Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.133

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-10-23 🌐 FR Arrest verworpen

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Grondwet, grondwet

Samenvatting

het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 113 van het Vlaamse decreet van 26 april 2024 « tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 » (vernietiging van artikel 40, § 9, van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges »), ingesteld door Hugo Bogaerts en anderen.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.133 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 23 oktober 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.133 Arrest- Rolnummer: 133/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-11-03 Raadplegingen: 66 - laatst gezien 2025-12-15 14:38 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Verwerping van het beroep (onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.7.3) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 113 van het Vlaamse decreet van 26 april 2024 « tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 » (vernietiging van artikel 40, § 9, van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges »), ingesteld door Hugo Bogaerts en anderen. Bestuursrecht - Bestuursrechtscollege - Vlaams Handhavingscollege - Verzoekschrift tot schorsing - Beperking van de middelen Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 133/2025 van 23 oktober 2025 Rolnummer : 8287 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 113 van het Vlaamse decreet van 26 april 2024 « tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 » (vernietiging van artikel 40, § 9, van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges »), ingesteld door Hugo Bogaerts en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 18 juli 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 22 juli 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 113 van het Vlaamse decreet van 26 april 2024 « tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 » (vernietiging van artikel 40, § 9, van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges »), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 17 juni 2024, ingesteld door Hugo Bogaerts, Jan Creve en Pascal Malumgré, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel, en door mr. Stefan Sottiaux en mr. Claire Buggenhoudt, advocaten bij de balie van Antwerpen, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. 2 Bij beschikking van 16 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van artikel 40, § 9, van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges » (hierna : het DBRC-decreet), zoals ingevoegd bij artikel 113 van het Vlaamse decreet van 26 april 2024 « tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 » (hierna : het decreet van 26 april 2024). Als enig middel voeren zij de schending aan van de artikelen 10, 11, 12, 13 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op toegang tot een rechter, met artikel 159 van de Grondwet, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. De bestreden bepaling beperkt het onderzoek van de middelen in het kader van een schorsingsverzoek tot die middelen die zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging. Volgens de verzoekende partijen komen door de bestreden bepaling drie categorieën van middelen niet in aanmerking om te worden onderzocht in de schorsingsprocedure, namelijk (1) de middelen die de openbare orde aanbelangen, maar niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging, (2) de middelen die pas zijn geformuleerd in de nota van wederantwoord, ook al is de grondslag daarvan pas aan het licht gekomen na het indienen van het verzoekschrift tot vernietiging, en (3) de middelen die zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot schorsing dat is ingediend op een ogenblik dat het verzoekschrift tot vernietiging nog niet is ingediend. Die beperking is niet redelijk te verantwoorden ten aanzien van het recht op toegang tot de rechter, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en het gelijkheidsbeginsel. A.1.2. De Vlaamse Regering voert aan dat het enige middel minstens deels onontvankelijk is bij gebrek aan verdere uiteenzetting. Op basis van de inhoud van het verzoekschrift oordeelt de Vlaamse Regering dat het middel niet wordt uiteengezet op een manier die haar toelaat om te begrijpen op welke manier de bestreden bepaling afbreuk zou doen aan elke van de talrijk ingeroepen referentienormen. A.1.3. In antwoord op de opgeworpen onontvankelijkheid van het enige middel voeren de verzoekende partijen aan dat de Vlaamse Regering « het belang bij het beroep » en « het belang bij het middel » met elkaar verwart. De verzoekende partijen moeten belang hebben bij de vernietiging van de bestreden bepaling, maar ze moeten geen belang hebben bij het middel. Voorts voeren de verzoekende partijen aan dat de exceptie van de Vlaamse Regering als obscuri libelli moet worden afgewezen. De verzoekende partijen hebben geen enkel idee wat wordt bedoeld met de omschrijving « minstens gedeeltelijk niet ontvankelijk annulatieberoep » en waarom er sprake zou zijn van een « gedeeltelijke onontvankelijkheid ». Tevens stellen de verzoekende partijen vast dat de Vlaamse Regering, in haar memorie, de ontvankelijkheid van het middel wat betreft de schending van artikel 13 van de Grondwet en het recht op toegang tot een rechter 3 erkent, zodat ook het onderdeel aangaande de schending van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie als ontvankelijk moet worden aanvaard. A.1.4. In tegenstelling tot wat de verzoekende partijen beweren, verwart de Vlaamse Regering het belang bij het beroep tot vernietiging niet met het belang bij het middel. De Vlaamse Regering heeft nergens gesteld dat « verzoekers het belang tot de vernietiging van artikel 40, § 9, DBRC reeds in het verzoekschrift moeten omschrijven ». De Vlaamse Regering werpt enkel een exceptie van niet-ontvankelijkheid op bij gebrek aan uiteenzetting, omdat de verzoekende partijen niet uiteenzetten op welke manier de referentienormen zouden zijn geschonden door de bestreden bepaling. Volgens de Vlaamse Regering zetten de verzoekende partijen geenszins uiteen waarom de artikelen 12 en 23 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zouden zijn geschonden. Wat betreft artikel 159 van de Grondwet, verwijzen de verzoekende partijen enkel naar rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen en kan de Vlaamse Regering daaruit niet afleiden hoe de bestreden bepaling afbreuk zou kunnen doen aan de rechtspraak van de Raad voor Vergunningsbetwistingen. A.2.1. Ten gronde voeren de verzoekende partijen aan dat de drie voormelde onderscheiden categorieën van middelen niet kunnen worden behandeld in de schorsingsprocedure en dat, bij gebrek aan een expliciete bepaling, als het verzoekschrift tot schorsing wel is ingediend binnen de beroepstermijn, dat verzoekschrift wel middelen kan bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging. Hoewel de vereiste, bepaald in artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet, niet rechtstreeks de ontvankelijkheid van het verzoekschrift tot schorsing regelt, heeft die vereiste wel tot gevolg dat de beslechting van het geschil in het kader van het administratief kortgeding procedureel wordt verhinderd en beperkt, hetgeen niet redelijk kan worden verantwoord. Voorts doet het bestreden artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet tevens afbreuk aan het in de rechtspraak aanvaarde beginsel dat een verzoekende partij steeds na het verstrijken van een termijn middelen die de openbare orde raken of waarvan de grondslag pas later aan het licht komt, kan aanvoeren, en doet het afbreuk aan de mogelijkheid die de bestuursrechter heeft om ambtshalve middelen aan te voeren die de openbare orde aanbelangen, die al dan niet zijn afgeleid uit het recht van de Europese Unie. A.2.2. De Vlaamse Regering voert aan dat de decreetgever met de bestreden bepaling geen andere doelstelling voor ogen heeft gehad en daaraan geen andere draagwijdte heeft willen geven dan de doelstelling en draagwijdte die hij in 2016 met de invoering van het oorspronkelijke artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet voor ogen heeft gehad. De bestreden bepaling doet geen afbreuk aan de oorspronkelijke ratio legis en modaliteiten van artikel 40, § 9, maar voegt enkel eraan toe dat de betrokken regeling in haar bestaande vorm en toepassing niet alleen in de rechtspleging voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen, maar ook in de rechtspleging voor het Handhavingscollege zal gelden. De decreetgever heeft geenszins de bedoeling gehad, noch in 2016 bij de invoering van artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet, noch met de invoering bij artikel 113 van het decreet van 26 april 2024, om af te wijken van het beginsel dat een nieuw middel alsnog mag worden ingeroepen wanneer het steunt op gegevens waarvan de verzoekende partij pas na de inzage van het administratief dossier kennis kon nemen of wanneer blijkt dat het middel de openbare orde raakt. De Vlaamse Regering verwijst tevens naar het arrest van het Hof nr. 87/2018 van 5 juli 2018, ( ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.087 ), waarbij het Hof van oordeel was dat artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de vereisten inzake het recht op toegang tot de rechter en meent dat die rechtspraak in casu ook van toepassing is. A.2.3. De verzoekende partijen voeren aan dat het betoog van de Vlaamse Regering niet kan worden gevolgd omdat de bestreden bepaling niet tegemoetkomt aan het beginsel clara non sunt interpretanda. Ingevolge artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet mag het bestuurscollege in het kader van de behandeling van het verzoekschrift tot schorsing de middelen niet behandelen die « niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging ». Dat decretaal voorschrift is overduidelijk en houdt wezenlijke procedurele beperkingen in. Rechtzoekenden stemmen hun procedureel optreden af op de wettekst en niet op een eventuele parlementaire toelichting waarvan de inhoud niet aan bod komt in de duidelijke decreetsbepaling van dat artikel 40, § 9. A.2.4. De Vlaamse Regering stelt in haar memorie van wederantwoord vast dat de verzoekende partijen voorbijgaan aan de vaststelling dat het bestreden artikel 113 van het decreet van 26 april 2024 nagenoeg identiek is aan het oorspronkelijke artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet, zoals ingevoerd bij artikel 14 van het Vlaamse 4 decreet van 9 december 2016 « houdende wijziging van diverse decreten, wat de optimalisatie van de organisatie en de rechtspleging van de Vlaamse bestuursrechtcolleges betreft » (hierna : het decreet van 9 december 2016). Bovendien gaan ze er eveneens volledig aan voorbij dat de decreetgever geen andere draagwijdte aan de bestreden bepaling heeft willen geven dan de draagwijdte die hij in 2016 aan artikel 14 van het decreet van 9 december 2016 heeft gegeven en dat dezelfde ratio legis nog steeds geldt. Ten slotte heeft het Hof in zijn voormelde arrest nr. 87/2018 reeds geoordeeld dat artikel 14 van het decreet van 9 december 2016 verenigbaar is met het recht op toegang tot de rechter. -B- B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen artikel 40, § 9, van het Vlaamse decreet van 4 april 2014 « betreffende de organisatie en de rechtspleging van sommige Vlaamse bestuursrechtscolleges » (hierna : het DBRC-decreet), zoals ingevoegd bij artikel 113 van het Vlaamse decreet van 26 april 2024 « tot wijziging van diverse decreten, wat betreft de implementatie van het Kaderdecreet Vlaamse Handhaving van 14 juli 2023 » (hierna : het decreet van 26 april 2024). Artikel 113 van het decreet van 26 april 2024 bepaalt : « In hoofdstuk 4, afdeling 2, van [het DBRC-decreet] wordt een artikel 40 ingevoegd, dat luidt als volgt : [...] § 9. Een verzoekschrift tot schorsing dat met toepassing van de procedure, vermeld in dit artikel, wordt ingesteld buiten de beroepstermijn bepaald in de decreten, vermeld in artikel 2, 1°, a) en b), kan geen middelen bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging. [...] ». B.2.1. Het bestreden artikel 113 van het decreet van 26 april 2024 regelt de uitbreiding van het toepassingsgebied van artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet naar de procedure voor het Handhavingscollege. Het Handhavingscollege krijgt de bevoegdheid om, net als de Raad voor Vergunningsbetwistingen, beroepen te behandelen die geen automatisch schorsende werking hebben en in het kader van die nieuwe bevoegdheid kan een verzoekschrift tot schorsing worden ingesteld bij het Handhavingscollege. B.2.2. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 26 april 2024 vermeldt : 5 « Deze bepaling breidt het toepassingsgebied van de reguliere schorsingsprocedure en van de schorsingsprocedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid uit naar het Handhavingscollege. De tekst van het nieuwe artikel 40 is, op enkele formele wijzigingen na, identiek aan het huidige artikel 40 van het DBRC-decreet dat tot dusver alleen van toepassing was op de Raad voor Vergunningsbetwistingen (opgenomen in afdeling 3 van hoofdstuk 4 van het DBRC-decreet). Deze bepaling wordt, net zoals het bestaande artikel 41 (zie hieronder), evenwel opgeheven en opnieuw ingevoerd in afdeling 2 van hoofdstuk 4 van het DBRC-decreet dat van toepassing is op de procedure van zowel de Raad voor Vergunningsbetwistingen als het Handhavingscollege. De verwijzing naar artikel 14 van het DBRC-decreet maakt dat de implementatiedecreten zelf al dan niet in een schorsende werking van het beroep bij het Handhavingscollege kunnen voorzien. Als een beroep bij het Handhavingscollege schorsende werking heeft, dan zijn de schorsingsprocedures uit artikel 44 van het DBRC-decreet niet relevant/van toepassing. Het [kaderdecreet van 14 juli 2023 over de handhaving van Vlaamse regelgeving] zelf verbindt al een schorsende werking aan het instellen van een beroep tegen een sanctiebeslissing (artikel 42 en 46 van het KVH) » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1960/1, p. 39). Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.1. De Vlaamse Regering betwist de ontvankelijkheid van het enige middel bij gebrek aan verdere uiteenzetting. Op basis van de inhoud van het verzoekschrift stelt de Vlaamse Regering vast dat het middel niet zou worden uiteengezet op een manier die toelaat te begrijpen hoe de bestreden bepaling de talrijk ingeroepen referentienormen zou kunnen schenden. B.3.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.3.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die referentienormen waarvan in het verzoekschrift wordt uiteengezet in welk opzicht ze zouden zijn geschonden. Het enige middel is onontvankelijk wat betreft de aangevoerde schending van de artikelen 12, 23 en 159 van de Grondwet. 6 Ten gronde B.4. De verzoekende partijen voeren de schending aan van de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met het recht op toegang tot de rechter, met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest), omdat de procedurele beperking van het onderzoek van de middelen in het kader van een verzoekschrift tot schorsing tot die middelen die zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging, niet redelijk te verantwoorden zou zijn. Volgens de verzoekende partijen komen door de bestreden bepaling drie categorieën van middelen niet in aanmerking om te worden onderzocht in de schorsingsprocedure, namelijk (1) de middelen die de openbare orde aanbelangen, maar niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging, (2) de middelen die pas zijn geformuleerd in de nota van wederantwoord, ook al is de grondslag daarvan pas aan het licht gekomen na het indienen van het verzoekschrift tot vernietiging, en (3) de middelen die zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot schorsing dat is ingediend op een ogenblik dat het verzoekschrift tot vernietiging nog niet is ingediend. B.5.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.5.2. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». Artikel 13 van de Grondwet waarborgt het recht op toegang tot de bevoegde rechter en waarborgt eveneens, aan alle personen die zich in dezelfde situatie bevinden, het recht om volgens dezelfde regels inzake bevoegdheid en rechtspleging te worden berecht. 7 B.5.3. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt eenieder, bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging, onder meer het recht op een behandeling van zijn zaak door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie die bij de wet is ingesteld. Dat recht wordt in gelijksoortige bewoordingen gewaarborgd door artikel 47 van het Handvest en vormt eveneens een algemeen rechtsbeginsel. B.6. Het recht op toegang tot de rechter, dat met inachtneming van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest aan eenieder moet worden gewaarborgd, vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces en is fundamenteel in een rechtsstaat. De toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat de toegang tot de rechter dermate wordt beperkt dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf ervan. Dat zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven of indien er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van een dergelijke beperking met het recht op toegang tot de rechter hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 , § 36; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 , § 58). Meer in het bijzonder zijn de regels betreffende de vormvoorschriften en termijnen om beroep in te stellen, gericht op een goede rechtsbedeling en het weren van de risico’s van rechtsonzekerheid. Die regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. Het recht op toegang tot een rechter « wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 24 mei 2011, Sabri Güneş t. Turkije, 8 ECLI:CE:ECHR:2011:0524JUD002739606 , § 58; 18 oktober 2016, Miessen t. België, ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 , § 66). B.7.1. Wat de eerste en tweede categorie van middelen betreft, namelijk (1) de middelen die de openbare orde aanbelangen, maar niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging en (2) de middelen die pas zijn geformuleerd in de nota van wederantwoord, ook al is de grondslag daarvan pas aan het licht gekomen na het indienen van het verzoekschrift tot vernietiging, heeft de bestreden maatregel volgens welke het verzoekschrift tot schorsing geen andere middelen kan bevatten dan die welke reeds in het verzoekschrift tot vernietiging zijn vermeld, betrekking op de ontvankelijkheid van middelen (artikel 40, § 9, van het DBRC-decreet, zoals vervangen bij het bestreden artikel 113 van het decreet van 26 april 2024) en geldt die maatregel alleen in de situatie waarbij een verzoekschrift tot schorsing wordt ingediend buiten de beroepstermijn bepaald voor het aanvechten van bestuurshandelingen voor de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Handhavingscollege. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 24 april 2024 verduidelijkt dat de tekst van het bij artikel 111 van het decreet van 26 april 2024 opgeheven artikel 40, § 9, identiek is aan de tekst van het bestreden artikel 113, behoudens enkele formele wijzigingen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1960/1, p. 39). B.7.2. De parlementaire voorbereiding van artikel 14 van het decreet van 9 december 2016, dat het oorspronkelijke artikel 40, § 9, in het DBRC-decreet heeft ingevoerd, vermeldt : « Artikel 40, § 9, heeft betrekking op de hypothese dat er een vordering tot schorsing (bij uiterst dringende noodzakelijkheid) wordt ingediend, overeenkomstig paragraaf 1 of paragraaf 2, buiten de decretale beroepstermijn van 45 dagen. Dit is mogelijk aangezien de schorsing op ieder ogenblik kan worden gevorderd (cfr. supra). Om een oneigenlijke verlenging van de decretale beroepstermijn te voorkomen, wordt bepaald dat in dergelijk verzoekschrift tot schorsing geen nieuwe middelen kunnen worden aangevoerd, namelijk middelen die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging. Deze bepaling doet evenwel geen afbreuk aan het algemeen principe dat middelen (die de openbare orde aanbelangen) waarvan de grondslag pas later aan het licht is gekomen, in voorkomend geval nog buiten de beroepstermijn kunnen worden aangevoerd » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2015-2016, nr. 777/3, p. 22). Uit de voormelde parlementaire voorbereiding kan worden afgeleid dat de bestreden bepaling verhindert dat de initiële termijn om een beroep tot vernietiging in te stellen en om 9 daartoe middelen aan te voeren, wordt omzeild, hetgeen zou leiden tot een oneigenlijke verlenging van de termijn. De decreetgever beoogde het oneigenlijk gebruik van het procedurevoorschrift dat de schorsing op ieder ogenblik kan worden gevorderd, tegen te gaan, hetgeen het algemeen belang dient. B.7.3. Rekening houdend met het feit dat een vordering tot schorsing een bijzondere procedure is die wezenlijk is verbonden met een beroep tot vernietiging, is de bestreden maatregel, in zoverre hij bepaalt dat een verzoekschrift tot schorsing geen middelen kan bevatten die niet zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot vernietiging, redelijk verantwoord. Hij doet niet op onevenredige wijze afbreuk aan de in B.6 uiteengezette vereisten inzake het recht op toegang tot de rechter, voor zover de bestreden decretale bepaling in die zin wordt geïnterpreteerd dat zij geen afbreuk doet aan het algemeen in de rechtspraak aanvaarde beginsel dat een verzoekende partij steeds na het verstrijken van een termijn middelen die de openbare orde betreffen of waarvan de grondslag pas later aan het licht komt, kan aanvoeren, en evenmin aan het ambtshalve aanvoeren, door de bestuursrechter, van middelen die de openbare orde betreffen, die al dan niet zijn afgeleid uit het recht van de Europese Unie. B.8.1. Wat de derde categorie van middelen betreft, met name de middelen die zijn geformuleerd in het verzoekschrift tot schorsing dat is ingediend op een ogenblik dat het verzoekschrift tot vernietiging nog niet is ingediend, volstaat het op te merken dat het bestreden artikel 113 van het decreet van 26 april 2024 enkel toepassing vindt in de situatie waarbij het verzoekschrift tot schorsing wordt ingesteld buiten de beroepstermijn voor een verzoekschrift tot vernietiging bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen of het Handhavingscollege. B.8.2. Derhalve kan artikel 113 van het decreet van 26 april 2024 enkel uitwerking vinden wanneer reeds een verzoekschrift tot vernietiging binnen de beroepstermijn bij de Raad voor Vergunningsbetwistingen en het Handhavingscollege is ingediend, en het verzoekschrift tot schorsing buiten die beroepstermijn wordt ingediend. Wanneer niet tijdig een verzoekschrift tot vernietiging is ingediend, kan ook geen verzoekschrift tot schorsing meer worden ingediend, waardoor het onmogelijk is een verzoekschrift tot schorsing in te dienen, met desgevallend andere middelen, aangaande een bestuurshandeling die niet tijdig binnen de bepaalde beroepstermijn werd aangevochten. 10 B.9. Onder voorbehoud van het bepaalde in B.7.3, wat betreft de middelen die de openbare orde raken of waarvan de grondslag pas later aan het licht komt, is het enige middel niet gegrond. 11 Om die redenen, het Hof, onder voorbehoud van hetgeen is vermeld in B.7.3, verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 23 oktober 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.133 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2018:ARR.087 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2011:0524JUD002739606 ECLI:CE:ECHR:2016:1018JUD003151712 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot