ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.140
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-10-23
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Grondwet, grondwet
Samenvatting
de prejudiciële vragen over artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2013 « betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport », gesteld door de Raad van State.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.140
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 23 oktober 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.140
Arrest- Rolnummer:
140/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-11-03
Raadplegingen:
101 - laatst gezien 2025-12-15 14:42
Versie(s):
Versie FR
Fiche
Geen schending (artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van het
Vlaamse Gewest van 3 mei 2013, in de versie zoals van toepassing op de
bodemgeschillen)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vragen over artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet
van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2013 « betreffende de bescherming van
de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport », gesteld
door de Raad van State. Vervoer - Vlaams Gewest - Bescherming van de verkeersinfrastructuur
- Bijzonder wegtransport - Administratieve geldboete - Delegatie aan de
Vlaamse Regering
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 140/2025
van 23 oktober 2025
Rolnummers : 8505 en 8506
In zake : de prejudiciële vragen over artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2013 « betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport », gesteld door de Raad van State.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Michel Pâques, Danny Pieters, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij twee arresten nrs. 263.719 en 263.720 van 24 juni 2025, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 1 juli 2025, heeft de Raad van State de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 ‘ betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport ’ het beginsel van de formele wettigheid neergelegd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet, door aan de Vlaamse regering een bevoegdheid te verlenen om voor inbreuken die zij bepaalt het tarief van de administratieve geldboete te bepalen ? ».
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8505 en 8506 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.
Op 16 juli 2025 hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging.
2
Memories met verantwoording zijn ingediend door :
- de nv « I.B.V. & Cie », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Fien Vanoverbeke en mr. Frederik Vanden Bogaerde, advocaten bij de balie van West-Vlaanderen (in de zaak nr. 8505);
- Eric Sciot en de nv « R. Van Damme », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Fien Vanoverbeke en mr. Frederik Vanden Bogaerde (in de zaak nr. 8506).
De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen
De bodemgeschillen in de zaken nrs. 8505 en 8506 betreffen beide beroepen tot nietigverklaring van een beslissing van de administrateur-generaal van het Vlaamse Agentschap Wegen en Verkeer, waarbij aan de verzoekende partij een administratieve geldboete werd opgelegd wegens het overladen van een voertuig, hetgeen wordt verboden bij artikel 3 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2013 « betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport » (hierna : het decreet van 3 mei 2013).
Het verwijzende rechtscollege stelt in beide zaken vast dat artikel 17, § 2, eerste lid, van het decreet van 3 mei 2013 bepaalt dat voor inbreuken op dat decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan een administratieve geldboete kan worden opgelegd waarvan het tarief gelijk is aan de minimumgeldboete vermeld in artikel 14 van dat decreet. Daarnaast machtigt artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 de Vlaamse Regering om voor specifieke inbreuken het tarief van de administratieve geldboete te bepalen op een bedrag dat hoger ligt dan de minimumgeldboete vermeld in artikel 14, zonder evenwel de maximumgeldboete vermeld in dat artikel te mogen overschrijden. Op grond van dat artikel 17, § 2, tweede lid, heeft de Vlaamse Regering bij artikel 4/1 van het besluit van 22 januari 2021 « over de handhaving bij de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport » het tarief van de administratieve geldboeten voor sommige inbreuken bepaald op een bedrag dat hoger ligt dan het decretale minimum.
Daar de verzoekende partijen in beide zaken aanvoeren dat de machtiging die in artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013 aan de Vlaamse Regering wordt gegeven het wettigheidsbeginsel vervat in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet schendt, en daar het Hof zich nog niet heeft uitgesproken over de bestaanbaarheid van die bepaling met die grondwetsartikelen, acht het verwijzende rechtscollege het in beide zaken nodig de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen aan het Hof.
III. In rechte
-A-
A.1. In hun conclusies opgesteld met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht het Hof voor te stellen de zaken nrs. 8505 en 8506 af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging.
A.2.1. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege wijzen in hun memorie met verantwoording erop dat het algemeen is aanvaard dat de administratieve geldboeten bedoeld in het decreet van 3 mei 2013 « betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport »
(hierna : het decreet van 3 mei 2013) sancties zijn in de zin van de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Zij zijn van mening dat het buiten toepassing laten van het wettigheidsbeginsel te dezen
3
zou leiden tot een niet verantwoord verschil in behandeling, daar, ten eerste, de minima van bepaalde administratieve geldboeten hoger liggen dan die van de strafrechtelijke geldboeten, ten tweede, bij het opleggen van de administratieve geldboeten rekening wordt gehouden met de aard van het voertuig, terwijl dat niet het geval is bij het opleggen van de strafrechtelijke geldboeten, en, ten derde, bij het opleggen van de administratieve geldboeten een vermoeden bestaat dat zwaardere voertuigen het wegdek meer beschadigen dan minder zware voertuigen, terwijl dat in het kader van het opleggen van de strafrechtelijke geldboeten moet worden bewezen. De in het geding zijnde tarieven van de administratieve geldboeten zijn volgens hen dermate onsamenhangend dat de voormelde verschillen in behandeling kennelijk onredelijk zijn.
A.2.2. De verzoekende partijen wijzen erop dat de in de in het geding zijnde bepaling vervatte woorden « specifieke inbreuken » noch in het decreet van 3 mei 2013, noch in de parlementaire voorbereiding worden verduidelijkt. Dit brengt volgens hen met zich mee dat de Vlaamse Regering categorieën van inbreuken en boetetarieven kan bepalen, zonder parlementair debat en zonder decretale richtsnoeren. De omstandigheid dat de in het geding zijnde bepaling de minimale en maximale tarieven vastlegt, volstaat volgens hen niet om te besluiten dat is voldaan aan het wettigheidsbeginsel. Zij wijzen erop dat de Vlaamse Regering, gebruik makend van de haar verleende beleidsvrijheid, bij het bepalen van de tarieven van de administratieve geldboeten een criterium in het leven heeft geroepen waarin het decreet van 3 mei 2013 niet voorziet, meer bepaald het criterium van de aard van het voertuig.
A.2.3. De verzoekende partijen voor het verwijzende rechtscollege verwijzen ten slotte naar rechtspraak van het Hof en van de Raad van State en leiden eruit af dat het bepalen, door de bevoegde wetgever, van de minimale en maximale straf niet volstaat om tegemoet te komen aan het wettigheidsbeginsel. De omstandigheid dat de delegatie aan het uitvoerend orgaan enkel betrekking heeft op de indeling van overtredingen in categorieën, volstaat volgens hen evenmin. Minstens moeten de categorieën van inbreuken waaraan verschillende straffen worden gekoppeld, worden bepaald door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
-B-
B.1. De prejudiciële vragen betreffen de sanctieregeling bepaald in het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2013 « betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport » (hierna : het decreet van 3 mei 2013) en meer in het bijzonder de in dat decreet vervatte regeling betreffende administratieve geldboeten.
B.2. Artikel 17, §§ 1 en 2, van het decreet van 3 mei 2013, in de versie zoals van toepassing op de bodemgeschillen (meer bepaald de versie vóór de wijziging ervan bij artikel 22
van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 maart 2024 « over de weginfrastructuur en het wegenbeleid en de waterinfrastructuur en het waterbeleid »), bepaalt :
« § 1. Voor inbreuken op dit decreet of de uitvoeringsbesluiten ervan kunnen de door de Vlaamse Regering aangewezen wegeninspecteurs-controleurs en de Vlaamse Regering in graad van beroep een administratieve geldboete opleggen overeenkomstig de hierna bepaalde regels.
§ 2. Het tarief van de administratieve geldboete is gelijk aan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen.
4
In afwijking van het eerste lid kan de Vlaamse Regering, voor specifieke inbreuken, het tarief van de administratieve geldboete bepalen op een bedrag dat hoger ligt dan de minimumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen, zonder evenwel de maximumgeldboete, vermeld in artikel 14, verhoogd met de opdeciemen, te overschrijden.
[…] ».
B.3. Het Hof wordt gevraagd of artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van 3 mei 2013, door aan de Vlaamse Regering een bevoegdheid te verlenen om voor de inbreuken die zij bepaalt, het tarief van de administratieve geldboete te bepalen, bestaanbaar is met het beginsel van de formele wettigheid neergelegd in de artikelen 12 en 14 van de Grondwet.
B.4.1. Artikel 12, tweede lid, van de Grondwet bepaalt :
« Niemand kan worden vervolgd dan in de gevallen die de wet bepaalt en in de vorm die zij voorschrijft ».
Artikel 14 van de Grondwet bepaalt :
« Geen straf kan worden ingevoerd of toegepast dan krachtens de wet ».
B.4.2. Door aan de wetgevende macht de bevoegdheid te verlenen om, enerzijds, te bepalen in welke gevallen strafvervolging mogelijk is en, anderzijds, wetten aan te nemen krachtens welke een straf kan worden vastgelegd en toegepast, waarborgen de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet aan elke rechtsonderhorige dat geen enkele gedraging strafbaar zal worden gesteld en geen straf zal worden opgelegd dan krachtens regels aangenomen door een democratisch verkozen beraadslagende vergadering.
B.5. Zoals het Hof reeds meermaals heeft geoordeeld (zie onder meer de arresten nrs. 44/2015,
ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.044
; 147/2015,
ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.147
;
103/2022,
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.103
; 127/2025,
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.127
), vormen administratieve geldboeten, zelfs wanneer ze dienen te worden gekwalificeerd als straffen in de zin van de artikelen 6 en 7 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, geen straffen in de zin van de artikelen 12 en 14 van de Grondwet.
B.6. Daaruit volgt dat de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet van toepassing zijn op de in het geding zijnde bepaling.
5
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 17, § 2, tweede lid, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 3 mei 2013
« betreffende de bescherming van de verkeersinfrastructuur in geval van bijzonder wegtransport », in de versie zoals van toepassing op de bodemgeschillen, schendt de artikelen 12, tweede lid, en 14 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 oktober 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.140
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.044
ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.147
ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.103
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.127
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==