ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.135
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-10-23
🌐 FR
Arrest
vernietigd
Rechtsgebied
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
15 mei 2024, 15 mei 2025, 21 juli 1971, 6 januari 1989, 8 augustus 1980
Samenvatting
het beroep tot vernietiging van de wet van 15 mei 2024 « tot invoering van een Samenlevingsdienst », ingesteld door de Vlaamse Regering.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.135
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 23 oktober 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.135
Arrest- Rolnummer:
135/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-11-03
Raadplegingen:
65 - laatst gezien 2025-12-15 14:39
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
het beroep tot vernietiging van de wet van 15 mei 2024 « tot invoering
van een Samenlevingsdienst », ingesteld door de Vlaamse Regering. Sociaal
recht - Invoering van een samenlevingsdienst - Jeugdbeleid - Bevoegdheidverdelende
regels
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 135/2025
van 23 oktober 2025
Rolnummer : 8320
In zake : het beroep tot vernietiging van de wet van 15 mei 2024 « tot invoering van een Samenlevingsdienst », ingesteld door de Vlaamse Regering.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 3 september 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 4 september 2024, heeft de Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jürgen Vanpraet, advocaat bij de balie van West-Vlaanderen, beroep tot vernietiging ingesteld van de wet van 15 mei 2024 « tot invoering van een Samenlevingsdienst » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 mei 2024).
Memories zijn ingediend door :
- de vzw « Platform voor de Samenlevingsdienst », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Germain Haumont en mr. Evelyne Lozie Maes, advocaten bij de balie te Brussel (tussenkomende partij);
- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Willy van Eeckhoutte, advocaat bij het Hof van Cassatie.
De verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend.
2
De vzw « Platform voor de Samenlevingsdienst », bijgestaan en vertegenwoordigd door haar voormelde raadslieden en mr. Jan Devriendt, advocaat bij de balie te Leuven, heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend.
Bij beschikking van 30 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Ingevolge het verzoek van de tussenkomende partij om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 13 mei 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 11 juni 2025.
Op de openbare terechtzitting van 11 juni 2025 :
- zijn verschenen :
. mr. Jürgen Vanpraet, voor de verzoekende partij;
. mr. Simon Kieftenburg, advocaat bij de balie te Brussel, loco mr. Germain Haumont, mr. Evelyne Lozie Maes en mr. Jan Devriendt, voor de tussenkomende partij;
. mr. Keone Calemyn, advocaat bij de balie te Gent, loco mr. Willy van Eeckhoutte, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van het verzoekschrift
A.1.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep, aangezien geen eensluidend afschrift van de beslissing waarbij de Vlaamse Regering heeft besloten het beroep in te stellen, is bijgevoegd.
A.1.2. De Vlaamse Regering antwoordt dat het Hof, bij brief van 5 september 2024, haar heeft verzocht om het eensluidend afschrift van de beslissing om het beroep in te stellen, aan het Hof te bezorgen, hetgeen is gebeurd bij brief van 9 september 2024.
3
Ten gronde
Wat betreft het eerste middel
A.2.1. De Vlaamse Regering leidt een eerste middel af uit de schending, door de wet van 15 mei 2024 « tot invoering van een Samenlevingsdienst » (hierna : de wet van 15 mei 2024), van de bevoegdheidverdelende regels inzake i) de gemeenschapsbevoegdheid voor het jeugdbeleid, ii) de permanente opvoeding en de culturele animatie, en iii) de post‒ en parascolaire vorming, de artistieke vorming en de intellectuele, morele en sociale vorming (respectievelijk artikel 4, 7°, artikel 4, 8°, en artikel 4, 12° tot 14°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980), doordat die wet een opvoedende en vormende samenlevingsdienst invoert, die specifiek op de jeugd is gericht. De gemeenschappen zijn exclusief bevoegd voor het jeugdbeleid, dat alle vormen van jeugdopvoeding omvat, met uitsluiting van de wetgeving tot bescherming van de jeugd. De gemeenschappen zijn eveneens bevoegd voor de permanente opvoeding en culturele animatie, wat alles omvat dat bijdraagt tot de socioculturele ontplooiing van volwassenen in ruime zin, inclusief samenlevingsopbouw. De samenlevingsdienst is enkel toegankelijk voor personen van 18 tot 25 jaar en heeft een duidelijk opvoedend en vormend karakter. De samenlevingsdienst behoort niet tot de federale residuaire bevoegdheden en valt evenmin onder de impliciete bevoegdheden, zoals blijkt uit het advies van de Raad van State. De voormelde bevoegdheden werden uitdrukkelijk toegewezen aan de gemeenschappen en vormen dus geen restbevoegdheid. Evenmin is het bevorderen van burgerschap een zelfstandige materie die tot de bevoegdheid van de federale overheid behoort. De mogelijkheid om de dienst uit te breiden naar andere leeftijdscategorieën ontkracht evenmin de vaststelling dat de wet van 15 mei 2024 de samenlevingsdienst beperkt tot 18- tot 25-jarigen. De Vlaamse Regering stelt dat evenmin is voldaan aan de voorwaarden voor de toepassing van de impliciete bevoegdheden, aangezien die enkel kunnen worden gekoppeld aan het uitoefenen van een eigen bevoegdheid.
A.2.2. De Ministerraad antwoordt dat het middel is gebaseerd op een verkeerde lezing van de wet van 15 mei 2024. De bevoegdheidsbeoordeling moet gebeuren op basis van het doel van die wet, namelijk de bevordering van het burgerschap. De wetgever had geenszins de bedoeling een aspect van jeugdbeleid of vorming te regelen. Het burgerschap is een op zich staande aangelegenheid die valt onder de residuaire bevoegdheden, die krachtens artikel 35 van de Grondwet aan de federale wetgever toekomen. De samenlevingsdienst draagt eveneens bij aan de doelstelling van veiligheid en openbare orde, dus federale bevoegdheden. De onvermijdelijke raakvlakken met andere bevoegdheden vallen onder de voorwaarden van de impliciete bevoegdheden.
In de mate dat het Hof zou oordelen dat de voorlopige leeftijdsbeperking ertoe leidt dat er toch sprake is van een regelgeving inzake jeugdbeleid, kan het Hof zich volgens de Ministerraad beperken tot de vernietiging, in artikel 10, 1°, van de wet van 15 mei 2024, van de woorden « tot de volle leeftijd van vijfentwintig jaar ».
A.2.3. De tussenkomende partij voert aan dat de wet van 15 mei 2024 een aangelegenheid op zich betreft, die allesomvattend wordt geregeld. Zij verwijst daarvoor naar de adviezen van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Het zwaartepunt van die aangelegenheid behoort tot de federale residuaire bevoegdheid inzake het versterken van het Belgisch burgerschap en de nationale gemeenschap. Op zijn minst is de federale overheid bevoegd naast de gemeenschappen. De tussenkomende partij verwijst daarvoor naar de rechtspraak van het Hof inzake de zorgverzekering.
Wat betreft het tweede middel
A.3.1. In ondergeschikte orde leidt de Vlaamse Regering een tweede middel af uit de schending, door de wet van 15 mei 2024, van de gewestbevoegdheden inzake de arbeidsbemiddeling (artikel 6, § 1, IX, 1°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980), de programma’s voor wedertewerkstelling van de niet-werkende werkzoekende, daarin begrepen inzake de sociale economie (artikel 6, § 1, IX, 2°, van dezelfde bijzondere wet), de tewerkstelling van personen die het recht hebben op maatschappelijke integratie of het recht op financiële maatschappelijk hulp genieten (artikel 6, § 1, IX, 2°/1, van dezelfde bijzondere wet), het doelgroepenbeleid (artikel 6, § 1, IX, 7°, van dezelfde bijzondere wet) en de plaatselijke werkgelegenheidsagentschappen (artikel 6, § 1, IX, 11°, van dezelfde bijzondere wet). Indien het Hof zou oordelen dat de samenlevingsdienst niet tot de culturele bevoegdheden van de gemeenschappen behoort, moet op zijn minst worden vastgesteld dat de samenlevingsdienst is opgevat als een maatregel inzake het tewerkstellingsbeleid, waarvoor de gewesten bevoegd zijn. De samenlevingsdienst is namelijk gericht op laaggeschoolde werkloze jongeren die moeilijk toegang hebben tot de arbeidsmarkt.
4
A.3.2. Volgens de Ministerraad laten noch de tekst, noch het doel van de wet van 15 mei 2024 toe te besluiten dat er sprake zou zijn van een maatregel inzake het tewerkstellingsbeleid. De vaststelling dat de federale minister van Werk het meest geschikt is om de verschillende aspecten van een samenlevingsdienst samen te brengen, verandert daar niets aan. In voorkomend geval kan het Hof een eventuele vernietiging beperken tot het woorddeel « job » in het woord « jobbeurs » vermeld in artikel 4, § 1, 6°, van de wet van 15 mei 2024.
A.3.3. De tussenkomende partij verwijst naar de federale bevoegdheid inzake arbeidsrecht en sociale zekerheid. Zij verwijst naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State, waaruit blijkt dat er niet wordt geraakt aan de gewestbevoegdheden inzake het tewerkstellingsbeleid.
Wat betreft het derde middel
A.4.1. In nog meer ondergeschikte orde leidt de Vlaamse Regering een derde middel af uit de schending van de in A.3.1 vermelde bevoegdheidverdelende regels, in samenhang gelezen met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van de federale loyauteit, doordat de wet van 15 mei 2024 tot gevolg heeft dat werklozen van 18 tot 25 jaar gedurende de samenlevingsdienst volledig worden onttrokken aan de gewestelijke maatregelen inzake de activering en het tewerkstellingsbeleid.
A.4.2. De Ministerraad verwijst naar zijn antwoord op de overige middelen. De werklozen die een samenlevingsdienst verrichten, worden niet onttrokken aan de gewestelijke maatregelen inzake activering, maar worden tijdelijk vrijgesteld van bepaalde verplichtingen die praktisch niet te verenigen zijn met die samenlevingsdienst.
A.4.3. De tussenkomende partij benadrukt dat de wet van 15 mei 2024 het de gewestelijke overheden niet onmogelijk of overdreven moeilijk maakt om hun tewerkstellingsbevoegdheden, inclusief de controlebevoegdheden, uit te oefenen. Zij verwijst naar de beperkte duur en het beperkte aantal deelnemers ten opzichte van het volledige tewerkstellingsbeleid.
Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen
A.5. De Ministerraad vraagt het Hof om, in geval van een vernietiging, de gevolgen van de te vernietigen bepalingen te handhaven tot de datum van bekendmaking van het arrest, aangezien de wet al in werking is getreden en het onmogelijk is om de reeds bestede budgetten te recupereren.
-B-
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
B.1.1. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het beroep, daar de Vlaamse Regering de beslissing om het beroep in te stellen niet als bijlage bij haar verzoekschrift heeft gevoegd.
B.1.2. Een afschrift van de beslissing om het beroep in te stellen, is door de Vlaamse Regering op 9 september 2024 aan de griffie van het Hof bezorgd. Daaruit blijkt dat die beslissing op 21 juni 2024, dus vóór het indienen van het beroep, is genomen.
5
De exceptie wordt verworpen.
Ten aanzien van de bestreden bepalingen
B.2.1. De wet van 15 mei 2024 « tot invoering van een Samenlevingsdienst » (hierna : de wet van 15 mei 2024) strekt tot de invoering van een zogenaamde « samenlevingsdienst ».
Onder het begrip « samenlevingsdienst » wordt verstaan de « regeling die burgers die in België verblijven in staat stelt zich gedurende een lange periode op substantiële wijze in te zetten voor een project van algemeen belang en waarbij [zij] een passende vergoeding [ontvangen] teneinde de burgerzin, de sociale diversiteit, de solidariteit en de individuele autonomie te bevorderen »
(artikel 2, 1°). Er wordt een Agentschap van de Samenlevingsdienst opgericht, dat een bij koninklijk besluit erkende vereniging zonder winstoogmerk is die door de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg wordt gesubsidieerd (artikel 3, § 1), en als opdracht onder meer heeft te zorgen voor het gecentraliseerde en dagelijkse beheer van de samenlevingsdienst en het erkennen van gastorganisaties die burgers zullen ontvangen in het kader van de samenlevingsdienst (artikel 4).
Daarnaast wordt de erkenning als gastorganisatie geregeld van instellingen, rechtspersonen en feitelijke verenigingen die belast worden met het ontvangen van de burgers in dienst (artikelen 6 tot 8). Overeenkomstig artikel 8, § 2, 2°, moet de activiteit van de gastorganisatie gericht zijn op het algemeen belang, waarbij tien domeinen worden opgesomd. Overeenkomstig artikel 10 staat de samenlevingsdienst open voor iedere persoon die in België verblijft, tussen de 18 en de 25 jaar oud is en zich niet in de uitsluitingsgevallen bevindt die worden bepaald in artikel 11. De artikelen 12 tot 14 regelen de toewijzing van een concrete opdracht in het kader van de samenlevingsdienst aan een deelnemer, die « burger in dienst » wordt genoemd.
Tot slot regelt de wet van 15 mei 2024 onder meer de duur van de samenlevingsdienst (artikel 16, § 1), het statuut van de burger in dienst, dat verschilt van dat van werknemers, zelfstandigen en ambtenaren (artikel 18, eerste lid), de vergoeding van de burger in dienst (artikel 19), de driepartijenovereenkomst die wordt gesloten tussen het Agentschap van de Samenlevingsdienst, de gastorganisatie en de burger in dienst (artikel 22), alsook de samenlevingsgroep waaraan elke burger in dienst is verbonden (artikel 23) en de burgerschapsmodules waaraan de burger in dienst deelneemt (artikel 24).
6
B.2.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever zich heeft gebaseerd op de reeds bestaande werking van de vzw « Platform voor de Samenlevingsdienst », tussenkomende partij in deze zaak, om de samenlevingsdienst wettelijk te regelen :
« De kern van dit wetsontwerp is het waarborgen van een statuut aan iedere burger die een traject wenst aan te gaan om zijn burgerschap te versterken, sociale en culturele vermenging te ervaren en zich actief in te zetten voor solidariteit. De Samenlevingsdienst biedt de mogelijkheid zich nuttig te maken voor de samenleving en tegelijkertijd het vertrouwen in de democratische waarden en instellingen te versterken. De Samenlevingsdienst is bedoeld om de sociale cohesie en de uitoefening van een inclusief, verantwoordelijk en proactief burgerschap te versterken. In veel opzichten vormen de verdiensten van dit type gemeenschapsdienst, zowel in België als in het buitenland, een ‘ tegengif ’ voor de recente crisissen. Door deze levenservaring van zes maanden tot een jaar aan te bieden, zorgt de Samenlevingsdienst ervoor dat degenen die de dienst vervullen het enkelvoud en het meervoud, het individu en het collectief, het ‘ ik ’, het ‘ jij ’ en het ‘ wij ’ krachtig kunnen verwoorden » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3969/001, p. 5).
En :
« Gezien de verdiensten van soortgelijke regelingen in al onze buurlanden en de positieve ervaringen over het Platform voor de Samenlevingsdienst in België sinds meer dan 10 jaar, is het nu aan de federale wetgever om van de Samenlevingsdienst een daadwerkelijk overheidsbeleid ter mobilisering van de burgers te maken zodat elke burger die zijn burgerschap actief en in een geest van solidariteit wil uitoefenen door zich nuttig te maken voor zichzelf, voor anderen en voor de samenleving in haar geheel, formeel wordt erkend en wettelijk wordt beschermd » (ibid., p. 11).
Ten gronde
B.3. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de wet van 15 mei 2024, van de bevoegdheidverdelende regels inzake de gemeenschapsbevoegdheid voor i) het jeugdbeleid, ii) de permanente opvoeding en de culturele animatie, en iii) de post‒ en parascolaire vorming, de artistieke vorming en de intellectuele, morele en sociale vorming (respectievelijk artikel 4, 7°, artikel 4, 8°, en artikel 4, 12° tot 14°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, hierna : de bijzondere wet van 8 augustus 1980).
B.4.1. Artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 bepaalt :
7
« De culturele aangelegenheden bedoeld in artikel 127, § 1, [eerste lid, ]1°, van de Grondwet zijn :
[...]
7° Het jeugdbeleid;
8° De permanente opvoeding en de culturele animatie;
[...]
14° De intellectuele, morele en sociale vorming;
[...] ».
B.4.2. Op grond van artikel 4 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 zijn de gemeenschappen exclusief bevoegd voor de culturele aangelegenheden. Voor zover zij niet anders erover hebben beschikt, hebben de Grondwetgever en de bijzondere wetgever aan de gemeenschappen en de gewesten volledige bevoegdheid toegekend tot het uitvaardigen van regels die eigen zijn aan de hun toegewezen aangelegenheden, en zulks onverminderd de mogelijkheid om desnoods een beroep te doen op artikel 10 van de bijzondere wet van 8 augustus 1980. Behoudens andersluidende bepalingen heeft de bijzondere wetgever het gehele beleid inzake de door hem toegewezen bevoegdheden aan de gemeenschappen en de gewesten overgedragen.
B.5.1. De afdeling wetgeving van de Raad van State heeft in haar advies bij het voorontwerp opgemerkt dat de regeling inzake de samenlevingsdienst voornamelijk aansluit bij de gemeenschapsbevoegdheden inzake jeugd en inzake vorming (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55–3969/001, p. 60).
De voormelde culturele aangelegenheden moeten worden bepaald door rekening te houden met de preciseringen die zijn vermeld in de parlementaire voorbereiding van artikel 127 van de Grondwet (het vroegere artikel 59bis van de Grondwet), evenals van de wet van 21 juli 1971
« betreffende de bevoegdheid en de werking van de cultuurraden voor de Nederlandse cultuurgemeenschap en voor de Franse cultuurgemeenschap » en van de bijzondere wet van 8 augustus 1980.
8
Aldus werd verduidelijkt dat het in artikel 4, 7°, vermelde begrip « jeugdbeleid » niet beperkend mag worden geïnterpreteerd : het omvat alle vormen van jeugdopvoeding, zowel de georganiseerde als de niet-georganiseerde, met uitsluiting van de wetgeving op jeugdbescherming, de strafwetgeving en de sociale en burgerlijke wetgeving (Parl. St., Senaat, 1969-1970, nr. 402, p. 28). Het omvat met name het bepalen van de toekenningsvoorwaarden van toelagen voor de socioculturele opvoeding van de jeugd en van vergoedingen voor sociale promotie van jongeren (Parl. St., Senaat, 1970-1971, nr. 400, p. 5; nr. 497, p. 4).
Artikel 10, 1°, van de wet van 15 mei 2024 beperkt de doelgroep van de samenlevingsdienst uitdrukkelijk tot personen tussen 18 en 25 jaar. Hoewel door de Ministerraad wordt aangevoerd dat het de bedoeling is om de doelgroep uit te breiden, blijkt uit de parlementaire voorbereiding dat een dergelijke uitbreiding net werd uitgesloten naar aanleiding van de opmerkingen van de Nationale Arbeidsraad :
« Er is verduidelijkt dat het ontwerp zich tot burgers van 18 tot 25 jaar richt en voorts is de memorie van toelichting zo aangepast dat de Samenlevingsdienst niet langer kan worden uitgebreid tot alle leeftijdscategorieën, aangezien zulks niet de bedoeling is » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55–3969/002, pp. 7 en 8).
Ook uit de talrijke verwijzingen in de parlementaire voorbereiding naar « de jeugd » en « jongeren » blijkt dat de samenlevingsdienst door de wetgever is opgevat als dienst die gericht is op die doelgroep, ongeacht de specifieke leeftijdsgrens die in casu werd vastgesteld. Zoals ook opgemerkt door de Raad van State in zijn advies ten aanzien van het wetsvoorstel « houdende regeling van de vrijwillige burgerdienst » (Parl. St., Senaat, 2003-2004, nr. 3-217/2), waarvan de conclusies worden overgenomen door de Raad in zijn advies bij de huidige regeling, « moet worden geconcludeerd dat door te voorzien in een dienst die specifiek gericht is op de jeugd met de bedoeling haar de mogelijkheid te bieden vrijwillige burgerdienst te verrichten met het oog op sociaal-culturele opvoeding van de jeugd en het voldoen aan behoeften van algemeen nut, het voorstel verband houdt met aangelegenheden waarvoor de gemeenschappen bevoegd zijn, in het kader van het jeugdbeleid » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3969/001, p. 54).
Bovendien is ook de permanente opvoeding van volwassenen, ongeacht de leeftijd, een gemeenschapsbevoegdheid. De bij artikel 4, 8°, toegewezen bevoegdheid inzake « permanente opvoeding en culturele animatie » omvat immers « al wat bijdraagt tot de socio-culturele
9
ontplooiing van volwassenen in ruime zin, zoals vrij verenigingsleven, conferenties, cursussen, instituten voor levensvorming, samenlevingsopbouw, maar met uitsluiting van onderwijs in traditionele zin begrepen » (Parl. St., Senaat, 1970-1971, nr. 400, p. 6).
B.5.2. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de samenlevingsdienst zoals die is georganiseerd bij de bestreden wet, een instrument van vorming is, waarbij twee elementen volgens de wetgever essentieel zijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van de wetgever (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3969/001, p. 10) : enerzijds het feit dat de deelnemers worden samengebracht in « samenlevingsgroepen » en anderzijds de organisatie van « burgerschapsmodules » waaraan de samenlevingsgroepen moeten deelnemen :
« Burgers in dienst worden samengebracht in een samenlevingsgroep die een geografisch gebied bestrijkt. In die samenlevingsgroepen moet worden gestreefd naar sociaaldemografische representativiteit om sociale diversiteit te garanderen. De dienstdoende burgers in die groepen nemen deel aan burgerschapsmodules van 15 tot 25 dagen gespreid over de duur van de Samenlevingsdienst. De modules omvatten bij het begin van de Samenlevingsdienst ontmoetingsdagen, die worden afgesloten met een slotmodule burgerschap. De bedoeling is dat de burgers elkaar ontmoeten, hun verwachtingen en doelstellingen bespreken en sociale banden smeden. De burgerschapsmodules gaan over democratische waarden, milieukwesties, samenleven, eerste hulp enzovoort » (Parl. St., Kamer, 2023‒2024, DOC 55-3969/002, p. 7).
B.5.3. De bij artikel 4, 14°, toegewezen bevoegdheid inzake de intellectuele, morele en sociale vorming omvat onder meer de vorming die wordt verstrekt door de jeugdverenigingen en de representatieve werknemersorganisaties en de vorming die door de openbare diensten wordt verstrekt (Parl. St., Senaat, 1979-1980, nr. 434/1, p. 5). Zoals de afdeling wetgeving van de Raad van State in haar advies heeft opgemerkt, « lijken deze modules enkel te kunnen worden ingevuld via vorming, met name een geheel van educatieve activiteiten die binnen een zekere structuur plaatsvinden, en een actieve relatie tussen diegenen die de vorming aanbieden en diegenen die op het vormingsaanbod ingaan » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-
3969/001, p. 61). Ook de tussenkomende partij, die reeds vóór de wet van 15 mei 2024 de samenlevingsdienst organiseerde waarop de wetgever zich heeft geïnspireerd (B.2.2), karakteriseert die dienst in haar memories als « burgerschapsvorming ».
B.5.4. Het feit dat die vorming betrekking heeft op een thema zoals burgerschap, heeft niet tot gevolg, in tegenstelling tot wat de federale wetgever aanvoert in de parlementaire
10
voorbereiding, dat het zou gaan om een materie op zichzelf, die onder de residuaire bevoegdheden van de federale wetgever zou vallen (ibid., p. 6). Uit de toekenning, op zich, van de bevoegdheid voor de intellectuele, morele en sociale vorming aan de gemeenschappen, volgt immers noodzakelijk dat die bevoegdheid niet enkel beperkt is tot die vorming die betrekking heeft op inhoud die verbonden is met de bevoegdheden van de gemeenschappen.
B.5.5. De wet van 15 mei 2024 voorziet echter eveneens in bepalingen inzake de arbeids–
en sociaalrechtelijke aspecten van het statuut van de zogenaamde « burgers in dienst ».
B.5.6. Krachtens artikel 6, § 1, VI, vijfde lid, 12°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 is alleen de federale overheid bevoegd voor het arbeidsrecht en de sociale zekerheid.
B.5.7. Met de aanneming van de bepalingen betreffende het statuut van de burgers in dienst (artikelen 17 tot en met 19) en de accessoire bepalingen inzake de voorwaarden om als gastorganisatie op te treden (artikel 6), inzake de voorwaarden om burger in dienst te worden (artikelen 10 en 11), inzake de duur van de samenlevingsdienst (artikel 16) en inzake de inhoud van de overeenkomst (artikel 22), oefent de federale overheid haar bevoegdheid inzake arbeidsrecht en sociale zekerheid uit. Door dat nieuw sociaal statuut te creëren, creëert de federale wetgever nieuwe kansen waardoor de gemeenschappen en de gewesten hun respectievelijke beleid gemakkelijker kunnen ontwikkelen.
B.5.8. Ten slotte merkt het Hof op dat, door te voorzien in een Agentschap van de Samenlevingsdienst (artikelen 3 tot 5) dat beslist welke gastorganisaties erkend worden en burgers in dienst mogen ontvangen (artikel 8), dat « eenzijdig en soeverein » beslist over voorstellen om die dienst bij een niet-erkende organisatie te vervullen (artikel 9), dat bepaalt in welk gewest en bij welke specifieke organisatie een kandidaat zich mag engageren (artikelen 4, § 1, 1°, in fine, 12, 13, 14, § 2, en 15), dat als partij deelneemt aan de overeenkomst die door de gastorganisatie en de burger in dienst wordt gesloten (artikel 22, § 1) en dat voorziet in diens verzekering (artikel 21, in fine) en diens vergoeding (artikel 19, § 1), de federale wetgever bepalingen aanneemt die een door de federale uitvoerende macht erkende en gesubsidieerde vereniging zonder winstoogmerk belast met de controle van de wijze waarop de gemeenschappen hun bevoegdheden uitoefenen in de in B.4.2 vermelde aangelegenheden.
Bijgevolg houden die bepalingen een bevoegdheidsoverschrijding in binnen de
11
aangelegenheden die aan de gemeenschappen zijn toegekend, zonder dat dit noodzakelijk is voor de uitoefening, door de federale overheid, van haar bevoegdheid inzake het sociaal statuut van de burgers in dienst.
B.6. Het eerste middel is gedeeltelijk gegrond.
Daar de bepalingen die niet door het Hof dienen te worden vernietigd omdat zij tot de federale bevoegdheid behoren, op zich niet werkzaam zouden zijn en teneinde de wetgever in de gelegenheid te stellen in voorkomend geval in overeenstemming met de gemeenschappen een nieuwe wetgeving uit te werken, dienen die bepalingen bij wege van gevolgtrekking te worden vernietigd.
B.7. Aangezien het onderzoek van de overige middelen niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dienen zij niet te worden behandeld.
Ten aanzien van de handhaving van de gevolgen van de te vernietigen bepalingen
B.8.1. De Ministerraad vraagt de gevolgen van de vernietigde bepalingen definitief te handhaven tot op het moment van publicatie van het arrest in het Belgisch Staatsblad, teneinde de rechtszekerheid te waarborgen.
B.8.2. Hoewel de wet van 15 mei 2024 in werking is getreden op 31 mei 2024, dag van de bekendmaking ervan in het Belgisch Staatsblad (artikel 33 van de wet van 15 mei 2024), blijkt dat de uiterste inschrijvingsdatum voor de offerteaanvraag voor de oprichting van een Agentschap van de Samenlevingsdienst is vastgesteld op 17 februari 2025, en dat sindsdien nog geen definitieve beslissing werd genomen over die offerteaanvraag. Bijgevolg zijn er sinds de inwerkingtreding van de wet van 15 mei 2025 nog geen gastorganisaties erkend en konden er nog geen burgers een samenlevingsdienst in de zin van die wet uitvoeren. Er is geen aanleiding om de gevolgen van de vernietigde wet te handhaven.
12
Om die redenen,
het Hof
vernietigt de wet van 15 mei 2024 « tot invoering van een Samenlevingsdienst ».
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 oktober 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.135
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==