Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.139

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-10-23 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

6 januari 1989, 8 augustus 1997, Constitution, GRONDWET, Grondwet

Samenvatting

de prejudiciële vragen betreffende de artikelen XX.107, § 1, en XX.108, § 3, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.139 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.139 Arrest- Rolnummer: 139/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-03 Raadplegingen: 73 - laatst gezien 2025-12-15 14:41 Versie(s): Versie FR Fiche 1. Schending (artikel XX.108, § 3, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht, in zoverre de termijn waarin de gefailleerde hoger beroep kan instellen tegen het vonnis van faillissement, aanvangt na de bekendmaking bij uittreksel van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad en niet na de betekening ervan aan de gefailleerde) 2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen XX.107, § 1, en XX.108, § 3, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Economisch recht - Insolventie van ondernemingen - Aangifte van faillissement - Vonnis van faillietverklaring - Beroep - Termijn - Aanvangspunt Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 139/2025 van 23 oktober 2025 Rolnummer : 8498 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen XX.107, § 1, en XX.108, § 3, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht, gesteld door het Hof van Beroep te Antwerpen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij arrest van 22 mei 2025, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 17 juni 2025, heeft het Hof van Beroep te Antwerpen de volgende prejudiciële vragen gesteld : « 1. Schendt art. XX.108 § 3, vierde lid WER de artikelen 10 en 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met art. 6 EVRM en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, doordat krachtens art. XX.108 § 3, vierde lid WER voor een gefailleerde aan wie in elk geval het vonnis van faillissement moet worden betekend met toepassing van art. XX.106 WER, toch de beroepstermijn zou aanvangen op basis van een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad ? 2. Schendt artikel XX.107 § 1 WER , de artikelen 10 en 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met art. 6 EVRM en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, doordat artikel XX.107 § 1 WER, wanneer de termijn van het rechtsmiddel met toepassing van art. XX.108 § 3, vierde lid WER begint te lopen vanaf de publicatie in het Belgisch Staatsblad, niet voorziet in het opnemen in het uittreksel van dezelfde informatie (tekst artikel XX.108 WER - XX.109 WER) als deze die met toepassing van art. XX.106, lid 2 WER verplicht dient opgenomen te worden in het exploot van betekening van het vonnis van faillissement aan de gefailleerde ? ». 2 Op 2 juli 2025 hebben de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaak af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. Geen enkele memorie werd ingediend. De bepalingen van voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil Na daartoe te zijn gedagvaard door de Belgische Staat wordt de bv « A O L Renovations » op 6 februari 2025 failliet verklaard door de Ondernemingsrechtbank te Antwerpen, afdeling Antwerpen. Het vonnis van faillietverklaring wordt op 12 februari 2025 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt en wordt op 17 februari 2025 aan de bv « A O L Renovations » betekend door de curator. Met een op 4 maart 2025 neergelegd verzoekschrift tekent de bv « A O L Renovations » hoger beroep aan tegen het vonnis van 6 februari 2025. In het kader van het onderzoek van de ontvankelijkheid van het hoger beroep stelt het verwijzende rechtscollege de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen aan het Hof. III. In rechte -A- In hun conclusies, die werden genomen met toepassing van artikel 72 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, hebben de rechters-verslaggevers vastgesteld dat het Hof zich bij zijn arrest nr. 108/2024 van 3 oktober 2024 ( ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.108 ) reeds heeft uitgesproken over soortgelijke prejudiciële vragen. Het voormelde arrest heeft de rechters-verslaggevers ertoe gebracht het Hof voor te stellen de prejudiciële vragen van het Hof van Beroep te Antwerpen af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging. -B- B.1.1. De prejudiciële vragen betreffen de artikelen XX.107, § 1, en XX.108, § 3, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht. Voorts wordt in die vragen artikel XX.106 van hetzelfde Wetboek van economisch recht vermeld. 3 B.1.2. De artikelen XX.106, XX.107 en XX.108 van het Wetboek van economisch recht zijn opgenomen in boek XX (« Insolventie van ondernemingen »), titel VI (« Faillissement »), hoofdstuk 1 (« Staking van betaling en faillietverklaring ») van dat Wetboek. Artikel XX.106 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « Het vonnis van faillietverklaring wordt op verzoek van de curatoren aan de gefailleerde betekend. Het exploot van betekening bevat op straffe van nietigheid, benevens de tekst van de artikelen XX.108 en XX.109, aanmaning om kennis te nemen van de processen-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. Het exploot van betekening bevat eveneens de tekst van de artikelen XX.146 en XX.166 ». Artikel XX.107 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « § 1. Het vonnis van faillietverklaring en het latere vonnis dat de staking van betaling vaststelt, worden, door de curator binnen vijf dagen na hun respectievelijke dagtekening bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het uittreksel vermeldt : 1° in het geval van een natuurlijke persoon, de naam, de voornamen, de plaats en datum van geboorte, de aard van de voornaamste activiteit alsmede de handelsnaam waaronder die activiteit wordt uitgeoefend, het adres alsmede de plaats van zijn hoofdvestiging en het ondernemingsnummer; in het geval van een rechtspersoon, de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm, de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, de zetel en het ondernemingsnummer; in het geval van een onderneming als bedoeld in artikel I.1, eerste lid, 1°, c), de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, in voorkomend geval het ondernemingsnummer en de zetel van de activiteit en de identificatiegegevens van de gemachtigde, in voorkomend geval; 2° de datum van het vonnis van faillietverklaring en de rechtbank die het heeft gewezen en de naam van de rechter-commissaris; 3° in voorkomend geval, de datum van het vonnis waarbij de staking van betaling is vastgesteld, en de datum van die staking; 4° de naam, de voornamen en het adres en elektronisch adres van de curatoren; 5° de termijn en modaliteiten om aangifte van de schuldvorderingen in het register te doen; 6° de datum van de neerlegging van het eerste proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen. 4 § 2. Onverminderd artikel 2:74, § 4, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen wordt een uittreksel van de beslissing bedoeld in artikel XX.100, vierde lid, neergelegd in het register door toedoen van de griffier. Het uittreksel vermeldt : - de naam van de rechtspersoon, de rechtsvorm, de handelsnaam waaronder de activiteit wordt uitgeoefend, de zetel en het ondernemingsnummer; - de datum van het vonnis dat de gerechtelijke ontbinding uitspreekt en de rechtbank die het heeft gewezen ». Artikel XX.108 van het Wetboek van economisch recht bepaalt : « § 1. Ieder vonnis van faillietverklaring of ieder vonnis waarbij het tijdstip van staking van betaling wordt vastgesteld, is bij voorraad en op de minuut vanaf de uitspraak uitvoerbaar. § 2. Tegen het vonnis kan verzet worden gedaan door de verstekdoende partijen en derdenverzet door de belanghebbenden die daarbij geen partij zijn geweest. Een schuldenaar die aangifte doet van zijn staking van betaling, is geen partij in het vonnis dat over die aangifte oordeelt. § 3. Het verzet is slechts ontvankelijk indien het wordt gedaan binnen vijftien dagen na de betekening van het vonnis. Indien het faillissement van een in artikel I.1, eerste lid, 1°, c), van dit boek bepaalde onderneming, of een rechtspersoon waarvan de vennoten onbeperkt aansprakelijk zijn, betreft, is het derdenverzet uitgaande van een vennoot die niet op de hoogte gebracht is of geen kennis gekregen heeft van de aangifte van faillissement slechts ontvankelijk indien het wordt gedaan binnen de zes maanden na de opneming van de bekendmaking van het faillissement in het Belgisch Staatsblad, en ieder geval, binnen vijftien dagen na kennisname van het vonnis. Het derdenverzet is slechts ontvankelijk indien het wordt gedaan binnen vijftien dagen na de opneming van de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad. De termijn om hoger beroep in te stellen tegen het vonnis, is vijftien dagen te rekenen vanaf de bekendmaking van het vonnis bedoeld in artikel XX.107 ». B.2. De parlementaire voorbereiding van artikel XX.108 van het Wetboek van economisch recht verwijst naar het vroegere artikel 14 van de faillissementswet van 8 augustus 1997, waarmee de wetgever een snelle en vlotte afwikkeling van de faillissementsprocedure beoogde, teneinde het normale marktmechanisme zo weinig mogelijk te verstoren en de situatie van alle betrokkenen, en vooral van de schuldeisers, zo snel mogelijk uit te klaren (Parl. St., Kamer, 1991-1992, DOC 48-631/13, p. 28). 5 B.3. Uit de formulering van de prejudiciële vragen en de motieven van de verwijzingsbeslissing kan worden afgeleid dat de zaak voor het verwijzende rechtscollege betrekking heeft op een gefailleerde die partij was bij het vonnis van faillietverklaring en bijgevolg hoger beroep kon instellen. Het Hof beperkt zijn onderzoek van beide prejudiciële vragen tot die hypothese. B.4. Met de eerste prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel XX.108, § 3, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, doordat « voor een gefailleerde aan wie in elk geval het vonnis van faillissement moet worden betekend met toepassing van art. XX.106 [van het Wetboek van economisch recht], toch de beroepstermijn zou aanvangen op basis van een bekendmaking in het Belgisch Staatsblad ». Met de tweede prejudiciële vraag wordt het Hof gevraagd of artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, doordat die bepaling, wanneer de termijn van het rechtsmiddel begint te lopen vanaf de bekendmaking van het vonnis van faillietverklaring in het Belgisch Staatsblad, niet voorziet in het opnemen in het uittreksel van dezelfde informatie als die welke verplicht dient te worden opgenomen in het exploot van betekening van het vonnis van faillietverklaring aan de gefailleerde. B.5.1. Bij zijn arrest nr. 108/2024 van 3 oktober 2024 ( ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.108 ) heeft het Hof zich uitgesproken over soortgelijke prejudiciële vragen inzake de artikelen XX.107, § 1, en XX.108, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht. De eerste prejudiciële vraag in die zaak heeft betrekking op het verschil in behandeling tussen, enerzijds, een gefailleerde die derdenverzet moet doen omdat hij, ten gevolge van zijn aangifte van de staking tot betaling, als een derde wordt beschouwd en, anderzijds, een gefailleerde die verzet moet doen omdat hij, ofschoon opgeroepen, verstek liet gaan. Hoewel in beide gevallen het vonnis van faillietverklaring zowel moet worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (artikel XX.107 van het Wetboek van economisch recht) als aan de gefailleerde moet worden betekend (artikel XX.106 van hetzelfde Wetboek), vangt de termijn 6 van vijftien dagen om derdenverzet aan te tekenen voor de eerste categorie van gefailleerden aan na de bekendmaking van het vonnis in het Belgisch Staatsblad (artikel XX.108, § 3, derde lid, van hetzelfde Wetboek), terwijl de termijn van vijftien dagen om verzet aan te tekenen voor de tweede categorie van gefailleerden aanvangt na de betekening van het vonnis (artikel XX.108, § 3, eerste lid, van hetzelfde Wetboek). De tweede prejudiciële vraag in die zaak is identiek aan de tweede prejudiciële vraag in de onderhavige zaak. B.5.2. Het Hof oordeelde in dat arrest : « B.5. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen. B.6. Het recht op toegang tot de rechter, dat een onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden, met name wat betreft het instellen van een rechtsmiddel. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op zodanige wijze wordt beperkt dat de kern ervan wordt aangetast. Dit zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot een rechterlijke instantie hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel. Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 , §§ 35-37; 29 maart 2011, RTBF t. België, ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406 , § 69; 18 oktober 2016, Miessen t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 , §§ 63-66; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 , § 43). B.7. Het vonnis van faillietverklaring moet door de curator binnen vijf dagen na zijn dagtekening bij uittreksel worden bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad (artikel XX.107 van het Wetboek van economisch recht). De bekendmaking in het Belgisch Staatsblad is het officiële middel waarmee de wetgever de daadwerkelijke toegang waarborgt tot het voormelde vonnis. De datum van bekendmaking bij uittreksel van een vonnis in het Belgisch Staatsblad is bijgevolg de datum waarop de 7 belanghebbende derden worden geacht van dat vonnis kennis te hebben genomen. Hij vormt in principe een relevant aanvangspunt om de beroepstermijn te doen ingaan, ten aanzien van belanghebbende derden aan wie het vonnis niet moet worden betekend. B.8. Ten aanzien van de gefailleerde, ook de gefailleerde die geen partij is bij de procedure, geldt echter de verplichting voor de curator om het vonnis van faillietverklaring te betekenen, waarbij eveneens de verplichting geldt dat daarbij uitdrukkelijk de beroepsmogelijkheden worden vermeld (artikel XX.106, eerste en tweede lid, van het Wetboek van economisch recht). Het is een onevenredige beperking van het recht op toegang tot de rechter dat voor een gefailleerde aan wie in elk geval het vonnis moet worden betekend, toch de beroepstermijn zou aanvangen op basis van een bekendmaking die zowel wat betreft de effectieve kennisname als wat betreft de vermelding van de rechtsmiddelen en de nadere regels ervan, minder waarborgen biedt. De in B.2 vermelde doelstelling van een snelle afwikkeling verandert niets aan die conclusie. Hoewel er, in tegenstelling tot wat is bepaald voor de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, niet in een termijn is voorzien voor de betekening van het vonnis aan de gefailleerde, verhindert dit de curator geenszins om zo snel mogelijk over te gaan tot die betekening. B.9. Artikel XX.108, § 3, derde lid, van het Wetboek van economisch recht is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, in zoverre de termijn waarin de gefailleerde die aangifte deed van het faillissement derdenverzet kan doen tegen het vonnis van faillietverklaring, aanvangt na de bekendmaking bij uittreksel van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad en niet na de betekening ervan aan de gefailleerde. B.10. De tweede prejudiciële vraag heeft betrekking op het verschil in behandeling onder gefailleerden, doordat artikel XX.107, § 1, van het Wetboek van economisch recht, wanneer de termijn van het rechtsmiddel begint te lopen vanaf de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, niet voorziet in het opnemen in het uittreksel van dezelfde informatie als die welke verplicht dient te worden opgenomen in het exploot van betekening van het vonnis van faillissement aan de gefailleerde. Rekening houdend met het antwoord dat is gegeven op de eerste prejudiciële vraag, behoeft de tweede prejudiciële vraag geen antwoord ». B.6. Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in B.8 van het voormelde arrest nr. 108/2024 is artikel XX.108, § 3, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, in zoverre de termijn waarin de gefailleerde hoger beroep kan instellen tegen het vonnis van faillissement, aanvangt na de bekendmaking bij uittreksel van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad en niet na de betekening ervan aan de gefailleerde. 8 Om dezelfde redenen als die welke zijn vermeld in B.10 van het voormelde arrest behoeft de tweede prejudiciële vraag geen antwoord. 9 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : 1. Artikel XX.108, § 3, vierde lid, van het Wetboek van economisch recht schendt de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de algemene beginselen die het recht op toegang tot de rechter waarborgen, in zoverre de termijn waarin de gefailleerde hoger beroep kan instellen tegen het vonnis van faillissement, aanvangt na de bekendmaking bij uittreksel van dat vonnis in het Belgisch Staatsblad en niet na de betekening ervan aan de gefailleerde. 2. De tweede prejudiciële vraag behoeft geen antwoord. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 oktober 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.139 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.108 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2011:0329JUD005008406 ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot