Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.136

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-10-23 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

burgerlijk_recht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

21 november 1989, 21 november 1989, 31 mei 2017, 6 januari 1989, 9 juli 1975

Samenvatting

de prejudiciële vraag over artikel 19bis-14, § 5, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.136 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.136 Arrest- Rolnummer: 136/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-03 Raadplegingen: 76 - laatst gezien 2025-12-15 14:40 Versie(s): Versie FR Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag over artikel 19bis-14, § 5, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi. Verzekeringsrecht - Aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen - Tegemoetkoming van het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds - Subrogatoire vordering van het Fonds tegen de eigenaar van het voertuig - Bestuurder van een voertuig dat niet verzekerd is door de eigenaar - Terugvordering van de schadevergoeding Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 136/2025 van 23 oktober 2025 Rolnummer : 8322 In zake : de prejudiciële vraag over artikel 19bis-14, § 5, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen », gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 3 september 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 16 september 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 19bis-14, § 5, van de wet van 21 november 1989, in voorkomend geval in samenhang gelezen met artikel 2, § 1, van de wet van 21 november 1989, artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het de eigenaar van een niet-verzekerd voertuig op wie het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds zich verhaalt, het recht ontzegt om tegen wie dan ook de schadevergoeding terug te vorderen, wat veronderstelt dat hij geen dergelijk verhaal kan uitoefenen, zij het voor slechts een gedeelte van de schadevergoeding, tegen de bestuurder die het voertuig heeft bestuurd en die ervan op de hoogte was dat het voertuig niet verzekerd was ? ». Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - G.S., bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Daniel Gaspard, advocaat bij de balie te Charleroi; 2 - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jérôme Sohier, advocaat bij de balie te Brussel. Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil G.S. is eigenares van een niet-verzekerd voertuig en is als passagier betrokken in een verkeersongeval. C.-H. S., haar toenmalige partner, bestuurde toen het voertuig. Hij wordt aansprakelijk geacht voor het ongeval en is eveneens veroordeeld voor het in verkeer brengen, als bestuurder, van een niet-verzekerd voertuig, terwijl G.S. is veroordeeld voor het in het verkeer brengen, als eigenares, van een niet-verzekerd voertuig. Met toepassing van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » vergoedt het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds (hierna : het Fonds) de derden die slachtoffer waren van het verkeersongeval, ten belope van 34 517,54 euro. Vervolgens stelt het Fonds een beroep in tegen G.S. bij de Politierechtbank Henegouwen, afdeling Charleroi, om de betaalde som terug te vorderen, nog steeds met toepassing van de voormelde wet. G.S. dagvaardt vervolgens C.-H. S. tot tussenkomst en vrijwaring voor dezelfde Rechtbank. Bij vonnis van 2 mei 2023 verklaart de Rechtbank de vordering van het Fonds gegrond en veroordeelt zij G.S. Bij vonnis van 10 november 2023 verklaart dezelfde Rechtbank de vordering tot tussenkomst en vrijwaring gegrond en veroordeelt zij C.-H. S. tot betaling aan G.S. van de gehele som die oorspronkelijk door het Fonds werd betaald. C.-H. S. stelt tegen het voormelde vonnis hoger beroep in bij de Rechtbank van eerste aanleg Henegouwen, afdeling Charleroi, het verwijzende rechtscollege. Hij betwist de beslissing van de Politierechtbank, die zich op het arrest van het Hof nr. 12/2022 van 3 februari 2022 ( ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.012 ) heeft gebaseerd om te oordelen dat de onmogelijkheid voor de eigenaar van een niet-verzekerd voertuig om zich te keren tegen de bestuurder van het voormelde voertuig, die eveneens aansprakelijk is voor het verkeersongeval, ongrondwettig is. Aangezien het verwijzende rechtscollege vaststelt dat het arrest in kwestie zich beperkt tot de situatie van een bestuurder die is vrijgesproken van de tenlastelegging van ontstentenis van verzekering, hetgeen niet het geval is te dezen, en dat het verkeersongeval waarvan sprake niet met opzet werd veroorzaakt, stelt het aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- A.1. G.S., geïntimeerde partij voor het verwijzende rechtscollege, brengt in herinnering dat de wijziging van de in het geding zijnde bepaling bij de wet van 31 mei 2017 « tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » (hierna : de wet van 31 mei 2017) 3 niet de mogelijkheid heeft afgeschaft voor het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds (hierna : het Fonds) om verhaal uit te oefenen tegen de bestuurder die aansprakelijk is voor het verkeersongeval, hetgeen het Fonds te dezen had kunnen doen. Zij voert aan dat de Politierechtbank gelijk had door de in het geding zijnde bepaling in die zin te interpreteren dat zij niet ertoe kan leiden dat de eigenaar van het voertuig elk recht van verhaal wordt ontzegd tegen de bestuurder die met opzet een gevaarlijk rijgedrag zou hebben aangenomen en die dus rechtstreeks aansprakelijk zou zijn geweest voor een verkeersongeval. Een andersluidende interpretatie zou in strijd zijn met artikel 16 van het Grondwet en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Volgens de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege is het immers mogelijk om het arrest van het Hof nr. 12/2022 van 3 februari 2022 ( ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.012 ) a contrario te lezen : het verbod voor de eigenaar van het voertuig die aansprakelijk is voor een ongeval om zich te keren tegen de bestuurder die is veroordeeld voor ontstentenis van verzekering of wiens handelingen die tot het ongeval hebben geleid opzettelijk zijn, dat wil zeggen een fout in de zin van artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek, brengt een onevenredige aantasting van het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de eigenaar van het voertuig met zich mee. Te dezen ging het echter wel degelijk om een gedrag dat op zijn minst een burgerlijke fout vormt. Die lezing is bovendien coherent met de geest van de parlementaire voorbereiding van de wet van 31 mei 2017, die ertoe strekt de personen die het voertuig besturen niet wetende dat het voertuig niet verzekerd is, te beschermen. Aangezien te dezen de bestuurder, die aansprakelijk is voor het verkeersongeval, het voertuig bestuurde terwijl hij wist dat het niet verzekerd was, kan de in het geding zijnde bepaling niet tot gevolg hebben hem een immuniteit toe te kennen. A.2.1. De Ministerraad brengt in herinnering dat de ratio legis van de wet van 31 mei 2017 erin bestond de wet in overeenstemming te brengen met de rechtspraak. Er bestond geen enkele contractuele relatie tussen het Fonds en de eigenaar van het niet-verzekerde voertuig die naar recht zou hebben verantwoord dat de eerstgenoemde zich tegen de laatstgenoemde keert. De in het geding zijnde bepaling regelt die lacune. De onderliggende idee is dat het in de eerste plaats aan de eigenaar toekomt om na te gaan of zijn voertuig wel degelijk verzekerd is. Die regel belet daarentegen niet om zich tegen de voor het ongeval aansprakelijke persoon te keren in geval van opzet. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord, aangezien de in het geding zijnde bepaling voldoende is verantwoord. Het nagestreefde doel is legitiem. Zoals reeds is opgemerkt, gaat het erom het gebrek aan dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid te verhelpen en de snelle schadevergoeding van de slachtoffers te waarborgen, en gaat het niet erom de persoon die aansprakelijk is voor de ontstentenis van verzekering vrij te stellen van de betaling van de schadevergoeding. Die bepaling zet de eigenaars bijgevolg ertoe aan de wetgeving inzake verzekeringen in acht te nemen. Men kan de bestuurder die niet de eigenaar is van het niet-verzekerde voertuig immers niet de gevolgen laten dragen van de niet-inachtneming van een verplichting die niet op hem rust. De bepaling is pertinent ten aanzien van de doelstelling om eigenaars te responsabiliseren. De in het geding zijnde bepaling heeft ten slotte geen onevenredige gevolgen in zoverre zij, wat de door het Fonds betaalde schadevergoeding betreft, het recht van verhaal uitsluit voor de eigenaar van het voertuig tegen elke andere persoon, aangezien de ontstentenis van verzekering een ernstige tekortkoming is aan een duidelijke wettelijke verplichting. Er bestaat bovendien een afwijking indien het ongeval en de schade met opzet zijn veroorzaakt, hetgeen niet het geval is te dezen. A.2.2. De Ministerraad stelt dat de argumenten van de geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege op een verkeerde interpretatie van de in het geding zijnde bepaling berust, aangezien de wetgever ervoor heeft gekozen een duidelijk onderscheid te maken tussen eenieders aansprakelijkheden, onderscheid dat geen enkele twijfel toelaat. Noch de in het geding zijnde bepaling, noch de parlementaire voorbereiding voorziet in een onderscheid op grond van de veroordeling of de vrijspraak van de bestuurder die niet de eigenaar is. A.3. De geïntimeerde voor het verwijzende rechtscollege weerlegt de argumenten van de Ministerraad omdat de wet van 31 mei 2017 niet het voorwerp is van de prejudiciële vraag. De afwijking voor het vrijwillig veroorzaken van het ongeval en de schade is overigens in werkelijkheid een louter theoretisch beroep dat haar grondrechten schendt, aangezien die afwijking niet van toepassing is wanneer de appellant voor het verwijzende rechtscollege een grove fout begaat, zoals te dezen. Het is des te meer onevenredig dat die bepaling van toepassing is ongeacht de omstandigheden, bijvoorbeeld zelfs indien het voertuig werd gestolen. 4 -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepaling en de context ervan B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op het mechanisme van de aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen dat is ingevoerd in het geval het voertuig niet is verzekerd, zoals geregeld bij de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » (hierna : de wet van 21 november 1989). Met toepassing van artikel 2, § 1, van die wet is elke eigenaar in beginsel ertoe gehouden zijn voertuig te verzekeren. Artikel 19bis-11, § 1, 8°), van de wet voorziet met name erin dat de benadeelde van het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds (hierna : het Fonds) de vergoeding kan verkrijgen van de schade die door een motorrijtuig is veroorzaakt wanneer geen enkele verzekeringsonderneming tot de schadevergoeding is gehouden, inzonderheid wegens het feit dat de eigenaar van het voertuig dat voertuig niet heeft verzekerd. Het in het geding zijnde artikel 19bis-14, van de wet van 21 november 1989, zoals gewijzigd bij artikel 17, 2°, van de wet van 31 mei 2017 « tot wijziging van de wet van 21 november 1989 betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » (hierna : de wet van 31 mei 2017) en zoals het van toepassing is op het geschil voor het verwijzende rechtscollege, regelt een subrogatoir verhaal ten behoeve van het Fonds om de bedragen die het aan de door het ongeval benadeelde persoon heeft betaald, terug te vorderen. Dat artikel bepaalt : « § 1. In de gevallen bepaald in artikel 19bis-11, § 1, treedt het Fonds, in zoverre het de schade heeft vergoed, in de rechten van de benadeelde tegen de aansprakelijke personen en eventueel tegen hun verzekeraars. […] § 5. In afwijking van paragraaf 1 en in het geval van artikel 19bis-11, § 1, 8°), heeft het Fonds ten belope van het bedrag van de vergoeding een recht op verhaal tegen de eigenaar van het motorrijtuig en eventueel tegen zijn verzekeraar. De eigenaar heeft geen enkel recht om het bedrag van de schadevergoeding terug te vorderen. In afwijking van het voorgaande lid blijft paragraaf 1 van toepassing indien het ongeval en de schade met opzet werden veroorzaakt. […] ». 5 B.2. Artikel 17, 2°, van de wet van 31 mei 2017 voegt de voormelde paragraaf 5 in artikel 19bis-14 van de wet van 21 november 1989 in. In de parlementaire voorbereiding met betrekking tot die bepaling wordt aangegeven : « De tweede wijziging in de verhaalmodaliteiten van het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds betreft de tussenkomst van dit organisme in geval van niet-verzekering. De wet verplicht het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds om de slachtoffers te vergoeden in een dergelijk geval. Bijgevolg moet ook het recht van het Fonds tot terugvordering tot terugbetaling geregeld worden aangezien er geen contractuele relatie aan de basis ligt van deze vergoedingsplicht. Tot op heden bepaalde de wet dat het Fonds een recht heeft tot terugvordering op de voor het ongeval aansprakelijke bestuurder. Echter kadert deze regeling niet in de logica van de wet. De wet legt immers enerzijds de verzekeringsplicht op aan de eigenaar van het motorrijtuig en bepaalt anderzijds verder dat de verplichting voor de eigenaar geschorst is voor de duur van de overeenkomst die door een andere persoon is aangegaan voor hetzelfde motorrijtuig. De eigenaar dient er bijgevolg op toe te zien dat het motorrijtuig verzekerd is, hetzij door hemzelf, hetzij door een andere persoon. Ingeval van niet-verzekering dient de eigenaar onverwijld een verzekering te sluiten ofwel het motorrijtuig uit het verkeer te nemen. De voorgestelde wijziging trekt deze logica door en kent een recht van terugvordering toe tegen de eigenaar van het niet-verzekerde motorrijtuig als hoofdverantwoordelijke voor het feit dat het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds is dienen tussen te komen. Uiteraard blijft de bestaande reglementering van toepassing indien het ongeval en de schade werden veroorzaakt met opzet » (Parl. St., Kamer, 2016-2017, DOC 54-2414/001, pp. 14-15). Ten gronde B.3. Aan het Hof wordt een vraag gesteld over de bestaanbaarheid van artikel 19bis-14, § 5, van de wet van 21 november 1989, zoals gewijzigd bij de wet van 31 mei 2017, met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), in zoverre het de eigenaar van een niet-verzekerd voertuig op wie het Belgisch Gemeenschappelijk Waarborgfonds zich verhaalt, het recht ontzegt om van wie dan ook de schadevergoeding terug te vorderen. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt dat de bestuurder van het voertuig die aansprakelijk wordt geacht voor het ongeval, niet de eigenaar ervan was en dat hij veroordeeld is voor het in 6 het verkeer brengen, als bestuurder, van een niet-verzekerd voertuig (artikel 22 van de wet van 21 november 1989), zonder dat het opzettelijke karakter van het ongeval en de veroorzaakte schade echter is erkend. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die hypothese. B.4.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ». Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt : « Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht. De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». B.4.2. Aangezien artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol een draagwijdte heeft die analoog is met die van artikel 16 van de Grondwet, vormen de erin vervatte waarborgen een onlosmakelijk geheel met die welke zijn opgenomen in die grondwetsbepaling, zodat het Hof, bij zijn toetsing van de in het geding zijnde bepaling, rekening houdt met de eerstgenoemde. B.4.3. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol biedt niet alleen bescherming tegen een onteigening of een eigendomsberoving (eerste alinea, tweede zin), maar ook tegen elke verstoring van het genot van eigendom (eerste alinea, eerste zin). Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol vermeldt dat de bescherming van het eigendomsrecht « echter op geen enkele wijze het recht [aantast] dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ». 7 B.4.4. Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. B.5.1. De artikelen 19bis-11 en 19bis-14, § 1, van de wet van 21 november 1989 vormen een samenhangend geheel. Bij het eerste wordt immers voorzien in de tegemoetkoming van het Fonds om de schade te vergoeden die door de benadeelde persoon is geleden, terwijl bij het tweede het Fonds in de rechten van de benadeelde persoon treedt tegen de aansprakelijke personen, in de mate dat het die schade heeft vergoed. Zij vinden met name hun oorsprong in artikel 50 van de wet van 9 juli 1975 « betreffende de controle der verzekeringsondernemingen ». B.5.2. Uit de parlementaire voorbereiding van die bepaling blijkt dat, op algemene wijze, de wetgever tot doel had het gebrek aan dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid inzake motorrijtuigen, een sector waarin de verzekering verplicht werd gesteld, te verhelpen. Daartoe heeft hij voorzien in de oprichting van een Fonds dat tot taak heeft de schade te herstellen die in de in artikel 50, § 1, bedoelde gevallen door een motorrijtuig is veroorzaakt (Parl. St., Senaat, 1970-1971, nr. 269, p. 48). De wetgever heeft de tegemoetkoming vanwege het Fonds willen garanderen omdat « het om redenen van sociale rechtvaardiging niet past de slachtoffers van verkeersongevallen zonder schadeloosstelling te laten, wanneer deze niet kunnen worden vergoed » (Parl. St., Senaat, 1970-1971, nr. 570, p. 52). Het Fonds wordt in de plaats gesteld « voor zover het uitbetaalt, aangezien zijn taak er alleen in bestaat te waarborgen en niet te verzekeren » (Parl. St., Kamer, 1963-1964, nr. 851/1, p. 19). B.5.3. Daaruit volgt dat de tegemoetkoming van het Fonds ten doel heeft de schadeloosstelling van de slachtoffers te waarborgen en niet de voor het verkeersongeval aansprakelijke persoon of de persoon die aansprakelijk is doordat, aangezien het voertuig niet correct verzekerd is, geen enkele verzekering is opgetreden om de slachtoffers van het ongeval schadeloos te stellen, vrij te stellen van de betaling van de schadevergoeding. 8 B.6.1. Het in het geding zijnde artikel 19bis-14, § 5, van de wet van 21 november 1989, in zoverre het het voor de eigenaar van het voertuig onmogelijk maakt om van wie dan ook, met inbegrip van de voor het ongeval aansprakelijke persoon, het bedrag van de schadevergoeding van het Fonds terug te vorderen, behalve in het geval waarin het ongeval en de schade met opzet zijn veroorzaakt, brengt een inmenging in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de eigenaar met zich mee. B.6.2. Volgens de Ministerraad beantwoordt die onmogelijkheid aan een doelstelling die erin bestaat de eigenaars, op wie een duidelijke verzekeringsplicht rust, te stimuleren en te responsabiliseren. Die doelstelling is een vereiste van algemeen belang. B.7. Door uitsluitend de eigenaar van het niet-verzekerde voertuig de financiële last van de gevolgen van het ongeval te doen dragen, sluit de in het geding zijnde bepaling aan bij de in artikel 2, § 1, vierde lid, van de wet van 21 november 1989 bepaalde en in B.1 vermelde algemene regel op grond waarvan het aan de eigenaar toekomt om zijn voertuig te verzekeren. Het komt de eigenaar toe erop toe te zien dat zijn voertuig is verzekerd, hetzij door hemzelf, hetzij door een andere persoon (Cass., 29 maart 2006, ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060329.4 ; 11 juni 2019, ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.3 ; 20 maart 2024, ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240320.2F.13 ). De omstandigheid dat de bestuurder van het voertuig met toepassing van artikel 22, § 1, van de wet van 21 november 1989 is veroordeeld voor het in het verkeer brengen, als bestuurder, van een niet-verzekerd voertuig, doet daaraan niets af, daar die bepaling, ten aanzien van de bestuurder, veeleer het in het verkeer brengen van een voertuig dat niet is gedekt door een verzekering, strafbaar stelt, en niet zozeer de niet- naleving van de verplichting tot het sluiten van een verzekering voor een motorvoertuig, die enkel en alleen op de eigenaar rust. De wetgever kon redelijkerwijze van oordeel zijn dat de eigenaar van een voertuig zich niet, hetzij geheel, hetzij gedeeltelijk, mag onttrekken aan zijn verantwoordelijkheid inzake de verzekering van zijn voertuig, door zich te beroepen op het feit dat de bestuurder wist dat het voertuig niet verzekerd was. De in het geding zijnde bepaling is derhalve pertinent ten aanzien van de in B.6.2 vermelde doelstelling. B.8. De in het geding zijnde bepaling heeft geen onevenredige gevolgen. De verplichting voor de eigenaar om zijn voertuig te verzekeren, betreft een essentiële en duidelijk geformuleerde verplichting, die reeds lange tijd geldt. Bovendien voorziet de in het geding 9 zijnde bepaling in een uitzondering indien het ongeval en de schade met opzet zijn veroorzaakt, in welk geval het Fonds zijn verhaal bijgevolg dient te richten tegen de aansprakelijke personen, zoals bepaald in artikel 19bis-14, § 1, van de wet van 21 november 1989. B.9. Artikel 19bis-14, § 5, van de wet van 21 november 1989 is derhalve bestaanbaar met artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol. 10 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 19bis-14, § 5, van de wet van 21 november 1989 « betreffende de verplichte aansprakelijkheidsverzekering inzake motorrijtuigen » schendt niet artikel 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 oktober 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.136 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2006:ARR.20060329.4 ECLI:BE:CASS:2019:ARR.20190611.3 ECLI:BE:CASS:2024:ARR.20240320.2F.13 ECLI:BE:GHCC:2022:ARR.012 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot