ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.138
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-10-23
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
arbeidsrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
12 april 1965, 14 juli 1994, 3 juli 1996, 6 januari 1989, Constitution
Samenvatting
de prejudiciële vraag over artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank Henegouwen, afdeling Binche.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.138
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 23 oktober 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.138
Arrest- Rolnummer:
138/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-11-03
Raadplegingen:
56 - laatst gezien 2025-12-15 14:41
Versie(s):
Versie FR
Fiche
Terugzending van de zaak naar het verwijzende rechtscollege
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag over artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende
de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen,
gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank Henegouwen,
afdeling Binche. Sociale zekerheid - Ziekte- en invaliditeitsverzekering
- Arbeidsongeschiktheid - Uitkeringen - Tijdelijk aangeworven of aangestelde
leerkracht
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 138/2025
van 23 oktober 2025
Rolnummer : 8367
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, gesteld door de Arbeidsrechtbank Henegouwen, afdeling Binche.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 21 november 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 27 november 2024, heeft de Arbeidsrechtbank Henegouwen, afdeling Binche, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994, de artikelen 10 en 11
van de Grondwet, in de interpretatie dat het leidt tot de volledige schorsing van de arbeidsongeschiktheidsuitkeringen van een tijdelijk aangeworven of aangestelde leerkracht die een loon geniet tijdens een ziekteverlof, zonder een onderscheid te maken naargelang het loon dat de schadeloosstelling in de weg staat, is berekend op grond van een loon dat overeenstemt met een voltijdse of een deeltijdse aanwerving of aanstelling, waardoor werknemers die zich in verschillende situaties bevinden op dezelfde manier worden behandeld ? ».
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Pierre Slegers en mr. Margaux Kerkhofs, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend.
Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist :
2
- dat de zaak in staat van wijzen was,
- de Ministerraad te verzoeken om uiterlijk op 4 augustus 2025 aan het Hof de beslissing mee te delen van het Nationaal Verbond van Socialistische Mutualiteiten waarbij een arbeidsongeschiktheidsuitkering wordt toegekend ten belope van 19/26ste voor de periode van 8 mei tot 30 juni 2020, alsook een uitkering voor de resterende 6/26ste voor de periode van 29
tot 30 juni 2020;
- of, bij gebreke daarvan, via elk rechtsmiddel het bewijs te leveren van het bestaan van een dergelijke beslissing;
- dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en
- dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten zouden worden gesloten op 4 augustus 2025 en de zaak in beraad zou worden genomen.
De Ministerraad heeft een aanvullende memorie ingediend.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
S.H. is een tijdelijke leerkracht in dienst van het gemeentebestuur van Erquelinnes.
Van 28 april tot 30 juni 2020 is zij arbeidsongeschikt.
Van 28 april tot 7 mei 2020 wordt zij betaald door haar werkgever voor 25 lestijden op 26 per week.
Van 8 mei tot 30 juni 2020 verminderen haar toewijzingen waardoor zij naar 6 lestijden op 26 overgaat, wegens de beëindiging van een van haar vervangingen.
De leerkracht vraagt dan aan haar ziekenfonds om haar een arbeidsongeschiktheidsuitkering toe te kennen voor de periode van 8 mei tot 30 juni 2020.
Het ziekenfonds weigert tussen te komen om reden dat de leerkracht een loon kreeg tijdens de desbetreffende periode.
De leerkracht heeft immers het stelsel van betaald verlof wegens ziekte genoten, waarin de artikelen 18 tot 23 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 5 juli 2000 « houdende de regeling inzake verlof en disponibiliteit wegens ziekte of invaliditeit van sommige personeelsleden uit het onderwijs » voorzien. Dat loon heeft enkel betrekking op de aanwerving voor 6 lestijden op 26 per week, voor de periode van 8 mei tot 30 juni 2020. Aangezien haar tweede aanwerving, voor 19 lestijden per week, is afgelopen gedurende haar arbeidsongeschiktheid, kon zij daarentegen geen loon ontvangen dat overeenstemt met die aanwerving na de beëindiging ervan (artikel 22 van het voormelde decreet van 5 juli 2000).
3
Op 31 december 2020 dient de leerkracht een verzoekschrift in bij de Arbeidsrechtbank Henegouwen, afdeling Binche. Zij vordert een arbeidsongeschiktheidsuitkering naar rato van haar aanwervingen.
Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag.
III. In rechte
-A-
De Ministerraad voert aan dat de zaak moet worden teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege, aangezien het antwoord op de prejudiciële vraag niet nuttig is voor de oplossing van het bodemgeschil. Het bodemgeschil is immers zonder voorwerp geworden doordat het ziekenfonds van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege haar dossier opnieuw heeft onderzocht en haar de door haar gevorderde arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft toegekend.
-B-
B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 103, § 1, 1°, van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 (hierna : de wet van 14 juli 1994), dat bepaalt :
« Geen aanspraak op uitkeringen heeft de werknemer :
1° voor de periode waarvoor hij recht heeft op loon. Het begrip loon wordt bepaald bij artikel 2 van de wet van 12 april 1965 betreffende de bescherming van het loon der werknemers.
De Koning kan het loonbegrip bedoeld in het eerste lid uitbreiden of beperken, evenals bepalen op welke wijze de periode wordt vastgesteld die gedekt wordt door de niet in arbeidstijd uitgedrukte vergoeding toegekend wegens de beëindiging van de arbeidsovereenkomst ».
B.1.2. Artikel 103, § 3, van dezelfde wet bepaalt :
« In afwijking van het in § 1 bepaalde kan de Koning, onder de voorwaarden die Hij vaststelt, toelaten dat de werknemer uitkeringen wegens arbeidsongeschiktheid geniet, wanneer hij recht heeft op één van de in § 1 opgesomde voordelen of in afwachting dat hij één van die voordelen ontvangt.
Voor de terugvordering van de uitkeringen die de verzekeringsinstelling in toepassing van onderhavige bepaling heeft betaald, treedt zij in de plaats van de rechthebbende ».
4
B.1.3. Artikel 242, § 1, van het koninklijk besluit van 3 juli 1996 « tot uitvoering van de wet betreffende de verplichte verzekering voor geneeskundige verzorging en uitkeringen, gecoördineerd op 14 juli 1994 », bepaalt :
« De gerechtigde die door meer dan één werkgever is tewerkgesteld en die, uit hoofde van één of meer, maar niet van alle tewerkstellingen, zich in één van de in artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet bedoelde tijdvakken bevindt, kan slechts aanspraak maken op een arbeidsongeschiktheidsuitkering uit hoofde van één tewerkstelling die geen aanleiding geeft tot het toekennen van een loon of een geldelijk voordeel, als bedoeld in hetzelfde artikel 103, § 1, van de gecoördineerde wet.
Voor de toepassing van deze paragraaf dient het in artikel 86, § 1, 1°, a), van de gecoördineerde wet, bedoelde tijdvak voor hetwelk de gerechtigde aanspraak heeft op een vergoeding verschuldigd wegens beëindiging van de arbeidsovereenkomst, met een periode van tewerkstelling te worden gelijkgesteld ».
B.2. Het Hof wordt verzocht na te gaan of artikel 103, § 1, 1°, van de wet van 14 juli 1994
bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de identieke behandeling van alle tijdelijk aangeworven of aangestelde leerkrachten die een loon genieten tijdens een periode van arbeidsongeschiktheid, aangezien dat loon het ontvangen van een arbeidsongeschiktheidsuitkering in de weg staat, zonder dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang dat loon overeenstemt met een voltijdse aanwerving of aanstelling dan wel met een deeltijdse aanwerving of aanstelling.
B.3. De Ministerraad voert aan dat het bodemgeschil zonder voorwerp is geworden, aangezien het ziekenfonds van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege haar dossier opnieuw heeft onderzocht en haar de door haar gevorderde arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft toegekend. Bijgevolg behoeft de prejudiciële vraag volgens hem geen antwoord en moet de zaak worden teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege.
B.4.1. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.
B.4.2. Het geschil voor het verwijzende rechtscollege heeft betrekking op de betwisting van de beslissing van een ziekenfonds om de toekenning van arbeidsongeschiktheidsuitkeringen aan de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege te
5
weigeren voor de periode van 8 mei tot 30 juni 2020, om reden dat zij gedeeltelijk werd betaald gedurende die periode. Aangezien het ziekenfonds van de eisende partij voor het verwijzende rechtscollege op die beslissing is teruggekomen door de aanspraken van de laatstgenoemde in te willigen, is het antwoord op de prejudiciële vraag klaarblijkelijk niet meer nuttig voor de oplossing van het geschil.
6
Om die redenen,
het Hof
zendt de zaak terug naar het verwijzende rechtscollege.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 oktober 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.138
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==