgt dat de wettigheid van het belang van de verzoekende partijen ter discussie kan worden gesteld. Het belang is bovendien onrechtstreeks, in zoverre de bestreden bepalingen het platform minder aantrekkelijk zouden maken voor de gebruikers. De bestreden bepalingen maken het overigens niet mogelijk om de rechten van de verzoekende partijen te beperken, noch om hun sancties op te leggen. Ten slotte bevat het Wetboek van economisch recht eveneens de bestreden maatregelen, zodat een vernietiging niets aan de situatie zou veranderen. A.2.3. De Ministerraad doet ten slotte gelden dat het recht van de Europese Unie niet van toepassing is op de verzoekende partijen, die vennootschappen naar Zwitsers recht en naar Amerikaans recht zijn (HvJ, 27 april 2023, C-70/22, Viagogo AG, ECLI:EU:C:2023:350 , punt 30). Aangezien de verzoekende partijen zich niet op het recht van de Europese Unie kunnen beroepen, zijn de middelen onontvankelijk voor zover zij uit de schending van dat recht zijn afgeleid. A.3.1. De verzoekende partijen antwoorden dat het verzoekschrift wel degelijk de vernietiging van de artikelen 100 tot 102 van de wet van 5 november 2023 beoogt. Aangezien die bepalingen verwijzen naar praktijken die een inbreuk vormen op de wet van 30 juli 2013, steunen zij op artikel 5 van die wet, dat in strijd is met het recht van de Europese Unie. De strijdigheid van artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 met het Europese recht raakt noodzakelijkerwijs de bestreden bepalingen. Een sanctie kan immers niet worden opgelegd voor een inbreuk op een nationale wetgeving die in strijd is met het Europese recht. Het Hof moet dus onderzoeken of dat artikel 5 bestaanbaar is met het Unierecht. Het bestreden artikel 101 verwijst overigens naar artikel XV.31/2/1 van het Wetboek van economisch recht, zodat ermee rekening moet worden gehouden bij de beoordeling van de grondwettigheid van dat artikel 101. De bestreden bepalingen veroorzaken bovendien schade zowel aan de verzoekende partijen, die het voorwerp zouden kunnen zijn van de bestreden bepalingen, als aan de gebruikers van het platform « Viagogo », hetgeen een impact heeft op de aantrekkelijkheid van dat platform en dus op de economische activiteit van de verzoekende partijen. Het Wetboek van economisch recht voorziet voorts niet in de mogelijkheid voor de administratie om dezelfde maatregelen als de bestreden maatregelen te nemen in geval van een inbreuk op de wet van 30 juli 2013. Ten slotte is de kritiek van de Ministerraad op de reputatie en de activiteiten van de verzoekende partijen niet pertinent. A.3.2. Wat het aanvoeren van het Europese recht betreft, doen de verzoekende partijen gelden dat, zodra het belang bij het beroep is vastgesteld, zij daarbovenop niet moeten doen blijken van een belang bij elk middel. Bovendien houden de door de Ministerraad opgeworpen uitzonderingen verband met de draagwijdte van de bestreden bepalingen. Het onderzoek ervan valt samen met dat van de grond van de zaak. De verzoekende partijen voeren aan dat de lidstaten het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in acht moeten nemen ten aanzien van eenieder die onder hun rechtsmacht ressorteert. Wat het recht van de Europese Unie betreft, belet het loutere feit dat de verzoekende partijen hun zetel niet in een lidstaat hebben, niet dat zij zich op de door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) beschermde rechten kunnen beroepen, aangezien het Handvest van toepassing is op de lidstaten wanneer zij het Unierecht uitvoeren, hetgeen het geval is te dezen. Het feit dat de verzoekende partijen hun zetel in Zwitserland en in de Verenigde Staten hebben, belet hun voorts niet om zich in het kader van het objectieve contentieux voor het Hof te beroepen op artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), in zoverre de bestreden bepalingen de vrijheid belemmeren van een aantal van hun in de Europese Unie gevestigde klanten om grensoverschrijdende diensten te verrichten inzake de aankoop en doorverkoop van toegangsbewijzen. De vernietigingsprocedure heeft betrekking op een objectieve toetsing van de grondwettigheid van de bestreden bepalingen en, bijgevolg, van de overeenstemming ervan met het Unierecht. In geen geval gaat het erom de bestreden bepalingen op de verzoekende partijen toe te passen of om zich over hun subjectieve rechten uit te spreken. Het zou hoe dan ook niet aanvaardbaar zijn dat, enerzijds, in het kader van het objectieve contentieux voor het Hof, een partij die belang heeft bij de vernietiging elk middel kan aanvoeren, zelfs als die partij niet doet blijken van een belang bij elk middel, en dat, anderzijds, een belanghebbende partij zich niet op het Unierecht kan 4 beroepen omdat haar individuele situatie haar dat niet zou toelaten. Aldus oordelen zou strijdig zijn met het beginsel van de voorrang van het Unierecht en met het in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie opgenomen samenwerkingsbeginsel. A.3.3. De verzoekende partijen merken ten slotte op dat de bestreden bepalingen de SCB-verordening niet uitvoeren en dat zij niet onder het toepassingsgebied van die verordening vallen. De bestreden bepalingen gaan bovendien verder dan hetgeen is bepaald in die verordening, die geen maatregel bevat die soortgelijk is aan de bestreden maatregel. In geval van twijfel over die laatste punten, dient een prejudiciële vraag te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.4.1. Wat het aanvoeren van het Europese recht betreft, antwoordt de Ministerraad dat het objectieve contentieux voor het Hof wordt begrensd door het verbod op de actio popularis. De door de verzoekende partijen aangevoerde rechtspraak met betrekking tot het ontbreken van de noodzaak om te doen blijken van een belang bij elk middel, is niet pertinent; het gaat niet om het belang van de verzoekende partijen bij elk middel, maar om de niet-toepasselijkheid van het recht van de Europese Unie op de verzoekende partijen en, bijgevolg, om de onontvankelijkheid van de desbetreffende middelen. A.4.2. De Ministerraad beklemtoont dat de wet van 30 juli 2013 strikt genomen niet onder het toepassingsgebied van de SCB-verordening valt, maar dat zij betrekking heeft op de consumentrechtelijke verplichtingen die in het verlengde liggen van het toepassingsgebied van de SCB-verordening en het Wetboek van economisch recht. Met de wet van 5 november 2023 wil de wetgever verder gaan in het zoveel als mogelijk in overeenstemming brengen van de bepalingen in het economisch recht en het consumentenrecht, teneinde te zorgen voor duidelijkere en uniformere procedures, hetgeen zowel ten goede komt aan de rechtsonderhorigen als aan de bevoegde autoriteiten. Ten gronde Wat betreft het eerste middel (waarborgen in strafzaken) A.5.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 101 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10, 11, 12, 14 en 18 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 47, 48, 49, 50 en 51 van het Handvest en met de algemene beginselen van de rechten van verdediging. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, in zoverre zij de bevoegde ambtenaren toelaat de identiteit van een onderneming of van een gebruiker te publiceren in geval van een inbreuk op de wet van 30 juli 2013, een sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in die wet invoert. A.5.2. De Ministerraad betoogt dat het middel op een verkeerd uitgangspunt steunt. De bestreden maatregel is een bewarende maatregel die ertoe strekt ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen te voorkomen en heeft geen enkel repressief karakter. Een eenvoudige reactie van de betrokken onderneming binnen een termijn van twee werkdagen kan de publicatie verhinderen. Het gaat vervolgens om een tijdelijke maatregel die kan worden stopgezet zodra de situatie is geregulariseerd. De maatregel heeft ten slotte geen algemene draagwijdte en uit de aard en de ernst ervan blijkt niet dat hij bestraffend en dus ontradend zou zijn. A.5.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de publicatiemaatregel een overheersend preventief en repressief karakter heeft. Het bestraffende en ontradende karakter van de maatregel is bevestigd door de Gegevensbeschermingsautoriteit (advies nr. 52/2022 van 9 maart 2022). De doelstelling van de wetgever is niet pertinent; wat telt is het effect van de desbetreffende maatregel op de betrokken ondernemingen. A.5.4. De Ministerraad beklemtoont dat de ambtenaren die bevoegd zijn om de in de wet van 30 juli 2013 bedoelde inbreuken te monitoren, op te sporen en vast te stellen, geen sancties opleggen. Tot die sancties wordt beslist door de ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 van het Wetboek van economisch recht of door de correctionele rechtbank. De Ministerraad verwijst naar twee arresten waarbij het Hof besluit tot het ontbreken van een sanctie van strafrechtelijke aard (arresten nrs. 44/2015, ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.044 , en 154/2019, ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.154 ). De lering van die arresten kan te dezen worden overgenomen. Wat het advies 5 van de Gegevensbeschermingsautoriteit betreft, heeft het geen betrekking op de gegevens betreffende rechtspersonen, die geen persoonsgegevens zijn. A.6.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling het wettigheidsbeginsel in strafzaken schendt, aangezien zij onvoldoende nauwkeurig is (eerste onderdeel). De begrippen « schade aan consumenten » en « praktijken die een inbreuk vormen » zijn onnauwkeurig en laten een buitensporige beoordelingsvrijheid aan de uitvoerende macht. Artikel 5 van de wet van 30 juli 2013, dat in een bepaald aantal verbodsbepalingen voorziet, is overigens dubbelzinnig. A.6.2. De Ministerraad doet gelden dat de uitdrukking « gevaar van ernstige schade voor de collectieve belangen » voortvloeit uit de SCB-verordening en dat zij erin wordt omschreven (zie de artikelen 9, lid 4, a), en 3, 14°, van die verordening). In de parlementaire voorbereiding worden voorbeelden van verboden praktijken gegeven. De in artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 bedoelde inbreuken zijn bovendien duidelijk omschreven. Het is ten slotte belangrijk dat die begrippen ruim worden omschreven om rekening te houden met de technologische evolutie en om alle nadelige situaties te dekken. A.6.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de bestanddelen van de strafbaarstelling waarin artikel 101 van de wet van 5 november 2023 voorziet, het wettigheidsbeginsel niet in acht nemen, in zoverre de formulering ervan het voor de rechtsonderhorige niet mogelijk maakt te weten of hij een strafbaar gedrag aanneemt. Het begrip « praktijken die een inbreuk vormen » is niet voldoende nauwkeurig. Er bestaan aldus meerdere onzekerheden met betrekking tot de begrippen « regelmatige doorverkoop », « definitieve prijs » van het toegangsbewijs (met name in geval van dynamic pricing), of nog, « verstrekking van middelen ». Die criteria kunnen overigens moeilijk worden nagegaan in de praktijk. De begrippen « schade aan consumenten » en « ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen » zijn niet omschreven, net zomin als het « tijdelijke » karakter van de maatregel. Daaruit volgt een risico van willekeur bij de toepassing van de maatregel door de administratie. A.6.4. De Ministerraad stelt dat de uitdrukking « gevaar van ernstige schade voor de collectieve belangen » geen bestanddeel van de inbreuk is. Hij verwijst bovendien naar een beslissing van de Franse « Conseil constitutionnel » nr. 2018-754 van 14 december 2018. A.7.1. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 101 van de wet van 5 november 2023, in samenhang gelezen met artikel 102 van dezelfde wet, het recht op een eerlijk proces schendt, in zoverre niet wordt gewaarborgd dat de onderneming voldoende wordt geïnformeerd en in zoverre de onderneming niet over een voldoende termijn beschikt om te reageren (tweede onderdeel). A.7.2. De Ministerraad doet gelden dat de bestreden maatregel voldoende is afgebakend en dat de administratie de algemene beginselen van het administratief recht in acht moet nemen. De onderneming wordt op de hoogte gebracht van de feiten die aan de basis liggen van de eventuele publicatie (de inbreuken), van de overwogen publicatie, van de manieren waarop die publicatie kan worden voorkomen en van de stappen die moeten worden gedaan om de publicatie ongedaan te maken. De ambtenaar moet zich ervan vergewissen dat de overwogen maatregel wel degelijk aan de onderneming ter kennis werd gebracht. Een eenvoudige reactie van de onderneming volstaat bovendien om de procedure stop te zetten. Elke mededeling van de onderneming moet worden onderzocht alvorens tot de publicatie over te gaan en het is enkel wanneer de onderneming niet binnen de termijn reageert, er geen contact mogelijk is of indien de onderneming weigert de schadelijke praktijk stop te zetten dat tot de publicatie kan worden overgegaan. De termijn van twee werkdagen om te reageren, volstaat. De beoogde regeling ontneemt de betrokken ondernemingen ten slotte niet de mogelijkheid om zich te verdedigen. A.7.3. Volgens de verzoekende partijen schendt artikel 101 van de wet van 5 november 2023 het recht dat eenieder heeft om op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging, en maakt het hem niet mogelijk zijn verweer behoorlijk voor te bereiden (artikel 6, lid 3, a) en b), van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens). De publicatie geschiedt allereerst na de vaststelling van een inbreuk op de wet van 30 juli 2013. Het is pas op het ogenblik dat het voornemen om de naam en de gegevens van de ondernemingen op de website van de FOD Economie te publiceren, wordt medegedeeld dat zij op de hoogte zullen worden gebracht, niet van de aard van de tegen hen ingebrachte beschuldiging, maar van het bestaan van een beslissing volgens welke zij de wet van 30 juli 2013 zouden hebben geschonden. A.7.4. De Ministerraad beklemtoont dat de bestreden maatregel deel uitmaakt van de eerste fase die erin bestaat inbreuken te monitoren, op te sporen en vast te stellen. Het is pas in een later stadium dat vervolging wordt ingesteld. Bovendien moeten de algemene beginselen van behoorlijk bestuur worden beschouwd als een waarborg, en niet gewoon als een bereidwilligheid of een praktische regeling. Wat de termijn van twee werkdagen betreft, 6 heeft de afdeling wetgeving van de Raad van State opgemerkt dat overeenkomstig de SCB-verordening best geen al te lange termijn verstrijkt tussen het voornemen om tot de publicatie over te gaan en de daadwerkelijke publicatie. A.8.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, in zoverre zij de administratie de mogelijkheid biedt om over te gaan tot « naming and shaming » (« benoemen en beschamen »), het vermoeden van onschuld schendt (derde onderdeel). Niet alleen de rechters, maar ook de andere overheden moeten het vermoeden van onschuld in acht nemen, met name in het kader van administratieve procedures. De betrokken ondernemingen kunnen echter later het voorwerp uitmaken van een administratieve of strafrechtelijke vervolging. A.8.2. De Ministerraad doet gelden dat de verzoekende partijen niet aantonen in welk opzicht artikel 101 van de wet van 5 november 2023 het vermoeden van onschuld zou schenden, zodat het derde onderdeel van het eerste middel onontvankelijk is. Voor het overige schendt de bestreden maatregel het vermoeden van onschuld niet. Krachtens het beginsel non bis in idem en het evenredigheidsbeginsel is de dubbele vervolging onmogelijk. De bestreden maatregel streeft ten slotte een dwingende doelstelling van algemeen belang na, namelijk de bescherming van de consumenten, die een eventuele beperking van het beginsel van het vermoeden van onschuld kan verantwoorden. A.8.3. De verzoekende partijen antwoorden dat het vermoeden van onschuld verbiedt dat een overheid een persoon schuldig bevindt aan een misdrijf voordat zijn schuld door een rechtbank is vastgesteld. Te dezen is de publicatie door de administratie, zonder voorafgaande rechterlijke toetsing, van de identificatiegegevens van een onderneming op de website van de FOD Economie, die een verklaring inhoudt volgens welke die onderneming een misdrijf heeft gepleegd, een flagrante inbreuk op het vermoeden van onschuld. Er bestaat vervolgens wel degelijk een risico op dubbele vervolging naar aanleiding waarvan het vermoeden van onschuld in het gedrang komt. Ten slotte kan de doelstelling om de consumenten te beschermen geen inbreuk op het vermoeden van onschuld verantwoorden, temeer omdat die inbreuk onevenredig is. A.8.4. De Ministerraad preciseert dat de bestreden maatregel niet gelijkstaat met een schuldigverklaring; het gaat erom elke bijkomende ernstige schade voor de consumenten te voorkomen. Vervolgens is het niet omdat er een mogelijkheid tot latere vervolging bestaat dat er sprake is van een verboden dubbele vervolging. Ten slotte staat artikel 4, lid 1, van het Protocol nr. 7 bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens niet eraan in de weg dat hetzelfde strafbare feit met twee verschillende straffen wordt bestraft, die zelfs in verschillende procedures kunnen worden uitgesproken, voor zover die procedures qua tijd en inhoud een voldoende nauwe band hebben. A.9.1. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 101 van de wet van 5 november 2023, in samenhang gelezen met artikel 102 van dezelfde wet, leidt tot een schending van het recht om zichzelf niet te beschuldigen, in zoverre die bepalingen de administratie de bevoegdheid verlenen om over te gaan tot « naming and shaming » indien de geïncrimineerde onderneming weigert om verklaringen af te leggen over bepaalde praktijken en, in voorkomend geval, totdat die laatste « toezegt » de inbreuken stop te zetten (vierde onderdeel). Door de aankondiging van de publicatie wordt een aanzienlijke dwang uitgeoefend op de onderneming opdat zij zich verantwoordt of een toezegging doet binnen een buitengewoon korte termijn, zodat zij verplicht is om mee te werken aan haar eventuele veroordeling. De wetgever waarborgt bovendien niet dat de verantwoording of de verkregen toezegging niet zullen worden gebruikt als bewijs in het kader van een latere vervolging. A.9.2. De Ministerraad doet gelden dat de bestreden maatregel de betrokken onderneming niet in aanzienlijke mate verplicht om zich te verantwoorden of een toezegging te doen. Het feit dat een onderneming haar gedrag kan verantwoorden – hetgeen zij niet verplicht is te doen – is geen schending van het vermoeden van onschuld, en de verzoekende partijen tonen niet aan in welk opzicht de toezegging van een onderneming om de door haar begane inbreuken stop te zetten, zou kunnen worden gebruikt als bewijs tegen haar. Het doel van de bestreden maatregel bestaat niet erin bekentenissen van de betrokken ondernemingen te verkrijgen, en zij worden niet gedwongen om verklaringen af te leggen. Voor het overige streeft de maatregel een dwingende doelstelling van algemeen belang na en gaat de tenuitvoerlegging ervan gepaard met tal van waarborgen. A.9.3. De verzoekende partijen antwoorden dat het feit dat wordt aanvaard dat toezeggingen worden gedaan, wel degelijk een vorm van zelfincriminatie is. De collectiviteit zal de toezegging van de onderneming interpreteren als een bekentenis. Daaraan moet worden toegevoegd dat de wet uitdrukkelijk erin voorziet dat de sanctionerende ambtenaar het recht heeft om de ontvangen toezeggingen te laten publiceren. De vermeende overtreder beschikt slechts over twee werkdagen om zich ertegen te verzetten. 7 De verzoekende partijen verwijzen naar het arrest van het Hof nr. 50/2008 van 13 maart 2008 ( ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.050 ), waaruit blijkt dat het enkel mogelijk is om afstand te doen van het vermoeden van onschuld en zichzelf te beschuldigen indien vrijwillig ermee is ingestemd, hetgeen niet is gewaarborgd te dezen. A.9.4. De Ministerraad preciseert dat de termijn van twee werkdagen betrekking heeft op een eenvoudig contact. Die termijn verplicht de ondernemingen niet om toezeggingen te aanvaarden en belet hun evenmin om hun verweer te organiseren. A.10.1. De verzoekende partijen bekritiseren vervolgens het ontbreken van waarborgen voor de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de ambtenaren die de bestreden publicatiemaatregel kunnen opleggen. Dat gebrek aan onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de administratie wordt overigens niet gecompenseerd door een toegang tot een rechter die, na een vernietiging, de zaak zou kunnen doorgeven aan een onpartijdig administratief orgaan. Daaruit vloeit een met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet strijdig verschil in behandeling voort tussen, enerzijds, de partij die een dergelijke publicatiemaatregel ondergaat en, anderzijds, de partij aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd, die die waarborgen geniet (artikel 8/1 van de wet van 30 juli 2013, dat verwijst naar titel 1/2 van boek XV van het Wetboek van economisch recht) (vijfde onderdeel). A.10.2. De Ministerraad preciseert dat de administratie geen rechtsprekende functie uitoefent en dat de vereiste van onafhankelijkheid en onpartijdigheid die uit artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voortvloeit, bijgevolg niet van toepassing is. Voor het overige zijn beide situaties niet voldoende vergelijkbaar. Ten slotte zijn de algemene beginselen van het administratief recht en het deontologisch kader voor federale ambtenaren van toepassing. A.10.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de sanctionerende ambtenaren onafhankelijk en onpartijdig moeten zijn. Te dezen is dezelfde ambtenaar van de FOD Economie verantwoordelijk voor de straf, de publicatie van de gegevens van de ondernemingen en het aanvaarden van hun toezeggingen. Die situatie is niet toegestaan inzake administratieve geldboeten. Vervolgens zijn beide straffen vergelijkbaar, aangezien zij op dezelfde inbreuken betrekking hebben. Een loutere verwijzing naar de beginselen van behoorlijk bestuur is ten slotte geen voldoende waarborg. A.10.4. De Ministerraad preciseert dat de in artikel 11, § 1, van de wet van 30 juli 2013 bedoelde ambtenaren geen sancties opleggen. A.11.1. De verzoekende partijen bekritiseren overigens de ontstentenis van een beroep dat de bestreden maatregel kan schorsen. Een persoon die met een administratieve geldboete wordt bestraft, geniet daarentegen een dergelijk schorsend beroep (artikel 8/1 van de wet van 30 juli 2013, dat verwijst naar artikel XV.60/15 van het Wetboek van economisch recht) (zesde onderdeel). A.11.2. De Ministerraad voert aan dat de twee categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De mogelijkheid van onherstelbare schade is bovendien niet aangetoond. Ten slotte kan de beslissing om tot de publicatie over te gaan, het voorwerp uitmaken van een vordering tot schorsing (in voorkomend geval bij uiterst dringende noodzakelijkheid) voor de Raad van State. A.11.3. De verzoekende partijen antwoorden dat een publicatie, hoe kort zij ook mag zijn, zeer snel en op grote schaal kan worden verspreid, waardoor onherstelbare schade aan de onderneming wordt veroorzaakt. De mogelijkheid om een beroep in te stellen bij de Raad van State is dus onvoldoende. De ontstentenis van een daadwerkelijk schorsend beroep schendt de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 47 van het Handvest. A.11.4. De Ministerraad doet gelden dat het aanvoeren van de vermeende schending van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens een nieuw middel is, dat dus onontvankelijk is. De Staten die partij zijn, hebben hoe dan ook een zekere beoordelingsvrijheid en de in die bepaling beoogde instantie moet niet noodzakelijk een rechterlijke instantie zijn. A.12.1. De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 een maatregel invoeren die gelijkstaat met een onmenselijke of vernederende behandeling of aan de wederinvoering van de burgerlijke dood. Het gaat erom de onderneming te vernederen en haar geest te breken. De bestreden maatregel kan bovendien bij een natuurlijke persoon gevoelens van angst of inferioriteit oproepen (zevende onderdeel). 8 A.12.2. De Ministerraad is van mening dat het onderdeel onontvankelijk is in zoverre het artikel 102 van de wet van 5 november 2023 beoogt, aangezien dat artikel niet wordt bekritiseerd. Voor het overige zijn de beweringen van de verzoekende partijen niet aangetoond. De verzoekende partijen zijn geen natuurlijke personen, maar twee grote internationale ondernemingen. De bestreden bepaling ontzegt de betrokken onderneming overigens geen enkel burgerlijk of politiek recht. A.12.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 in samenhang moeten worden gelezen : de aanvaarding van toezeggingen die door een onderneming zijn gedaan, houdt rechtstreeks verband met de sanctie van de publicatie van de gegevens van die onderneming. A.12.4. De Ministerraad beklemtoont dat de bestreden maatregel geen onmenselijke behandeling vormt. Het verbod om het adres van een natuurlijke persoon te publiceren, heeft geen betrekking op het risico dat personen tot verbaal of fysiek geweld worden aangezet, maar op de inachtneming van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrij verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). Wat betreft het tweede middel (recht op eerbiediging van het privéleven en bescherming van persoonsgegevens) A.13. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit de schending, door de artikelen 100 en 101 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest en met de artikelen 6, 10 en 23 van de AVG. A.14.1. Volgens de verzoekende partijen beperkt het bestreden artikel 100 de rechten op informatie, op inzage en op beperking van de verwerking van de gegevens van de natuurlijke personen van wie wordt vermoed dat zij de wet van 30 juli 2013 overtreden, zonder dat aan de in artikel 23 van de AVG bedoelde voorwaarden is voldaan (eerste onderdeel). De bestreden bepaling strekt niet ertoe een van de in artikel 23, lid 1, van de AVG opgesomde belangen te waarborgen. Dat artikel is in geen geval een noodzakelijke en evenredige maatregel, mede gelet op het gebrek aan nauwkeurigheid van het materiële en territoriale toepassingsgebied van de wet van 30 juli 2013. A.14.2. De Ministerraad doet gelden dat, in zoverre het middel integraal betrekking heeft op de gegevens betreffende natuurlijke personen, de verzoekende partijen geen belang hebben bij dat middel, aangezien zij twee rechtspersonen zijn. Voor het overige leggen de verzoekende partijen niet uit in welk opzicht het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie zou zijn geschonden voor zover het in samenhang wordt gelezen met de artikelen 6, 10 en 23 van de AVG. Artikel 23 van de AVG is voorts niet geschonden. De wet van 5 november 2023 streeft een dwingende doelstelling van algemeen belang na, namelijk de bescherming van de consumenten, die een eventuele beperking van de in de AVG bedoelde verplichtingen en rechten kan verantwoorden met toepassing van artikel 23, lid 1, d) en h), van de AVG. Artikel 100 van de wet van 5 november 2023 moet ten slotte in overeenstemming worden gelezen met de SCB-verordening en met de AVG (zie artikel 2, lid 7, van de SCB- verordening). A.14.3. De verzoekende partijen antwoorden dat zij goederen en diensten aanbieden aan personen binnen de Europese Unie, zodat de AVG op hen van toepassing is. Zij moeten in geen geval blijk geven van een belang bij hun middel. Het Hof is voorts bevoegd om onrechtstreeks de inachtneming van internationale normen die in samenhang met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie worden aangevoerd, te controleren omdat, indien die normen zouden worden geschonden ten aanzien van een categorie van personen, die personen zouden worden gediscrimineerd ten opzichte van alle andere personen die het betrokken recht genieten. Voor het overige zijn de noodzaak en de evenredigheid van de bestreden maatregel niet aangetoond. Wat de evenredigheid van de publicatiemaatregel betreft, voorziet artikel 9, lid 7, van de SCB-verordening erin dat enkel een definitief besluit van de bevoegde autoriteit kan worden gepubliceerd, en zulks enkel voor de specifieke inbreuken op het Unierecht die in de bijlage van de SCB-verordening worden opgesomd. A.14.4. Het feit dat de in artikel 11 van de wet van 30 juli 2013 bedoelde ambtenaren bevoegd zijn om inbreuken op te sporen en vast te stellen, en niet om sancties op te leggen, staat volgens de Ministerraad niet eraan 9 in de weg dat de inbreuk van strafrechtelijke aard is, zodat de punten d) en h) van artikel 23 van de AVG pertinent zijn. De wet van 30 juli 2013 heeft betrekking op verplichtingen inzake consumentenrecht die in het verlengde liggen van het toepassingsgebied van de SCB-verordening. A.15.1. De verzoekende partijen voeren voorts aan dat artikel 101 van de wet van 5 november 2023 het recht op eerbiediging van het privéleven van de natuurlijke personen die als ondernemingen zijn gekwalificeerd, schendt, gelet op het gebrek aan nauwkeurigheid van de voorwaarden waaronder persoonsgegevens kunnen worden gepubliceerd (naam, beweerde praktijken en volledige gegevens) en de vaagheid van de duur van de publicatiemaatregel. Die gegevens betreffen echter strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten, en zijn dus gevoelige gegevens. De inmenging voldoet bovendien niet aan een dwingende maatschappelijke behoefte. Zij is ten slotte onevenredig, rekening houdend met het ontbreken van een rechterlijke toetsing, met de niet-afbakening van het tijdelijke karakter van de maatregel, met het bestaan van minder draconische maatregelen (volledige schadevergoeding van de koper, strafrechtelijke vervolging, vordering tot staking) en met het grote risico op stigmatisering (tweede onderdeel). A.15.2. De Ministerraad voert aan dat de eventuele inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven verantwoord is, aangezien zij voldoende nauwkeurig is omschreven, een legitiem doel nastreeft, de gepubliceerde gegevens beperkt zijn tot wat noodzakelijk is voor de verwezenlijking van dat doel en de betrokken onderneming de mogelijkheid heeft om de publicatie te voorkomen of stop te zetten door de inbreuk te beëindigen. De door de verzoekende partijen voorgestane minder draconische maatregelen houden geen rekening met de bescherming van toekomstige consumenten; het gaat erom bijkomende toekomstige schade te voorkomen. De bestreden maatregel vloeit ten slotte voort uit Europese verplichtingen. A.15.3. De verzoekende partijen antwoorden dat uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de nagestreefde doelstelling de « naming and shaming » van de vermeende overtreder is, veeleer dan de bescherming van de consument. Een meer evenredige maatregel, zoals een waarschuwingsboodschap, was denkbaar geweest. In geval van twijfel over de draagwijdte van de AVG, dienen meerdere prejudiciële vragen te worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Wat betreft het derde middel (recht op eer en integriteit van de reputatie en vrijheid van ondernemen) A.16.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 22 ervan en met artikel 16 van het Handvest. Volgens de verzoekende partijen doet de publicatiemaatregel, zonder enige voorafgaande rechterlijke toetsing, afbreuk aan het recht op eer en integriteit van de reputatie (voor de ondernemingen die natuurlijke personen zijn) en aan de vrijheid van ondernemen (voor alle ondernemingen) (eerste onderdeel). De bevoegdheid van de administratie om toezeggingen van de onderneming te aanvaarden of te verkrijgen, schendt eveneens de vrijheid van ondernemen. Door de dreiging van de publicatie bevindt de betrokken onderneming zich in een zwakke positie en wordt zij sterk aangemoedigd om de door de administratie voorgestelde toezeggingen te aanvaarden, zelfs indien zij van mening is dat zij niet fout is (tweede onderdeel). A.16.2. De Ministerraad doet gelden dat de bestreden maatregel noch de eer, noch de integriteit van de reputatie van de ondernemingen, noch de vrijheid van ondernemen schendt. Een inmenging zou in ieder geval verantwoord zijn om de redenen die hiervoor reeds zijn uiteengezet, rekening houdend met de ruime beoordelingsvrijheid van de wetgever in socio-economische aangelegenheden. De Ministerraad merkt op dat de mogelijkheid voor de onderneming om toe te zeggen dat zij de inbreuk zal stopzetten, behoort tot het kader van de waarschuwingsprocedure. De toezeggingen maken het voorwerp uit van een onderhandeling tussen de onderneming en de bevoegde ambtenaar en zij worden geenszins opgelegd. Wanneer een waarschuwing is gegeven, wordt de mogelijkheid van de toezegging wel expliciet vermeld, met de mogelijke gevolgen van een dergelijke toezegging, zoals het stopzetten van de handhaving. Er kan bovendien enkel worden overgegaan tot de publicatie indien er binnen de termijn van twee werkdagen geen reactie wordt ontvangen, er geen contact mogelijk is, indien de onderneming niet toezegt de schadelijke praktijk stop te zetten of indien zij niet op een andere manier een afdoende verantwoording heeft gegeven. De bestreden maatregel vloeit ten slotte voort uit het Europese recht (artikel 9, lid 4, b) en c), van de SCB-verordening). A.16.3. De verzoekende partijen suggereren om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de draagwijdte van artikel 16 van het Handvest. 10 Wat betreft het vierde middel (bevoegdheidverdelende regels) A.17. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, in samenhang gelezen met de wet van 30 juli 2013 in haar geheel, van de artikelen 10, 11, 38 en 127, § 1, 1°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4, 3°, 9°, en 10°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). A.18.1. Volgens de verzoekende partijen regelen de bestreden bepalingen culturele aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn (eerste onderdeel). De wet van 30 juli 2013, door haar voorwerp of haar finaliteit zelf, raakt aan het wezen van een culturele activiteit in ruime zin, namelijk de culturele en sportieve evenementen (tweede onderdeel). A.18.2. De Ministerraad heeft vragen bij het belang van de verzoekende partijen om een middel op te werpen dat is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels. De wet van 30 juli 2013 strekt in ieder geval enkel ertoe de consumentenbelangen te beschermen en behoort dus tot de federale bevoegdheid om te voorzien in de bescherming van de consument op algemene wijze, doch ook op specifieke wijze (artikel 6, § 1, VI, vierde lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Het Hof heeft een federale wetgeving ter bescherming van de gebruiker van partnerbemiddelingsdiensten geldig verklaard, hoewel de gemeenschappen bevoegd zijn inzake partnerbemiddeling (arrest nr. 105/98 van 21 oktober 1998, ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.105 ). De wet van 30 juli 2013 regelt ten slotte noch de inhoud, noch de duur, noch het soort prestaties van het evenement en heeft geen betrekking op cultuur in het algemeen. A.19.1. De verzoekende partijen betogen dat artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de federale wetgever verbiedt om een prijsregeling vast te stellen voor de goederen of diensten die tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoren. De federale bevoegdheid inzake prijzen wordt overigens strikt geïnterpreteerd en zij kan enkel worden aangewend om inflatie te bestrijden of de concurrentie te vrijwaren. De prijsregeling in de wet van 30 juli 2013 is echter niet algemeen van aard, maar specifiek, en de doelstelling van de federale wetgever bestaat niet erin de inflatie te bestrijden of de concurrentie te beschermen, maar cultuurgoederen toegankelijk te maken. De federale wetgever is ten slotte niet bevoegd om de uitoefening van een specifieke commerciële activiteit in het kader van sportieve en culturele evenementen te verbieden (derde onderdeel). Ten slotte schenden de bestreden bepalingen, in zoverre zij op de reeds eerder bestaande bepalingen van de wet van 30 juli 2013 zijn geënt en in zoverre zij in het bijzonder in maatregelen voorzien in geval van een inbreuk op artikel 5 van die wet, de voormelde bepalingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (vierde onderdeel). A.19.2. De Ministerraad merkt op dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 niet de prijzen regelt in een gemeenschapsaangelegenheid, aangezien het ertoe strekt de consumenten te beschermen. De wet van 30 juli 2013 verbiedt enkel gevaarlijke praktijken met betrekking tot toegangsbewijzen en dat verbod geldt enkel voor de bovengrens van de prijs wat betreft de occasionele doorverkoop en het verbod op de regelmatige doorverkoop, die de verstoring van de markt van de verkoop van toegangsbewijzen tot gevolg zou hebben indien die niet is gereguleerd. A.19.3. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat de wet van 30 juli 2013, in zoverre zij de positie van de oorspronkelijke verkopers beschermt, in werkelijkheid een hulpmiddel is voor de sector van de concertorganisatoren, hetgeen tot de bevoegdheid van de gemeenschappen behoort. A.19.4. De Ministerraad betoogt dat die laatste bewering een nieuw middel is en dat zij bijgevolg onontvankelijk is. Wat betreft het vijfde middel (doorverkoop) A.20. De verzoekende partijen leiden een vijfde middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, in samenhang gelezen met artikel 5 van de wet van 30 juli 2013, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre zij zowel de regelmatige doorverkoop als de occasionele doorverkoop tegen een hogere prijs dan de oorspronkelijke prijs toestaan wanneer die doorverkoop van de oorspronkelijke verkoper uitgaat. 11 A.21.1. De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 5, § 2, van de wet van 30 juli 2013, in zoverre het de doorverkoopprijs van toegangsbewijzen regelt, maar niet de oorspronkelijke verkoopprijs van de toegangsbewijzen, een onverantwoord en onevenredig verschil in behandeling doet ontstaan tussen, enerzijds, de verkopers op de primaire markt (verkoop van toegangsbewijzen) en, anderzijds, de verkopers op de secundaire markt (doorverkoop van toegangsbewijzen). Op beide markten bestaat echter de noodzaak om evenementen toegankelijk te maken voor een zo ruim mogelijk aantal consumenten, en de dynamiek van de prijsvorming is dezelfde op beide markten (eerste onderdeel). A.21.2. De Ministerraad voert aan dat de situaties niet vergelijkbaar zijn, aangezien het te behandelen probleem enkel de secundaire markt betreft. Het verschil in behandeling is in elk geval redelijk verantwoord, rekening houdend met het doel en de gevolgen van de bestreden maatregel. De wet van 30 juli 2013 is een antwoord op de kunstmatige ticketschaarste, die voor bepaalde evenementen wordt gecreëerd door de secundaire verkoop van toegangsbewijzen tegen uitzonderlijk hoge prijzen. Secundaire handelaars kopen via stromannen massaal toegangsbewijzen op bij de officiële verkopers en verkopen die vrijwel onmiddellijk door via een secundair circuit tegen een buitensporige prijs, terwijl de evenementorganisatoren er alles aan doen om de toegangsprijs redelijk te houden. De wetgever vermocht bijgevolg redelijk te oordelen dat, in dat stadium, enkel de secundaire markt moet worden gereglementeerd. A.21.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de evenementorganisatoren hun eigen onlineplatformen uitbaten voor de doorverkoop van toegangsbewijzen, waarop die toegangsbewijzen regelmatig tegen een hogere prijs dan de oorspronkelijke prijs worden doorverkocht. De prijs van de toegangsbewijzen schommelt bovendien volgens de vraag, zowel op de primaire markt als op de secundaire markt. A.22.1. De verzoekende partijen voeren daarnaast aan dat artikel 5, § 1, van de wet van 30 juli 2013 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de regelmatige doorverkoop verbiedt, zelfs in situaties waarin die doorverkoop geen afbreuk doet aan consumentenbelangen, zoals wanneer de doorverkoop geschiedt tegen een prijs die niet hoger is dan de oorspronkelijke prijs, in het kader van een « all inclusive »-pakket. Daaruit vloeit een onverantwoord en onevenredig verschil in behandeling voort tussen, enerzijds, de oorspronkelijke verkopers en/of hun geaccrediteerde partners en, anderzijds, andere zelfstandige organisatoren (tweede onderdeel). A.22.2. De Ministerraad voert aan dat een consument die een overblijvend ticket wil verkopen, dat moet kunnen doen op een manier dat hij zijn inbreng terugkrijgt. Om te voorkomen dat die uitzondering te vaak wordt opgeworpen, is het niet toegelaten om winst te maken op die transacties. De keuze van de wetgever om de regelmatige doorverkopen te verbieden, zelfs wanneer de prijs niet hoger is dan de oorspronkelijke prijs, is in overeenstemming met het nagestreefde doel en met het basisverbod op de doorverkoop van toegangsbewijzen. A.23.1. De verzoekende partijen voeren eveneens aan dat artikel 5, §§ 1 en 2, van de wet van 30 juli 2013, in zoverre het de doorverkoop door de oorspronkelijke verkopers niet verbiedt, een onverantwoord en onevenredig verschil in behandeling doet ontstaan tussen de oorspronkelijke verkoper en de personen die hetzij regelmatig, hetzij met winst willen doorverkopen (derde onderdeel). A.23.2. De Ministerraad merkt op dat de verkoper niet langer wordt beschouwd als een oorspronkelijke verkoper wanneer hij zijn eigen toegangsbewijzen doorverkoopt. Het onderdeel berust dus op een verkeerd uitgangspunt. A.24. De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de artikelen 101 en 102 van de wet van 30 juli 2013 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schenden, in zoverre zij ertoe strekken maatregelen in te voeren die van toepassing zijn in geval van een inbreuk op artikel 5 van de wet van 30 juli 2013, dat zelf discriminerend is (vierde onderdeel). Wat betreft het zesde middel (verplichtingen tot voorafgaande kennisgeving) A.25.1. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/1535) (voorheen artikel 8 van de richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften », hierna : de richtlijn 98/34/EG), met artikel 3, lid 4, van 12 de richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 « betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (‘ Richtlijn inzake elektronische handel ’) » (hierna : de richtlijn 2000/31/EG), en met artikel 15, lid 2, g), van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 « betreffende diensten op de interne markt » (hierna : de richtlijn 2006/123/EG). A.25.2. De verzoekende partijen betogen dat de wet van 30 juli 2013, of minstens artikel 5 ervan, technische voorschriften bevat in de zin van artikel 1, lid 1, f), van de richtlijn (EU) 2015/1535 waarvan vooraf kennis had moeten worden gegeven (eerste onderdeel). Het gebrek aan kennisgeving leidt tot de niet-tegenstelbaarheid erga omnes van de desbetreffende wetgeving (HvJ, grote kamer, 19 december 2019, C-390/18, Airbnb Ireland UC e.a., ECLI:EU:C:2019:1112 , punt 94). De federale wetgever kon de bestreden bepalingen niet aannemen, aangezien zij steunen op een reeds bestaande wetgeving die niet toepasbaar is, namelijk de wet van 30 juli 2013. De Europese Commissie had eveneens in kennis moeten worden gesteld van de wet van 30 juli 2013 overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de richtlijn 2000/31/EG, in zoverre die wet verschillende verbodsbepalingen of verplichtingen oplegt aan dienstverleners van de informatiemaatschappij (HvJ, C-390/18, voormeld, punt 85) (tweede onderdeel) en overeenkomstig artikel 15, lid 7, van de richtlijn 2006/123/EG, aangezien de wet van 30 juli 2013 een « vast maximumtarief » oplegt (derde onderdeel). De bestreden bepalingen, in zoverre zij uitvoering geven aan bepalingen die niet ter kennis werden gebracht en die de wetgever dus zonder toepassing had moeten laten, schenden de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde richtlijnen (vierde onderdeel). Ten slotte hadden de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 zelf ter kennis moeten worden gebracht overeenkomstig de voormelde richtlijnen. In zoverre die bepalingen ertoe strekken de vermeende inbreuken op de wet van 30 juli 2013 gepaard te doen gaan met maatregelen en sancties, vormen zij kennelijk een « technisch voorschrift » en een belemmering van het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij (vijfde onderdeel). A.26.1. Wat het eerste onderdeel betreft, stelt de Ministerraad dat de wet van 30 juli 2013 geen technisch voorschrift is in de zin van artikel 1, lid 1, f), van de richtlijn (EU) 2015/1535. Die richtlijn was in geen geval van toepassing bij de aanneming van de wet van 30 juli 2013 en de richtlijn 98/34/EG was enkel van toepassing op producten en niet op diensten. De bestreden bepalingen voeren overigens de SCB-verordening uit en dienden dus niet aan de Commissie te worden medegedeeld. De richtlijn (EU) 2019/2161 van het Europees Parlement en de Raad van 23 november 2019 « tot wijziging van de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad en Richtlijnen 98/6/EG, 2005/29/EG en 2011/83/EU van het Europees Parlement en de Raad wat betreft betere handhaving en modernisering van de regels voor consumentenbescherming in de Unie » (hierna : de richtlijn (EU) 2019/2161) laat ten slotte de nationale maatregelen toe die ertoe strekken de consumenten te beschermen (zie overweging 50). A.26.2. Wat het tweede en derde onderdeel betreft, doet de Ministerraad gelden dat de verzoekende partijen niet uitleggen in welk opzicht de bestreden bepalingen het vrije verkeer beperken van de diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd (richtlijn 2000/31/EG), noch in welk opzicht de richtlijn 2006/123/EG van toepassing zou zijn. Die laatste richtlijn beperkt de vrijheid van de lidstaten om vergunningsstelsels toe te passen en sluit de aangelegenheden betreffende elektronischecommunicatiediensten en de activiteiten die voor de lidstaten het toepassen van maatregelen betreffende de openbare orde en de bescherming van de consument meebrengen, uit van haar toepassingsgebied. De wet van 30 juli 2013 voert in geen geval vaste minimum- of maximumtarieven in, zelfs geen vergunningsstelsel. Bovendien voorzien de aangevoerde richtlijnen in geen enkele sanctie in geval van niet-kennisgeving en hebben zij geen rechtstreekse werking, voor zover zij geldig werden omgezet, waardoor de verzoekende partijen zich niet erop kunnen beroepen. Het is ten slotte niet aangetoond dat de vermeende beperking zou zijn gemotiveerd door redenen die binnen het gecoördineerde gebied vallen. A.27. De verzoekende partijen doen gelden dat de richtlijn 98/34/EG, sinds de wijziging ervan bij de richtlijn 98/48/EG, van toepassing was op diensten. De bestreden bepalingen voeren overigens de SCB- verordening niet uit. Artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 is voorts wel een regel betreffende diensten, rekening houdend met de soepele benadering van het Hof van Justitie dienaangaande, en het verbod op « de verstrekking van middelen » beoogt specifiek de diensten van de informatiemaatschappij, hetgeen uit de parlementaire voorbereiding blijkt. Een kennisgeving op grond van de richtlijnen 98/34/EG en 2000/31/EG was dus vereist. Andere lidstaten hebben trouwens kennisgegeven van soortgelijke wetgevende ontwerpen. Daarnaast werd de rechtstreekse werking van de richtlijn 98/34/EG aanvaard door het Hof van Justitie. De beperking werd ten slotte wel degelijk gemotiveerd door redenen die binnen het gecoördineerde gebied vallen (artikel 2, h) en i), van de richtlijn 2000/31/EG). 13 De verzoekende partijen suggereren om aan het Hof van Justitie van de Europese Unie een prejudiciële vraag te stellen over de draagwijdte van het Unierecht. A.28. De Ministerraad antwoordt dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 slechts impliciet of incidenteel van toepassing is op de diensten van de informatiemaatschappij. Het feit dat de doorverkoop thans hoofdzakelijk geschiedt op onlineplatformen doet daaraan geen afbreuk. Daarnaast is het feit dat een bepaling waarvan de Europese Commissie niet in kennis is gesteld, niet tegen particulieren kan worden aangevoerd, geen grond voor het Hof om die bepaling te vernietigen. De kennisgeving op basis van de richtlijn 2000/31/EG geldt voorts niet voor de nationale wetgever die op eigen initiatief een regeling in een specifieke sector aanneemt. Het Hof heeft ten slotte geoordeeld dat de bestreden bepalingen de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk stellen van eisen in de zin van artikel 16 van de richtlijn 2006/123/EG (arrest nr. 50/2015 van 30 april 2015, ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.050). Wat betreft het zevende middel (vrij verrichten van diensten) A.29. De verzoekende partijen leiden een zevende middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 56 van het VWEU, met artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG en met artikel 16 van de richtlijn 2006/123/EG. A.30.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de wet van 30 juli 2013, in zoverre zij de onlinedoorverkoop van toegangsbewijzen aanzienlijk beperkt en in zoverre zij onlineplatformen verbiedt, het in artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG bepaalde vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij schendt, aangezien niet aan de in artikel 3, lid 4, a), van die richtlijn bedoelde voorwaarden is voldaan (eerste onderdeel). A.30.2. De richtlijn 2000/31/EG is niet van toepassing, aldus de Ministerraad. Zij heeft daarnaast geen rechtstreekse werking, zodat de verzoekende partijen zich niet erop kunnen beroepen. Daar de verzoekende partijen niet uit een andere lidstaat afkomstig zijn, kan een eventuele beperking van hun activiteiten overigens niet onder het toepassingsgebied van artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG vallen. De verzoekende partijen tonen evenmin aan dat de vermeende beperking van hun rechten zou zijn gemotiveerd door redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied. Artikel 3 van de richtlijn 2000/31/EG staat in elk geval de beperkingen toe die ertoe strekken consumenten te beschermen. A.30.3. De verzoekende partijen antwoorden dat zij over servers in Ierland beschikken om platformdiensten binnen de Europese Unie te verstrekken. Zij zijn bijgevolg « gevestigde » dienstverleners in de zin van de richtlijn 2000/31/EG en zij kunnen zich op die richtlijn beroepen. Daarnaast bevat artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG voldoende duidelijke, nauwkeurige en onvoorwaardelijke verplichtingen, zodat het een rechtstreekse werking heeft. Ten slotte, wat de evenredigheid van de maatregel betreft, is het voortaan duidelijk dat de wet van 30 juli 2013 door de operatoren op de primaire markt wordt gebruikt om hun positie te versterken, ten nadele van de consumenten. A.30.4. De Ministerraad antwoordt dat het feit dat zij over servers in Europa beschikken, niets verandert aan de niet-toepasselijkheid van de aangevoerde richtlijnen. Er wordt bovendien niet aangetoond dat de operatoren van de primaire markt misbruik zouden maken van de wet van 30 juli 2013 ten nadele van de consumenten. A.31.1. De verzoekende partijen voeren vervolgens aan dat de wet van 30 juli 2013 het vrij verrichten van diensten door de verkopers en de platformoperatoren beperkt, zonder aan de in artikel 16 van de richtlijn 2006/123/EG bedoelde voorwaarden te voldoen (tweede onderdeel). A.31.2. Volgens de Ministerraad beperkt de richtlijn 2006/123/EG de vrijheid van de lidstaten om vergunningsstelsels toe te passen en sluit zij consumentenbeschermingsmaatregelen van haar toepassingsgebied uit. De wet van 30 juli 2013 bevat echter geen vergunningsstelsel en discrimineert niet naar nationaliteit of naar de lidstaat waar de rechtspersonen gevestigd zijn. Er is hoe dan ook geen onverantwoord verschil in behandeling tussen de primaire markt en de secundaire markt. A.32.1. De verzoekende partijen betogen voorts dat de wet van 30 juli 2013 artikel 56 van het VWEU schendt, rekening houdend met de zeer vage criteria waarin artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 voorziet en met het feit dat dat artikel niet van toepassing is op de doorverkoop door de oorspronkelijke verkoper. Tien jaar is 14 verstreken sinds het voormelde arrest nr. 50/2015 en dat tijdsverloop toont aan dat die bepaling noch tot een betere werking van de markt, noch tot een betere consumentenbescherming heeft bijgedragen (derde onderdeel). De verzoekende partijen stellen voor om aan het Hof van Justitie een prejudiciële vraag te stellen over de bestaanbaarheid van de wet van 30 juli 2013 met het Europese recht. A.32.2. De Ministerraad verwijst naar de beslissing van de Franse « Conseil constitutionnel » nr. 2018-754 van 14 december 2018, waarbij de grondwettigheid van een wet die analoog is aan de wet van 30 juli 2013 wordt aanvaard. A.33.1. De verzoekende partijen stellen dat de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, in zoverre zij op bepalingen zijn geënt die niet in overeenstemming zijn met het Unierecht en die bijgevolg geen toepassing kunnen vinden, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de voormelde richtlijnen, schenden (vierde onderdeel). A.33.2. De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 zelf het vrij verrichten van diensten schenden (vijfde onderdeel). De dreiging voor een platformoperator dat ofwel zijn eigen gegevens, ofwel de gegevens van de gebruikers van het platform worden gepubliceerd, belemmert die vrijheid. Hetzelfde geldt voor de dreiging dat een ambtenaar die publicatiemaatregelen kan opleggen, ook toezeggingen mag vragen. Die belemmering is discriminerend gelet op het feit dat de dreiging enkel geldt voor operatoren op de secundaire markt (en zulks met uitzondering van de doorverkoop door oorspronkelijke verkopers, aangezien die laatste zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de wet van 30 juli 2013). Die belemmering is onverantwoord en onevenredig. A.33.3. De Ministerraad verwijst naar hetgeen reeds hiervoor is vermeld. Wat betreft het achtste middel (vrije mededinging) A.34. De verzoekende partijen leiden een achtste middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 102 en 106 van het VWEU. De verzoekende partijen stellen dat artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 een « bijzonder of uitsluitend recht » toekent aan de oorspronkelijke verkopers van toegangsbewijzen zonder in beperkingen, verplichtingen of controles te voorzien die het risico op misbruik van machtspositie kunnen wegnemen, noch in transparante en niet- discriminerende procedureregels die elk misbruik van machtspositie kunnen voorkomen, hetgeen leidt tot een schending van de artikelen 106, lid 1, en 102 van het VWEU. De in artikel 5 van de wet van 30 juli 2013 vervatte verbodsbepalingen zijn immers niet van toepassing op de doorverkoop door de oorspronkelijke verkoper. De bestreden bepalingen, in zoverre zij op de wet van 30 juli 2013 zijn geënt en ertoe strekken in maatregelen te voorzien in geval van een inbreuk op die wet, zetten die schending voort en doen bijgevolg afbreuk aan de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. A.35. De Ministerraad beklemtoont dat het middel steunt op het verkeerde uitgangspunt volgens hetwelk de oorspronkelijke verkoper de toegangsbewijzen op de secundaire markt zou kunnen doorverkopen. De verzoekende partijen tonen bovendien niet aan in welk opzicht de bestreden bepalingen bijzondere of uitsluitende rechten in de zin van het VWEU aan de oorspronkelijke verkopers toekennen. Wat betreft het negende middel (digitale diensten) A.36.1. De verzoekende partijen leiden een negende middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 8 van de verordening (EU) 2022/2065 van het Europees Parlement en de Raad van 19 oktober 2022 « betreffende een eengemaakte markt voor digitale diensten en tot wijziging van Richtlijn 2000/31/EG (digitaledienstenverordening) » (hierna : de verordening (EU) 2022/2065). De verzoekende partijen voeren aan dat de wet van 30 juli 2013 het in artikel 6 van de verordening (EU) 2022/2065 vervatte beginsel van vrijstelling van aansprakelijkheid en het in artikel 8 van dezelfde verordening bepaalde verbod op een algemene verplichting tot monitoring, schendt. De betrokken 15 ondernemingen zijn niet in staat te bepalen welk gedrag van de gebruikers al dan niet wettig is. Bovendien zouden die ondernemingen enkel kunnen weten of hun gebruikers de wet van 30 juli 2013 in acht nemen door middel van een uiterst verregaande en individuele controle, zowel van de verkoper, om na te gaan of hij een regelmatige verkoper is, als van het toegangsbewijs, om de prijs ervan goed te keuren (eerste onderdeel). De bestreden bepalingen, in zoverre zij op de wet van 30 juli 2013 zijn geënt en in zoverre zij een actieve monitoring van de operatoren van onlineplatforms opleggen, schenden eveneens de in het middel vermelde referentienormen (tweede en derde onderdeel). A.36.2. De Ministerraad merkt op dat de verzoekende partijen niet aantonen dat de verordening (EU) 2022/2065 te dezen toepassing kan vinden en hij verwijst voor het overige naar hetgeen reeds hiervoor is vermeld. De toepassing van de wet van 30 juli 2013 is duidelijk. Monitoring is daarnaast niet het enige mogelijke controlemiddel. Er kan aan occasionele gebruikers worden gevraagd om de aankoopprijs op de primaire markt te bewijzen vóór de tekoopstelling en er kan gemakkelijk worden nagegaan, op grond van de uitgevoerde transacties, of een gebruiker regelmatig doorverkoopt. De Ministerraad merkt eveneens op dat de verordening (EU) 2022/2065 geen afbreuk doet aan de regels die zijn vastgesteld bij andere rechtshandelingen van de Unie, in het bijzonder bij de SCB-verordening. Bovendien is het uitgangspunt van de verzoekende partijen opnieuw verkeerd. Bij zijn voormelde arrest nr. 50/2015 heeft het Hof geoordeeld dat de beheerders van elektronische platformen enkel aansprakelijk kunnen zijn indien zij daadwerkelijk kennis hebben van de onwettige activiteit en uitdrukkelijk hiervan op de hoogte zijn. Daaruit volgt dat artikel 5 van de wet van 5 november 2023 richtlijnconform moet worden geïnterpreteerd. A.36.3. De verzoekende partijen antwoorden dat de verordening (EU) 2022/2065 van toepassing is op afnemers van tussenhandeldiensten voor zover die diensten zich in de Europese Unie bevinden. Daarnaast voeren de bestreden bepalingen de SCB-verordening niet uit en gaan zij in elk geval verder dan hetgeen in die verordening is bepaald. Gesteld dat de richtlijn (EU) 2019/2161 de wet van 30 juli 2013 toestaat, dan moet die voorts ook de door het Handvest gewaarborgde rechten en vrijheden in acht nemen. Ten slotte gaat het nemen van de in de bestreden bepaling bedoelde maatregelen niet gepaard met voldoende procedurele waarborgen, zoals de tussenkomst van een gewoon rechtscollege. Er is geen waarborg dat de bevoegde ambtenaar artikel 6 van de verordening (EU) 2022/2065 in acht zal nemen. A.36.4. Het feit dat de toepassing van de verordening (EU) 2022/2065 wordt uitgebreid tot afnemers van tussenhandeldiensten houdt, volgens de Ministerraad, geenszins in dat de verzoekende partijen zich op die verordening kunnen beroepen. De ambtenaar onderzoekt bovendien altijd de situatie, en de identiteit van de onderneming wordt enkel openbaar gemaakt indien dat noodzakelijk is om een doeltreffende waarschuwing te geven. Wat betreft de door de verzoekende partijen geformuleerde verzoeken om prejudiciële vragen te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie, doet de Ministerraad gelden dat die verzoeken niet dienen te worden ingewilligd, aangezien het beroep onontvankelijk is. In ondergeschikte orde verzet hij zich niet ertegen dat vragen aan het Hof van Justitie worden gesteld, behoudens enkele aanpassingen. Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen A.37. De Ministerraad vraagt om, in geval van vernietiging, de gevolgen van de vernietigde bepalingen te handhaven gedurende een redelijke termijn die de wetgever toelaat een nieuwe regeling aan te nemen. De gevolgen zouden moeten worden gehandhaafd wat het verleden betreft, inzonderheid wanneer het Hof de wet van 30 juli 2013 in zijn beoordeling betrekt. De ambtenaren hebben immers in de loop der jaren een heel groot aantal beslissingen genomen, die zijn gebaseerd op die wet van 30 juli 2013, zodat een vernietiging de geldigheid ervan zou kunnen aantasten. 16 -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1. De wet van 30 juli 2013 « betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen » (hierna : de wet van 30 juli 2013) strekt ertoe de toegankelijkheid van culturele en sportieve evenementen te waarborgen (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0656/001, p. 5). De wet van 30 juli 2013 regelt hiertoe de vermeldingen die op het toegangsbewijs moeten staan en beperkt de doorverkoop van toegangsbewijzen (artikelen 4 en 5). De regelmatige doorverkoop is verboden, alsook de voorstelling met het oog op de regelmatige doorverkoop en de verstrekking van middelen die worden aangewend voor een regelmatige doorverkoop. Onder doorverkoop wordt verstaan « elke verkoop en elk aanbod tot verkoop van een toegangsbewijs, die niet uitgaan van de oorspronkelijke verkoper » (artikel 2, 4°, van de wet van 30 juli 2013). Een toegangsbewijs in de zin van de wet van 30 juli 2013 is een « document, bericht of code, ongeacht de vorm of de drager ervan, dat het bewijs vormt van het verkrijgen bij de producent, de organisator, de eigenaar van de exploitatierechten of enige andere geaccrediteerde verkoper, van het recht om een cultureel, sportief of commercieel evenement of live voorstelling bij te wonen » (artikel 2, 1°, van dezelfde wet). De inbreuken op de wet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen het voorwerp uitmaken van een transactie, een administratieve vervolging of een strafrechtelijke vervolging (artikel 8/1 van dezelfde wet). B.2.1. De bestreden artikelen 100 tot 102 van de wet van 5 november 2023 « houdende diverse bepalingen inzake economie » (hierna : de wet van 5 november 2023), die deel uitmaken van hoofdstuk 13 (« Wijzigingen van de wet van 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen ») van die wet, voegen in de wet van 30 juli 2013 drie nieuwe bepalingen in : 17 « Art. 100. In artikel 11 van de wet van 30 juli 2013 betreffende de verkoop van toegangsbewijzen tot evenementen, gewijzigd bij de wet van 29 september 2020, wordt een paragraaf 3/1 ingevoegd, luidende : ‘ § 3/1. De bepalingen van hoofdstuk 1/1 van boek XV, titel 1, van het Wetboek van economisch recht, zijn van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de ambtenaren bedoeld in paragraaf 1. ’ Art. 101. In dezelfde wet wordt een artikel 12/1 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 12/1. Om ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen te voorkomen, beschikken de in artikel 11, § 1, bedoelde ambtenaren over de bevoegdheid om tijdelijk over te gaan tot de publicatie van de naam, de praktijk en, in voorkomend geval, de volledige identificatiegegevens van de ondernemingen die praktijken hanteren die een inbreuk vormen op deze wet of haar uitvoeringsbesluiten en schade veroorzaken aan consumenten. De bevoegdheid bedoeld in het eerste lid wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel XV.31/2/1 van het Wetboek van economisch recht. ’ Art. 102. In dezelfde wet wordt een artikel 12/2 ingevoegd, luidende : ‘ Art. 12/2. De in artikel 11, § 1, bedoelde ambtenaren hebben de bevoegdheid om toezeggingen tot het beëindigen van inbreuken of tot herstelmaatregelen te verkrijgen of te aanvaarden van de onderneming die verantwoordelijk is voor de inbreuken bedoeld in deze wet of haar uitvoeringsbesluiten. De bevoegdheid bedoeld in het eerste lid wordt uitgeoefend overeenkomstig artikel XV.31/2 van het Wetboek van economisch recht. ’ ». Krachtens het nieuwe artikel 3, § 3/1, van de wet van 30 juli 2013 zijn de bepalingen van hoofdstuk 1/1 van boek XV, titel 1, van het Wetboek van economisch recht van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens door de ambtenaren die door de minister bevoegd voor Economie zijn aangesteld teneinde de inbreuken op de wet op te sporen en vast te stellen. Krachtens de nieuwe artikelen 12/1 en 12/2 van dezelfde wet zijn dezelfde ambtenaren voortaan bevoegd om over te gaan tot een tijdelijke publicatie van de naam en de praktijk van ondernemingen die praktijken hanteren die een inbreuk vormen op de wet van 30 juli 2013 en die schade veroorzaken aan consumenten, met als doel verdere schade aan consumenten te vermijden, en om toezeggingen tot het beëindigen van de inbreuk of tot herstelmaatregelen te verkrijgen of te aanvaarden van een onderneming. B.2.2. Artikel XV.31/2 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : 18 « § 1. De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren hebben de bevoegdheid om toezeggingen tot het beëindigen van inbreuken te verkrijgen of te aanvaarden van de onderneming die verantwoordelijk is voor de inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1. § 2. De in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren hebben de bevoegdheid om van de onderneming, op haar initiatief, aanvullende toezeggingen tot herstel te verkrijgen in het belang van consumenten en/of ondernemingen die nadeel hebben ondervonden van de vermoede inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1, of, waar passend, toezeggingen van de onderneming trachten te verkrijgen die adequaat herstel bieden aan consumenten en/of ondernemingen die nadeel ondervinden van de inbreuken. § 3. Het verkrijgen of aanvaarden van een toezegging staat verdere administratieve of strafrechtelijke handhaving niet in de weg. De toezegging en aanvaarding ervan door de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren kan tot gevolg hebben dat de handhaving wordt beëindigd voor zover de inbreuken bedoeld in artikel XV.2, § 1, werden stopgezet en in voorkomend geval de schade aan consumenten en/of ondernemingen werd vergoed. § 4. De toezeggingen bedoeld in paragrafen 1 en 2 kunnen openbaar worden gemaakt, voor zover zij aanvaard werden door de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren, met het oog op het verwittigen of informeren van consumenten en ondernemingen over de toegepaste praktijken van de overtreder of om toekomstige inbreuken door de onderneming te vermijden. In dit verband kunnen de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren ook overgaan tot de publicatie van de identificatiegegevens van de overtreder en de gegevens met betrekking tot de vastgestelde inbreuken, de onderliggende praktijken, en de middelen die gebruikt werden om de inbreuken te begaan. De adressen kunnen maar bekendgemaakt worden voor zover de overtreder er niet gedomicilieerd is. Vooraleer over te kunnen gaan tot de publicatie, brengen de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren de onderneming op de hoogte van het voornemen om over te gaan tot de publicatie van de toezeggingen bedoeld in paragrafen 1 en 2 en van de mogelijkheid voor de onderneming om zich daartegen te verzetten. Er kan enkel overgegaan worden tot de in het eerste lid bedoelde publicatie als binnen twee werkdagen geen enkele reactie van de onderneming ontvangen werd of als de onderneming geen afdoende verantwoording heeft gegeven om zich tegen de publicatie te verzetten. De publicatie gebeurt op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die voor elke burger toegankelijk is. De publicatie wordt ingetrokken zodra de onderneming het bewijs levert dat ze haar toezegging zoals bedoeld in de paragrafen 1 en 2 is nagekomen ». Artikel XV.31/2/1 van hetzelfde Wetboek bepaalt : « Om ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen en aan de collectieve belangen van ondernemingen te voorkomen, beschikken de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren over de bevoegdheid om tijdelijk over te gaan tot de publicatie van de identificatiegegevens van de overtreders die praktijken gebruiken die schade toebrengen aan consumenten en/of ondernemingen, en van de gegevens met betrekking tot de vastgestelde 19 inbreuken, de onderliggende praktijken, en de middelen die gebruikt werden om deze inbreuken te begaan. De adressen kunnen maar bekendgemaakt worden voor zover de overtreder er niet gedomicilieerd is. De publicatie gebeurt op de website van de Federale Overheidsdienst Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, die toegankelijk is voor elke burger. Vooraleer over te kunnen gaan tot de publicatie, dienen de in artikel XV.2 bedoelde ambtenaren de onderneming die de schadelijke praktijken hanteert op de hoogte te brengen van de feiten die aan de basis liggen van de in het eerste lid bedoelde maatregelen, van het voornemen om deze maatregelen te nemen en van de bepalingen opgenomen in het derde en vierde lid. Er kan slechts worden overgegaan tot de in het eerste lid bedoelde publicatie, indien er binnen de termijn van twee werkdagen geen reactie wordt ontvangen van de onderneming, er geen contact mogelijk is, indien de onderneming niet toezegt de schadelijke praktijk stop te zetten zoals bedoeld in artikel XV.31/2, of indien ze op geen andere manier een afdoende verantwoording heeft gegeven. Onverminderd de mogelijkheid om de toezegging zelf openbaar te maken, wordt de publicatie ingetrokken van zodra de onderneming het bewijs levert dat ze de inbreuk heeft stopgezet in overeenstemming met haar toezegging zoals bedoeld in artikel XV.31/2 ». B.3.1. Volgens de memorie van toelichting van de wet van 5 november 2023 strekken de bestreden wijzigingen hoofdzakelijk ertoe in de wet van 30 juli 2013 maatregelen in te voeren die soortgelijk zijn aan de maatregelen ter bescherming van de consumenten die al eerder in het Wetboek van economisch recht werden ingevoegd, met als doel het economisch recht en het consumentenrecht te uniformiseren : « In uitvoering van artikel 9, lid 4, punten b) en c), van verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming (CPC-verordening) werd de mogelijkheid om toezeggingen tot het beëindigen van een inbreuk of tot herstel te verkrijgen van een onderneming geïntroduceerd in het Wetboek van economisch recht. Daarnaast werd in uitvoering van artikel 9, lid 4, punt a), van de CPC verordening voorzien in de mogelijkheid om over te gaan tot een tijdelijke publicatie van de naam en de praktijk van ondernemingen die praktijken hanteren die schade veroorzaken aan consumenten, met als doel verdere schade aan consumenten te vermijden. Dit respectievelijk in de artikelen XV.31/2 en XV.31/2/1 van het Wetboek van economisch recht. Voor meer verduidelijking over deze bevoegdheden kan verwezen worden naar Parl. St. Kamer, 2019-2020, Doc. 55, 1385/001 en 1386/001. Die bepalingen werden ingevoerd door de wet van 29 september 2020, die ook in een aantal andere specifieke wetten wijzigingen heeft aangebracht naar aanleiding van bovengenoemde CPC-verordening. Het betrof onder meer de introductie van de administratieve geldboete in het economisch recht, het versterken van een aantal bevoegdheden en het introduceren van nieuwe procedures. De procedures van de toezegging en de publicatie van de naam en praktijk werden echter, door een vergetelheid, niet meegenomen in de verschillende specifieke wetten. Dit is nochtans noodzakelijk omdat ook twee van die specifieke wetten rechtstreeks onder het 20 toepassingsgebied vallen van de CPC-verordening en dus ook in die procedures moeten voorzien, meer bepaald de wet van 28 augustus 2011 betreffende de bescherming van de consumenten inzake overeenkomsten betreffende het gebruik van goederen in deeltijd, vakantieproducten van lange duur, doorverkoop en uitwisseling en de wet van 21 november 2017 betreffende de verkoop van pakketreizen, gekoppelde reisarrangementen en reisdiensten. De andere wetten, ook al vallen ze strikt genomen niet onder het toepassingsgebied van de CPC-verordening, hebben ook betrekking op consumentrechtelijke verplichtingen die in het verlengde liggen van het toepassingsgebied van de CPC-verordening en het Wetboek van economisch recht. Er wordt verwezen naar de procedures zoals ze zijn bepaald in het Wetboek van economisch recht. Dit onder meer om verder te gaan in het zo veel als mogelijk in overeenstemming brengen van de bepalingen in het economisch recht in het algemeen en het consumentenrecht in het bijzonder. Dit moet zorgen voor duidelijkere en uniformere procedures wat zowel ten goede komt aan de rechtsonderhorige als de bevoegde autoriteiten die de procedures moeten toepassen. Aan elk van de gewijzigde bijzondere wetten wordt toegevoegd dat de bepalingen van het nieuw ontworpen hoofdstuk 1/1 van boek XV, titel 1, met betrekking tot de verwerking van persoonsgegevens, op dezelfde wijze van toepassing zijn als voor het Wetboek van economisch recht » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-3392/001, pp. 51-52 en 65). B.3.2. In de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 september 2020 « tot wijziging van het Wetboek van economisch recht en van andere wetten met het oog op het versterken van de opsporings- en handhavingsbevoegdheden in overeenstemming met en in uitvoering van Verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 » (hierna : de wet van 29 september 2020), waarnaar wordt verwezen in het in B.3.1 overgenomen uittreksel uit de memorie van toelichting, wordt vermeld : « Art. 10 tot 13 De aanpassingen in de artikelen 10 tot en met 13 hebben tot doel uitvoering te geven aan de bepalingen van artikel 9 (4) b) en c) van de CPC-verordening. Deze voorzien enerzijds dat de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid moeten hebben om ‘ toezeggingen tot het beëindigen van de inbreuk trachten te verkrijgen of aanvaarden van de handelaar (onderneming) die verantwoordelijk is voor de inbreuk die onder deze verordening valt ’ en anderzijds ‘ de bevoegdheid om van de handelaar, op diens initiatief, aanvullende toezeggingen tot herstel te verkrijgen in het belang van consumenten die nadeel hebben ondervonden van de vermoede inbreuk die onder deze verordening valt, of, waar passend, toezeggingen van de handelaar te verkrijgen die adequaat herstel bieden aan consumenten die nadeel ondervinden van die inbreuk ’. 21 Deze mogelijkheid was tot op heden slechts deels voorzien in het consumentenrecht. In het kader van de waarschuwingsprocedure wordt nu expliciet aangegeven dat de onderneming kan toezeggen om de inbreuk stop te zetten en dat deze toezegging kan worden aanvaard (artikel 13). Daarnaast wordt een [specifiek] artikel ingevoegd (XV.31/2 WER), met betrekking tot de toezeggingen. De toezegging van de onderneming is een vorm van formele kennisgeving, in gelijk welke vorm, dat ze de inbreuken zal stopzetten en, in voorkomend geval, de benadeelde consumenten zal vergoeden. Dit kan tot stand komen na een onderhandelingsfase met de betrokken controleagenten maar het initiatief wordt gelaten aan de betrokken onderneming. Indien een waarschuwing wordt gegeven, wordt de mogelijkheid van de toezegging wel expliciet vermeld, met de mogelijke gevolgen van dergelijke toezegging, zoals ook eventueel het stopzetten van de handhaving. Een toezegging staat verdere handhaving niet in de weg. In het tweede lid van artikel XV.31, § 3, WER wordt evenwel verduidelijkt dat de mogelijkheid bestaat dat de handhaving beëindigd wordt, indien de controleagent de toezegging aanvaardt en de onderneming de schade die consumenten eventueel geleden hebben, [heef] vergoed. Dit kan het geval zijn wanneer, na de onderhandelingsfase, er voldoende garanties zijn ingebouwd en er een akkoord wordt bekomen tussen de betrokken controleagenten en de onderneming. In dat opzicht kan een toezegging van een onderneming vermijden dat er verdere handhaving zal gebeuren. Slechts als ze zonder meer wordt aanvaard door de controleagenten en ze geen verdere handhavende stappen (opstellen van een proces-verbaal) nemen, zal dit het geval zijn. Benadrukt dient namelijk te worden dat er geenszins een verplichting bestaat ten aanzien van de controleagenten om de handhaving te staken. Het is nog steeds mogelijk dat nog andere handhavingsmaatregelen genomen worden lastens de betrokken onderneming waarvan de toezegging aanvaard werd en die de schade van consumenten vergoed heeft. De figuur van de toezegging kan gebruikt worden om sneller concreet resultaat te bekomen. De onderneming staakt de inbreuk en consumenten kunnen vergoed worden. Het voordeel voor de onderneming is dat mogelijks de handhaving wordt gestaakt maar in elk geval, dat rekening gehouden zal worden met de toezegging bij het bepalen van het bedrag van de administratieve geldboete (zie ook randnummer 20 van het advies van de Raad van State). Een toezegging die aanvaard werd door de controleagent, kan openbaar gemaakt worden. Dit is niet het geval voor toezeggingen die de onderneming voorstelt, maar die als onvoldoende worden beoordeeld door de controleagent : de maatregelen die de onderneming voorstelt, stellen in dit geval geen of onvoldoende einde aan de inbreuk. Art. 14 en 15 Art. 9 (4) a) van de CPC-verordening stelt dat de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheid moeten beschikken om tijdelijke maatregelen te nemen om het gevaar van ernstige schade voor de collectieve belangen van consumenten te voorkomen. In bepaalde gevallen veroorzaken de praktijken van ondernemingen directe schade aan (een groep) consumenten zonder dat die praktijken onmiddellijk stopgezet kunnen worden. Het gaat bijvoorbeeld om de praktijken van televerkopers waarbij consumenten opgebeld worden met aanbiedingen van een korting voor online shoppen, voordelig reizen, … die uiteindelijk vals blijken te zijn of veel duurder dan voorzien of (valse) aanmaningen die verstuurd worden door 22 zogenaamde incassobureaus die niet ingeschreven zijn in een officieel register. In dergelijke situaties kan het verwittigen van de consumenten een efficiënte methode zijn om bijkomende schade te vermijden. Door over te gaan tot de publicatie van de identificatiegegevens van ondernemingen die schadeverwekkende praktijken voeren (‘ name and shame ’), kunnen de ondernemingen er tevens toe aangezet worden die praktijken stop te zetten. Vooraleer over te gaan tot de publicatie van de gegevens van een onderneming moet aan de onderneming de [mogelijkheid] geboden worden om zelf de schadelijke praktijk stop te zetten. Slechts als de onderneming niet tijdig reageert, er geen contact mogelijk is of de onderneming weigert de schadelijke praktijk stop te zetten, kan overgegaan worden tot publicatie. Wanneer de onderneming toezegt om de inbreuk stop te zetten en dat zij haar toezegging heeft nageleefd, wordt de publicatie ingetrokken. De toezegging zelf kan, overeenkomstig artikel XV.31/2, § 1, tweede lid, wel nog steeds openbaar worden gemaakt. Het niet naleven van een toezegging kan het voorwerp uitmaken van sancties. De onderneming wordt in de eerste fase op de hoogte gebracht van de feiten die aan de basis liggen van de mogelijke publicatie (de inbreuken), van de mogelijkheid van publicatie zelf, van de manieren waarop de publicatie vermeden kan worden en van welke stappen ondernomen kunnen worden om de publicatie ongedaan te maken. Elke mededeling/reactie van de onderneming zal onderzocht moeten worden vooraleer over te gaan tot de effectieve publicatie. De bevoegdheid kan slechts toegepast worden indien ondernemingen praktijken hanteren die schade veroorzaken aan consumenten. Die schade zal aantoonbaar moeten zijn. Op aangeven van de Raad van State (randnummer 30) worden nog volgende verduidelijkingen gegeven : het gaat om publicaties van zogenaamde grijze of zwarte lijsten van ondernemingen die zich bewust schuldig maken aan het veroorzaken van schade aan consumenten. Een belangrijke manier om onnodige schade aan consumenten te vermijden, is net door de consumenten voldoende te informeren over mogelijke schadelijke praktijken. Een onderneming heeft verschillende mogelijkheden om te vermijden dat er overgegaan zal worden tot publicatie. De gemakkelijkste manier is om toe te zeggen dat ze de inbreuk zal stopzetten. Na het leveren van het bewijs van stopzetting, zal een reeds gedane publicatie onmiddellijk worden stopgezet. De publicatie van identificatiegegevens in lijsten (zwarte/grijze lijst) valt in de regel niet onder de bevoegdheid van het openbaar ministerie. Indien er een bevestiging zou moeten gebeuren door het openbaar ministerie, zal de verantwoordelijkheid ook overgaan. Het beheer van de lijsten kan moeilijk aan het openbaar ministerie overgelaten worden. De tussenstap via het openbaar ministerie lijkt ook niet noodzakelijk om de rechten van ondernemingen te waarborgen. Er moet al sprake zijn van een inbreuk die schade veroorzaakt aan consumenten en de weigering (of het ontbreken van reactie) om de inbreuk stop te zetten. Er is dan ook bewust gekozen om het openbaar ministerie hier niet in te betrekken » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1385/001 en DOC 55-1386/001, pp. 22-25). 23 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.4. De Ministerraad voert aan dat het beroep onontvankelijk is, aangezien de grieven van de verzoekende partijen in werkelijkheid betrekking hebben op bepalingen van de wet van 30 juli 2013 of van het Wetboek van economisch recht die niet werden geraakt door de wet van 5 november 2023, en dat de termijn om de vernietiging van die bepalingen te vorderen, is verstreken. Hij stelt eveneens dat de verzoekende partijen niet doen blijken van een belang om in rechte te treden tegen de bestreden bepalingen. B.5.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.5.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moet een beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm. Wanneer een wetgever in nieuwe wetgeving een oude bepaling overneemt en zich op die wijze de inhoud ervan toe-eigent, kan tegen de overgenomen bepaling een beroep worden ingesteld binnen zes maanden na de bekendmaking ervan. Wanneer de wetgever zich evenwel beperkt tot een louter legistieke of taalkundige ingreep of tot een coördinatie van bestaande bepalingen, wordt hij niet geacht opnieuw te legifereren en zijn de grieven ratione temporis onontvankelijk in zoverre zij in werkelijkheid tegen de voorheen reeds bestaande bepalingen zijn gericht. B.6.1. In zoverre artikel 100 van de wet van 5 november 2023 de bepalingen van hoofdstuk 1/1 van boek XV, titel 1, van het Wetboek van economisch recht van toepassing maakt op de verwerking van persoonsgegevens door de bevoegde ambtenaren, kan het de situatie van de verzoekende partijen niet rechtstreeks en ongunstig raken, aangezien die laatste rechtspersonen zijn en de persoonsgegevens enkel op natuurlijke personen betrekking hebben (artikel 4, 1), van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de 24 verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG)). De verzoekende partijen doen bijgevolg niet blijken van een belang om die bepaling aan te vechten. B.6.2. In zoverre de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 de bevoegde ambtenaren toelaten over te gaan tot een tijdelijke publicatie van de naam en de praktijk van ondernemingen die praktijken hanteren die schade veroorzaken aan consumenten en toezeggingen tot het beëindigen van de inbreuk of tot herstelmaatregelen te verkrijgen of te aanvaarden van een onderneming, kunnen zij daarentegen de situatie van de eerste verzoekende partij rechtstreeks en ongunstig raken. Aangezien deze luidens haar statuten als maatschappelijk doel heeft diensten in de ticketverkoop en in andere ermee samenhangende domeinen te verlenen en deel uitmaakt van een internationale groep die een onlineverkoopplatform van toegangsbewijzen voor evenementen uitbaat, kan zij inderdaad het voorwerp uitmaken van de voormelde maatregelen (zie in die zin, Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0656/001, p. 4). Daar het belang van de eerste verzoekende partij om in rechte te treden tegen de voormelde artikelen 101 en 102 vaststaat, is het niet noodzakelijk om het belang van de tweede verzoekende partij te onderzoeken. B.6.3. Het beroep is onontvankelijk voor zover het is gericht tegen artikel 100 van de wet van 5 november 2023. Het eerste onderdeel van het tweede middel dient niet te worden onderzocht, aangezien het uitsluitend betrekking heeft op die bepaling. B.7.1. De artikelen 12/1 en 12/2 van de wet van 30 juli 2013, zoals ingevoegd bij de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, bepalen in het tweede lid ervan dat de bevoegdheden om over te gaan tot een tijdelijke publicatie van de naam van ondernemingen die praktijken hanteren die schade veroorzaken aan consumenten, en om toezeggingen tot het beëindigen van de inbreuk of tot herstelmaatregelen te verkrijgen of te aanvaarden van een onderneming, worden uitgeoefend overeenkomstig de artikelen XV.31/2/1 en XV.31/2 van het Wetboek van economisch recht. 25 De artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 benadelen de verzoekende partijen, in zoverre zij tot gevolg hebben de artikelen XV.31/2/1 en XV.31/2 van het Wetboek van economisch recht van toepassing te maken wanneer een maatregel wordt genomen in geval van een inbreuk op de wet van 30 juli 2013 of een uitvoeringsbesluit ervan. Bij het onderzoek van het beroep gericht tegen de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 kan het Hof incidenteel rekening houden met de grondwettigheid van de artikelen XV.31/2/1 en XV.31/2 van het voormelde Wetboek. B.7.2. Anders is het evenwel voor de door de verzoekende partijen aangevoerde grieven die in werkelijkheid zijn gericht tegen de niet gewijzigde bepalingen van de wet van 30 juli 2013. De verzoekende partijen kunnen, in het kader van een beroep gericht tegen nieuwe wetsbepalingen, geen grieven opwerpen die zij reeds eerder hadden kunnen opwerpen, naar aanleiding van een beroep gericht tegen de vroegere wetsbepalingen. De bestreden artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 voorzien weliswaar in maatregelen die van toepassing zijn in geval van een praktijk die een inbreuk vormt op de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan. Hieruit vloeit evenwel niet voort dat de verzoekende partijen, in het kader van een beroep gericht tegen die artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, grieven zouden kunnen opwerpen die in werkelijkheid uitsluitend zijn gericht tegen niet gewijzigde bepalingen van de wet van 30 juli 2013, aangezien de wetgever niet opnieuw wetgevend is opgetreden wat die punten betreft en die verschillende bepalingen niet onlosmakelijk verbonden zijn met de bestreden bepalingen. Het staat aan de rechter bij wie een betwisting met betrekking tot de toepassing van de desbetreffende wetsbepalingen aanhangig is gemaakt, over die grieven uitspraak te doen, door in voorkomend geval een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof of aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. B.7.3. Aangezien zij in werkelijkheid uitsluitend zijn gericht tegen niet gewijzigde bepalingen van de wet van 30 juli 2013, zijn het vijfde middel, het zesde middel (uitgezonderd het vijfde onderdeel), het zevende middel (uitgezonderd het vijfde onderdeel), het achtste middel en het negende middel onontvankelijk. 26 Ten aanzien van het recht van de Europese Unie B.8.1. De Ministerraad doet gelden dat het recht van de Europese Unie niet van toepassing is op de verzoekende partijen, die vennootschappen naar Zwitsers recht en naar Amerikaans recht zijn. Aangezien de verzoekende partijen zich niet op het recht van de Europese Unie zouden kunnen beroepen, zouden de middelen onontvankelijk zijn in zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van dat recht. B.8.2. Wanneer een verzoekende partij een belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, moet zij daarbovenop niet doen blijken van een belang bij elk van de middelen. Onder voorbehoud van de toepasselijkheid van die bepalingen van het Unierecht – hetgeen tijdens de behandeling ten gronde wordt nagegaan –, kunnen de verzoekende partijen in het vernietigingscontentieux middelen voorleggen die zijn afgeleid uit de schending van bepalingen van het Unierecht die niet persoonlijk op hen van toepassing zijn of die niet in het bijzonder tot doel hebben hun belangen te beschermen. B.8.3. De bestaanbaarheid van de bestreden bepalingen met de bepalingen van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), in samenhang gelezen met de normen waarvan het Hof de inachtneming dient te waarborgen, kan slechts door het Hof worden onderzocht in zoverre de bestreden bepalingen binnen het toepassingsgebied van het Unierecht vallen, overeenkomstig artikel 51, lid 1, van het Handvest (HvJ, grote kamer, 26 februari 2013, C-617/10, Åklagaren, ECLI:EU:C:2013:105 , punten 17 e.v., in het bijzonder punt 21). Volgens het Hof van Justitie « moet […] het gebruik door een lidstaat van de in het Unierecht neergelegde uitzonderingen om een belemmering van een door het Verdrag gewaarborgde fundamentele vrijheid te rechtvaardigen, worden geacht ‘ het recht van de Unie ten uitvoer [te] brengen ’ in de zin van artikel 51, lid 1, van het Handvest » (HvJ, grote kamer, 21 mei 2019, C-235/17, Commissie t. Hongarije, ECLI:EU:C:2019:432 , punt 65). Aangezien de bestreden bepalingen zijn ingevoegd in de wet van 30 juli 2013, waarvan het Hof heeft aanvaard dat verschillende bepalingen ervan bestaanbaar zijn met het vrij verrichten 27 van diensten, gewaarborgd bij artikel 56 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna : het VWEU), op grond van het Unierecht (arrest nr. 50/2015 van 30 april 2015, ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.050), kan redelijkerwijs ervan worden uitgegaan dat zij het Unierecht uitvoeren en dat het Handvest bijgevolg van toepassing is. B.8.4. Het Hof onderzoekt of de andere door de verzoekende partijen aangevoerde bepalingen van het Unierecht van toepassing zijn bij de beoordeling van de middelen. Ten gronde B.9. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan. Het Hof onderzoekt dus eerst het vierde middel. Wat betreft het vierde middel (bevoegdheidverdelende regels) B.10. De verzoekende partijen leiden een vierde middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, in samenhang gelezen met de wet van 30 juli 2013 in haar geheel, van de artikelen 10, 11, 38 en 127, § 1, 1°, van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 4, 3°, 9° en 10°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 ter hervorming der instellingen (hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980). Volgens de verzoekende partijen regelen de bestreden bepalingen culturele aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn (eerste onderdeel), aangezien de wet van 30 juli 2013, door haar voorwerp of haar finaliteit zelf, aan het wezen van een culturele activiteit in de ruime zin raakt, namelijk de culturele en sportieve evenementen (tweede onderdeel). De verzoekende partijen voeren aan dat artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 de federale wetgever verbiedt de prijzen van goederen of diensten 28 waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn, te reglementeren. De federale wetgever is voorts niet bevoegd om de uitoefening van een specifieke commerciële activiteit in het kader van sportieve en culturele evenementen te verbieden (derde onderdeel). De bestreden bepalingen, in zoverre zij op de reeds bestaande bepalingen van de wet van 30 juli 2013 zijn geënt en in zoverre zij in het bijzonder in maatregelen voorzien in geval van een inbreuk op artikel 5 van die wet, schenden ten slotte de voormelde bepalingen van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 (vierde onderdeel). B.11.1. Artikel 38 van de Grondwet bepaalt : « Elke gemeenschap heeft de bevoegdheden welke haar door de Grondwet of door de wetten aangenomen krachtens deze laatste, worden toegekend ». Artikel 127, § 1, eerste lid, 1°, en tweede lid, van de Grondwet bepaalt : « De Parlementen van de Vlaamse en de Franse Gemeenschap regelen, elk voor zich, bij decreet : 1° de culturele aangelegenheden; [...] Een wet aangenomen met de in artikel 4, laatste lid, bepaalde meerderheid, stelt de in 1° vermelde culturele aangelegenheden, [...] vast ». B.11.2. Artikel 4, 3°, 9° en 10°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : « De culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, 1° , van de Grondwet zijn : [...] 3° De schone kunsten; [...] 9° De lichamelijke opvoeding, de sport en het openluchtleven; 10° De vrijetijdsbesteding; ». Artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt : 29 « § 1. De aangelegenheden bedoeld in artikel 39 van de Grondwet zijn : [...] Bovendien is alleen de federale overheid bevoegd voor : [...] VI. Wat de economie betreft : [...] 3° het prijs- en inkomensbeleid, met uitzondering van de regeling van de prijzen in de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de gewesten en de gemeenschappen behoren, onder voorbehoud van hetgeen bepaald is in artikel 6, § 1, VII, tweede lid, d); ». B.12. Rekening houdend met hetgeen in B.6.2 is vermeld, onderzoekt het Hof de middelonderdelen slechts in zoverre zij betrekking hebben op de bestreden bepalingen. Het Hof houdt echter rekening met het voorwerp van de wet van 30 juli 2013 om de bevoegdheid van de federale wetgever te beoordelen. B.13.1. De wet van 30 juli 2013 regelt de doorverkoop van toegangsbewijzen voor culturele en sportieve evenementen met het oog op het waarborgen van de toegankelijkheid van die evenementen. Uit de parlementaire voorbereiding van die wet blijkt dat « terwijl evenementorganisatoren er alles aan doen om de toegangsprijs redelijk te houden zodat zo veel mogelijk personen toegang kunnen krijgen tot hun evenementen, […] de secundaire handel ervoor [zorgt] dat de prijzen toch kunstmatig onredelijk hoog worden opgedreven. Deze kunstmatige opdrijving van de prijs zorgt er voor dat een grote groep van mensen de toegang tegen een redelijke prijs ontzegd wordt » (Parl. St., Kamer, 2010-2011, DOC 53-0656/001, p. 3). Zoals het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 50/2015 heeft geoordeeld, strekt de wet van 30 juli 2013 ertoe de consumenten te beschermen (B.12.3 tot B.12.5). B.13.2. De bestreden bepalingen, in zoverre zij de bevoegde ambtenaren toestaan een tijdelijke publicatiemaatregel te nemen bij de vaststelling van een praktijk die in strijd is met de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan en die afbreuk doet aan de consumentenbelangen, en toezeggingen tot het beëindigen van de schadelijke praktijk of tot herstelmaatregelen te verkrijgen of te aanvaarden van de betrokken ondernemingen, streven 30 hetzelfde doel van consumentenbescherming na. Zij vallen bijgevolg onder de bevoegdheid van de federale overheid om algemene regels vast te stellen inzake de bescherming van de consument krachtens artikel 6, § 1, VI, vierde lid, 2°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Op grond van die bepaling vermag de federale wetgever niet alleen te voorzien in de bescherming van de consument op algemene wijze, doch ook op specifieke wijze, met betrekking tot de toegang tot culturele evenementen in het bijzonder, onverminderd de mogelijkheid van de gemeenschappen om die aangelegenheid, met inachtneming van de voormelde economische aspecten, aan bijkomende kwalitatieve voorwaarden te onderwerpen op grond van hun bevoegdheid inzake culturele aangelegenheden. De federale wetgever reglementeert met de bestreden bepalingen niet de prijzen in een gemeenschapsaangelegenheid, en verbiedt evenmin een specifieke commerciële activiteit. B.13.3. In zoverre de verzoekende partijen in hun memorie van antwoord aanvoeren dat de wet van 30 juli 2013 in werkelijkheid een steunregeling is voor de sector van concertorganisatoren, hetgeen tot de bevoegdheid van de gemeenschappen zou behoren krachtens artikel 4, 3°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980, werpen zij een nieuw en derhalve onontvankelijk middel op. B.13.4. Geen enkel onderdeel van het vierde middel is gegrond. Wat betreft het eerste middel (waarborgen in strafzaken) B.14. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door artikel 101 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10, 11, 12, 14 en 18 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 3 en 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 47, 48, 49, 50 en 51 van het Handvest en met de algemene beginselen van het recht van verdediging. Het middel bestaat uit zeven onderdelen. 31 B.15.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.15.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.15.3. Artikel 12 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van de persoon is gewaarborgd. Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft. Behalve bij ontdekking op heterdaad kan niemand worden aangehouden dan krachtens een met redenen omkleed bevel van de rechter dat uiterlijk binnen achtenveertig uren te rekenen van de vrijheidsberoving moet worden betekend en enkel tot voorlopige inhechtenisneming kan strekken ». Artikel 14 van de Grondwet bepaalt : « Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ». Artikel 18 van de Grondwet bepaalt : 32 « De burgerlijke dood is afgeschaft; hij kan niet opnieuw worden ingevoerd ». B.15.4. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « Niemand mag worden onderworpen aan folteringen noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen ». Artikel 6 van hetzelfde Verdrag bepaalt : « 1. Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of 's lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden. 2. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet bewezen wordt. 3. Eenieder, die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd, heeft ten minste de volgende rechten : a) onverwijld, in een taal welke hij verstaat, en in bijzonderheden, op de hoogte te worden gesteld van de aard en de reden van de tegen hem ingebrachte beschuldiging; b) te beschikken over voldoende tijd en faciliteiten welke nodig zijn voor de voorbereiding van zijn verdediging; c) zichzelf te verdedigen of de bijstand te hebben van een raadsman naar zijn keuze, of, indien hij niet over voldoende middelen beschikt om een raadsman te bekostigen, kosteloos door een toegevoegd advocaat te kunnen worden bijgestaan, indien het belang van de rechtspraak dit eist; d) de getuigen à charge te ondervragen of doen ondervragen en het oproepen en de ondervraging van getuigen à décharge te doen geschieden op dezelfde voorwaarden als het geval is met de getuigen à charge; e) zich kosteloos te doen bijstaan door een tolk, indien hij de taal welke ter zitting wordt gebezigd niet verstaat of niet spreekt ». B.15.5. Artikel 47 van het Handvest bepaalt : 33 « Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordigen. Rechtsbijstand wordt verleend aan degenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voor zover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen ». Artikel 48 van het Handvest bepaalt : « 1. Eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld in rechte is komen vast te staan. 2. Aan eenieder tegen wie een vervolging is ingesteld, wordt de eerbiediging van de rechten van de verdediging gegarandeerd ». Artikel 49 van het Handvest bepaalt : « 1. Niemand mag worden veroordeeld wegens een handelen of nalaten dat geen strafbaar feit naar nationaal of internationaal recht uitmaakte ten tijde van het handelen of nalaten. Evenmin mag een zwaardere straf worden opgelegd dan die, die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was. Indien de wet na het begaan van het strafbare feit in een lichtere straf voorziet, is die van toepassing. 2. Dit artikel staat niet de berechting en bestraffing in de weg van iemand die schuldig is aan een handelen of nalaten dat ten tijde van het handelen of nalaten een misdrijf was volgens de door de volkerengemeenschap erkende algemene beginselen. 3. De zwaarte van de straf mag niet onevenredig zijn aan het strafbare feit ». Artikel 50 van het Handvest bepaalt : « Niemand wordt opnieuw berecht of gestraft in een strafrechtelijke procedure voor een strafbaar feit waarvoor hij in de Unie reeds onherroepelijk is vrijgesproken of veroordeeld overeenkomstig de wet ». Artikel 51 van het Handvest bepaalt : 34 « 1. De bepalingen van dit Handvest zijn gericht tot de instellingen, organen en instanties van de Unie met inachtneming van het subsidiariteitsbeginsel, alsmede, uitsluitend wanneer zij het recht van de Unie ten uitvoer brengen, tot de lidstaten. Derhalve eerbiedigen zij de rechten, leven zij de beginselen na en bevorderen zij de toepassing ervan overeenkomstig hun respectieve bevoegdheden en met inachtneming van de grenzen van de bevoegdheden zoals deze in de Verdragen aan de Unie zijn toegedeeld. 2. Dit Handvest breidt het toepassingsgebied van het recht van de Unie niet verder uit dan de bevoegdheden van de Unie reiken, schept geen nieuwe bevoegdheden of taken voor de Unie, noch wijzigt het de in de Verdragen omschreven bevoegdheden en taken ». B.16. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling, in zoverre zij de bevoegde ambtenaren toelaat de identiteit van een onderneming of een gebruiker openbaar te maken in geval van een inbreuk op de wet van 30 juli 2013, in die wet een sanctie van strafrechtelijke aard in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens invoert. Zij betogen dat artikel 101 van de wet van 5 november 2023 het wettigheidsbeginsel in strafzaken schendt, aangezien het onvoldoende nauwkeurig is (eerste onderdeel) en dat het, in samenhang gelezen met artikel 102 van dezelfde wet, het recht op een eerlijk proces en de rechten van verdediging schendt, in zoverre het niet waarborgt dat de betrokken onderneming voldoende wordt geïnformeerd en in zoverre de onderneming niet over een voldoende termijn beschikt om te reageren (tweede onderdeel). B.17. Een maatregel is een strafsanctie in de zin van artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens indien hij volgens de internrechtelijke kwalificatie een strafrechtelijk karakter heeft of indien uit de aard van het strafbaar feit, namelijk de algemene draagwijdte en het preventieve en repressieve karakter van de bestraffing, blijkt dat het om een strafsanctie gaat, of nog, indien uit de aard en de ernst van de sanctie die de betrokkene ondergaat, blijkt dat hij een bestraffend en daardoor ontradend karakter heeft (EHRM, grote kamer, 10 februari 2009, Zolotoukhine t. Rusland, ECLI:CE:ECHR:2009:0210JUD001493903 , § 53; grote kamer, 15 november 2016, A en B t. Noorwegen, ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011 , §§ 105-107). B.18.1. De bestreden maatregel is geen strafrechtelijke sanctie in het interne recht. De in het nieuwe artikel 12/1 van de wet van 30 juli 2013 bedoelde tijdelijke publicatiemaatregel is overigens een ander mechanisme dan de procedures vermeld in artikel 8/1, § 1, van dezelfde 35 wet, dat bepaalt dat de inbreuken op de wet van 30 juli 2013 en de uitvoeringsbesluiten ervan het voorwerp kunnen uitmaken van de toepassing van de transactieprocedure zoals bedoeld in artikel 13 (1°), een administratieve vervolging met toepassing van de procedure bedoeld in titel 1/2 van boek XV van het Wetboek van economisch recht (2°) of een strafrechtelijke vervolging (3°). B.18.2. De bestreden bepaling, in samenhang gelezen met artikel XV.31/2/1 van het Wetboek van economisch recht, strekt ertoe ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen te voorkomen die zou voortvloeien uit een praktijk die een inbreuk vormt op de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan, en strekt op zich niet ertoe dergelijke praktijken te bestraffen. Het gaat om een tijdelijke publicatie van de naam, de praktijk en, in voorkomend geval, de volledige identificatiegegevens van de onderneming, waarvan de betrokken onderneming op voorhand op de hoogte wordt gebracht, met de mogelijkheid om zich te verantwoorden. Bovendien wordt de publicatie ingetrokken zodra de onderneming het bewijs levert dat zij de inbreuk heeft stopgezet in overeenstemming met haar toezegging. De bestreden maatregel heeft bijgevolg niet de aard van een sanctie. B.18.3. Daaruit volgt dat de bestreden tijdelijke publicatiemaatregel geen strafsanctie in de zin van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens is. B.19. Het eerste en tweede onderdeel van het eerste middel is niet gegrond, aangezien dat middel op het verkeerde uitgangspunt berust volgens hetwelk artikel 101 van de wet van 5 november 2023 een strafsanctie in de wet van 30 juli 2013 invoert. Het Hof moet nog de door de verzoekende partijen opgeworpen grieven onderzoeken die niet uitsluitend op dat uitgangspunt berusten en die dus losstaan van de al dan niet strafrechtelijke kwalificatie van de bestreden tijdelijke publicatiemaatregel. B.20. De verzoekende partijen voeren aan dat de bestreden bepaling het vermoeden van onschuld schendt, in zoverre zij de administratie de mogelijkheid biedt om tot « naming and shaming » (« benoemen en beschamen ») over te gaan (derde onderdeel). In samenhang gelezen met artikel 102 van de wet van 5 november 2023, zou de bestreden bepaling ook een schending van het recht om zichzelf niet te beschuldigen met zich meebrengen, in zoverre die bepalingen 36 aan de administratie de bevoegdheid verlenen om tot « naming and shaming » over te gaan indien de geïncrimineerde onderneming weigert verklaringen af te leggen over bepaalde praktijken en, in voorkomend geval, totdat zij « toezegt » de inbreuken te beëindigen (vierde onderdeel). B.21.1. Krachtens artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens wordt eenieder die wegens een strafbaar feit wordt vervolgd voor onschuldig gehouden totdat zijn schuld volgens de wet wordt bewezen. Het vermoeden van onschuld wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 48, lid 1, van het Handvest. B.21.2. Als procedurele waarborg in strafzaken stelt het vermoeden van onschuld eisen aan onder meer de bewijslast, wettelijke vermoedens van feitelijke en juridische aard, het recht om zichzelf niet te beschuldigen, publiciteit voorafgaand aan het proces en voorbarige uitingen door rechters of andere overheidsfunctionarissen over de schuld van een verdachte (EHRM, grote kamer, 12 juli 2013, Allen t. Verenigd Koninkrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409 , § 93). B.21.3. Wat de verklaringen van een rechter of een andere overheid met betrekking tot een lopend strafrechtelijk onderzoek betreft, dient de vraag of uitlatingen afbreuk doen aan het vermoeden van onschuld te worden onderzocht rekening houdend met de omstandigheden van de zaak. Er wordt afbreuk gedaan aan het vermoeden van onschuld indien de aansprakelijkheid voor een strafbaar feit aan een persoon wordt toegeschreven terwijl zijn schuld niet vooraf volgens de wet is bewezen (EHRM, 10 februari 1995, Allenet de Ribemont t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:1995:0210JUD001517589 , § 35). Artikel 6, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens belet niet dat « de autoriteiten het publiek inlichten over lopende strafrechtelijke onderzoeken, maar vereist dat dit gebeurt met alle discretie en terughoudendheid die nodig zijn opdat het vermoeden van onschuld wordt geëerbiedigd » (EHRM, Allenet de Ribemont t. Frankrijk, voormeld, § 38; 22 april 2010, Fatullayev t. Azerbeidzjan, ECLI:CE:ECHR:2010:0422JUD004098407 , § 159). B.21.4. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens verbiedt bovendien dat autoriteiten dwang uitoefenen om inlichtingen te verkrijgen die de betrokken persoon kunnen incrimineren in het kader van een strafrechtelijke procedure die tegen hem is geopend of moet worden geopend. Diezelfde bepaling verbiedt ook dat incriminerende 37 inlichtingen die onder dwang werden verkregen buiten een strafrechtelijke procedure om, in een latere strafrechtelijke vervolging worden gebruikt (EHRM, 4 oktober 2022, de Legé t. Nederland, ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215 , §§ 63-66). B.22. Aangezien de inbreuken op de wet van 30 juli 2013 en de uitvoeringsbesluiten ervan het voorwerp kunnen uitmaken van afzonderlijke administratieve en strafrechtelijke vervolgingen, dient te worden nagegaan of de bestreden tijdelijke publicatiemaatregel, wegens de aard en de nadere regels ervan, het recht op een eerlijk proces van de onderneming die daadwerkelijk het voorwerp uitmaakt van dergelijke vervolgingen, in het gedrang brengt. B.23. De bestreden maatregel veronderstelt weliswaar de voorafgaande vaststelling, door de bevoegde ambtenaren, van een praktijk die een inbreuk vormt op de wet van 30 juli 2013 of een uitvoeringsbesluit ervan. Zoals in B.2.1 is vermeld, strekt de bestreden maatregel echter ertoe ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen te voorkomen die zou voortvloeien uit een praktijk die een inbreuk vormt op de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan. Het gaat om een tijdelijke publicatie, door de bevoegde ambtenaren, van de naam, de praktijk en, in voorkomend geval, de volledige identificatiegegevens van de ondernemingen. De betrokken onderneming wordt hiervan op voorhand in kennis gesteld en zij beschikt over de mogelijkheid om te reageren binnen een termijn van twee werkdagen. De publicatie wordt bovendien ingetrokken zodra de onderneming het bewijs levert dat zij de inbreuk heeft stopgezet in overeenstemming met haar toezegging bedoeld in artikel XV.31/2 van hetzelfde Wetboek. Rekening houdend met het bewarende karakter van de bestreden maatregel, staat hij op zich niet gelijk met een verklaring van de ambtenaren over de schuld van de betrokken onderneming en doet hij op zich geen afbreuk aan het recht op een eerlijk proces. B.24. Het feit dat de betrokken onderneming op voorhand op de hoogte wordt gebracht van de feiten die aan de basis liggen van de tijdelijke publicatiemaatregel, van het voornemen om die maatregel te nemen en van de in artikel XV.31/2/1, derde en vierde lid, van het Wetboek van economisch recht bedoelde maatregelen, is geen dwangmiddel vanwege de bevoegde ambtenaren met het oog op het verkrijgen van inlichtingen die de onderneming kunnen incrimineren. Het aansporende karakter van de tijdelijke publicatiemaatregel heeft betrekking op het beëindigen van de desbetreffende schadelijke praktijk, en niet op het verkrijgen van 38 bekentenissen van de onderneming. Bovendien verplicht niets die onderneming om verklaringen te doen die zichzelf zouden beschuldigen. Het loutere feit dat de onderneming de in het geding zijnde praktijk beëindigt, op vraag van de bevoegde ambtenaren, of een toezegging doet tot het beëindigen van de inbreuk of tot herstelmaatregelen, is op zich geen bekentenis, noch een erkenning van schuld vanwege de betrokken onderneming. Het staat aan de bevoegde ambtenaren om de bestreden maatregel te nemen met inachtneming van het vermoeden van onschuld, onder het toezicht van de bevoegde rechter. B.25. Het derde en vierde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. B.26. De verzoekende partijen bekritiseren vervolgens het ontbreken van waarborgen betreffende de onafhankelijkheid en de onpartijdigheid van de ambtenaren die de bestreden publicatiemaatregel kunnen opleggen. Daaruit zou een discriminerend verschil in behandeling voortvloeien tussen, enerzijds, de partij die een dergelijke publicatiemaatregel ondergaat en, anderzijds, de partij aan wie een administratieve geldboete wordt opgelegd, die die waarborgen geniet (artikel 8/1 van de wet van 30 juli 2013, dat verwijst naar titel 1/2 van boek XV van het Wetboek van economisch recht) (vijfde onderdeel). B.27. De waarborgen van onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarin artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens voorziet, gelden enkel voor het orgaan dat zich dient uit te spreken over de strafrechtelijke beschuldiging tegen een bepaalde persoon en gelden niet voor het openbaar ministerie (EHRM, 18 oktober 2018, Thiam t. Frankrijk, ECLI:CE:ECHR:2018:1018JUD008001812 , § 71). Zij gelden a fortiori niet voor de onderzoekers – met dien verstande dat zij, net zoals het openbaar ministerie, het recht op een eerlijk proces en met name het vermoeden van onschuld in acht moeten nemen (EHRM, 23 november 2017, Haarde t. IJsland, ECLI:CE:ECHR:2017:1123JUD006684712 , § 94). B.28. De onpartijdigheid is een algemeen rechtsbeginsel dat van toepassing is op de administratie. Bij de uitoefening van de bevoegdheid die hun is verleend bij artikel 12/1 van de wet van 30 juli 2013 zijn de bevoegde ambtenaren ertoe gehouden dat beginsel na te leven, en was het niet noodzakelijk dat de wetgever uitdrukkelijk een dergelijke waarborg in de bestreden bepaling opneemt. 39 B.29. Artikel XV.60/5, eerste lid, van het Wetboek van economisch recht bepaalt dat « de ambtenaren bedoeld in artikel XV.60/4 die aangesteld zijn om de administratieve geldboeten op te leggen, [...] die bevoegdheid [dienen] uit te oefenen onder voorwaarden die hun onafhankelijkheid en onpartijdigheid waarborgen ». B.30. Wat betreft het bestreden verschil in behandeling tussen, enerzijds, de onderneming die het voorwerp uitmaakt van de tijdelijke publicatiemaatregel en, anderzijds, de onderneming waaraan een administratieve geldboete wordt opgelegd, die die waarborgen geniet (artikel 8/1 van de wet van 30 juli 2013, dat verwijst naar titel 1/2 van boek XV van het Wetboek van economisch recht), is dat verschil redelijk verantwoord door de respectieve aard van beide maatregelen : een bewarende en tijdelijke maatregel, in het eerste geval, die niet met een sanctie kan worden gelijkgesteld, zoals in B.18.2 is vermeld, en een sanctie in het tweede geval. Dat verschil in behandeling heeft geen onevenredige gevolgen voor de betrokken ondernemingen, gelet op wat in B.28 is vermeld en rekening houdend met de mogelijkheid om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een beroep in te stellen tegen de tijdelijke publicatiemaatregel. B.31. Het vijfde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. B.32. De verzoekende partijen bekritiseren overigens het ontbreken van een beroep dat de bestreden maatregel kan schorsen. Een persoon die met een administratieve geldboete is bestraft, geniet daarentegen een dergelijk schorsend beroep (artikel 8/1 van de wet van 30 juli 2013, dat verwijst naar artikel XV.60/15 van het Wetboek van economisch recht) (zesde onderdeel). B.33. Het aanvoeren van artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens in de memorie van antwoord is een nieuw en derhalve onontvankelijk middel. B.34. In geen enkele van de door de verzoekende partijen aangevoerde bepalingen of beginselen wordt de organisatie van een schorsend beroep tegen een maatregel zoals de bestreden maatregel opgelegd. Artikel XV.60/15 van het Wetboek van economisch recht, zoals het toepasselijk is verklaard in geval van administratieve vervolging op grond van de wet van 30 juli 2013 bij 40 artikel 8/1 van die wet, bepaalt weliswaar dat het beroep tegen een administratieve geldboete dat bij de Raad van State wordt ingesteld, de uitvoering van de beslissing schorst. Het eruit voortvloeiende verschil in behandeling tussen de onderneming die het voorwerp uitmaakt van de bestreden tijdelijke publicatiemaatregel en de onderneming waaraan een administratieve geldboete wordt opgelegd op grond van de wet van 30 juli 2013, is echter redelijk verantwoord door de doelstelling van de bestreden tijdelijke publicatiemaatregel, die erin bestaat ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen te voorkomen die zou voortvloeien uit een praktijk die een inbreuk vormt op de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan. De verwezenlijking van die doelstelling zou sterk in het gedrang komen indien het instellen van een beroep door de betrokken onderneming de uitvoering van de maatregel automatisch zou schorsen. Voor het overige heeft het bestreden verschil in behandeling geen onevenredige gevolgen voor de betrokken ondernemingen, rekening houdend met de mogelijkheid om bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State een vordering tot schorsing tegen de tijdelijke publicatiemaatregel in te stellen, op grond van artikel 17 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, waarbij in voorkomend geval wordt gepreciseerd dat de zaak bij uiterst dringende noodzakelijkheid moet worden behandeld. Dat beroep, hoewel het geen schorsende werking heeft, laat de betrokken onderneming toe de maatregel te betwisten voor een onafhankelijk en onpartijdig rechtscollege en snel een beslissing te verkrijgen. B.35. Het zesde onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. B.36. De verzoekende partijen voeren ten slotte aan dat de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 een maatregel invoeren die gelijkstaat met een onmenselijke of vernederende behandeling of de wederinvoering van de burgerlijke dood (zevende onderdeel). B.37.1. Artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt dat niemand mag worden onderworpen aan folteringen, noch aan onmenselijke of vernederende behandelingen of straffen. Onder folteringen of wrede en onmenselijke behandelingen moeten die handelingen worden begrepen waarbij op doelbewuste wijze hevige pijn of ernstig leed van fysieke of psychische aard wordt toegebracht, bijvoorbeeld met het oog op het verkrijgen van informatie of bekentenissen van het slachtoffer, de bestraffing van het slachtoffer of het onder druk zetten of intimideren van het slachtoffer of derden. 41 Vernederende behandelingen van hun kant zijn handelingen die diegene die eraan wordt onderworpen in zijn ogen of in de ogen van derden krenken of zijn menselijke waardigheid ernstig aantasten. Een slechte behandeling kan in het algemeen enkel worden beoogd door artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens indien zij een minimale graad van ernst bereikt. B.37.2. De burgerlijke dood, die niet opnieuw kan worden ingevoerd overeenkomstig artikel 18 van de Grondwet, bestaat van haar kant in de ontzegging van alle burgerlijke en politieke rechten. B.38. De bestreden maatregelen zijn kennelijk geen handelingen die verboden worden door artikel 3 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij hebben overigens niet tot doel de betrokken ondernemingen hun rechten geheel of gedeeltelijk te ontzeggen. Het zevende onderdeel van het eerste middel is niet gegrond. Wat betreft het derde middel (recht op eer en integriteit van de reputatie en vrijheid van ondernemen) B.39. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 22 van de Grondwet en met artikel 16 van het Handvest. Volgens de verzoekende partijen doet de publicatiemaatregel, zonder enige voorafgaande rechterlijke toetsing, afbreuk aan het recht op eer en integriteit van de reputatie (voor ondernemingen die natuurlijke personen zijn) en aan de vrijheid van ondernemen (voor alle ondernemingen) (eerste onderdeel). De bevoegdheid van de administratie om toezeggingen van de onderneming te verkrijgen of te aanvaarden, zou eveneens de vrijheid van ondernemen schenden (tweede onderdeel). 42 B.40.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Het recht op eerbiediging van het privéleven wordt eveneens gewaarborgd bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, bij artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij de artikelen 7 en 8 van het Handvest. Het recht op eerbiediging van het privéleven omvat met name het recht op eer en integriteit van de reputatie. B.40.2. De vrijheid van handel en nijverheid en de vrijheid van ondernemen zijn algemene rechtsbeginselen die tevens zijn opgenomen in artikel 6, § 1, VI, derde lid, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 en in artikel II.3 van het Wetboek van economisch recht, dat bepaalt dat eenieder vrij is om enige economische activiteit naar keuze uit te oefenen. De vrijheid van ondernemen, die eveneens wordt gewaarborgd bij artikel 16 van het Handvest, kan niet als een absolute vrijheid worden opgevat. Zij belet niet dat de bevoegde wetgever de economische activiteit van personen en ondernemingen regelt. Hij zou pas onredelijk optreden indien hij de vrijheid van ondernemen zou beperken zonder dat daartoe enige noodzaak bestaat of indien die beperking onevenredig zou zijn met het nagestreefde doel. B.41.1. De bestreden tijdelijke publicatiemaatregel, ingevoegd bij artikel 101 van de wet van 5 november 2023, kan leiden tot een inmenging in de rechten op eer en integriteit van de reputatie en in de vrijheid van ondernemen van de betrokken ondernemingen. B.41.2. Die maatregel streeft een legitieme doelstelling na, namelijk de bescherming van de consumenten. In zoverre de bestreden maatregel de bevoegde ambtenaren toelaat over te gaan tot de publicatie van de naam, de praktijk en, in voorkomend geval, de volledige identificatiegegevens van de ondernemingen die praktijken hanteren die een inbreuk vormen op de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan en die schade veroorzaken aan consumenten, is die maatregel pertinent om de doeltreffendheid van de betrokken wetgeving te 43 waarborgen en, bijgevolg, om het nagestreefde doel te verwezenlijken. Enerzijds maakt de maatregel het mogelijk om de consumenten snel in te lichten. Anderzijds kan hij ertoe bijdragen de betrokken ondernemingen aan te zetten de schadelijke praktijken te beëindigen. B.41.3. De wetgever heeft de gevallen geïdentificeerd waarin die gegevens kunnen worden gepubliceerd, namelijk wanneer een onderneming een praktijk hanteert die in strijd is met de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan en die schade veroorzaakt aan consumenten, alsook de ambtenaren die bevoegd zijn om tot een dergelijke publicatie over te gaan, en ook de gegevens die mogen worden gepubliceerd. Krachtens artikel XV.31/2/1 van het Wetboek van economisch recht, waarnaar artikel 12/1 van de wet van 30 juli 2013 verwijst, kunnen de adressen maar bekendgemaakt worden voor zover de overtreder er niet gedomicilieerd is en de publicatie gebeurt op de website van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie (eerste lid). Vooraleer te kunnen overgaan tot de publicatie, dienen de ambtenaren de onderneming die de schadelijke praktijken hanteert vooraf op de hoogte te brengen van de feiten die aan de basis liggen van de publicatiemaatregel, van het voornemen om die maatregel te nemen en van bepaalde inlichtingen betreffende de nadere regels van de maatregel (tweede lid). Er kan slechts worden overgegaan tot de publicatie indien er binnen de termijn van twee werkdagen geen reactie wordt ontvangen, er geen contact mogelijk is, indien de onderneming niet toezegt de schadelijke praktijk stop te zetten of indien zij op geen andere manier een afdoende verantwoording heeft gegeven (derde lid). Onverminderd de mogelijkheid om de toezegging openbaar te maken, wordt de publicatie ingetrokken zodra de onderneming het bewijs levert dat ze de inbreuk heeft stopgezet in overeenstemming met haar toezegging (vierde lid). B.41.4. Gelet op het voorgaande is de bestreden tijdelijke publicatiemaatregel voldoende voorzienbaar en blijkt niet dat hij verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is om dat doel te verwezenlijken. De wetgever vermocht in het bijzonder redelijkerwijs te oordelen dat de door de verzoekende partijen aangehaalde bestaande maatregelen, namelijk de mogelijkheid tot volledige schadevergoeding van de koper (artikel 6 van de wet van 30 juli 2013), de strafrechtelijke vervolging (artikel 9 van dezelfde wet) en de vordering tot staking (artikel 14 van dezelfde wet), niet voldoende zijn om ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen te voorkomen. De publicatie, op de website van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie, van de door de wetgever bepaalde gegevens maakt het 44 mogelijk consumenten snel op de hoogte te brengen van een schadelijke praktijk; zij bestaat niet erin de onderneming te verbieden een dergelijke praktijk te blijven hanteren. Door erin te voorzien dat de bevoegde ambtenaren de onderneming op de hoogte moeten brengen van de overwogen stappen, en door aan die onderneming een termijn van twee werkdagen te laten om te reageren, heeft de wetgever een billijk evenwicht tot stand gebracht tussen, enerzijds, het belang van de betrokken onderneming en, anderzijds, de collectieve consumentenbelangen, die een snelle ingreep vereisen. De wetgever heeft bepaald dat de publicatie tijdelijk is. Het blijkt niet dat dat begrip onvoldoende duidelijk is, aangezien artikel XV.31/2/1, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht erin voorziet dat de publicatie wordt ingetrokken zodra de onderneming het bewijs levert dat ze de inbreuk heeft stopgezet in overeenstemming met haar toezegging zoals bedoeld in artikel XV.31/2. Ten slotte, indien de betrokken onderneming van mening is dat de aan haar ten laste gelegde feiten niet in strijd zijn met de wet van 30 juli 2013, noch met de uitvoeringsbesluiten ervan, maar de bevoegde ambtenaren haar verantwoording niet aanvaarden, heeft zij, zoals in B.30 en B.34 is vermeld, de mogelijkheid om een beroep in te stellen bij de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. B.42.1. De bevoegdheid van de bevoegde ambtenaren om toezeggingen tot het beëindigen van de inbreuk of tot herstelmaatregelen te verkrijgen of te aanvaarden van een onderneming die inbreuken heeft gepleegd op de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan, ingevoegd bij artikel 102 van de wet van 5 november 2023, kan ook leiden tot een inmenging in de vrijheid van ondernemen van de betrokken ondernemingen. B.42.2. Die maatregel staat in nauw verband met de voormelde tijdelijke publicatiemaatregel. Hij streeft ook een legitieme doelstelling na, namelijk de bescherming van de consumenten. B.42.3. Volgens de parlementaire voorbereiding is « de toezegging van de onderneming [...] een vorm van formele kennisgeving, in gelijk welke vorm, dat ze de inbreuken zal stopzetten en, in voorkomend geval, de benadeelde consumenten zal vergoeden. Dit kan tot 45 stand komen na een onderhandelingsfase met de betrokken controleagenten maar het initiatief wordt gelaten aan de betrokken onderneming. Indien een waarschuwing wordt gegeven, wordt de mogelijkheid van de toezegging wel expliciet vermeld, met de mogelijke gevolgen van dergelijke toezegging, zoals ook eventueel het stopzetten van de handhaving » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1385/001 en DOC 55-1386/001, pp. 22-23). Een toezegging staat verdere handhaving niet in de weg. « Het voordeel voor de onderneming is dat mogelijks de handhaving wordt gestaakt maar in elk geval, dat rekening gehouden zal worden met de toezegging bij het bepalen van het bedrag van de administratieve geldboete » (ibid., p. 23). Die maatregel is pertinent met het oog op de verwezenlijking van de nagestreefde doelstelling. Zoals in de parlementaire voorbereiding van de wet van 29 september 2020 wordt vermeld, kan « de figuur van de toezegging [...] gebruikt worden om sneller concreet resultaat te bekomen. De onderneming staakt de inbreuk en consumenten kunnen vergoed worden » (ibid.). B.42.4. De mogelijkheid voor de onderneming om toe te zeggen de inbreuk stop te zetten en over te gaan tot herstelmaatregelen, situeert zich binnen het kader van de waarschuwingsprocedure. De toezeggingen maken het voorwerp uit van een onderhandeling tussen de onderneming en de bevoegde ambtenaar en worden niet opgelegd. Wanneer een waarschuwing wordt gegeven, wordt de mogelijkheid van de toezegging uitdrukkelijk vermeld (artikel XV.31/2/1 van het Wetboek van economisch recht), met de mogelijke gevolgen van een dergelijke toezegging, zoals het stopzetten van de handhaving. Er kan bovendien enkel worden overgegaan tot de publicatie indien er binnen de termijn van twee werkdagen geen reactie wordt ontvangen, er geen contact mogelijk is, indien de onderneming niet toezegt de schadelijke praktijk stop te zetten of indien zij op geen andere manier een afdoende verantwoording heeft gegeven. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen aanvoeren, kan niet worden geoordeeld dat de betrokken ondernemingen zich, naar aanleiding van de « dreiging » van de publicatie, in een zodanig zwakke positie zouden bevinden dat zij sterk zouden worden aangemoedigd om de door de administratie voorgestelde toezeggingen te aanvaarden. Die ondernemingen hebben de mogelijkheid om zich te verantwoorden binnen een redelijke termijn en zij kunnen een beroep instellen bij een rechterlijke instantie dat redelijk snel kan worden behandeld als de 46 administratie die verantwoording niet aanvaardt en als de hoogdringendheid zulks verantwoordt. B.43. Het derde middel is niet gegrond. Aangezien er geen twijfel is over de draagwijdte van artikel 16 van het Handvest, is er geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Wat betreft het tweede onderdeel van het tweede middel (recht op eerbiediging van het privéleven) B.44. De verzoekende partijen voeren in het tweede onderdeel van het tweede middel aan dat artikel 101 van de wet van 5 november 2023 een schending inhoudt van het recht op eerbiediging van het privéleven van de betrokken natuurlijke personen, gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, en bij de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, met de artikelen 7 en 8 van het Handvest en met de artikelen 6 en 10 van de AVG, gelet op het gebrek aan verduidelijking van de voorwaarden waaronder persoonsgegevens mogen worden gepubliceerd en de duur van de publicatiemaatregel. B.45.1. De Ministerraad betwist het belang van de verzoekende partijen, die twee rechtspersonen zijn, bij hun tweede middel, aangezien dat middel integraal betrekking heeft op gegevens betreffende natuurlijke personen. B.45.2. Zoals in B.8.2 is vermeld, wanneer een verzoekende partij een belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen, moet zij daarenboven niet doen blijken van een belang bij elk van de middelen. De exceptie wordt verworpen. B.46.1. Zoals in B.40.1 is vermeld, wordt het recht op eerbiediging van het privéleven gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet, bij artikel 8 van het Europees Verdrag voor de 47 rechten van de mens, bij artikel 17 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en bij de artikelen 7 en 8 van het Handvest. B.46.2. Artikel 10 van de AVG bepaalt : « Persoonsgegevens betreffende strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten of daarmee verband houdende veiligheidsmaatregelen mogen op grond van artikel 6, lid 1, alleen worden verwerkt onder toezicht van de overheid of indien de verwerking is toegestaan bij Unierechtelijke of lidstaatrechtelijke bepalingen die passende waarborgen voor de rechten en vrijheden van de betrokkenen bieden. Omvattende registers van strafrechtelijke veroordelingen mogen alleen worden bijgehouden onder toezicht van de overheid ». B.46.3. Aangezien de verzoekende partijen geen enkele specifieke grief afleiden uit artikel 6 van de AVG, dient daarmee geen rekening te worden gehouden in het onderzoek van het tweede middelonderdeel. B.47. De bestreden tijdelijke publicatiemaatregel bestaat in de publicatie van de naam, de praktijk en, in voorkomend geval, de volledige identificatiegegevens van ondernemingen die praktijken hanteren die een inbreuk vormen op de wet van 30 juli 2013 of de uitvoeringsbesluiten ervan en die schade veroorzaken aan consumenten. Overeenkomstig artikel I.1, eerste lid, 1°, van het Wetboek van economisch recht is iedere natuurlijke persoon die zelfstandig een beroepsactiviteit uitoefent een onderneming. Het is bijgevolg niet uitgesloten dat de bestreden maatregel, in zoverre hij betrekking heeft op de naam en de volledige identificatiegegevens van de onderneming, leidt tot een inmenging in het recht op eerbiediging van het privéleven en in het recht op bescherming van de persoonsgegevens van de betrokken personen. B.48. Om dezelfde redenen als die welke in B.41 zijn uiteengezet, is die inmenging echter redelijk verantwoord en heeft zij geen onevenredige gevolgen voor de betrokken ondernemingen. De adressen kunnen bovendien enkel worden bekendgemaakt voor zover de overtreder er niet gedomicilieerd is. Ten slotte, wat betreft de bewering van de verzoekende partijen dat de gepubliceerde persoonsgegevens, in zoverre zij strafrechtelijke veroordelingen en strafbare feiten betreffen, gevoelige gegevens zijn, dient te worden opgemerkt dat die gegevens geen betrekking hebben op strafrechtelijke veroordelingen. Gesteld dat zij betrekking hebben op strafbare feiten in de zin van artikel 10 van de AVG, volstaat het vast te stellen dat 48 die bepaling de verwerking ingevolge de bestreden maatregel niet verbiedt en dat krachtens die bepaling die verwerking wordt uitgevoerd door de overheid, en bijgevolg onder haar controle. B.49. Het tweede onderdeel van het tweede middel is niet gegrond. Aangezien er geen twijfel is over de draagwijdte van artikel 10 van de AVG, is er geen aanleiding om een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Wat betreft het vijfde onderdeel van het zesde middel (verplichtingen tot voorafgaande kennisgeving) B.50. De verzoekende partijen leiden een zesde middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de Raad van 9 september 2015 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (codificatie) » (hierna : de richtlijn (EU) 2015/1535) (voorheen artikel 8 van de richtlijn 98/34/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 juni 1998 « betreffende een informatieprocedure op het gebied van normen en technische voorschriften », hierna : de richtlijn 98/34/EG), met artikel 3, lid 4, van de richtlijn 2000/31/EG van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2000 « betreffende bepaalde juridische aspecten van de diensten van de informatiemaatschappij, met name de elektronische handel, in de interne markt (‘ Richtlijn inzake elektronische handel ’) » (hierna : de richtlijn 2000/31/EG), en met artikel 15, lid 2, g), van de richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 « betreffende diensten op de interne markt » (hierna : de richtlijn 2006/123/EG). De verzoekende partijen voeren in het vijfde onderdeel van dat middel aan dat de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 ter kennis hadden moeten worden gebracht overeenkomstig de voormelde richtlijnen. In zoverre zij ertoe strekken de vermeende inbreuken op de wet van 30 juli 2013 gepaard te doen gaan met maatregelen en sancties, zouden die bepalingen kennelijk een « technisch voorschrift » zijn, alsook een belemmering van het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij. 49 Het Hof onderzoekt de gegrondheid van die beweringen in het licht van elke richtlijn. B.51.1. Artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 bepaalt : « 1. Onverminderd artikel 7 delen de lidstaten de Commissie onverwijld ieder ontwerp voor een technisch voorschrift mee, tenzij het een integrale omzetting van een internationale of Europese norm betreft, in welk geval louter met een mededeling van de betrokken norm kan worden volstaan. Zij geven de Commissie tevens kennis van de redenen waarom de vaststelling van dit technisch voorschrift nodig is, tenzij die redenen reeds uit het ontwerp zelf blijken. In voorkomend geval delen de lidstaten tegelijkertijd aan de Commissie de tekst mee, tenzij deze reeds in samenhang met een eerdere mededeling is doorgegeven, van de in hoofdzaak en rechtstreeks betrokken wettelijke en bestuursrechtelijke basisbepalingen, indien kennis van die tekst noodzakelijk is om de reikwijdte van het ontwerp van het technische voorschrift te kunnen beoordelen. De lidstaten gaan in de in de eerste en de tweede alinea van dit lid genoemde omstandigheden tot een nieuwe mededeling aan de Commissie over, indien zij in het ontwerp voor een technisch voorschrift significante wijzigingen aanbrengen die een verandering van het toepassingsgebied, een verkorting van het oorspronkelijk geplande tijdschema voor de toepassing, een toevoeging van specificaties of eisen of het stringenter maken ervan tot gevolg hebben. Wanneer met het ontwerp voor een technisch voorschrift in het bijzonder beperking, om redenen van volksgezondheid of bescherming van de consument of van het milieu, van de verhandeling of het gebruik van een stof, preparaat of chemisch product wordt beoogd, delen de lidstaten tevens mee, hetzij een samenvatting, hetzij de referenties van de relevante gegevens over die stof, dat preparaat of product en verkrijgbare vervangende producten, voor zover deze gegevens beschikbaar zijn, alsmede de verwachte gevolgen van de maatregel voor de volksgezondheid of voor de bescherming van consument en milieu, met, in de geëigende gevallen, een risicoanalyse volgens de beginselen genoemd in het betrokken deel van afdeling II, punt 3, van bijlage XV bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad. De Commissie stelt de overige lidstaten onverwijld van het haar voorgelegde ontwerp voor een technisch voorschrift en van alle aan haar verstrekte documenten in kennis. Zij kan het ontwerp tevens voor advies voorleggen aan het in artikel 2 van deze richtlijn bedoelde comité en, in voorkomend geval, aan het comité dat op het betrokken gebied bevoegd is. Wat de in artikel 1, lid 1, onder f), tweede alinea, punt iii), van deze richtlijn bedoelde technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten betreft, kunnen de opmerkingen of uitvoerig gemotiveerde meningen van de Commissie of van de lidstaten alleen betrekking hebben op het aspect dat eventueel een belemmering vormt voor het handelsverkeer of, wat betreft de regels betreffende diensten, het vrije verkeer van diensten of de vrijheid van vestiging van dienstverleners, doch niet op het fiscale of financiële aspect van de maatregel. 50 2. De Commissie en de lidstaten kunnen bij de lidstaat die een ontwerp voor een technisch voorschrift ter kennis heeft gebracht, opmerkingen indienen, waarmee deze lidstaat bij de verdere uitwerking van het technisch voorschrift zoveel mogelijk rekening dient te houden. 3. De lidstaten delen onverwijld de definitieve tekst van een technisch voorschrift aan de Commissie mee. 4. De op grond van dit artikel verstrekte inlichtingen worden niet als vertrouwelijk aangemerkt, tenzij de kennisgevende lidstaat uitdrukkelijk verzoekt deze inlichtingen als zodanig te beschouwen. Een dergelijk verzoek wordt met redenen omkleed. In geval van een dergelijk verzoek kunnen het in artikel 2 bedoelde comité en de nationale overheden, met inachtneming van de nodige voorzorg, natuurlijke of rechtspersonen die tot de particuliere sector kunnen behoren, om deskundigenadvies vragen. 5. Wanneer het ontwerp voor een technisch voorschrift deel uitmaakt van een maatregel waarvan mededeling in het ontwerpstadium in andere handelingen van de Unie is voorgeschreven, kunnen de lidstaten de in lid 1 bedoelde mededeling op grond van die andere handeling verrichten, mits uitdrukkelijk wordt aangegeven dat die mededeling tevens uit hoofde van de onderhavige richtlijn geschiedt. Het ontbreken van een reactie van de Commissie, in het kader van de onderhavige richtlijn, op een ontwerp voor een technisch voorschrift laat het besluit dat in het kader van andere handelingen van de Unie mocht worden genomen, onverlet ». Artikel 5 van de richtlijn (EU) 2015/1535 vervangt artikel 8 van de richtlijn 98/34/EG, dat in een soortgelijke regeling voorzag. B.51.2. Artikel 1, lid 1, f), van de richtlijn (EU) 2015/1535 definieert het in artikel 5 van dezelfde richtlijn beoogde « technisch voorschrift » als volgt : « ‘ technisch voorschrift ’ : een technische specificatie of andere eis of een regel betreffende diensten, met inbegrip van de erop toepasselijke bestuursrechtelijke bepalingen die de jure of de facto moeten worden nageleefd voor de verhandeling, de dienstverrichting, de vestiging van een verrichter van diensten of het gebruik in een lidstaat of in een groot deel van een lidstaat, alsmede de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen, behoudens die bedoeld in artikel 7, van de lidstaten waarbij de vervaardiging, de invoer, de verhandeling of het gebruik van een product dan wel de verrichting of het gebruik van een dienst of de vestiging als dienstverlener wordt verboden. De facto technische voorschriften zijn met name : i) wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen van een lidstaat die hetzij verwijzen naar technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten, hetzij naar beroepscodes of codes voor goede praktijken die zelf verwijzen naar technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten waarvan de naleving een vermoeden geeft met de voorschriften 51 welke bij deze wettelijke of bestuursrechtelijke bepalingen zijn vastgesteld, in overeenstemming te zijn, ii) vrijwillige overeenkomsten waarbij de overheid partij is en die in het algemeen belang gericht zijn op de naleving van technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten, met uitsluiting van bestekken voor overheidsopdrachten, iii) technische specificaties of andere eisen of regels betreffende diensten die verbonden zijn met fiscale of financiële maatregelen die het verbruik van producten of het gebruik van diensten beïnvloeden, doordat zij de naleving van die technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten aanmoedigen; hieronder vallen niet de technische specificaties, andere eisen of regels betreffende diensten die samenhangen met de nationale stelsels van sociale zekerheid. Hieronder vallen de technische voorschriften die worden vastgesteld door de door de lidstaten aangewezen instanties die zijn opgenomen in de lijst welke door de Commissie wordt opgesteld en in voorkomend geval bijgewerkt in het kader van het in artikel 2 bedoelde comité. Wijziging van die lijst geschiedt volgens dezelfde procedure; ». B.51.3. De bestreden bepalingen bevatten geen technische specificatie, eis of regel betreffende diensten die de betrokken ondernemingen verplicht zouden moeten naleven. De door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 bedoelde maatregelen zijn dus geen technische voorschriften in de zin van die bepaling. B.52.1. Artikel 3 van de richtlijn 2000/31/EG bepaalt : « 1. Iedere lidstaat zorgt ervoor dat de diensten van de informatiemaatschappij die worden verleend door een op zijn grondgebied gevestigde dienstverlener voldoen aan de in die lidstaat geldende nationale bepalingen die binnen het gecoördineerde gebied vallen. 2. De lidstaten mogen het vrije verkeer van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, niet beperken om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied. 3. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de in de bijlage genoemde gebieden. 4. De lidstaten kunnen maatregelen nemen om voor een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij van lid 2 af te wijken, mits aan de volgende voorwaarden is voldaan : a) De maatregelen moeten : i) noodzakelijk zijn voor een van de volgende doelstellingen : - de openbare orde, in het bijzonder de preventie van, het onderzoek naar, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten, waaronder de bescherming van minderjarigen en de 52 bestrijding van het aanzetten tot haat wegens ras, geslacht, godsdienst of nationaliteit en van schendingen van de menselijke waardigheid ten aanzien van individuen, - de bescherming van de volksgezondheid, - de openbare veiligheid, met inbegrip van het waarborgen van de nationale veiligheid en defensie, - de bescherming van consumenten, met inbegrip van beleggers; ii) worden genomen ten aanzien van een bepaalde dienst van de informatiemaatschappij waardoor afbreuk wordt gedaan aan de onder i) genoemde doelstellingen of een ernstig gevaar daarvoor ontstaat; iii) evenredig zijn aan die doelstellingen. b) De lidstaat moet, alvorens de betrokken maatregelen te nemen en onverminderd eventuele rechtszaken, met inbegrip van het vooronderzoek en in het kader van een strafrechtelijk onderzoek verrichte handelingen : - de in lid 1 bedoelde lidstaat verzoeken maatregelen te nemen, maar deze is daar niet of onvoldoende op ingegaan; - de Commissie en de in lid 1 bedoelde lidstaat in kennis stellen van zijn voornemen om de betrokken maatregelen te nemen. 5. In urgente gevallen kunnen de lidstaten afwijken van de in lid 4, onder b), genoemde voorwaarden. In dat geval moeten de Commissie en de in lid 1 bedoelde lidstaat onverwijld in kennis gesteld worden van de maatregelen en van de redenen van de urgentie. 6. Onverminderd de mogelijkheid voor de lidstaat om de uitvoering van de betrokken maatregelen voort te zetten, gaat de Commissie zo spoedig mogelijk na of de haar ter kennis gebrachte maatregelen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht. Concludeert zij dat de maatregelen niet verenigbaar zijn, dan verzoekt zij de lidstaat in kwestie om van beoogde maatregelen af te zien of om de uitvoering onmiddellijk te staken ». B.52.2. Artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG verbiedt de lidstaten, om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied, het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd, te beperken. Dat verbod vertaalt het beginsel volgens hetwelk « de controle op de diensten van de informatiemaatschappij bij de bron van de activiteit [moet] gebeuren » (overweging 22 van de richtlijn), waaruit voortvloeit dat de diensten van de informatiemaatschappij uitsluitend worden gereglementeerd in de lidstaat op het grondgebied waarvan de verleners van die diensten zijn gevestigd (HvJ, 9 november 2023, C-376/22, Google Ireland Limited e.a., ECLI:EU:C:2023:835 , punt 42). 53 B.52.3. Artikel 2, h), van de richtlijn 2000/31/EG bepaalt dat onder « gecoördineerd gebied » moet worden verstaan : « de in de nationale rechtsstelsels vastgelegde vereisten voor dienstverleners van de informatiemaatschappij en diensten van de informatiemaatschappij, ongeacht of die vereisten van algemene aard zijn dan wel specifiek daarop zijn toegesneden : i) Het gecoördineerde gebied omvat vereisten waaraan de dienstverlener moet voldoen met betrekking tot : - het starten van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij, zoals vereisten inzake kwalificatie, vergunning en aanmelding, - het uitoefenen van een activiteit van een dienst van de informatiemaatschappij, zoals vereisten inzake gedrag van de dienstverlener, vereisten inzake kwaliteit en inhoud van de dienst inclusief inzake reclame en contracten, of vereisten inzake aansprakelijkheid van de dienstverlener. ii) Het gecoördineerde gebied omvat niet vereisten met betrekking tot : - goederen als zodanig, - de levering van goederen, - diensten die niet langs elektronische weg verleend worden ». B.52.4. Gesteld dat de richtlijn 2000/31/EG te dezen van toepassing is, voeren de verzoekende partijen geen enkel element aan dat hun argument aannemelijk kan maken, argument volgens hetwelk de bestreden bepalingen, rekening houdend met het beperkte voorwerp ervan, dat losstaat van elke vereiste waaraan de verleners zouden moeten voldoen, op zich een beperking vormen, om redenen die vallen binnen het gecoördineerde gebied zoals in B.52.3 is omschreven, van het vrij verrichten van diensten van de informatiemaatschappij die vanuit een andere lidstaat worden geleverd. B.53.1. Artikel 15 van de richtlijn 2006/123/EG bepaalt : « 1. De lidstaten onderzoeken of in hun rechtsstelsel de in lid 2 bedoelde eisen worden gesteld en zien erop toe dat eventueel bestaande eisen verenigbaar zijn met de in lid 3 bedoelde voorwaarden. De lidstaten passen hun wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen aan om de eisen met die voorwaarden in overeenstemming te brengen. 54 2. De lidstaten onderzoeken of de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit in hun rechtsstelsel afhankelijk wordt gesteld van de volgende niet-discriminerende eisen : a) kwantitatieve of territoriale beperkingen, met name in de vorm van beperkingen op basis van de bevolkingsomvang of een geografische minimumafstand tussen de dienstverrichters; b) eisen die van de dienstverrichter verlangen dat hij een bepaalde rechtsvorm heeft; c) eisen aangaande het aandeelhouderschap van een onderneming; d) eisen, niet zijnde eisen die betrekking hebben op aangelegenheden die vallen onder Richtlijn 2005/36/EG of die in andere communautaire instrumenten zijn behandeld, die de toegang tot de betrokken dienstenactiviteit wegens de specifieke aard ervan voorbehouden aan bepaalde dienstverrichters; e) een verbod om op het grondgebied van dezelfde staat meer dan één vestiging te hebben; f) eisen die een minimum aantal werknemers vaststellen; g) vaste minimum- en/of maximumtarieven waaraan de dienstverrichter zich moet houden; h) een verplichting voor de dienstverrichter om in combinatie met zijn dienst andere specifieke diensten te verrichten. 3. De lidstaten controleren of de in lid 2 bedoelde eisen aan de volgende voorwaarden voldoen : a) discriminatieverbod : de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor vennootschappen, de plaats van hun statutaire zetel; b) noodzakelijkheid : de eisen zijn gerechtvaardigd om een dwingende reden van algemeen belang; c) evenredigheid : de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken; zij gaan niet verder dan nodig is om dat doel te bereiken en dat doel kan niet met andere, minder beperkende maatregelen worden bereikt. 4. De leden 1, 2 en 3 zijn alleen van toepassing op wetgeving op het gebied van diensten van algemeen economisch belang voor zover de toepassing van die leden de vervulling, in feite of in rechte, van de aan hen toegewezen bijzondere taak niet belemmert. 5. In het in artikel 39, lid 1, bedoelde verslag over de wederzijdse beoordeling vermelden de lidstaten : a) de eisen die zij willen handhaven en de redenen waarom deze eisen volgens hen voldoen aan de voorwaarden van lid 3; b) de eisen die zijn ingetrokken of versoepeld. 55 6. Uiterlijk op 28 december 2006 stellen de lidstaten geen nieuwe eisen van een in lid 2 bedoeld type, tenzij deze aan de voorwaarden van lid 3 voldoen. 7. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van alle nieuwe wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen die in lid 6 bedoelde eisen bevatten, alsmede van de redenen voor die eisen. De Commissie deelt die bepalingen aan de andere lidstaten mede. Die kennisgeving belet de lidstaten niet de betrokken bepalingen vast te stellen. Binnen drie maanden na de datum van ontvangst van de kennisgeving onderzoekt de Commissie of deze nieuwe eisen verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht en stelt zij waar passend een beschikking vast waarin zij de betrokken lidstaat verzoekt van vaststelling van de eisen af te zien of deze in te trekken. Met het kennis geven van een ontwerp van nationale wet overeenkomstig Richtlijn 98/34/EG wordt tegelijkertijd voldaan aan de kennisgevingsplicht van deze richtlijn ». B.53.2. De bestreden bepalingen stellen de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van vaste minimum- en/of maximumtarieven in de zin van artikel 15, lid 2, g), van de richtlijn 2006/123/EG. B.54. Artikel 9, lid 4, van de verordening (EU) 2017/2394 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2017 « betreffende samenwerking tussen de nationale autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor handhaving van de wetgeving inzake consumentenbescherming en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2006/2004 » (SCB-verordening) bepaalt : « Bevoegde autoriteiten beschikken ten minste over de volgende handhavingsbevoegdheden : a) de bevoegdheid om tijdelijke maatregelen te nemen om het gevaar van ernstige schade voor de collectieve belangen van consumenten te voorkomen; b) de bevoegdheid om toezeggingen tot het beëindigen van de inbreuk trachten te verkrijgen of aanvaarden van de handelaar die verantwoordelijk is voor de inbreuk die onder deze verordening valt; c) de bevoegdheid om van de handelaar, op diens initiatief, aanvullende toezeggingen tot herstel te verkrijgen in het belang van consumenten die nadeel hebben ondervonden van de vermoede inbreuk die onder deze verordening valt, of, waar passend, toezeggingen van de handelaar trachten te verkrijgen die adequaat herstel bieden aan consumenten die nadeel ondervinden van die inbreuk; 56 d) de bevoegdheid om, indien van toepassing, consumenten die beweren schade te hebben geleden als gevolg van een inbreuk die onder deze verordening valt, in te lichten over middelen waarmee zij compensatie kunnen vorderen overeenkomstig het nationale recht; e) de bevoegdheid om de handelaar schriftelijk te gelasten inbreuken die onder deze verordening vallen, te beëindigen; f) de bevoegdheid om inbreuken die onder deze verordening vallen te doen beëindigen of te verbieden; g) indien er geen andere doeltreffende middelen zijn om de inbreuk die onder deze verordening valt, te doen beëindigen of te verbieden, en om het gevaar van ernstige schade aan de collectieve consumentenbelangen te voorkomen : i) de bevoegdheid om inhoud te verwijderen van of de toegang te beperken tot een online interface, of opdracht te geven tot de duidelijke weergave van een waarschuwing aan consumenten wanneer die zich toegang tot de online interface verschaffen; ii) de bevoegdheid om aanbieders van hostingdiensten te gelasten toegang tot een online interface te deactiveren, te blokkeren of te beperken, of iii) in voorkomend geval, de bevoegdheid om domeinregisters of registrerende instanties te gelasten een volledig gekwalificeerde domeinnaam te schrappen en de betrokken bevoegde autoriteit toe te laten deze te registreren. [...] ». Zoals de Ministerraad erkent, is die verordening niet van toepassing te dezen. B.55. Het vijfde onderdeel van het zesde middel is niet gegrond. Wat betreft het vijfde onderdeel van het zevende middel (vrij verrichten van diensten) B.56. De verzoekende partijen leiden een zevende middel af uit de schending, door de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 56 van het VWEU, met artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG en met artikel 16 van de richtlijn 2006/123/EG. De verzoekende partijen voeren in het vijfde onderdeel aan dat de artikelen 101 en 102 van de wet van 5 november 2023 zelf het vrij verrichten van diensten schenden. 57 B.57. Wat de vermeende schending van artikel 3, lid 2, van de richtlijn 2000/31/EG betreft, dient te worden verwezen naar hetgeen in B.52.4 is vermeld. B.58.1. Artikel 56 van het VWEU bepaalt : « In het kader van de volgende bepalingen zijn de beperkingen op het vrij verrichten van diensten binnen de Unie verboden ten aanzien van de onderdanen der lidstaten die in een andere lidstaat zijn gevestigd dan die, waarin degene is gevestigd te wiens behoeve de dienst wordt verricht. Het Europees Parlement en de Raad kunnen, volgens de gewone wetgevingsprocedure, de bepalingen van dit hoofdstuk van toepassing verklaren ten gunste van de onderdanen van een derde staat die diensten verrichten en binnen de Unie zijn gevestigd ». B.58.2. Artikel 16 van de richtlijn 2006/123/EG bepaalt : « 1. De lidstaten eerbiedigen het recht van dienstverrichters om diensten te verrichten in een andere lidstaat dan die waar zij gevestigd zijn. De lidstaat waar de dienst wordt verricht, zorgt voor vrije toegang tot en vrije uitoefening van een dienstenactiviteit op zijn grondgebied. De lidstaten maken de toegang tot en de uitoefening van een dienstenactiviteit op hun grondgebied niet afhankelijk van de naleving van eisen die niet aan de volgende beginselen voldoen : a) discriminatieverbod : de eisen maken geen direct of indirect onderscheid naar nationaliteit of, voor rechtspersonen, naar de lidstaat waar zij gevestigd zijn; b) noodzakelijkheid : de eisen zijn gerechtvaardigd om redenen van openbare orde, openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu; c) evenredigheid : de eisen moeten geschikt zijn om het nagestreefde doel te bereiken en gaan niet verder dan wat nodig is om dat doel te bereiken. 2. De lidstaten stellen geen beperkingen aan het vrij verrichten van diensten door een in een andere lidstaat gevestigde dienstverrichter door de volgende eisen te stellen : a) een verplichting voor de dienstverrichter een vestiging op hun grondgebied te hebben; b) een verplichting voor de dienstverrichter bij hun bevoegde instanties een vergunning te verkrijgen of zich in te schrijven in een register of bij een beroepsorde of -vereniging op hun grondgebied, behalve wanneer deze richtlijn of een ander communautair instrument daarin voorziet; 58 c) een verbod voor de dienstverrichter op hun grondgebied een bepaalde vorm of soort infrastructuur, met inbegrip van een kantoor of kabinet, op te zetten om de betrokken diensten te verrichten; d) de toepassing van een specifieke contractuele regeling tussen de dienstverrichter en de afnemer die het verrichten van diensten door zelfstandigen verhindert of beperkt; e) een verplichting voor de dienstverrichter om specifiek voor de uitoefening van een dienstenactiviteit een door hun bevoegde instanties afgegeven identiteitsdocument te bezitten; f) eisen, andere dan die welke noodzakelijk zijn voor de gezondheid en veiligheid op het werk, die betrekking hebben op het gebruik van uitrusting en materiaal die een integrerend deel van de dienstverrichting vormen; g) beperkingen van het vrij verrichten van diensten zoals bedoeld in artikel 19. 3. De lidstaat waarnaar de dienstverrichter zich begeeft, wordt niet verhinderd om, in overeenstemming met lid 1, eisen aan het verrichten van een dienstenactiviteit te stellen als deze gerechtvaardigd zijn om redenen in verband met de openbare orde, de openbare veiligheid, de volksgezondheid of de bescherming van het milieu. Ook wordt die lidstaat niet verhinderd om in overeenstemming met het Gemeenschapsrecht zijn voorschriften inzake de arbeidsvoorwaarden toe te passen, waaronder die welke zijn neergelegd in collectieve arbeidsovereenkomsten. 4. Uiterlijk op 28 december 2011 doet de Commissie, na raadpleging van de lidstaten en de sociale partners op communautair niveau, het Europees Parlement en de Raad een verslag over de toepassing van dit artikel toekomen, waarin zij nagaat of het nodig is harmonisatiemaatregelen met betrekking tot de onder deze richtlijn vallende dienstenactiviteiten voor te stellen ». B.59. De bestreden bepalingen stellen de toegang tot of de uitoefening van een dienstenactiviteit niet afhankelijk van eisen in de zin van artikel 16 van de richtlijn 2006/123/EG. B.60. Wat betreft het argument dat de bestreden bepalingen het vrij verrichten van diensten, gewaarborgd bij artikel 56 van het VWEU, zouden belemmeren, volstaat het om vast te stellen dat zij zijn verantwoord door de consumentenbescherming, die een dwingende reden van algemeen belang is die een dergelijke beperking zou kunnen verantwoorden. Zoals in B.41 en B.42 is vermeld, zijn de bestreden bepalingen pertinent om die doelstelling te verwezenlijken, zijn zij ermee evenredig en gaan zij niet verder dan hetgeen daartoe noodzakelijk is. 59 Wat betreft de bewering volgens welke die belemmering discriminerend is in zoverre de maatregelen enkel gelden voor operatoren op de secundaire markt, is die grief in werkelijkheid gericht tegen niet-bestreden bepalingen van de wet van 30 juli 2013. B.61. Het vijfde onderdeel van het zevende middel is niet gegrond. 60 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Frans, het Nederlands en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 13 november 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.146 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.105 ECLI:BE:GHCC:2008:ARR.050 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.044 ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.154 ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.146 ECLI:CE:ECHR:1995:0210JUD001517589 ECLI:CE:ECHR:2009:0210JUD001493903 ECLI:CE:ECHR:2010:0422JUD004098407 ECLI:CE:ECHR:2013:0712JUD002542409 ECLI:CE:ECHR:2016:1115JUD002413011 ECLI:CE:ECHR:2017:1123JUD006684712 ECLI:CE:ECHR:2018:1018JUD008001812 ECLI:CE:ECHR:2022:1004JUD005834215 ECLI:EU:C:2013:105 ECLI:EU:C:2019:1112 ECLI:EU:C:2019:432 ECLI:EU:C:2023:350 ECLI:EU:C:2023:835 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot