Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.144

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-11-06 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Grondwet, gw

Samenvatting

de prejudiciële vragen over de artikelen 1, 2°, en 61/6, 5°, van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten », gesteld door de Raad van State.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.144 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 06 november 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.144 Arrest- Rolnummer: 144/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-17 Raadplegingen: 28 - laatst gezien 2025-12-15 14:44 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen over de artikelen 1, 2°, en 61/6, 5°, van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten », gesteld door de Raad van State. Culturele aangelegenheden - Franse Gemeenschap - Culturele operatoren - Subsidiëring - Verspreidingsovereenkomsten - Financieel evenwicht Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 144/2025 van 6 november 2025 Rolnummer : 8366 In zake : de prejudiciële vragen over de artikelen 1, 2°, en 61/6, 5°, van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten », gesteld door de Raad van State. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest nr. 261.326 van 12 november 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 25 november 2024, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vragen gesteld : « - Schenden de artikelen 1, 2°, en 61/6, 5°, van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 ‘ betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, in zoverre die bepalingen de culturele operatoren die sinds een jaar actief zijn en diegenen die meer dan een jaar actief zijn, op dezelfde wijze behandelen, terwijl met het door hen te bewijzen financiële evenwicht in beide gevallen de verplichting wordt opgelegd om aan te tonen dat hun ‘ negatief gecumuleerd resultaat ’ niet meer bedraagt dan de drempel van 10 % van alle tijdens het betrokken boekjaar geboekte opbrengsten ? - Schendt artikel 61/6, 5°, van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 ‘ betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten ’ de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan, artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 15 2 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, in zoverre die bepaling de culturele operatoren die een eerste verspreidingsovereenkomst aanvragen, verschillend behandelt door hen ertoe te verplichten om aan te tonen dat er geen verstoord financieel evenwicht is, terwijl diegenen die vragen om een verspreidingsovereenkomst te vernieuwen, zich in een situatie van verstoord financieel evenwicht kunnen bevinden wanneer zij gelijktijdig met hun aanvraag een ontwerp van plan voor een financiële sanering voorleggen ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - de vzw « La Ruche Théâtre Royal », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Joassart, advocaat bij de balie te Brussel; - de Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré en mr. Anne-Charlotte Ekwalla Timsonet, advocaten bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil De vzw « La Ruche Théâtre Royal » heeft als statutair doel het promoten en het produceren van alle vormen van voorstellingen. Op 28 november 2022 dient zij een aanvraag voor een verspreidingsovereenkomst in voor een bedrag van 150 000 euro voor de periode 2024-2028, met toepassing van de artikelen 61/5 en volgende van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten ». Op 24 april 2023 richt de adjunct-directeur-generaal van de Algemene Dienst voor Artistieke Creatie van de Franse Gemeenschap aan de vzw « La Ruche Théâtre Royal » een beslissing van niet-ontvankelijkheid van de aanvraag. Op 17 mei 2023 bevestigt de bevoegde minister de beslissing om reden dat de rekeningen van de voormelde vzw een financieel onevenwicht vertonen. Op 26 juni 2023 stelt de vzw « La Ruche Théâtre Royal » voor de Raad van beroep inzake cultuurbeleid een beroep in tegen de beslissingen van 24 april en 17 mei 2023 in. Op 12 juli 2023 wordt dat beroep onontvankelijk verklaard. 3 Op 21 oktober 2023 stelt de vzw « La Ruche Théâtre Royal » bij de Raad van State een beroep in tot nietigverklaring van de beslissingen van 24 april en 17 mei 2023. III. In rechte -A- Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag A.1.1. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat de artikelen 1, 2°, en 61/6, 5°, van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten » (hierna : het kaderdecreet van 10 april 2003) culturele operatoren die zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden, te weten, enerzijds, diegenen die al jaren actief zijn en die een ratio van 10 % tussen de in voorkomend geval over meerdere jaren gecumuleerde verliezen en de opbrengsten van één boekjaar moeten naleven en, anderzijds, diegenen die pas sinds een jaar actief zijn en voor wie de verliezen en opbrengsten van een en hetzelfde boekjaar aan de hand van dezelfde ratio worden vergeleken. Daaruit volgt dat de culturele operatoren die al jaren actief zijn, veel meer moeilijkheden ondervinden om de ratio van 10 % na te leven daar zij in de loop der jaren geleidelijk verliezen hebben opgestapeld. A.1.2. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege stelt dat de parlementaire voorbereiding geen verantwoording bevat voor die gelijke behandeling. Zij verwijst naar de argumenten die door de Franse Gemeenschap voor het verwijzende rechtscollege zijn uiteengezet, argumenten volgens welke het nagestreefde doel erin bestaat te vermijden dat operatoren die riskeren hun activiteiten niet op duurzame wijze te ontwikkelen, een subsidie kunnen krijgen. De decreetgever koos ervoor de in de loop van één boekjaar geboekte opbrengsten als referentie te nemen zodat de culturele operator een aanzienlijk deel van zijn financiële inkomsten kan veiligstellen. Volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege strekt het criterium van het financiële onevenwicht ertoe te waarborgen dat een theater dat nooit succes heeft gehad bij het publiek, louter door een verspreidingsovereenkomst blijft bestaan, aangezien de eigen inkomsten van de operator in de regel hoofdzakelijk uit de verkoop van kaartjes komen. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege is van mening dat het ten aanzien van die doelstelling niet pertinent is een ratio tussen de gecumuleerde verliezen en de inkomsten van één jaar op te leggen. Te dezen des te minder daar 2021 het jaar was dat in aanmerking werd genomen voor de inkomsten, jaar waarin die inkomsten van de theaters te lijden kregen onder de COVID-19-crisis, met onder meer als gevolg dat theaters tijdelijk moesten sluiten. A.1.3. Volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege heeft de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen onevenredige gevolgen, aangezien een culturele operator die, zelfs beperkt, sinds 10 jaar verliezen opstapelt, nagenoeg in de onmogelijkheid verkeert de voormelde ratio na te leven. Dat geldt des te meer wanneer bij de berekening rekening wordt gehouden met de jaren waarin een uitzonderlijke crisis, zoals de COVID-19-crisis, plaatsvond. A.2. De Franse Gemeenschapsregering brengt in herinnering dat met het toekennen van een subsidie wordt beoogd de ontwikkeling van voor het algemeen belang dienstige activiteiten te bevorderen. De culturele operatoren die een verspreidingsovereenkomst aanvragen, moeten aantonen dat zij een negatief gecumuleerd resultaat hebben dat niet meer bedraagt dan 10 % van de voor het betrokken boekjaar geboekte opbrengsten. Door het culturele doeleinde dat met de subsidies wordt nagestreefd, is het verantwoord dat die voorwaarde aan alle operatoren wordt opgelegd, ongeacht de duur van hun activiteit. Het kaderdecreet van 10 april 2003 voorziet voor de culturele operatoren die een vernieuwing van hun verspreidingsovereenkomst aanvragen, in de mogelijkheid om hun financieel onevenwicht te verantwoorden. Volgens de Franse Gemeenschapsregering zouden de operatoren die een eerste verspreidingsovereenkomst aanvragen en die per hypothese minder dan een jaar actief zijn, niet met een dergelijk onevenwicht te kampen mogen hebben, aangezien hun activiteiten recent zijn. De mogelijkheid om een ontwerp van saneringsplan voor te leggen, is een manier om de terugkerende schuldenlast van de begunstigden van de subsidie te beperken en ze een kans te geven een evenwicht te vinden. 4 A.3. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege antwoordt dat de Franse Gemeenschapsregering zich vergist wanneer zij verwijst naar de mogelijkheid om een ontwerp van saneringsplan bij de aanvraag te voegen. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de ratio tussen de gecumuleerde verliezen en opbrengsten van één boekjaar die wordt toegepast ongeacht of de operator al sinds jaren of sinds kort actief is. A.4.1. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat met de subsidie een culturele doelstelling wordt nagestreefd en het daarbij niet de bedoeling is het financiële voortbestaan van de begunstigde te waarborgen. Wanneer een subsidie wordt geweigerd, doet dat bovendien geen afbreuk aan het recht op culturele ontplooiing aangezien de operator niet noodzakelijkerwijs de mogelijkheid wordt ontzegd zijn activiteiten voort te zetten. Bijdragen aan het subsidiëren van de operatoren die in financiële moeilijkheden verkeren ten nadele van de andere operatoren, zou volgens de Franse Gemeenschapsregering erop neerkomen dat afbreuk wordt gedaan aan het recht op culturele ontplooiing van die laatstgenoemden. Zij is van mening dat het voor een culturele operator die al tien jaar actief is en verliezen zou hebben opgestapeld, niet noodzakelijk moeilijker is dan voor een operator die minder dan een jaar actief is om de ratio van 10 % na te leven. A.4.2. De Franse Gemeenschapsregering betoogt dat een afwijking van de regel inzake de ratio van 10 % niet kan worden verantwoord door de COVID-19-crisis, daar de decreetgever mechanismen heeft aangenomen voor de financiële ondersteuning van operatoren die door uitzonderlijke gebeurtenissen werden getroffen. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege heeft driemaal financiële steun ontvangen wegens de context van de COVID-19-crisis. Daarbij komt nog dat de overheid, om de ratio van 10 % te controleren, rekening houdt met de boekhoudkundige balans van de operator, waarin niet alleen het gecumuleerde tekort, maar ook de eventuele beschikbare reserves uit opbrengsten zijn opgenomen die in de loop der tijd zijn opgebouwd. Een verlieslijdende operator kan dus zijn verliezen dankzij zijn reserves aanzuiveren. Een dergelijke hypothese is des te waarschijnlijker wanneer de operator al meerdere jaren actief is. Bovendien werd niet aangetoond dat een culturele operator die sinds een jaar actief is, zich niet in een situatie van financieel onevenwicht zou kunnen bevinden. Volgens de statistieken van de Franse Gemeenschapsregering verkeert een ruime meerderheid van de operatoren die een structurele subsidie aanvragen, in een situatie van financieel evenwicht. Een grote meerderheid van hen werd door de COVID-19-crisis getroffen, zonder dat zij daardoor vandaag worden verhinderd een financieel evenwicht te bereiken. Daar slechts 1,3 % van de aanvragers een gecumuleerd tekort van meer dan 10 % voorlegde, is het argument dat de vereiste van een financieel evenwicht niet zou kunnen worden bereikt door operatoren die al meerdere jaren actief zijn, niet gegrond. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag A.5.1. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege voert aan dat artikel 61/6, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003 een verschil in behandeling in het leven roept tussen de culturele operatoren die een eerste verspreidingsovereenkomst aanvragen en diegenen die een vernieuwing aanvragen, daar de laatstgenoemden, in tegenstelling tot de eerstgenoemden, hun aanvraag vergezeld kunnen doen gaan van een ontwerp van plan voor een financiële sanering. De twee categorieën van operatoren zijn vergelijkbaar aangezien zij in beide gevallen een verspreidingsovereenkomst aanvragen. A.5.2. Aangezien de decreetgever, door te voorzien in de voorwaarde van een financieel evenwicht, beoogde erover te waken dat de culturele operatoren in een « goede financiële gezondheid » verkeerden en erop toe te zien dat de theaters grotendeels werden gefinancierd met de verkoop van kaartjes, is het niet pertinent dat enkel de operatoren die reeds een verspreidingsovereenkomst hebben genoten, hun financieel onevenwicht kunnen « neutraliseren » door een saneringsplan. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege doet eveneens gelden dat de maatregel onevenredige gevolgen heeft, daar de operator die een eerste verspreidingsovereenkomst aanvraagt, die overeenkomst niet kan verkrijgen wanneer hij zich in een situatie van financieel onevenwicht bevindt. Zij stelt dat niet wordt vereist dat het ontwerp van saneringsplan coherent is of door de Regering wordt goedgekeurd. De operator die een vernieuwing van de overeenkomst aanvraagt, moet niet de ernst van zijn plan aantonen, noch het concreet uitwerken. A.6.1. In hoofdorde voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. 5 De operator die een verspreidingsovereenkomst heeft genoten en vraagt dat die overeenkomst wordt vernieuwd, heeft reeds een activiteitenverslag moeten indienen voor alle jaren waarin hij zijn activiteit heeft uitgeoefend. Hij is dan ook meermaals door de administratie gecontroleerd. De Franse Gemeenschapsregering leidt daaruit af dat de administratie dus toezicht houdt op de financiële gezondheid van de operator en diens beheer van de toegekende middelen. Die administratie heeft echter niet dezelfde informatie over de culturele operator die een eerste aanvraag indient. Daardoor is het verantwoord dat de overheid meer voorzichtigheid aan de dag legt, aangezien zij zich ervan moet vergewissen dat de toekenning van de subsidie niet dient om een financieel tekort aan te vullen, maar wel het algemeen belang beoogt. A.6.2. In ondergeschikte orde voert de Franse Gemeenschapsregering dezelfde overwegingen aan om aan te tonen dat de maatregel redelijk verantwoord is. Zij stelt dat de Franse Gemeenschap beschikt over een beperkte begroting en dat het begrotingsbeheer deel uitmaakt van haar beleidsruimte. Zij beweert eveneens dat het voorleggen van een ontwerp van saneringsplan een uitzonderlijke maatregel is. Daarnaast bevat artikel 10 van de verspreidingsovereenkomst tussen de culturele operatoren en de Regering een clausule betreffende het financieel evenwicht. Krachtens die clausule verbindt de operator zich gedurende de periode waarin de overeenkomst loopt ertoe zijn financieel evenwicht te waarborgen. Wanneer een financieel onevenwicht wordt vastgesteld, moet de operator een ontwerp van saneringsplan voorleggen waardoor het mogelijk is binnen drie jaar weer een evenwicht te bereiken. Dat plan wordt ter goedkeuring aan de bevoegde minister voorgelegd. In bepaalde omstandigheden kan die laatstgenoemde een dergelijk plan opleggen. Bovendien wordt bepaald dat de operator tijdens de looptijd van zijn saneringsplan geen verhoging van zijn jaarlijkse subsidie of een aanvullende subsidie kan verkrijgen. Daaruit volgt dat de culturele operator zijn schuld niet kan wegwerken met een subsidie, maar enkel met de opbrengsten die hij uit zijn activiteit haalt. De Franse Gemeenschapsregering is van mening dat, in het licht van de doelstelling om reeds gesubsidieerde culturele projecten voort te zetten, de procedure waaraan een operator die een vernieuwing van zijn verspreidingsovereenkomst aanvraagt, wordt onderworpen, niet identiek mag zijn aan die met betrekking tot een eerste aanvraag. Alleen de operatoren ten aanzien van wie wordt vastgesteld dat zij correct de aan hen toevertrouwde opdrachten uitvoeren, als bijkomende voorwaarde voor hun subsidie, kunnen een saneringsplan genieten. De Franse Gemeenschapsregering betoogt dat, indien aan een operator die in een situatie van financieel onevenwicht verkeert en een eerste aanvraag voor financiering indient, wordt toegestaan een ontwerp van saneringsplan voor te leggen, dat erop zou neerkomen dat de verplichting inzake financieel evenwicht ondoeltreffend wordt. In dat geval zou een operator die een eerste verspreidingsovereenkomst aanvraagt, een saneringsplan kunnen genieten terwijl zijn activiteit nooit door de administratie werd gecontroleerd en hij niet op een andere manier dan via zijn aanvraagdossier heeft aangetoond de opdrachten van algemeen belang, waarvoor hij de subsidie heeft ontvangen, te kunnen uitvoeren. Tot slot kan de voormelde subsidie niet worden gebruikt als instrument om de vroegere schulden van de culturele operator weg te werken. A.7.1. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege antwoordt dat de argumentatie van de Franse Gemeenschapsregering met betrekking tot het feit dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van operatoren niet vergelijkbaar zijn, in werkelijkheid betrekking heeft op de verantwoording van het verschil in behandeling. A.7.2. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege doet gelden dat het feit dat de administratie de financiële voorgeschiedenis van een culturele operator kent, niet waarborgt dat die operator de subsidie conform het algemeen belang zal aanwenden. Omgekeerd wijst het gebrek aan voorkennis over de financiële situatie van een operator evenmin erop dat hij de subsidie zal aanwenden op een wijze die niet conform het algemeen belang is. De beperkte begroting waarover de Franse Gemeenschap beschikt, verantwoordt niet dat zij een verschil in behandeling baseert op een criterium dat noch objectief, noch pertinent is. In tegenstelling tot wat de Franse Gemeenschapsregering stelt, werd een operator die een vernieuwing aanvraagt, volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege, niet noodzakelijk meermaals gecontroleerd, daar het mogelijk is dat hij slechts sinds een jaar een verspreidingsovereenkomst heeft. Die verspreidingsovereenkomst wordt immers gesloten op basis van de financiële situatie van de operator en niet op basis van de kennis die de administratie ervan heeft. Bovendien kan artikel 10 van de verspreidingsovereenkomst de vrees over het gebrek aan kennis over het economische beheer van de operator wegnemen, aangezien in een specifieke procedure wordt voorzien wanneer de operator in financiële moeilijkheden verkeert. 6 A.7.3. De verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege merkt op dat de decreetgever, naast het streven naar de continuïteit van reeds gesubsidieerde culturele projecten, eveneens beoogt de voortdurende vernieuwing van creativiteit te bevorderen, en wil stimuleren dat er nieuwe operatoren komen die voor subsidies in aanmerking kunnen komen. Door de mogelijkheid om een ontwerp van saneringsplan in te dienen, voor te behouden aan de operatoren die een vernieuwing van hun verspreidingsovereenkomst aanvragen, draagt de decreetgever niet bij tot het verwezenlijken van die doelstelling. Volgens de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege geldt de vrees dat de verplichting van een financieel evenwicht ondoeltreffend is, zowel voor de operatoren die een vernieuwing van hun verspreidingsovereenkomst aanvragen als voor diegenen die een eerste aanvraag indienen. Het is dus niet verantwoord dat de laatstgenoemden hun aanvraag niet vergezeld mogen doen gaan van een ontwerp van saneringsplan, terwijl de eerstgenoemden dat wel mogen. Bovendien bestaat het verschil in behandeling tussen een verlieslijdende operator en een financieel gezonde operator die beiden hetzelfde subsidiebedrag ontvangen, eveneens voor de vernieuwingen van subsidies, aangezien de operatoren die een vernieuwing van hun verspreidingsovereenkomst aanvragen, dat kunnen doen terwijl zij een ontwerp van saneringsplan voorleggen. A.8. De Franse Gemeenschapsregering doet gelden dat het saneringsplan enkel in de context van een vernieuwing van een overeenkomst in overweging wordt genomen. Daarbij gaat het om operatoren die reeds een structurele overeenkomst hebben genoten en die bij het sluiten ervan met een financieel onevenwicht worden geconfronteerd. Het doel van de decreetgever bestaat erin de reeds gedane investeringen in het culturele project van de operator te vrijwaren. Dankzij die maatregel kunnen de reeds bij de Franse Gemeenschap bekende operatoren hun aanvankelijk evenwichtige financiële situatie bijgevolg binnen een redelijke termijn herstellen zonder dat de hun toegekende steun eenzijdig wordt stopgezet. De operator verbindt zich ertoe het saneringsplan na te leven. Het voorleggen van een dergelijk plan bij een eerste overeenkomst is daarentegen niet pertinent omdat het een uitzonderlijke maatregel betreft die niet is bedoeld om de aanvankelijke voorwaarde inzake het financiële evenwicht te omzeilen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege aanvoert, onderzoekt de overheid het investeringsplan wanneer het aanvraagdossier wordt onderzocht. Artikel 61/9, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003 bepaalt bovendien dat de verspreidingsovereenkomst – die na afloop van dat onderzoek wordt gesloten – de modaliteiten voor financiële controle door de Franse Gemeenschap bevat, met inbegrip van de modaliteiten voor het opstellen een saneringsplan, indien nodig. Bovendien kan de overheid de aanwending van de aan de operator betaalde middelen controleren, de verspreidingsovereenkomst opzeggen en de terugbetaling van die middelen vorderen op grond van artikel 61, 4° tot 6°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 2011 « houdende regeling van de begroting en de boekhouding van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap ». -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de artikelen 1, 2°, en 61/6, 5°, van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten » (hierna : het kaderdecreet van 10 april 2003). 7 B.1.2. Artikel 61/6, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003 bepaalt : « Om te kunnen genieten van het stelsel van verspreidingsovereenkomsten, moet de operator : […] 5° als het gaat om een eerste overeenkomst, financieel in evenwicht zijn of, als het gaat om een [hernieuwing] en wanneer er geen financieel evenwicht is, een saneringsplan hebben dat door de regering is goedgekeurd of gelijktijdig op aanvraag een ontwerp van plan voor een financiële sanering voorstellen; ». B.1.3. De « verspreidingsovereenkomst » wordt omschreven als een « een contractueel stelsel dat financiële steun verleent aan een rechtspersoon van hoofdzakelijk de categorie van verspreidingsplaatsen of festivals om zijn werking en zijn activiteiten over een periode van drie of vijf jaar te ondersteunen » (artikel 1, 16°/3, van het kaderdecreet van 10 april 2003). In beginsel loopt de verspreidingsovereenkomst over een periode van drie jaar. Wanneer een operator onder meer ten minste twee opeenvolgende verspreidingsovereenkomsten heeft verkregen, kan er met hem een verspreidingsovereenkomst van vijf jaar worden gesloten (artikel 61/10, § 1, van hetzelfde kaderdecreet). Onder « financieel onevenwicht » dient te worden verstaan « de toestand waarin een operator, op het einde van een boekjaar, een negatief gecumuleerd resultaat voorlegt waarvan het bedrag minstens 10 % bedraagt van alle geboekte opbrengsten tijdens dit boekjaar. Dit percentage wordt teruggebracht tot 5 % voor de operatoren wier opbrengst per boekjaar hoger ligt dan 1.750.000 euro » (artikel 1, 2°, van het kaderdecreet van 10 april 2003). In het geval van de verzoekende partij voor het verwijzende rechtscollege zijn alle opbrengsten per boekjaar lager dan 1 750 000 euro, zodat het Hof zijn onderzoek tot dat geval beperkt. Een « boekjaar » wordt omschreven als een « jaarlijks boekhoudkundig begrotingsjaar : dit boekjaar loopt, naar keuze van de operator, over een kalenderjaar of een seizoen » (artikel 1, 3°, van het kaderdecreet van 10 april 2003). Een « saneringsplan » is een « contract gesloten tussen de Franse Gemeenschap en een operator voor een maximumduur bepaald door [de] Regering en dat tot doel heeft de wijzen nader te omschrijven om een financieel tekort per boekjaar geleidelijk weg te werken » (artikel 1, 6°, van hetzelfde kaderdecreet). 8 B.1.4. Met het kaderdecreet van 10 april 2003 worden, luidens artikel 1/1 ervan, de volgende algemene doelstellingen nagestreefd : « 1. de artistieke creatie ondersteunen, in al haar vormen, en de artistieke vrijheid, de opkomst, de artistieke uitmuntendheid en de culturele verscheidenheid verzekeren; 2. het bevorderen van ontmoetingen tussen kunstenaars, werken en publieken, vanuit een perspectief van een culturele democratisering, met name met behulp van een geschikte bemiddeling; 3. de kunstenaars en scheppers van de Franse Gemeenschap waarderen door te zorgen voor een gediversifieerde vertegenwoordiging van mannen en vrouwen, met inachtneming van de gelijkheid van mannen en vrouwen en de waarden van de interculturaliteit; 4. de ontwikkeling en structurering aanmoedigen van samenwerkingsnetwerken tussen de culturele operatoren, gesteund door de Franse Gemeenschap, met het oog op duurzaamheid en onderlinge verdeling van hulpmiddelen of competenties; 5. zorgen voor een juiste vergoeding van kunstenaars, scheppers en technici ». Naast die algemene doelstellingen, « beoogt het stelsel van de verspreidingsovereenkomsten om : 1. een structurele steun te bieden die aangepast is aan de verspreidingsplaatsen en festivals, met daarin zowel de werkingskosten van de structuur als die van de gepresteerde activiteiten; 2. toe te laten dat de verspreidingsplaatsen en festivals zich territoriaal kunnen verankeren met betrekking tot het publiek; 3. de toegankelijkheid van de verspreidingsmiddelen te verbeteren » (artikel 61/5 van het kaderdecreet van 10 april 2003). Ten aanzien van de toetsingsnormen B.2.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de bestaanbaarheid van de in het geding zijnde bepalingen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan, met artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. 9 B.2.2. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.2.3. Artikel 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens heeft geen autonome werking omdat het enkel geldt voor het « genot van de rechten en vrijheden » welke in het Verdrag zijn vermeld (EHRM, grote kamer, 19 februari 2013, X e.a. t. Oostenrijk, ECLI:CE:ECHR:2013:0219JUD001901007 , § 94). Het verwijzende rechtscollege vermeldt geen andere bepalingen van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in samenhang gelezen met artikel 14 ervan. Bijgevolg onderzoekt het Hof de prejudiciële vragen niet in zoverre zij zijn afgeleid uit de schending van artikel 14 van het Verdrag, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.2.4. Krachtens artikel 23 van de Grondwet heeft ieder het recht een menswaardig leven te leiden en waarborgen de wetgevers daartoe, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten onder meer het recht op culturele en maatschappelijke ontplooiing. B.2.5. Krachtens artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten heeft eenieder het recht om deel te nemen aan het culturele leven en de door 10 de verdragsstaten te nemen maatregelen om tot de volledige verwezenlijking van dat recht te komen, houden mede die in welke noodzakelijk zijn voor het behoud, de ontwikkeling en de verbreiding van wetenschap en cultuur. Ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag B.3. De eerste prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van de artikelen 1, 2°, en 61/6, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003 met de voormelde referentienormen, in zoverre die bepalingen de culturele operatoren die vragen om het stelsel van de verspreidingsovereenkomsten te genieten, ertoe verplichten aan te tonen dat zij aan het einde van een boekjaar een gecumuleerd resultaat voorleggen dat, wanneer het negatief is, niet meer bedraagt dan de drempel van 10 % van alle tijdens dat boekjaar geboekte opbrengsten, ongeacht of die operatoren sinds een jaar of meer dan een jaar actief zijn. B.4. Inzake het subsidiëringsbeleid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsvrijheid. Subsidiëring strekt niet louter tot financiering van een particulier initiatief, maar tot verwezenlijking van de maatschappelijke doelstelling die aan dat initiatief ten grondslag ligt. Het komt de decreetgever toe om, rekening houdend met dwingende budgettaire beperkingen, te beslissen of en onder welke voorwaarden hij bepaalde initiatieven of instellingen met overheidsmiddelen wil subsidiëren. Het komt het Hof niet toe het oordeel van de bevoegde decreetgever te bekritiseren voor zover het niet strijdig is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Het Hof zou een dergelijke keuze alleen kunnen afkeuren indien die onredelijk zou zijn. B.5. Uit de memorie van de Franse Gemeenschapsregering en de in B.1.3 vermelde bepalingen blijkt dat het stelsel van de verspreidingsovereenkomsten is bedoeld om cultuur te ondersteunen. De financiële voorwaarden voor het sluiten van een dergelijke overeenkomst beogen zowel het begrotingsevenwicht van de Franse Gemeenschap te vrijwaren als het financiële voortbestaan van de betrokken culturele operator te waarborgen. De decreetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de verspreidingsovereenkomst niet mocht dienen om de schulden van dergelijke operatoren weg te werken. 11 B.6. De in het geding zijnde bepaling heeft geen onevenredige gevolgen. De operator kan immers nog steeds toegang krijgen tot het stelsel van de verspreidingsovereenkomsten indien hij de nodige inspanningen levert om zijn situatie te herstellen. De omstandigheid dat de culturele operatoren het hoofd hebben moeten bieden aan de gevolgen van de COVID-19-crisis leidt niet tot een andere conclusie, aangezien de culturele sector tijdens die periode meermaals specifieke steun heeft genoten, zoals de Franse Gemeenschapsregering opmerkt. Ten aanzien van de tweede prejudiciële vraag B.7. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op de bestaanbaarheid van artikel 61/6, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003 met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten, in zoverre die bepaling de culturele operatoren die een eerste verspreidingsovereenkomst aanvragen, ertoe verplicht een financieel evenwicht aan te tonen, terwijl de culturele operatoren die vragen om hun verspreidingsovereenkomst te vernieuwen, die vernieuwing kunnen verkrijgen wanneer zij in een situatie van financieel onevenwicht verkeren, voor zover zij hun aanvraag vergezeld doen gaan van een ontwerp van saneringsplan. B.8.1. De Franse Gemeenschapsregering voert aan dat de twee in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. B.8.2. Verschil en niet-vergelijkbaarheid mogen niet worden verward. De omstandigheid dat de operator die vraagt om zijn verspreidingsovereenkomst te vernieuwen, reeds een activiteitenverslag heeft moeten indienen voor elk boekjaar van zijn gesubsidieerde activiteit en dat hij bijgevolg door de administratie werd gecontroleerd - wat niet het geval is voor de culturele operator die voor de eerste keer een verspreidingsovereenkomst aanvraagt –, kan weliswaar een element zijn in de beoordeling van een verschil in behandeling, maar het kan niet volstaan om tot niet-vergelijkbaarheid te besluiten, anders zou de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie van elke inhoud worden ontdaan. De culturele operatoren 12 die voor de eerste keer een verspreidingsovereenkomst aanvragen en diegenen die de vernieuwing ervan aanvragen, zijn te dezen voldoende vergelijkbaar, aangezien zij beiden een verspreidingsovereenkomst ter ondersteuning van hun culturele activiteiten aanvragen. B.9. Zoals in B.5 is vermeld, stelde de decreetgever de voorwaarden voor het sluiten van een verspreidingsovereenkomst vast zodat de doelstelling om de culturele sector financieel te ondersteunen, aansluit op de noodzaak om het begrotingsevenwicht van de Franse Gemeenschap te vrijwaren. De subsidies waarin wordt voorzien bij het kaderdecreet van 10 april 2003, zijn niet bedoeld om een financieel tekort weg te werken, maar om activiteiten van algemeen belang te ondersteunen. B.10. Het bij artikel 61/6, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003 ingevoerde mechanisme impliceert dat de financiële voorwaarde veeleisender is wanneer een operator vraagt om toe te treden tot het stelsel van de verspreidingsovereenkomsten dan wanneer hij vraagt om zijn verspreidingsovereenkomst te vernieuwen. B.11. De mogelijkheid om bij de aanvraag voor een verspreidingsovereenkomst een ontwerp van saneringsplan te voegen, heeft betrekking op de operatoren die reeds een dergelijke overeenkomst hebben genoten. Overeenkomstig artikel 61/6, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003 konden die operatoren aanvankelijk een verspreidingsovereenkomst genieten omdat zij een financieel evenwicht vertoonden. Aan het einde van de periode waarin de overeenkomst loopt, vertonen zij echter een onevenwicht. Het doel van de decreetgever bestaat erin de operatoren die reeds bij de Franse Gemeenschap bekend zijn en in wier activiteit zij reeds heeft geïnvesteerd, de mogelijkheid te bieden om hun financiële situatie, die aanvankelijk in evenwicht was, binnen een redelijk termijn te herstellen en dat zonder de hun toegekende steun op te zeggen. Gedurende de looptijd van de verspreidingsovereenkomst waarvan de vernieuwing wordt aangevraagd, ziet de Franse Gemeenschap toe op het beheer van de toegekende middelen en waakt zij erover dat die middelen voor doeleinden van algemeen belang worden aangewend. De modaliteiten voor die financiële controle worden bepaald in de verspreidingsovereenkomst (art. 61/9, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003). De operator verzendt aan het einde van 13 elk afgelopen boekjaar binnen zes maanden na afsluiting ervan een activiteitenverslag. Dat verslag bevat onder meer : - de balansen en rekeningen van het afgelopen boekjaar die conform de geldende boekhoudkundige wetten en voorschriften zijn opgesteld, alsook de jaarrekeningen van uitgaven en inkomsten van het project indien die verschillen van de balansen en rekeningen van de operator zelf; - een rekeningennota die de verdeling van de bedragen toelicht (art. 61/11 van het kaderdecreet van 10 april 2003). Bovendien kan de bevoegde overheid, met toepassing van artikel 61, 4° tot 6°, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 20 december 2011 « houdende regeling van de begroting en de boekhouding van de Diensten van de Regering van de Franse Gemeenschap » de aanwending van de aan de operator betaalde middelen controleren, de verspreidingsovereenkomst opzeggen en de terugbetaling van de middelen vorderen. B.12. De decreetgever vermocht redelijkerwijs ervan uit te gaan dat de operatoren die een aanvraag voor een eerste verspreidingsovereenkomst indienen, niet dezelfde waarborgen boden als de operatoren die reeds aan de voormelde controlemodaliteiten zijn onderworpen, en dat de in het stelsel van de verspreidingsovereenkomsten toegekende bedragen niet mochten worden bestemd om de schulden van die operatoren weg te werken. B.13. Aangezien de operatoren die nog geen verspreidingsovereenkomst hebben verkregen, slechts van het voordeel van dat stelsel worden uitgesloten wanneer zij in een situatie van financieel onevenwicht verkeren, heeft artikel 61/6, 5°, van het kaderdecreet van 10 april 2003 geen onevenredige gevolgen. 14 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : De artikelen 1, 2°, en 61/6, 5°, van het kaderdecreet van de Franse Gemeenschap van 10 april 2003 « betreffende de erkenning en de subsidiëring van de beroepssector van de Podiumkunsten » schenden niet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 23 ervan en met artikel 15 van het Internationaal Verdrag inzake economische, sociale en culturele rechten. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 6 november 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.144 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:CE:ECHR:2013:0219JUD001901007 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot