ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.129
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-09-25
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
12 januari 2005, 12 januari 2005, 5 mei 2014, 6 januari 1989, 9 april 1930
Samenvatting
de prejudiciële vraag over artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden », gesteld door de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.129
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 25 september 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.129
Arrest- Rolnummer:
129/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-10-06
Raadplegingen:
171 - laatst gezien 2025-12-15 14:36
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag over artikel 167, § 2, van de basiswet van 12
januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van
de gedetineerden », gesteld door de Nederlandstalige beroepscommissie
van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen. Internering van
personen met een geestesstoornis - Aanwijzing van de inrichting waar de
internering ten uitvoer wordt gelegd - Ontstentenis van rechtsmiddelen
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 129/2025
van 25 september 2025
Rolnummer : 8399
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005
« betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden », gesteld door de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij beslissing van 19 december 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 december 2024, heeft de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, doordat het de mogelijkheid van bezwaar en beroep, zoals bedoeld in de artikelen 18 en 163 tot 166 van die wet, ten aanzien van geïnterneerde personen uitsluit in die gevallen waarin de penitentiaire administratie, binnen de beoordelingsruimte die de beslissing van de Kamer tot bescherming van de maatschappij haar verleent, beslist in welke gevangenis of afdeling tot bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon van zijn vrijheid wordt beroofd waardoor deze, anders dan de veroordeelde gedetineerde, niet beschikt over een aan zijn positie aangepast rechtsmiddel om de discretionaire beslissing van de penitentiaire administratie door een onafhankelijke rechtsinstantie, met name de beroepscommissie, te laten toetsen ? ».
2
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend.
Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Willem Verrijdt en Magali Plovie te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Op 28 mei 2024 heeft de strafuitvoeringsrechtbank te Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, beslist dat H.M., een geïnterneerde persoon, « onmiddellijk in de volgende inrichting [wordt] geplaatst : de [afdeling tot bescherming van de maatschappij] Merksplas/Turnhout of de [afdeling tot bescherming van de maatschappij] Gent, in afwachting van een geschikte residentiële opname ».
H.M. is vervolgens overgeplaatst van de gevangenis van Gent naar de gevangenis van Merksplas. Op 15 oktober 2024 heeft hij bezwaar ingediend tegen die overplaatsing bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie. Bij beslissing van 18 oktober 2024 heeft de directeur-generaal het bezwaar onontvankelijk verklaard, « gezien de beslissing tot overplaatsing niet genomen is door de penitentiaire administratie ».
Op 21 oktober 2024 heeft H.M. tegen die laatste beslissing een beroep ingesteld bij het verwijzende rechtscollege, de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen.
Bij zijn beslissing van 19 december 2024 heeft het verwijzende rechtscollege overwogen dat het voormelde vonnis van 28 mei 2024 een discretionaire bevoegdheid toekent aan de penitentiaire administratie, in zoverre dat vonnis niet één specifieke inrichting aanwijst waarnaar H.M. dient te worden overgebracht. Volgens het verwijzende rechtscollege wordt een geïnterneerde persoon, in tegenstelling tot een gedetineerde, uitgesloten van de mogelijkheid om tegen zijn overplaatsing bezwaar in te dienen bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie en om vervolgens een beroep in te stellen tegen de beslissing over dat bezwaar, overeenkomstig artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden ». Evenmin beschikt een geïnterneerde persoon over een rechtsmiddel tegen de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij tot overplaatsing naar een andere inrichting. Uit artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering » volgt immers dat er tegen een dergelijke beslissing geen cassatieberoep openstaat. Het verwijzende rechtscollege heeft daarom aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag gesteld.
III. In rechte
-A-
A.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag steunt op een kennelijk verkeerd uitgangspunt en dat zij daarom geen antwoord behoeft. Het verwijzende rechtscollege gaat immers ervan uit dat de penitentiaire administratie over een discretionaire bevoegdheid beschikt om de inrichting aan te wijzen waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd. Uit de artikelen 19 en 35 van de wet van 5 mei 2014 « betreffende de internering »
3
(hierna : de wet van 5 mei 2014) volgt evenwel dat de beslissing over de plaatsing of de overplaatsing van de geïnterneerde persoon toekomt aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die één concrete inrichting dient aan te wijzen zoals bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d), van die wet. Er is derhalve geen sprake van enige beslissingsbevoegdheid van de penitentiaire administratie. De kamer voor de bescherming van de maatschappij maakt bovendien deel uit van de strafuitvoeringsrechtbank en ressorteert onder de rechtbank van eerste aanleg.
Aldus voorziet de wet van 5 mei 2014 in het optreden van een rechtscollege met betrekking tot de plaatsing en de overplaatsing van geïnterneerde personen, hetgeen verklaart waarom de in de basiswet van 12 januari 2005
« betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden » (hierna : de basiswet) opgenomen regeling inzake plaatsing en overplaatsing niet op hen van toepassing is.
De omstandigheid dat de kamer voor de bescherming van de maatschappij in het bodemgeschil meerdere inrichtingen heeft aangewezen waarnaar H.M. kan worden overgeplaatst, leidt volgens de Ministerraad niet tot een andere conclusie. Zulks doet geen afbreuk aan de vaststelling dat de wet van 5 mei 2014 als dusdanig geen beoordelingsbevoegdheid toekent aan de penitentiaire administratie. De vraag of de kamer voor de bescherming van de maatschappij in het bodemgeschil heeft gehandeld in overeenstemming met de artikelen 19 en 35 van de wet van 5 mei 2014, betreft de toepassing van die bepalingen, hetgeen niet behoort tot de bevoegdheid van het Hof.
A.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat artikel 167, § 2, van de basiswet niet in strijd is met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. Een geïnterneerde persoon beschikt wel degelijk over aan zijn situatie aangepaste rechtsmiddelen. Zo heeft hij steeds de mogelijkheid om bij de kamer voor de bescherming van de maatschappij, bij hoogdringendheid, een nieuw verzoek tot overplaatsing in te dienen. Hij kan daarbij aangeven voor welke specifieke inrichting hij een voorkeur heeft. Voorts dient een geïnterneerde persoon op regelmatige basis te verschijnen voor de kamer voor de bescherming van de maatschappij, hetgeen hem toelaat zijn grieven omtrent de omstandigheden van de internering kenbaar te maken.
De Ministerraad vervolgt dat de wet van 5 mei 2014 in diverse procedurele waarborgen voorziet ter bescherming van de geïnterneerde persoon. De prejudiciële vraag peilt evenwel niet naar de grondwettigheid van die wet, in het bijzonder de artikelen 19 en 78 ervan.
Tot slot benadrukt de Ministerraad dat geïnterneerde personen en gedetineerden zich in wezenlijk verschillende situaties bevinden. In tegenstelling tot een vrijheidsstraf of een vrijheidsbenemende maatregel, betreft de internering een veiligheidsmaatregel, waarvoor de kamer voor de bescherming van de maatschappij het bevoegde rechtscollege is.
-B-
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de rechtsmiddelen waarover een geïnterneerde persoon beschikt met betrekking tot de aanwijzing van de inrichting waar de internering ten uitvoer wordt gelegd.
Geïnterneerde personen vallen onder het toepassingsgebied van de wet van 5 mei 2014
« betreffende de internering » (hierna : de wet van 5 mei 2014), die afwijkt van die welke van toepassing is op gedetineerden.
B.2. De onderzoeksgerechten en de vonnisgerechten kunnen de internering bevelen van een persoon (1°) die een misdaad of wanbedrijf heeft gepleegd die de fysieke of psychische integriteit van derden aantast of bedreigt en (2°) die op het ogenblik van de beslissing aan een
4
geestesstoornis lijdt die zijn oordeelsvermogen of de controle over zijn daden tenietdoet of ernstig aantast en (3°) bij wie het gevaar bestaat dat hij als gevolg van zijn geestesstoornis, eventueel in samenhang met andere risicofactoren, opnieuw feiten zoals bedoeld in 1° zal plegen (artikel 9, § 1, van de wet van 5 mei 2014). De internering van personen met een geestesstoornis is een veiligheidsmaatregel die tegelijkertijd ertoe strekt de maatschappij te beschermen en ervoor te zorgen dat aan de geïnterneerde persoon de zorg wordt verstrekt die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij (artikel 2, eerste lid, van dezelfde wet).
B.3.1. Artikel 19 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt :
« De plaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid, tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd.
De overplaatsing is de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij, al dan niet bij hoogdringendheid tot aanwijzing van één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) waarnaar de geïnterneerde persoon dient te worden overgebracht, uit oogpunt van veiligheid of aangepaste zorg ».
B.3.2. Artikel 35 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt :
« Indien de kamer voor de bescherming van de maatschappij een beslissing tot plaatsing of overplaatsing neemt, bepaalt zij naar welke inrichting de geïnterneerde persoon moet worden overgebracht. De inrichting wordt gekozen uit de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) ».
B.3.3. Krachtens artikel 3, 4°, van de wet van 5 mei 2014 wordt onder « de inrichting »
verstaan :
« a) de psychiatrische afdeling van een gevangenis;
b) de door de federale overheid georganiseerde inrichting of afdeling tot bescherming van de maatschappij;
c) het door de federale overheid georganiseerd forensisch psychiatrisch centrum, aangewezen bij een besluit vastgelegd na overleg in de Ministerraad op voorstel van de voor Justitie, Volksgezondheid en Sociale Zaken bevoegde ministers;
d) de door de bevoegde overheid erkende inrichting die is georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat
5
is aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorgen te verstrekken en die een overeenkomst betreffende de plaatsing zoals bedoeld in het 5° heeft afgesloten inzake de toepassing van deze wet ».
B.4.1. Artikel 78 van de wet van 5 mei 2014 bepaalt :
« Tegen de beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij met betrekking tot de toekenning, de afwijzing of de herroeping van de beperkte detentie, het elektronisch toezicht, de vrijstelling op proef en de vervroegde invrijheidstelling met het oog op de verwijdering van het grondgebied of met het oog op de overlevering en tot de herziening overeenkomstig artikel 62, met betrekking tot de definitieve invrijheidstelling, evenals tegen de beslissing tot internering van een veroordeelde overeenkomstig artikel 77/7, staat cassatieberoep open voor het openbaar ministerie en de advocaat van de geïnterneerde persoon ».
B.4.2. Het Hof van Cassatie heeft met betrekking tot die bepaling geoordeeld :
« Uit artikel 78 Interneringswet volgt dat tegen de beslissing tot de plaatsing van de eiser in de afdeling tot bescherming van de maatschappij te Merksplas, Turnhout of Antwerpen, geen cassatieberoep openstaat.
In zoverre ook tegen die beslissing gericht, is het cassatieberoep niet ontvankelijk » (Cass., 14 januari 2020,
ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.18
).
B.5. Uit het voorgaande volgt dat de geïnterneerde personen krachtens de wet van 5 mei 2014 niet over een rechtsmiddel beschikken tegen de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij tot plaatsing of overplaatsing. De prejudiciële vraag heeft echter geen betrekking op de bepalingen van die wet.
B.6.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden »
(hierna : de basiswet), die de basisregels vastlegt inzake de tenuitvoerlegging van vrijheidsstraffen en inzake de daarmee samenhangende rechtspositie van de gedetineerden.
B.6.2. Artikel 167 van de basiswet vormt titel IX (« Tijdelijke bepaling ») van die wet.
Die bepaling luidt :
« § 1. Behoudens andersluidende bepalingen zijn de bepalingen van deze wet van toepassing op de personen die krachtens de artikelen 7 en 21 van de wet van 9 april 1930 tot
6
bescherming van de maatschappij tegen abnormalen, gewoontemisdadigers en plegers van bepaalde seksuele strafbare feiten geïnterneerd zijn, in afwachting dat de rechtspositie voor deze personen bij wet geregeld is.
§ 2. De artikelen 17 en 18 en 163 tot 166 betreffende de plaatsing en overplaatsing zijn niet van toepassing op de in § 1 vermelde personen.
[...] ».
B.6.3. De parlementaire voorbereiding van de basiswet vermeldt met betrekking tot het voormelde artikel 167 :
« Niettegenstaande de regering van oordeel is dat er een aparte en omvattende regeling dient te worden uitgewerkt voor de personen die zijn geïnterneerd, meent zij dat in afwachting hiervan de geïnterneerden niet verstoken kunnen blijven van een interne rechtspositie. Het is niet verdedigbaar, noch ten aanzien van de geïnterneerden, noch tegenover het personeel dat in inrichtingen waar zowel gedetineerden als geïnterneerden verblijven, de eerste categorie van personen wel is beschermd door een rechtspositie, terwijl deze aan de geïnterneerden, die reeds de meest kwetsbare groep vormen in de gevangenis, zou worden ontzegd.
De artikelen betreffende de plaatsing en de overplaatsing kunnen niet van toepassing zijn op geïnterneerden aangezien deze beslissingen overeenkomstig de wet van 9 april 1930 tot de bevoegdheid behoren van de commissies tot bescherming van de maatschappij » (Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-0231/010, pp. 3-4).
B.7.1. Wat de plaatsing en de overplaatsing van gedetineerden betreft, bepalen de artikelen 17 en 18 van de basiswet :
« Art. 17. De gedetineerden worden geplaatst in een gevangenis of afdeling dan wel overgeplaatst naar een gevangenis of afdeling, rekening houdend met de bestemming of andere criteria zoals bepaald in artikel 14 of 15, en voor de veroordeelden mede rekening houdend met het individuele detentieplan.
Art. 18. § 1. Onverminderd andersluidende wettelijke bepalingen wordt over de plaatsing of overplaatsing van gedetineerden beslist door ambtenaren van de penitentiaire administratie die daartoe door de directeur-generaal worden aangewezen.
[...]
§ 2. Tegen een beslissing tot plaatsing of overplaatsing die door de in § 1 bedoelde ambtenaren genomen is, kan een bezwaar worden ingediend, zoals bepaald in titel VIII, hoofdstuk III ».
B.7.2. De artikelen 163 tot 166 van de basiswet vormen hoofdstuk III (« Bezwaar tegen de plaatsing of overplaatsing en beroep tegen de beslissing over het bezwaarschrift ») van
7
titel VIII (« Afhandeling van klachten en van bezwaar tegen plaatsing of overplaatsing ») van die wet.
Krachtens artikel 163, § 1, van de basiswet kan de gedetineerde bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie bezwaar indienen tegen de beslissing tot plaatsing of overplaatsing zoals bedoeld in de artikelen 17 en 18 ervan. De directeur-generaal brengt de gedetineerde binnen de veertien dagen schriftelijk op de hoogte van zijn met redenen omklede beslissing (artikel 164, § 2, van de basiswet). De gedetineerde kan tegen die beslissing beroep instellen bij de beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen (artikel 165, § 1, van de basiswet). Het beroep wordt ingesteld uiterlijk de zevende dag na de dag waarop de gedetineerde kennis heeft gekregen van de aangevochten beslissing (artikel 165, § 2, van de basiswet).
B.7.3. Uit het in het geding zijnde artikel 167, § 2, van de basiswet vloeit voort dat de bezwaarprocedure tegen de plaatsing of overplaatsing van een gedetineerde, en het beroep tegen de beslissing over dat bezwaar, niet van toepassing zijn op de geïnterneerde personen.
B.8. Het verwijzende rechtscollege, de Nederlandstalige beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen, vraagt aan het Hof of artikel 167, § 2, van de basiswet bestaanbaar is met de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, « doordat het de mogelijkheid van bezwaar en beroep, zoals bedoeld in de artikelen 18
en 163 tot 166 van die wet, ten aanzien van geïnterneerde personen uitsluit in die gevallen waarin de penitentiaire administratie, binnen de beoordelingsruimte die de beslissing van de Kamer tot bescherming van de maatschappij haar verleent, beslist in welke gevangenis of afdeling tot bescherming van de maatschappij de geïnterneerde persoon van zijn vrijheid wordt beroofd waardoor deze, anders dan de veroordeelde gedetineerde, niet beschikt over een aan zijn positie aangepast rechtsmiddel om de discretionaire beslissing van de penitentiaire administratie door een onafhankelijke rechtsinstantie, met name de beroepscommissie, te laten toetsen ».
B.9.1. Bij beslissing van 29 april 2024 heeft het verwijzende rechtscollege een identieke prejudiciële vraag gesteld aan het Hof, in een geschil met betrekking tot de overplaatsing van een geïnterneerde persoon van de gevangenis van Gent naar de gevangenis van Turnhout. Bij
8
zijn arrest nr. 16/2025 van 30 januari 2025 (
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.016
) heeft het Hof die zaak, ingeschreven onder het rolnummer 8211, teruggezonden naar het verwijzende rechtscollege, nadat was gebleken dat aan de betrokken geïnterneerde persoon een invrijheidstelling op proef was toegekend.
B.9.2. Thans betreft het bodemgeschil de overplaatsing van H.M., een andere geïnterneerde persoon, van de gevangenis van Gent naar de gevangenis van Merksplas. De strafuitvoeringsrechtbank te Gent, kamer voor de bescherming van de maatschappij, had eerder beslist dat hij in de afdeling tot bescherming van de maatschappij van Merksplas, Turnhout of Gent zou worden geplaatst. H.M. heeft bezwaar ingediend tegen zijn overplaatsing naar de gevangenis van Merksplas bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie. Dat bezwaar is onontvankelijk verklaard, waarna H.M. beroep heeft ingesteld bij het verwijzende rechtscollege.
B.10.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.
B.10.2. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen met zich zou meebrengen, te dezen het recht op toegang tot een rechter.
B.11. Het recht op toegang tot een rechter is een algemeen rechtsbeginsel dat met inachtneming van artikel 13 van de Grondwet en van artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens moet worden gewaarborgd. Het vormt een wezenlijk aspect van het recht op een eerlijk proces en is fundamenteel in een rechtsstaat. Het recht om zich tot een rechter te wenden, heeft bovendien zowel betrekking op de vrijheid om in rechte op te treden als op de vrijheid om zich te verdedigen. In die context voegt artikel 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, dat eenieder wiens rechten en vrijheden die in dat
9
Verdrag worden erkend, zijn geschonden, het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel voor een nationale instantie waarborgt, niets toe aan artikel 6 van hetzelfde Verdrag.
B.12.1. De wet van 5 mei 2014 bevat een eigen regeling met betrekking tot de plaatsing en de overplaatsing van geïnterneerde personen, die verschilt van de in de basiswet opgenomen regeling met betrekking tot de plaatsing en de overplaatsing van gedetineerden.
De bevoegdheid om de plaats te bepalen waar de internering ten uitvoer wordt gelegd, komt toe aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij (artikelen 19 en 35 van de wet van 5 mei 2014). De kamer voor de bescherming van de maatschappij maakt samen met de strafuitvoeringskamer deel uit van de strafuitvoeringsrechtbank en ressorteert onder de rechtbank van eerste aanleg (zie ook artikel 3, 6°, van de wet van 5 mei 2014).
B.12.2. In het bijzonder definieert artikel 19 van de wet van 5 mei 2014 de plaatsing en de overplaatsing als de respectieve beslissingen van de kamer voor de bescherming van de maatschappij tot aanwijzing van « één van de inrichtingen bedoeld in artikel 3, 4°, b), c) en d) »
(in het enkelvoud) waar de internering ten uitvoer zal worden gelegd (eerste lid) dan wel waarnaar de geïnterneerde persoon moet worden overgebracht uit het oogpunt van veiligheid of aangepaste zorg (tweede lid). Krachtens artikel 35 van dezelfde wet bepaalt de kamer voor de bescherming van de maatschappij, indien zij een beslissing tot plaatsing of overplaatsing neemt, « naar welke inrichting » (in het enkelvoud) de geïnterneerde persoon moet worden overgebracht. De inrichting wordt gekozen uit de door de federale overheid georganiseerde inrichtingen of afdelingen tot bescherming van de maatschappij, de door de federale overheid georganiseerde forensische psychiatrische centra of de door de bevoegde overheid erkende inrichtingen die zijn georganiseerd door een privé-instelling, door een gemeenschap of een gewest of door een lokale overheid, die in staat zijn aan de geïnterneerde persoon de gepaste zorg te verstrekken en die een overeenkomst betreffende de plaatsing hebben gesloten (artikel 3, 4°, b), c) en d), van de wet van 5 mei 2014).
Zoals het Hof heeft geoordeeld bij zijn arrest nr. 159/2019 van 24 oktober 2019
(
ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.159
), dient de kamer voor de bescherming van de maatschappij erover te waken dat zij een inrichting aanwijst die aan de geïnterneerde persoon de therapeutische zorg kan verstrekken die zijn toestand vereist met het oog op zijn re-integratie in de maatschappij. Wanneer is bepaald naar welke inrichting de geïnterneerde persoon moet
10
worden overgebracht, staat het aan de bevoegde overheden ervoor te zorgen dat die persoon daar kan worden opgenomen binnen een afzienbare termijn (EHRM, 11 mei 2004, Morsink t. Nederland,
ECLI:CE:ECHR:2004:0511JUD004886599
, §§ 67-69; 11 mei 2004, Brand t. Nederland,
ECLI:CE:ECHR:2004:0511JUD004990299
, §§ 64-66; 12 februari 2008, Pankiewicz t. Polen,
ECLI:CE:ECHR:2008:0212JUD003415104
, §§ 44-45; 5 april 2011, Nelissen t. Nederland,
ECLI:CE:ECHR:2011:0405JUD000605107
, §§ 59-60).
B.12.3. In tegenstelling tot wat wordt aangenomen in de prejudiciële vraag, volgt uit de voormelde bepalingen van de wet van 5 mei 2014 dat de penitentiaire administratie niet over enige discretionaire bevoegdheid beschikt met betrekking tot de keuze van de inrichting waarnaar de geïnterneerde persoon dient te worden overgebracht. Het staat aan de kamer voor de bescherming van de maatschappij, die een rechterlijke instantie is, om de concrete inrichting aan te wijzen waar de internering ten uitvoer wordt gelegd en om desgevallend de overplaatsing van die persoon naar een andere inrichting te bevelen.
Bijgevolg is het redelijk verantwoord dat geïnterneerde personen niet de mogelijkheid hebben om bezwaar in te dienen bij de directeur-generaal van de penitentiaire administratie tegen een overplaatsing door de penitentiaire administratie met toepassing van een beslissing ter zake van de kamer voor de bescherming van de maatschappij en om daaromtrent vervolgens een beroep in te stellen bij de beroepscommissie van de Centrale Toezichtsraad voor het Gevangeniswezen.
B.12.4. De omstandigheid dat in het bodemgeschil de kamer voor de bescherming van de maatschappij, in de beslissing tot plaatsing, meer dan één inrichting heeft aangewezen, leidt niet tot een andere conclusie. Het Hof kan slechts in abstracto beoordelen of wetskrachtige bepalingen bestaanbaar zijn met de regels waaraan het kan toetsen, maar is niet bevoegd om zich uit te spreken over de wijze waarop die bepalingen worden toegepast.
Overigens heeft de prejudiciële vraag geen betrekking op artikel 78 van de wet van 5 mei 2014, waaruit volgt dat er geen cassatieberoep openstaat tegen de beslissing van de kamer voor de bescherming van de maatschappij tot plaatsing of overplaatsing van een geïnterneerde persoon, zoals ook blijkt uit de in B.4.2 vermelde rechtspraak van het Hof van Cassatie. Gelet op de draagwijdte van de thans onderzochte prejudiciële vraag, vermag het Hof zich niet uit te spreken over de grondwettigheid van die bepaling.
11
B.13. Artikel 167, § 2, van de basiswet is niet onbestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 13
van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
12
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 167, § 2, van de basiswet van 12 januari 2005 « betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden » schendt niet de artikelen 10, 11 en 13 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 september 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Luc Lavrysen
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.129
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:CASS:2020:ARR.20200114.2N.18
ECLI:BE:GHCC:2019:ARR.159
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.016
ECLI:CE:ECHR:2004:0511JUD004886599
ECLI:CE:ECHR:2004:0511JUD004990299
ECLI:CE:ECHR:2008:0212JUD003415104
ECLI:CE:ECHR:2011:0405JUD000605107
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==