ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.137
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-10-23
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
15 juni 1935, 23 september 1985, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET
Samenvatting
de prejudiciële vragen betreffende artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.137
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 23 oktober 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.137
Arrest- Rolnummer:
137/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-11-03
Raadplegingen:
59 - laatst gezien 2025-12-15 14:40
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
- Schending (artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 « op
het gebruik der talen in gerechtszaken », in de interpretatie dat de
centrale diensten in de zin van de wetten op het gebruik van de talen
in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, die gevestigd zijn in
een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, de vrije keuze
hebben om, in geval van een betekening of kennisgeving van een in het
Duits gesteld vonnis of arrest, zoals bedoeld in artikel 38, vijfde lid,
van dezelfde wet, de Duitse taal voor de rechtspleging wel of niet te
aanvaarden) - Geen schending (artikel 38, achtste lid, van de wet van
15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », in de interpretatie
dat diezelfde centrale diensten, in geval van een betekening of kennisgeving
van een in het Duits gesteld vonnis of arrest, zoals bedoeld in artikel
38, vijfde lid, van dezelfde wet, onweerlegbaar worden vermoed de Duitse
taal voor de rechtspleging te hebben aanvaard)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vragen betreffende artikel 38, achtste lid, van de wet
van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld
door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik. Gerechtelijk recht - Gebruik
der talen in gerechtszaken - Duitstalige rechterlijke beslissing - Betekening
en kennisgeving aan de Belgische Staat
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 137/2025
van 23 oktober 2025
Rolnummer : 8326
In zake : de prejudiciële vragen betreffende artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », gesteld door het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging
Bij arrest van 16 september 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 24 september 2024, heeft het Arbeidshof te Luik, afdeling Luik, de volgende prejudiciële vragen gesteld :
« Schendt artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het de Belgische federale Staat op dezelfde manier behandelt als alle andere rechtspersonen en bijgevolg de Duitstalige rechterlijke beslissingen waarvan aan de Belgische Staat kennis wordt gegeven, in het Frans en het Nederlands moeten worden vertaald, ofschoon hij zich niet in dezelfde situatie bevindt als de andere rechtzoekenden ?
Schendt artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 op het gebruik der talen in gerechtszaken de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, wanneer het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat de Belgische Staat, in tegenstelling tot de andere rechtzoekenden, niet automatisch en van rechtswege de taal van de rechtspleging die in een geschil wordt gevoerd, aanvaardt, omdat hij als overheid die op het gehele grondgebied van het Rijk bevoegd is, niet met andere rechtspersonen kan worden vergeleken ? ».
2
Memories zijn ingediend door :
- S.F., D.T. en E.T., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Katharina Schmitz, advocate bij de balie te Eupen;
- de Duitstalige Gemeenschap, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Denis Barth, advocaat bij de balie te Eupen;
- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Patrik De Maeyer en mr. Daisy Daniels, advocaten bij de balie te Brussel.
Memories van antwoord zijn ingediend door :
- S.F., D.T. en E.T.;
- de Duitstalige Gemeenschap.
Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Bij vonnis van 26 januari 2023 heeft de Arbeidsrechtbank te Eupen geoordeeld dat de verzoekende partijen geen aanspraak maken op kinderbijslag vóór 1 december 2021. De verzoekende partijen zijn de leden van een gezin aan wie de Belgische Staat op 19 november 2021 een voorlopig verblijfsrecht van één jaar heeft verleend.
Die beslissing gaf de verzoekende partijen recht op kinderbijslag vanaf 1 december 2021, maar zij meenden dat recht reeds te hebben vanaf mei 2019. De Duitstalige Gemeenschap keerde hen inderdaad kinderbijslag uit van mei 2019 tot juli 2020, maar vorderde die bedragen later terug. Het is die terugvordering die de verzoekende partijen hebben aangevochten voor de Arbeidsrechtbank.
De Arbeidsrechtbank te Eupen wees hun vordering af, maar oordeelde ook dat de beslissing van de Duitstalige Gemeenschap om vóór 1 december 2021 kinderbijslag te betalen op onjuiste informatie van de Belgische Staat berustte. Zij heeft daarom de verzoekende partijen ertoe veroordeeld de onterecht betaalde kinderbijslag terug te betalen aan de Duitstalige Gemeenschap, en de Belgische Staat veroordeeld tot vrijwaring van de verzoekende partijen.
De griffie van de Arbeidsrechtbank heeft het vonnis op 30 januari 2023 aan alle partijen ter kennis gebracht in het Duits, met een afschrift van het vonnis in het Duits. Op 20 juli 2023 hebben de verzoekende partijen het vonnis in de drie officiële landstalen aan de Belgische Staat laten betekenen. Op 15 september 2023 heeft de Belgische Staat hoger beroep ingesteld tegen het vonnis. Hij betwist daarin de eigen aansprakelijkheid en voert aan dat de stad Eupen een fout heeft gemaakt bij de registratie van het betrokken gezin.
3
Voor het Arbeidshof te Luik betogen de Duitstalige Gemeenschap en het betrokken gezin dat het hoger beroep van de Belgische Staat niet tijdig en dus onontvankelijk is. Het Arbeidshof stelt vast dat, op grond van artikel 38, vijfde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », een Nederlandse en een Franse vertaling van het vonnis aan de kennisgeving moesten worden toegevoegd. Bijgevolg is enkel de betekening geldig verricht. Het achtste lid van hetzelfde artikel bepaalt echter dat van de voorschriften van het artikel mag worden afgeweken indien de partij aan wie de betekening wordt gedaan het gebruik van de Duitse taal heeft aanvaard. Dat laatste is hier niet het geval, zo stelt het Arbeidshof te Luik uitdrukkelijk vast, maar alvorens over de exceptie van laattijdigheid uitspraak te doen, stelt het op verzoek van de Duitstalige Gemeenschap de hiervoor weergegeven prejudiciële vragen.
III. In rechte
-A-
A.1. De Duitstalige Gemeenschap, die partij is voor het verwijzende rechtscollege, meent allereerst dat de eerste prejudiciële vraag betrekking heeft op het vijfde in plaats van het achtste lid van artikel 38 van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935). Zij gewaagt in dat verband van een materiële vergissing.
Ten gronde betoogt de Duitstalige Gemeenschap dat een rechtzoekende in een taal die hij begrijpt moet worden geïnformeerd over de inhoud van een rechterlijke beslissing en de bijbehorende beroepsmogelijkheden, zodat hij op grond van die kennisgeving kan beslissen om wel of niet in beroep te gaan. Om die reden ontvangen de rechtzoekenden in de andere taalgebieden dan het Duitse taalgebied een vertaling van een Duitstalige rechterlijke beslissing in de taal of talen van hun taalgebied. De Belgische Staat kan in dat opzicht evenwel niet met de andere rechtzoekenden worden vergeleken. Hij moet krachtens de wet en de rol die hij vervult in de Belgische staatsstructuur de drie landstalen begrijpen. Op grond van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, is de Belgische Staat ook verplicht de Duitse taal te gebruiken in zijn rechtsbetrekkingen met burgers uit het Duitse taalgebied. Bijgevolg moet worden aangenomen dat bij kennisgeving van een rechterlijke beslissing aan de Belgische Staat geen vertaling vereist is, ofwel dat een onweerlegbaar vermoeden geldt dat hij de taal van de rechtspleging heeft aanvaard. Door de Belgische Staat op dezelfde wijze te behandelen als elke andere rechtspersoon, schendt de in het geding zijnde bepaling de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
A.2. De leden van het betrokken gezin, die eveneens partij zijn voor het verwijzende rechtscollege, sluiten zich aan bij het standpunt van de Duitstalige Gemeenschap.
A.3. De Ministerraad is van oordeel dat de in het geding zijnde bepaling een aspect van de in artikel 4 van de Grondwet verankerde taalverscheidenheid uitwerkt en om die reden aan de toetsingsbevoegdheid van het Hof ontsnapt. De indeling in taalgebieden betreft een gevoelig politiek compromis dat op fundamentele wijze heeft bijgedragen tot de communautaire vrede in België. Daarnaast meent de Ministerraad dat de eerste prejudiciële vraag in werkelijkheid betrekking heeft op artikel 38, vijfde lid, van de wet van 15 juni 1935, eventueel in samenhang gelezen met artikel 38, achtste lid, van dezelfde wet.
Ten gronde merkt de Ministerraad ten aanzien van de eerste prejudiciële vraag op dat de in het geding zijnde regeling geen onderscheid maakt op grond van de hoedanigheid van de betrokken persoon, maar wel op grond van het gebied waarin de betekening of kennisgeving aan die persoon dient te gebeuren. Wat de tweede prejudiciële vraag betreft, meent de Ministerraad dat de Belgische Staat zich in een wezenlijk andere situatie bevindt, in die zin dat meer van hem wordt verwacht, onder andere op het vlak van kennis en middelen, dan van andere rechtspersonen of rechtzoekenden.
De regeling van het gebruik der talen in gerechtszaken strekt ertoe het territorialiteitsbeginsel, als onderdeel van de nationale en constitutionele identiteit, te waarborgen. Het is dus naar het oordeel van de Ministerraad pertinent dat de Belgische Staat, die overeenkomstig artikel 194 van de Grondwet in Brussel is gevestigd, in het Frans en het Nederlands moet worden aangesproken. De in het geding zijnde bepaling heeft geen onevenredige
4
gevolgen, aangezien zij de goede rechtsbedeling en de toegang tot de rechter niet in het gedrang brengt. Op grond van artikel 38, negende lid, van de wet van 15 juni 1935 zijn de kosten van de vertaling in geschillen voor de arbeidsgerechten ten laste van de Schatkist.
A.4. Wat de toetsingsbevoegdheid van het Hof betreft, merkt de Duitstalige Gemeenschap nog op, hierin gesteund door de leden van het betrokken gezin, dat niet elk aspect van het taalgebruik in gerechtszaken een keuze van de Grondwetgever betreft. Ten bewijze daarvan verwijst zij naar enkele recente arresten waarin het Hof bepalingen van de wet van 15 juni 1935 heeft getoetst. De prejudiciële vragen hebben ten slotte geen betrekking op de indeling in taalgebieden of op de beginselen van eentaligheid van de gerechtelijke arrondissementen en tweetaligheid van het gerechtelijk arrondissement Brussel. Zij betreffen enkel de vraag of de Belgische Staat, die bevoegd is voor het gehele grondgebied van het Koninkrijk en die als wetgevende en bestuurlijke overheid de drie landstalen moet kennen, een vertaling kan eisen bij de kennisgeving van rechterlijke beslissingen.
-B-
B.1.1. De prejudiciële vragen betreffen de wijze waarop een Duitstalige rechterlijke beslissing aan de Belgische Staat, wiens aansprakelijkheid in het geding is, ter kennis moeten worden gebracht. Krachtens artikel 38, vijfde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het taalgebruik in gerechtszaken » (hierna : de wet van 15 juni 1935) dient aan elk in het Duits gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of kennisgeving moet worden gedaan in een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een Nederlandse en een Franse vertaling te worden toegevoegd.
Artikel 38 van de wet van 15 juni 1935 bepaalt :
« Aan elke in het Nederlands gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of de kennisgeving moet gedaan worden in het Frans taalgebied, zal een Franse vertaling toegevoegd worden.
Aan elke in het Frans gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of de kennisgeving moet gedaan worden in het Nederlands taalgebied, zal een Nederlandse vertaling toegevoegd worden.
Aan elke in het Nederlands of in het Frans gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of de kennisgeving moet gedaan worden in het Duits taalgebied, zal een Duitse vertaling toegevoegd worden.
Aan elke in het Duits gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of kennisgeving moet gedaan worden in het Frans of in het Nederlands taalgebied, zal een Nederlandse of een Franse vertaling toegevoegd worden.
5
Aan elke in het Duits gestelde akte van rechtspleging en aan elk in dezelfde taal gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of kennisgeving moet gedaan worden in een gemeente van het tweetalig gebied Brussel-Hoofdstad, worden een Nederlandse en een Franse vertaling toegevoegd.
Deze bepalingen zijn niet toepasselijk op de voorziening in verbreking.
Wanneer de griffier de kennisgeving laat verrichten in de gevallen bedoeld in de voorgaande leden, laat hij vooraf en zo spoedig mogelijk de akte waarvan kennis dient te worden gegeven, vertalen.
Van de voorschriften van dit artikel mag afgeweken worden, indien de partij aan dewelke de betekening moet gedaan worden, voor de rechtspleging de taal heeft gekozen of aanvaard, in dewelke de akte, het vonnis of het arrest is gesteld.
In geschillen die onder de arbeidsgerechten ressorteren, evenals in repressieve zaken, zijn de kosten dezer vertaling ten laste der Schatkist; in andere zaken, worden zij mede begroot.
[...] ».
B.1.2. De wet van 15 juni 1935 werd aangenomen om een einde te maken aan een situatie die nadelig was voor een groot deel van de bevolking op het grondgebied van de Staat, te dezen het Vlaamse volk, dat maar al te zelden in zijn taal kon communiceren met de gerechtelijke overheden (Parl. St., Kamer, 1932-1933, nr. 136, pp. 7-8; Senaat, 1933-1934, nr. 86, p. 5;
Hand., Senaat, 10 april 1935, p. 501). Die wet bood een antwoord op de bekommernis om de gelijkheid van de « taalgemeenschappen van het land » te waarborgen (Parl. St., Senaat, 1933-
1934, nr. 86, p. 12).
De wet van 15 juni 1935 steunt op het beginsel « Gewesttaal, voertaal » (Parl. St., Kamer, 1932-1933, nr. 136, p. 12). De verplichtingen tot toevoeging van een vertaling die zijn geformuleerd in de eerste leden van artikel 38 van die wet, beogen de partijen in een proces de zekerheid te bieden dat zij alles wat zij moeten weten, zullen begrijpen (ibid., p. 18); zij beogen eenieder in staat te stellen om het gerechtelijk document dat hem officieel wordt meegedeeld en dat in een andere landstaal is gesteld dan die, of een van die van het taalgebied waarin hij is gevestigd en die hij wordt geacht regelmatig te gebruiken, te begrijpen.
B.1.3. Het vijfde lid van artikel 38 van de wet van 15 juni 1935 is ingevoegd bij artikel 22
van de wet van 23 september 1985 « betreffende het gebruik van het Duits in gerechtszaken en betreffende de rechterlijke organisatie », met als verantwoording dat het beoogt een leemte op te vullen :
6
« Artikel 38 van de wet heeft het geval niet geregeld van de betekening of de kennisgeving van een in het Duits gestelde akte van rechtspleging of vonnis of arrest in een gemeente van Brussel-Hoofdstad. Dit artikel vult die leemte aan en schrijft voor dat dan een Nederlandse en een Franse vertaling zullen worden toegevoegd » (Parl.St., Kamer, 1984-1985, nr. 1136/1, p. 6).
B.1.4. In het geding is evenwel het achtste lid van artikel 38 van de wet van 15 juni 1935, dat toelaat om van de voorschriften van dat artikel af te wijken indien de partij die de betekening ontvangt de taal van het vonnis of het arrest heeft gekozen of aanvaard.
Die bepaling maakt het mogelijk voor de partij aan wie de betekening van een Duitstalig vonnis of arrest is gericht, de Duitse taal voor de rechtspleging te kiezen of te aanvaarden.
B.2. Het is de verwijzende rechter die de bepalingen aanwijst die hij ter toetsing aan het Hof voorlegt, zelfs indien het Hof bij de uitoefening van die toetsing andere bepalingen in aanmerking kan nemen.
Het Hof onderzoekt artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 in zoverre het betrekking heeft op het voorschrift, bedoeld in artikel 38, vijfde lid, van dezelfde wet, dat aan elk in het Duits gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of kennisgeving moet worden gedaan in een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een Nederlandse en een Franse vertaling moet worden toegevoegd.
B.3. De eerste prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of het voormelde artikel 38, achtste lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre het de Belgische Staat op dezelfde manier behandelt als alle andere procespartijen, zodat bij de kennisgeving van een Duitstalige rechterlijke beslissing aan de Belgische Staat een vertaling van die beslissing in het Frans en het Nederlands moet worden gevoegd.
De tweede prejudiciële vraag strekt ertoe van het Hof te vernemen of hetzelfde artikel 38, achtste lid, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, « wanneer het in die zin dient te worden geïnterpreteerd dat de Belgische Staat, in tegenstelling tot de andere rechtzoekenden, niet automatisch en van rechtswege de taal van de rechtspleging die in een geschil wordt
7
gevoerd, aanvaardt, omdat hij als overheid die op het gehele grondgebied van het Rijk bevoegd is, niet met andere rechtspersonen kan worden vergeleken ».
De tweede prejudiciële vraag gaat ervan uit dat artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 niet enkel geldt in geval van een « betekening » maar ook in geval van een « kennisgeving ». Aangezien die interpretatie niet kennelijk verkeerd is, staat het niet aan het Hof die ter discussie te stellen.
De appellante voor het verwijzende rechtscollege, aan wie de rechterlijke beslissing ter kennis werd gebracht, is de FOD Buitenlandse Zaken, die zijn zetel heeft in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad.
B.4. Om beide prejudiciële vragen te beantwoorden, dient het Hof te onderzoeken of het voormelde artikel 38, achtste lid, in zoverre het eveneens geldt voor een betekening en een kennisgeving aan de Belgische Staat, die dus de vrije keuze zou hebben om de Duitse taal voor de rechtspleging te aanvaarden, een onverantwoorde gelijke behandeling doet ontstaan van de Belgische Staat en andere procespartijen.
Het antwoord op de prejudiciële vragen moet het verwijzende rechtscollege helpen bij de beoordeling van de ontvankelijkheid van het hoger beroep dat de Belgische Staat tegen een Duitstalig vonnis van de Arbeidsrechtbank te Eupen heeft ingesteld. De Belgische Staat werd daarin als aansprakelijke overheid aangewezen en om die reden veroordeeld tot vrijwaring van de verzoekende partijen. Het verwijzende rechtscollege heeft vastgesteld dat de Belgische Staat het gebruik van de Duitse taal voor de betrokken procedure niet heeft aanvaard.
Het vonnis werd ter kennis gebracht van de Belgische Staat, zonder toevoeging van een Nederlandse en een Franse vertaling, en later betekend aan de Belgische Staat, met die toevoeging. Het hoger beroep van de Belgische Staat zou niet tijdig zijn indien de kennisgeving rechtsgeldig was. Het hoger beroep zou daarentegen ontvankelijk zijn indien de kennisgeving nietig was.
Het Hof beperkt zijn onderzoek tot een vergelijking van de procespartijen die in het geschil voor het verwijzende rechtscollege in het geding zijn.
8
B.5. Gelet op hun onderlinge samenhang onderzoekt het Hof beide prejudiciële vragen samen. Het beperkt zijn onderzoek tot artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935, in zoverre het betrekking heeft op het voorschrift, bedoeld in artikel 38, vijfde lid, van dezelfde wet, dat aan elk in het Duits gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of kennisgeving moet worden gedaan in een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een Nederlandse en een Franse vertaling moet worden toegevoegd.
B.6.1. Volgens de Ministerraad vloeit de in het geding zijnde regel voort uit een keuze van de Grondwetgever, doordat hij een aspect van artikel 4 van de Grondwet regelt, zodat de in het geding zijnde gelijke behandeling aan de toetsingsbevoegdheid van het Hof zou ontsnappen.
B.6.2. Artikel 4 van de Grondwet bepaalt :
« België omvat vier taalgebieden : het Nederlandse taalgebied, het Franse taalgebied, het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad en het Duitse taalgebied.
Elke gemeente van het Rijk maakt deel uit van een van deze taalgebieden.
De grenzen van de vier taalgebieden kunnen niet worden gewijzigd of gecorrigeerd dan bij een wet, aangenomen met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt ».
B.6.3. Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken houdt de wet van 15 juni 1935
rekening met de taalverscheidenheid die is verankerd in artikel 4 van de Grondwet, dat vier taalgebieden vastlegt, waarvan drie eentalige taalgebieden en één tweetalig taalgebied.
Artikel 4 vormt de grondwettelijke waarborg van de voorrang van de taal van het eentalige gebied of van het tweetalige karakter van het gebied.
B.6.4. De in het geding zijnde mogelijkheid voor de partij aan wie de betekening of kennisgeving van een vonnis of arrest is gericht om de taal voor de rechtspleging te kiezen of te aanvaarden, behoort niet tot de kern van de in artikel 4 van de Grondwet verankerde waarborgen. Uit geen enkel gegeven blijkt dat de Grondwetgever zelf ervoor heeft gekozen dat die mogelijkheid ook geldt voor de Belgische Staat die partij is in een geding.
9
B.6.5. Het Hof is derhalve bevoegd om de gelijke behandeling te toetsen aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, vervat in de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
B.7. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Dat beginsel verzet er zich overigens tegen dat categorieën van personen die zich ten aanzien van de betwiste maatregel in wezenlijk verschillende situaties bevinden, op identieke wijze worden behandeld zonder dat daarvoor een redelijke verantwoording bestaat.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.8. De wet van 15 juni 1935 regelt op dwingende wijze het taalgebruik in gerechtszaken in België en hanteert daarbij als uitgangspunt de eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging, onverminderd de uitzonderingen waarin de wet voorziet en de mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden een verzoek tot verwijzing of tot verandering van taal in te dienen.
De eentaligheid van de gerechtelijke akten en van de rechtspleging en het dwingend karakter van de voorschriften van de wet worden als grondbeginselen van de wet van 15 juni 1935 beschouwd.
Uit de artikelen 1 tot 4 van de voormelde wet volgt dat de gehele rechtspleging in betwiste zaken volledig eentalig wordt gevoerd in hetzij het Frans, het Nederlands of het Duits, naargelang van de plaats waar de zetel van de betrokken rechtbank is gevestigd. Alle daaropvolgende bepalingen strekken eveneens ertoe hetzij op dwingende wijze in de wet zelf,
10
hetzij op basis van een overeenkomst tussen de partijen één enkele taal voor de procedure vast te leggen.
B.9. De regeling van het taalgebruik in gerechtszaken raakt niet alleen aan een aspect van de in artikel 4 van de Grondwet verankerde taalverscheidenheid maar ook aan een aspect van het recht op een behoorlijke rechtsbedeling.
Bij de regeling van het taalgebruik in gerechtszaken dient de wetgever de individuele vrijheid van de rechtsonderhorige om zich van de taal van zijn keuze te bedienen, te verzoenen met de goede werking van de rechtsbedeling.
B.10. De goede werking van de rechtsbedeling omvat, onder meer, de waarborg dat de procespartijen de beschikbare rechtsmiddelen daadwerkelijk kunnen aanwenden.
Om de daadwerkelijke uitoefening van de rechtsmiddelen binnen de termijn die ingaat vanaf de betekening of kennisgeving te kunnen waarborgen, moet de wetgever aan de persoon aan wie de betekening of kennisgeving is gericht, afdoende waarborgen bieden om op korte termijn en zonder buitengewone inspanningen kennis te kunnen nemen van de stukken die hem worden toegezonden.
Om die reden is het redelijk verantwoord dat aan elk in het Duits gesteld vonnis of arrest, waarvan de betekening of kennisgeving moet worden gedaan in een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, een Nederlandse en een Franse vertaling moet worden toegevoegd. Die regeling doet geen afbreuk aan de eentaligheid van de rechtspleging, maar waarborgt het recht op een behoorlijke rechtsbedeling.
B.11.1. De Belgische Staat bevindt zich, wat de centrale diensten in de zin van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966 (hierna : de Bestuurstaalwet), betreft, in een situatie die wezenlijk verschilt van die van de andere rechtzoekenden.
De « centrale diensten » van de Bestuurstaalwet, die « diensten [zijn] waarvan de werkkring het ganse land bestrijkt », zijn immers verplicht, in hun betrekkingen met de « plaatselijke en gewestelijke diensten » uit het Duitse taalgebied, het Duits te gebruiken
11
(artikel 39, § 2, eerste lid, van de Bestuurstaalwet). Zij zijn ook verplicht om aan het publiek gerichte berichten, mededelingen en formulieren in die taal te stellen (artikel 40, eerste lid, in samenhang gelezen met artikel 11, § 2, en artikel 40, tweede lid, derde en vierde zin, van dezelfde wet). Tot slot zijn zij verplicht om het Duits te gebruiken in hun « betrekkingen met de particulieren » die zich van die taal hebben bediend (artikel 41, § 1, van dezelfde wet), en moeten zij « de akten, getuigschriften, verklaringen, machtigingen en vergunningen » in het Duits kunnen stellen indien een belanghebbende particulier daarom verzoekt (artikel 42 van dezelfde wet).
B.11.2. Uit die regels van de Bestuurstaalwet blijkt dat de centrale diensten in staat dienen te zijn een in het Duits gesteld vonnis of arrest dat hun ter kennis is gebracht, te begrijpen, aangezien die regels die centrale diensten verplichten om zich zo te organiseren dat zij die taal kunnen gebruiken. De omstandigheid dat die diensten gevestigd zijn in het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, doet niets af aan het feit dat hun activiteiten dagelijks en in de drie voormelde talen het hele grondgebied bestrijken, noch aan het feit dat die diensten zijn opgericht ten bate van de bevolking.
Bijgevolg is de in B.4 vermelde identieke behandeling niet redelijk verantwoord.
B.11.3. In de interpretatie dat de centrale diensten die gevestigd zijn in een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad de vrije keuze hebben om, in geval van een betekening of kennisgeving van een in het Duits gesteld vonnis of arrest, zoals bedoeld in artikel 38, vijfde lid, van de wet van 15 juni 1935, de Duitse taal voor de rechtspleging wel of niet te aanvaarden, is artikel 38, achtste lid, van dezelfde wet niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
B.12. Artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 kan evenwel ook zo worden geïnterpreteerd dat in geval van een betekening of kennisgeving van een in het Duits gesteld vonnis of arrest, aan een centrale dienst die gevestigd is in een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, die centrale dienst onweerlegbaar wordt vermoed de Duitse taal voor de rechtspleging te hebben aanvaard.
In die interpretatie is artikel 38, achtste lid, van de wet van 15 juni 1935 bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
12
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
- In de interpretatie dat de centrale diensten in de zin van de wetten op het gebruik van de talen in bestuurszaken, gecoördineerd op 18 juli 1966, die gevestigd zijn in een gemeente van het tweetalige gebied Brussel-Hoofdstad, de vrije keuze hebben om, in geval van een betekening of kennisgeving van een in het Duits gesteld vonnis of arrest, zoals bedoeld in artikel 38, vijfde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », de Duitse taal voor de rechtspleging wel of niet te aanvaarden, schendt artikel 38, achtste lid, van dezelfde wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
- In de interpretatie dat diezelfde centrale diensten, in geval van een betekening of kennisgeving van een in het Duits gesteld vonnis of arrest, zoals bedoeld in artikel 38, vijfde lid, van de wet van 15 juni 1935 « op het gebruik der talen in gerechtszaken », onweerlegbaar worden vermoed de Duitse taal voor de rechtspleging te hebben aanvaard, schendt artikel 38, achtste lid, van dezelfde wet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 oktober 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.137
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==