ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.130
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-09-25
🌐 FR
Arrest
vernietigd
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
26 februari 1923, 27 juli 1971, 28 april 1953, 3 juni 1983, 30 juli 1879
Samenvatting
de beroepen tot vernietiging van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving », ingesteld door de vzw « Evangelische Theologische Faculteit », door Geert Lorein en door Guido Vleugels.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.130
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 25 september 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.130
Arrest- Rolnummer:
130/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-10-06
Raadplegingen:
103 - laatst gezien 2025-12-15 14:37
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Vernietiging (artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986,
in zoverre de vzw « Evangelische Theologische Faculteit » niet in de
bij die bepaling vastgestelde lijst van instellingen is opgenomen)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de beroepen tot vernietiging van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet
van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden
van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging
van andere bepalingen van de onderwijswetgeving », ingesteld door de
vzw « Evangelische Theologische Faculteit », door Geert Lorein en door
Guido Vleugels. Universitair onderwijs - Pensioenen - Onderwijzend personeel
- Toepassingsgebied - Uitsluiting - VZW « Evangelische Theologische Faculteit
»
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 130/2025
van 25 september 2025
Rolnummers : 8489, 8490 en 8491
In zake : de beroepen tot vernietiging van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving », ingesteld door de vzw « Evangelische Theologische Faculteit », door Geert Lorein en door Guido Vleugels.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging
Bij verzoekschriften die aan het Hof zijn toegezonden bij op 22 mei 2025 ter post aangetekende brieven en ter griffie zijn ingekomen op 23 mei 2025, zijn beroepen tot vernietiging van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 augustus 1986) ingesteld door de vzw « Evangelische Theologische Faculteit », door Geert Lorein en door Guido Vleugels, allen bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jan Proesmans, mr. Nathanaëlle Kiekens, mr. Lieselotte Schellekens en mr. Elise Myin, advocaten bij de balie te Brussel.
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8489, 8490 en 8491 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.
Op 4 juni 2025 hebben de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie, met toepassing van artikel 72, eerste lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het
2
Grondwettelijk Hof, het Hof ervan in kennis gesteld dat zij ertoe zouden kunnen worden gebracht voor te stellen het onderzoek van de zaken af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging.
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Liesbet Vandenplas, advocate bij de balie te Brussel, heeft een memorie met verantwoording ingediend.
De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
A.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8489, 8490 en 8491 voeren een enig middel aan, dat is afgeleid uit de schending, door artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving », van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij zetten uiteen dat de beroepen zijn ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. Die beroepen volgen op het arrest van het Hof nr. 136/2024 van 21 november 2024
(
ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.136
).
A.2. In hun conclusies opgesteld met toepassing van artikel 72 van dezelfde bijzondere wet hebben de rechters-verslaggevers geoordeeld dat zij, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet in het voormelde arrest nr. 136/2024, ertoe zouden kunnen worden gebracht aan het Hof voor te stellen de rechtspleging af te doen met een arrest gewezen op voorafgaande rechtspleging, dat de beroepen tot vernietiging gegrond verklaart en de bestreden bepaling vernietigt.
A.3. De Ministerraad gedraagt zich, wat de beoordeling van het enige middel betreft, naar de wijsheid van het Hof. In zoverre het Hof de bestreden bepaling zou vernietigen, dient de draagwijdte van de vernietiging volgens de Ministerraad te worden beperkt, in overeenstemming met het voormelde arrest nr. 136/2024. Bij dat arrest heeft het Hof de bestreden bepaling slechts ongrondwettig verklaard in de mate waarin de vzw « Evangelische Theologische Faculteit » niet in de daarbij vastgestelde lijst van instellingen is opgenomen. In zoverre het Hof toch tot de integrale vernietiging van die bepaling zou besluiten, verzoekt de Ministerraad de gevolgen ervan te handhaven ten aanzien van de reeds gepensioneerde personeelsleden van de instellingen die thans in de voormelde lijst zijn opgenomen.
-B-
B.1. De verzoekende partijen in de zaken nrs. 8489, 8490 en 8491 vorderen de vernietiging van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving » (hierna : de wet van 4 augustus 1986).
3
B.2. Artikel 1 van de wet van 4 augustus 1986 bepaalt :
« Dit hoofdstuk is van toepassing op :
1° de in de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat en in het bijzonder decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 26 juni 1991
betreffende de Universiteit Gent en het Universitair Centrum Antwerpen bedoelde leden van het onderwijzend personeel, met uitzondering van de na 27 april 1965 benoemde leden van het onderwijzend personeel bij het Hoger Instituut voor vertalers en tolken en bij de School voor internationale tolken;
2° de leden van het onderwijzend personeel van de Faculteit der Landbouwkundige Wetenschappen te Gembloers;
3° de leden van het burgerlijk onderwijzend personeel van de Krijgsschool, het Koninklijk Hoger Instituut voor Defensie en de faculteiten van de Koninklijke Militaire School;
4° de leden van het onderwijzend personeel bij de hierna vermelde instellingen :
- de Vrije Universiteit Brussel;
- de ‘ Université libre de Bruxelles ’;
- de Katholieke Universiteit te Leuven;
- de ‘ Université catholique de Louvain ’;
- de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen;
- de Universitaire Instelling Antwerpen;
- de ‘ Facultés universitaires Saint-Louis à Bruxelles ’;
- de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius te Brussel;
- het Universitair Centrum Limburg;
- de ‘ Faculté polytechnique de Mons ’;
- de ‘ Faculté universitaire catholique de Mons ’;
- de ‘ Facultés universitaires Notre-Dame de le Paix à Namur ’;
- de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel;
- de ‘ Fondation Universitaire Luxembourgeoise ’;
- de Universiteit Antwerpen.
4
Wat de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap betreft, worden de leden van het zelfstandig academisch personeel bedoeld in het decreet van de Vlaamse Gemeenschap van 12 juni 1991 betreffende de universiteiten in de Vlaamse Gemeenschap als leden van het onderwijzend personeel beschouwd ».
Het voormelde artikel 1 bepaalt het toepassingsgebied van hoofdstuk I van de wet van 4 augustus 1986, dat de « opruststelling en pensioenregeling voor de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs » regelt. De bij de wet van 4 augustus 1986 vastgestelde specifieke pensioenregeling impliceert de toepassing van de pensioenregeling voor de ambtenaren van het Algemeen Rijksbestuur op de onder het toepassingsgebied (artikel 1) vallende personen die bekleed zijn met een vaste of een door of krachtens een wet daarmee gelijkgestelde benoeming (artikel 4, eerste lid). De pensioenregeling bevat daarnaast specifieke regels inzake de pensioenleeftijd (artikel 2), de eretitels na opruststelling (artikel 3) en de in aanmerking te nemen dienstjaren en tantièmes (artikelen 5 en 6). Die pensioenen zijn ook volledig ten laste van de openbare schatkist (artikel 4, tweede lid).
B.3.1. De beroepen tot vernietiging zijn ingesteld op grond van artikel 4, tweede lid, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, dat bepaalt dat voor onder meer iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die doet blijken van een belang, een nieuwe termijn van zes maanden openstaat voor het instellen van een beroep tot vernietiging tegen een wet, een decreet of een ordonnantie wanneer het Hof, uitspraak doende op een prejudiciële vraag, heeft verklaard dat die wet, dat decreet of die ordonnantie met name een van de in artikel 1 bedoelde regels schendt.
B.3.2. Bij zijn arrest nr. 136/2024 van 21 november 2024
(
ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.136
) heeft het Hof, in antwoord op een prejudiciële vraag, voor recht gezegd dat « artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 ‘ tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving ’ […] de artikelen 10 en 11
van de Grondwet [schendt], in zoverre de vzw ‘ Evangelische Theologische Faculteit ’ niet in de lijst van instellingen is opgenomen ».
B.4. De verzoekende partijen zijn de vzw « Evangelische Theologische Faculteit »
(hierna : de ETF) (zaak nr. 8489), alsook een huidig (zaak nr. 8490) en een voormalig (zaak nr. 8491) lid van het onderwijzend personeel van de ETF.
5
In een enig middel voeren zij aan dat artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, in zoverre de ETF niet is opgenomen in de bij die bepaling vastgestelde lijst van onderwijsinstellingen, waardoor de leden van het onderwijzend personeel van de ETF niet onder de specifieke pensioenregeling van die wet vallen.
B.5.1. Bij zijn voormelde arrest nr. 136/2024 heeft het Hof, met betrekking tot het toepassingsgebied van de wet van 4 augustus 1986, geoordeeld :
« B.4.1. Om het precieze toepassingsgebied van de wet van 4 augustus 1986 te begrijpen, dient rekening te worden gehouden met de ontstaansgeschiedenis en de voorgangers van die wet.
B.4.2.1. Zo gaat het toepassingsgebied van de wet van 4 augustus 1986 terug op de wet van 30 juli 1879 ‘ betreffende het emeritaat voor de leraren van het hoger onderwijs ’ (hierna :
de wet van 30 juli 1879). Die wet van 30 juli 1879 met een specifieke pensioenregeling (onder andere inzake de in aanmerking te nemen dienstjaren en het pensioenbedrag) hield onder meer in dat de onder het toepassingsgebied vallende pensioenen ten laste waren van de openbare schatkist.
B.4.2.2. De wet van 30 juli 1879 was in essentie van toepassing op de Rijksuniversiteiten, de krijgsschool en militaire school, de veeartsenijschool en ‘ l’institut agricole de l’État ’, maar haar toepassingsgebied werd nadien via wijzigingen van die wet (zie onder andere artikel 48
van de wet van 9 april 1965 ‘ houdende diverse maatregelen voor de universitaire expansie ’ en artikel 44 van de wet van 7 april 1971 ‘ houdende oprichting en de werking van de Universitaire Instelling Antwerpen ’), dan wel via het van toepassing maken van de wet van 30 juli 1879 op andere onderwijsinstellingen van het Rijk (zie bijvoorbeeld artikel 6 van de wet van 26 februari 1923 ‘ houdende wettige erkenning van het Hoger Handelsgesticht van Antwerpen ’)
uitgebreid.
B.4.2.3. Bij artikel 37 van de wet van 27 juli 1971 ‘ op de financiering en de controle van de universitaire instellingen ’ werd het toepassingsgebied van de wet van 30 juli 1879
fundamenteel uitgebreid met volgende instellingen : Vrije Universiteit Brussel, ‘ Université libre de Bruxelles ’, Katholieke Universiteit te Leuven, ‘ Université catholique de Louvain ’, Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen, Universitaire Instelling Antwerpen, ‘ Facultés universitaires St-Louis à Bruxelles ’, Universitaire Faculteiten St.-Aloysius te Brussel, Universitair Centrum te Limburg, ‘ Faculté polytechnique de Mons ’, ‘ Faculté universitaire catholique de Mons ’, ‘ Facultés Notre-Dame de la Paix à Namur ’ en Faculteit voor Protestantse godgeleerdheid te Brussel (artikel 5bis van de wet van 30 juli 1879).
Met die maatregel beoogde de wetgever om de pensioenen van de leden van het onderwijzend personeel van die onderwijsinstellingen te laten vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 30 juli 1879 (Parl. St., Kamer, 1970-1971, nr. 1043/1, p. 7).
6
B.4.2.4. Naar aanleiding van de noodzaak tot rechtzetting van enkele onvolkomenheden en andere aanpassingen in de veelvuldig gewijzigde wet van 30 juli 1879, werd bij koninklijk besluit nr. 127 van 30 december 1982 ‘ betreffende de pensioenregeling voor de leden van het onderwijzend personeel van het hoger onderwijs ’ (hierna : het koninklijk besluit nr. 127), enerzijds, de wet van 30 juli 1879 en al haar wijzigingen opgeheven (artikel 10), en, anderzijds, een nieuwe, autonome tekst met betrekking tot de pensioenregeling vastgesteld (zie het verslag aan de Koning bij het voormelde koninklijk besluit nr. 127).
Artikel 1 van het koninklijk besluit nr. 127 stelt het toepassingsgebied van de regeling vast als volgt :
‘ 1° de in de wet van 28 april 1953 betreffende de inrichting van het universitair onderwijs door de Staat bedoelde leden van het onderwijzend personeel, met uitzondering van de na 27 april 1965 benoemde leden van het onderwijzend personeel bij het Hoger Instituut voor vertalers en tolken en bij de School voor internationale tolken;
2° de leden van het onderwijzend personeel van de Faculteit der Landbouwkundige Wetenschappen te Gembloers;
3° de leden van het burgerlijk onderwijzend personeel van de Krijgsschool, de burgerlijke docenten een hoogleraren van de Koninklijke Militaire School, evenals de personen benoemd vóór 1 oktober 1982 in de hoedanigheid van burgerlijk meester of repetitor bij de Koninklijke Militaire School;
4° de leden van het onderwijzend personeel van de hiernavermelde instellingen :
- de Vrije Universiteit Brussel;
- de “ Université libre de Bruxelles ”;
- de Katholieke Universiteit te Leuven;
- de “ Université catholique de Louvain ”;
- de Universitaire Faculteiten Sint-Ignatius te Antwerpen;
- de Universitaire Instelling Antwerpen;
- de “ Facultés universitaires Saint-Louis à Bruxelles ”;
- de Universitaire Faculteiten Sint-Aloysius te Brussel;
- het Universitair Centrum Limburg;
- de “ Faculté polytechnique de Mons ”;
- de “ Faculté universitaire catholique de Mons ”;
- de “ Facultés universitaires Notre-Dame de la Paix à Namur ” ;
7
- de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel ’.
B.4.2.5. De Raad van State heeft bij zijn arrest nr. 25.763 van 23 oktober 1985 evenwel het koninklijk besluit nr. 127, met uitzondering van artikel 3 ervan, vernietigd.
B.4.2.6. De wetgever heeft vervolgens de vernietiging van het koninklijk besluit nr. 127
opgevangen door de wet van 4 augustus 1986 aan te nemen (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 464/5, p. 2).
De wetgever heeft zich met de wet van 4 augustus 1986, wat artikel 1 (het toepassingsgebied) betreft, gebaseerd op het vernietigde koninklijk besluit nr. 127, zoals kan worden afgeleid uit de overgenomen formulering van zowel de wettekst als de overwegingen van de parlementaire voorbereiding.
Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 4 augustus 1986 blijkt dat de wetgever bij het vaststellen van het toepassingsgebied voor het overige de reeds gehanteerde terminologie beoogde af te stemmen op de evoluties inzake de structuren van het hoger onderwijs (Parl. St., Kamer, 1985-1986, nr. 464/1, p. 1) ».
B.5.2. Ten gronde heeft het Hof vervolgens geoordeeld :
« B.5. Het verwijzende rechtscollege wenst van het Hof te vernemen of het in het geding zijnde artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 bestaanbaar is met de artikelen 10
en 11 van de Grondwet, in zoverre het de in die wet bedoelde pensioenregeling van toepassing maakt op de daarin opgesomde categorieën van onderwijzend personeel, zonder dat eveneens te doen ten aanzien van het onderwijzend personeel in dienst van de vzw ‘ Evangelische Theologische Faculteit ’ (hierna : de ETF).
B.6. Het verschil in behandeling heeft in wezen betrekking op de al dan niet opname van een instelling in de lijst onder punt 4°, zodat aan het Hof een vraag wordt gesteld over de niet-
opname van de ETF in de lijst van instellingen onder punt 4°, waardoor die onderwijsinstelling en de leden van haar onderwijzend personeel niet onder de hiervoor toegelichte, specifieke pensioenregeling van de wet van 4 augustus 1986 vallen.
B.7.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
B.7.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.8. Bij het bepalen van zijn pensioenbeleid beschikt de wetgever over een ruime beoordelingsbevoegdheid.
8
Indien evenwel een wettelijke pensioenregeling bepaalde categorieën van personen beoogt en andere categorieën niet, of indien eenzelfde regeling van toepassing wordt gemaakt op categorieën van personen die zich in een wezenlijk verschillende situatie bevinden, dient het Hof te onderzoeken of de in het geding zijnde bepalingen pertinent zijn ten aanzien van het nagestreefde doel en of zij geen onevenredige gevolgen hebben ten aanzien van de situatie van de ene of de andere van die categorieën van personen. Van discriminatie zou derhalve slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling of de gelijke behandeling voortvloeiende uit de toepassing van de pensioenregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen.
B.9. Uit hetgeen in B.4 is vermeld, blijkt dat de wetgever bij de wet van 4 augustus 1986
de in 1982 bestaande universitaire instellingen heeft willen bestendigen.
Bij niet-bekendgemaakt koninklijk besluit van 3 juni 1983 ‘ houdende de erkenning van de Evangelische Theologische Faculteit te Heverlee ’ werd de ETF evenwel door de overheid erkend voor het toekennen van de graden van licentiaat en doctor in de godgeleerdheid (zie vermelding van de erkenning in het Belgisch Staatsblad van 4 augustus 1983, p. 9927).
De Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel is eveneens erkend bij koninklijk besluit van 4 maart 1963 ‘ tot erkenning van de faculteit voor protestantse godgeleerdheid Brussel ’ voor de toekenning van de graden van licentiaat en doctor in de godgeleerdheid. Als instelling is zij wel opgenomen in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986.
Thans zijn beide instellingen door de Vlaamse Gemeenschap gemachtigd tot het afleveren van de graden van master en doctor in de godgeleerdheid en zijn ze onderworpen aan dezelfde vereisten inzake de organisatie en kwaliteit van hun opleidingen, het toekennen van academische graden, de financiering en controle op de rekeningen, en de controle door de regeringscommissaris.
De niet-opname van de ETF, in tegenstelling tot de Faculteit voor Protestantse Godgeleerdheid te Brussel, in de lijst van artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 is derhalve niet redelijk verantwoord.
B.10. In zijn memorie verantwoordt de Ministerraad het verschil in behandeling door te wijzen op budgettaire overwegingen. Louter budgettaire motieven kunnen op zichzelf het verschil in behandeling evenwel niet verantwoorden.
B.11. Artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 is niet bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de ETF niet in de lijst van instellingen is opgenomen ».
B.6. Om dezelfde redenen als die welke in het voormelde arrest nr. 136/2024 zijn vermeld, is het enige middel in de zaken nrs. 8489, 8490 en 8491 gegrond. Artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 dient te worden vernietigd, in zoverre de ETF niet in de bij die bepaling vastgestelde lijst van instellingen is opgenomen.
9
B.7. Gelet op de beperkte draagwijdte van de vernietiging, komt de pensioenregeling van de leden van het onderwijzend personeel van de instellingen die thans in de voormelde lijst zijn opgenomen daardoor niet in het gedrang. Bijgevolg is er geen aanleiding om in te gaan op het verzoek van de Ministerraad om de gevolgen van de bestreden bepaling te handhaven.
10
Om die redenen,
het Hof
vernietigt artikel 1, eerste lid, 4°, van de wet van 4 augustus 1986 « tot regeling van de oppensioenstelling van de leden van het onderwijzend personeel van het universitair onderwijs en tot wijziging van andere bepalingen van de onderwijswetgeving », in zoverre de vzw « Evangelische Theologische Faculteit » niet in de bij die bepaling vastgestelde lijst van instellingen is opgenomen.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 september 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.130
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.136
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==