ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.125
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-09-25
🌐 FR
Arrest
vernietigd
Rechtsgebied
strafrecht
bestuursrecht
Geciteerde wetgeving
10 mei 1985, 15 juli 1988, 15 mei 2024, 19 oktober 2015, 2 februari 1984
Samenvatting
de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo, door Heidi Bortels en anderen en door Len Augustyns en Koen Vaneecke.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.125
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 25 september 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.125
Arrest- Rolnummer:
125/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-10-06
Raadplegingen:
127 - laatst gezien 2025-12-15 14:34
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
1. Vernietiging (artikel 479 van het Wetboek van strafvordering in zoverre
het de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet vermeldt als dragers
van het voorrecht van rechtsmacht) 2. Vernietiging (in artikel 479, eerste
lid, eerste streepje, van het Wetboek van strafvordering de woorden «
met uitzondering van de plaatsvervangende rechters », in artikel 479,
eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden « of de
plaatsvervangende rechters » en in artikel 479, eerste lid, derde streepje,
van hetzelfde Wetboek de woorden « of de plaatsvervangende raadsheren
») 3. Verwerping van de beroepen voor het overige
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van
de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van
justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het
Wetboek van strafvordering), ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram
Van Thillo, door Heidi Bortels en anderen en door Len Augustyns en Koen
Vaneecke. Strafrechtspleging - Rechtsplegingen van bijzondere aard - Voorrecht
van rechtsmacht van de magistraten - Toepassingsgebied - Uitsluiting -
Referendarissen bij het Grondwettelijk Hof - Leden van het Coördinatiebureau
van de Raad van State - Plaatsvervangende rechters en raadsheren
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 125/2025
van 25 september 2025
Rolnummers : 8298, 8360 en 8373
In zake : de beroepen tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II »
(vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo, door Heidi Bortels en anderen en door Len Augustyns en Koen Vaneecke.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, en de rechters Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de beroepen en rechtspleging
a. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 13 augustus 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 14 augustus 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 « houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 28 mei 2024, ingesteld door Luc Van Calenbergh en Bram Van Thillo.
Bij hetzelfde verzoekschrift vorderden de verzoekende partijen eveneens de gedeeltelijke schorsing van dezelfde wetsbepaling. Bij het arrest nr. 141/2024 van 27 november 2024
(
ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.141
), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 25 april 2025, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen.
b. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 november 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 21 november 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van dezelfde wetsbepaling ingesteld door Heidi Bortels, Lien De Geyter, Thibault Gaudin, Nicolas Goethals, Sarah Lambrecht, Youri Mossoux, Quentin Pironnet,
2
Bernadette Renauld, Mathilde Rousseau, Sophie Seys, Tim Souverijns, Jan Theunis, Ann-Sophie Vandaele en Martin Vrancken.
c. Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 27 november 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 29 november 2024, is beroep tot gehele vernietiging van dezelfde wetsbepaling ingesteld door Len Augustyns en Koen Vaneecke, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jan Fransen, advocaat bij de balie van Antwerpen.
Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8298, 8360 en 8373 van de rol van het Hof, werden samengevoegd.
Gelet op het voorwerp van de beroepen, dat tevens de referendarissen van het Grondwettelijk Hof aanbelangt, waarvan veertien naderhand ook effectief een beroep tot vernietiging hebben ingesteld, heeft het Hof bij beschikking van 17 september 2024 alle noodzakelijke voorzorgsmaatregelen genomen om de wapengelijkheid van alle mogelijk in de rechtspleging betrokken partijen te waarborgen.
Memories zijn ingediend door :
- Ann-Sophie Vandaele (tussenkomende partij in de zaken nrs. 8298 en 8373);
- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Aube Wirtgen en mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel.
De verzoekende partijen hebben memories van antwoord ingediend.
Bij beschikking van 2 juli 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Joséphine Moerman en Emmanuelle Bribosia te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
Ten aanzien van het enige middel in de zaak nr. 8298
A.1.1. In hun enige middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij een onverantwoord verschil in
3
behandeling tussen de auditeurs bij de Raad van State en de referendarissen bij het Coördinatiebureau van de Raad van State in het leven roept.
A.1.2. Zij zetten uiteen dat de referendarissen bij het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en de Raad van State, in tegenstelling tot de referendarissen bij de rechtbanken van eerste aanleg, het statuut van onafhankelijk en onpartijdig magistraat hebben en lid van hun rechtscollege zijn. De referendarissen bij het Coördinatiebureau worden aangeworven middels een vergelijkend wervingsexamen dat tegelijkertijd voor auditeurs en referendarissen wordt georganiseerd. Zij spelen een essentiële rol bij de totstandkoming van de arresten van die rechtscolleges en hebben daarom een geldelijk en ambtelijk statuut van magistraat. Vóór de inwerkingtreding van de bestreden bepaling behoorde ook het voorrecht van rechtsmacht tot dat statuut. Dat voorrecht van rechtsmacht is een beschermingsstatuut dat beoogt de onafhankelijkheid van de rechterlijke functie te waarborgen en buitensporigheden van hen die een voorbeeld van correctheid zouden moeten zijn, krachtdadig te beteugelen. De bestreden bepaling schrapt dat statuut voor de referendarissen van het Coördinatiebureau, maar behoudt het voor de auditeurs. Beide categorieën van ambtsdragers zullen voortaan bijgevolg door onderscheiden magistraten worden vervolgd en berecht.
A.1.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling blijkt volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 dat de wetgever gekozen heeft voor een criterium van onderscheid dat is ontwikkeld door de Hoge Raad voor de Justitie, namelijk « effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling ». Aan de hand van dat criterium heeft hij de ambten die weliswaar een belangrijke medewerking en bijstand verlenen aan, maar niet zelf effectief belast zijn met de rechtsbedeling, uitgesloten van het toepassingsgebied van het voorrecht van rechtsmacht. Nochtans heeft de Hoge Raad voor de Justitie geenszins aanbevolen om de ambten van referendaris bij het Grondwettelijk Hof, bij het Hof van Cassatie en bij de Raad van State van de lijst van personen met dit beschermingsstatuut te schrappen.
A.1.4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 betwisten niet dat de wetgever vermag te bepalen welke ambten volgens hem buiten het voorrecht van rechtsmacht vallen, zij het dat die invulling niet kennelijk onredelijk mag zijn en dat zij niet op onevenredige wijze afbreuk mag doen aan de rechten van bepaalde ambtsdragers. Zij betwisten evenmin dat dit criterium van onderscheid objectief is, maar betwisten wel de pertinentie ervan. De wetgever rechtvaardigt het verschil in behandeling volgens hen op grond van twee argumenten. Ten eerste zou de afwezigheid van « nominatieve » betrokkenheid van de referendarissen bij de rechtsbedeling impliceren dat zij niet het voorwerp kunnen uitmaken van roekeloze of tergende vervolgingen die hen kunnen destabiliseren of hun optreden onmogelijk kunnen maken met de bedoeling te verhinderen dat zij medeburgers vervolgen of recht spreken. Ten tweede verwijst hij naar de afwezigheid te hunnen aanzien van een risico op straffeloosheid of een schijn van partijdigheid indien zij hun rechtstreekse ambtsgenoten of bovengeschikten zouden beoordelen.
De vrees voor een roekeloze of tergende vervolging kan, aldus de verzoekende partijen, het verschil in behandeling tussen de auditeurs bij de Raad van State en de referendarissen van het Coördinatiebureau niet rechtvaardigen, aangezien ook de auditeurs geen personen kunnen vervolgen of recht kunnen spreken. Een auditeur verstrekt immers slechts een niet-bindend advies aan de bevoegde kamer en beschikt niet over enige beslissings- of vervolgingsmacht. Overigens hebben ook de staatsraden en kamervoorzitters uit de afdeling wetgeving niet als taak medeburgers te vervolgen of recht te spreken : zij verstrekken slechts een niet-bindend advies aan bepaalde overheidsinstanties over voorstellen of (voor)ontwerpen van wetgevende of reglementaire normen. Tussen de afdeling wetgeving en de afdeling bestuursrechtspraak bestaat weliswaar een « ad hoc-mobiliteit », maar dat neemt niet weg dat, zolang een staatsraad of auditeur aan de afdeling wetgeving is toegewezen, hij niet « effectief en permanent belast is met de rechtsbedeling ». Het percentage dossiers dat de auditeurs en staatsraden van de afdeling wetgeving afhandelen in de afdeling bestuursrechtspraak, is overigens verwaarloosbaar.
Ook de doelstelling om straffeloosheid en partijdigheid te vermijden, kan het bestreden verschil in behandeling niet rechtvaardigen. Die doelstelling rechtvaardigt slechts dat strafzaken betreffende in verdenking gestelde magistraten niet door hun rechtstreekse of ondergeschikte ambtsgenoten mogen worden afgehandeld.
Geen enkele magistraat in de Raad van State is evenwel een rechtstreekse of ondergeschikte ambtsgenoot van een strafrechter. In dat verband bevinden de auditeurs en de referendarissen van het Coördinatiebureau zich dus niet een verschillende situatie.
A.1.5. Meer algemeen geldt dat ook de leden van het Coördinatiebureau effectief en permanent - zij het onrechtstreeks - belast zijn met de rechtsbedeling, aangezien zij krachtens artikel 77, eerste lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, onder meer de stand van de wetgeving bijhouden en hun documentatie daarover ter beschikking stellen van de beide afdelingen van de Raad en van het publiek. Burgers
4
kunnen hun daarover om advies vragen en de leden van het Coördinatiebureau ondertekenen dat advies met vermelding van hun naam en functie, met andere woorden « nominatief ».
Omgekeerd is het niet zo dat alle leden van de Raad van State nominatief in de procedure verschijnen door de arresten van de afdeling bestuursrechtspraak of de adviezen van de afdeling wetgeving te ondertekenen. Alleen de griffier en de kamervoorzitter ondertekenen immers het arrest of het advies, met uitsluiting van de overige staatsraden. Het door de auditeur ondertekende advies heeft dan weer geen publiek karakter.
A.1.6. Tot slot wijzen de verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 op de wettelijk verankerde mobiliteit tussen de leden van het auditoraat en van het Coördinatiebureau. Krachtens artikel 71, § 1, vierde en vijfde lid, van de voormelde gecoördineerde wetten op de Raad van State kunnen de leden van het auditoraat bij iedere nuttige vacature bij voorrang worden benoemd tot referendaris bij het Coördinatiebureau, en hetzelfde geldt in omgekeerde richting. De staatsraden worden krachtens artikel 70, § 2, tweede lid, van dezelfde gecoördineerde wetten overigens voor de helft uit de leden van het auditoraat en van het Coördinatiebureau benoemd. De bestreden bepaling bemoeilijkt bijgevolg de toepassing van het hele stelsel van het voorrecht van rechtsmacht.
A.2. De tussenkomende partij in de zaak nr. 8298 beperkt zich ertoe zich aan te sluiten bij het middel van de verzoekende partijen.
A.3.1. De Ministerraad wijst erop dat het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht als uitzonderingsregime ten opzichte van het gemeen strafrecht restrictief moet worden geïnterpreteerd. Dat stelsel is niet zozeer een waarborg voor de vervolgde magistraat, maar voor het algemeen belang, doordat het een onpartijdige en serene rechtsbedeling van magistraten verzekert. Het vermijdt immers dat zij worden onderworpen aan ondoordachte, onverantwoorde of tergende vervolgingen, alsook dat zij te streng of met te veel toegeeflijkheid zouden worden beoordeeld. Uit de rechtspraak van het Hof blijkt dat het aan de wetgever toekomt te bepalen welke overheidsambten het voorrecht van rechtsmacht moeten kunnen genieten om die doelstellingen van algemeen belang te bereiken.
A.3.2. Het bestreden verschil in behandeling berust volgens de Ministerraad op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling. De wetgever heeft dat criterium van onderscheid overgenomen van de Hoge Raad voor de Justitie, die in het verslag van een bijzonder onderzoek uit 2015 voorstelde om het verouderde stelsel van het voorrecht van rechtsmacht grondig te hervormen.
A.3.3. Het criterium van onderscheid is volgens de Ministerraad ook pertinent in het licht van de doelstelling, die eveneens is overgenomen uit het voormelde verslag, om het aantal personen dat dit voorrecht geniet, te beperken tot diegenen die daadwerkelijk het voorwerp zouden kunnen uitmaken van destabiliserende en roekeloze vorderingen of ten aanzien van wie een risico op straffeloosheid of een schijn van partijdigheid bestaat. Die risico’s bestaan immers slechts ten aanzien van de personen die effectief en permanent met de rechtsbedeling zijn belast.
A.3.4. De Ministerraad voert aan dat de leden van het Coördinatiebureau bij de Raad van State in het licht van dat criterium verschillen van de staatsraden en de auditeurs. Zij hebben geen rechtsprekende functie. Hun takenpakket bestaat erin de stand van de wetgeving bij te houden, documentatie ter beschikking te stellen van de afdeling bestuursrechtspraak en de afdeling wetgeving, de documentatie met betrekking tot de stand van de wetgeving ter beschikking te stellen van het publiek, de coördinatie en codificatie van wetgeving voor te bereiden en de beginselen van wetgevingstechniek uit te werken en te verspreiden. Dit zijn weliswaar belangrijke taken, die bovendien bijdragen aan de voorbereiding van rechtspraak, maar daaruit kan niet worden afgeleid dat de leden van het Coördinatiebureau zelf zijn belast met de eigenlijke rechtsbedeling.
Daarentegen zijn de staatsraden, met name wanneer zij zijn toegewezen aan de afdeling bestuursrechtspraak, effectief belast met de hoogste administratieve rechtspraak. De auditeurs beslechten weliswaar zelf geen geschillen, maar nemen rechtstreeks deel aan het onderzoek van de zaken.
Wat meer bepaald het verschil in behandeling tussen auditeurs en leden van het Coördinatiebureau betreft, wijst de Ministerraad erop dat de leden van het Coördinatiebureau niet bevoegd zijn om in het kader van voor de Raad van State hangende zaken te vorderen, te besluiten of onder hun handtekening advies uit te brengen. De adviezen van de auditeurs dragen daarentegen wel de handtekening van die auditeurs.
Dat ook de staatsraden en auditeurs toegewezen aan de afdeling wetgeving het voorrecht van rechtsmacht genieten, vloeit dan weer voort uit de grote mobiliteit die tussen beide afdelingen bestaat. In functie van de noodwendigheden van de dienst, met name de werklast van beide afdelingen, kunnen de korpschefs tijdelijk
5
staatsraden en auditeurs toewijzen aan de behandeling van dossiers in de andere afdeling. Auditeurs worden overigens niet aan een van beide afdelingen toegewezen, maar aan het auditoraat, waarna zij door hun korpschef worden ingezet naargelang van de noodwendigheden. Die grote flexibiliteit verschilt van de mogelijke mobiliteit tussen het auditoraat en het Coördinatiebureau, aangezien een overgang tussen die functies een verklaring, een benoeming bij koninklijk besluit en een nieuwe eedaflegging vereist.
Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 8360
A.4.1. In hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met artikel 142, eerste en zesde lid, van de Grondwet, doordat zij niet met de bijzondere meerderheid bedoeld in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet is aangenomen, in zoverre zij een essentieel aspect van het statuut van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof regelt.
A.4.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 zetten uiteen dat het Hof bevoegd is om na te gaan of een materie bij een gewone of bij een bijzondere meerderheid moet worden geregeld, aangezien zulks een bevoegdheidverdelende regel uitmaakt. Die bijzonderemeerderheidswet dient krachtens artikel 4, laatste lid, van de Grondwet te worden aangenomen « met een meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-
stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt ».
A.4.3. Krachtens artikel 142 van de Grondwet moeten alle regels met betrekking tot de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van het Hof bij bijzonderemeerderheidswet worden aangenomen. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 verwijzen in dat verband naar de parlementaire voorbereiding bij de grondwetsherziening van 15 juli 1988, waarin de Grondwetgever die bijzondere meerderheid in verband bracht met de fundamentele rol van het Hof in de organisatie van de Staat, en meer bepaald in de verhouding tussen de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten. Diezelfde parlementaire voorbereiding beschouwt de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) als een van de basiswetten die de structuur en de werking van onze federale Staat bepalen.
De samenstelling van het Hof, zoals die was geregeld in de wet van 28 juni 1983 « houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof » (hierna : de wet van 28 juni 1983), omvat niet alleen de rechters, maar ook de referendarissen en de griffiers. De regels met betrekking tot de samenstelling van het Hof in die wet betreffen niet alleen de benoeming van die ambtsdragers, maar ook allerhande regels over hun statuut en over de uitoefening van hun functie. Artikel 109 van de wet van 28 juni 1983 breidt het voorrecht van rechtsmacht uit naar de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof. Dit gebeurde weliswaar bij gewone meerderheid, maar de grondwetsherziening van 15 juli 1988 bevatte in dat verband een overgangsbepaling krachtens welke twee bestaande wetten die de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van het Grondwettelijk Hof regelden, en die met een gewone meerderheid waren aangenomen, van toepassing bleven tot wanneer de vereiste bijzonderemeerderheidswet was aangenomen. Die wetten waren de wet van 28 juni 1983 en de wet van 10 mei 1985 « betreffende de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen vernietigende arresten ». Uit die overgangsbepaling blijkt dat, in de visie van de Grondwetgever, alle regels die in de wet van 28 juni 1983 waren opgenomen, betrekking hadden op de samenstelling, de bevoegdheid en de werking van het Hof. Alleen de inhoud van de wet van 2 februari 1984 « betreffende de wedden van de leden, de referendarissen en de griffiers van het Arbitragehof, hun voordracht en benoeming, evenals de smaad en het geweld tegen de leden van dit Hof » mocht voortaan nog met een gewone meerderheid worden gewijzigd.
Uit het voorgaande volgt, aldus de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360, dat alleen de bijzondere wetgever bevoegd is om het statuut van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof te wijzigen, met inbegrip van wijzigingen inzake het voorrecht van rechtsmacht.
A.4.4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 voeren aan dat het vraagstuk van de toepasselijkheid van de regels inzake het voorrecht van rechtsmacht inderdaad betrekking heeft op de samenstelling van het Hof, aangezien het raakt aan de verhouding tussen de uitvoerende en rechterlijke macht, enerzijds, en de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof, anderzijds. Die laatsten moeten immers in elke zaak die zij behandelen de argumenten van de Ministerraad of de betrokken gemeenschaps- of gewestregering onderzoeken en zij behandelen regelmatig prejudiciële vragen die door rechtscolleges van de rechterlijke macht worden gesteld. Datzelfde vraagstuk heeft ook betrekking op de werking van het Hof in een rechtsstaat, aangezien het raakt aan de onafhankelijkheid van de magistraten van het Hof, waaronder de referendarissen.
6
Het zou in dat verband weinig coherent zijn de tucht en de onverenigbaarheden van de referendarissen wel in een bijzonderemeerderheidswet te regelen, maar het voorrecht van rechtsmacht aan die bijzonderemeerderheidsvereiste te onttrekken.
A.5.1. Volgens de Ministerraad had de bestreden bepaling niet met een bijzondere meerderheid moeten worden aangenomen, zelfs niet in zoverre ze betrekking heeft op de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof.
Het voorrecht van rechtsmacht is immers op hen van toepassing verklaard met een wetsbepaling die bij gewone meerderheid is aangenomen, namelijk bij artikel 109 van de wet van 28 juni 1983. Ook het voorrecht van rechtsmacht zelf is geregeld in wetsbepalingen die bij een gewone meerderheid zijn aangenomen. De bestreden bepaling wijzigt die wetsbepalingen. Aangezien wijzigingsbepalingen zich onmiddellijk integreren in de gewijzigde bepalingen, heeft het geen zin die wijzigingsbepalingen aan te nemen met een andere meerderheid dan de gewijzigde bepalingen.
Het is weliswaar juist dat de artikelen 35 tot 39 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 het statuut van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof regelen, maar die bepalingen hebben slechts betrekking op hun aantal en op hun benoeming, en niet op hun strafrechtelijke vervolging. Geen enkele bepaling van de bijzondere wet van 6 januari 1989 heeft als gevolg dat de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof magistraten zouden zijn.
A.5.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien het Hof dit middel gegrond zou achten, het slechts kan overgaan tot een gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, namelijk slechts in zoverre de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet langer over het voorrecht van rechtsmacht beschikken.
Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 8360
A.6.1. In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 aan dat de bestreden bepaling, in zoverre zij de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof uitsluit van het voorrecht van rechtsmacht, niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doordat het een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven roept tussen de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof en de magistraten die wel nog onder het voorrecht van rechtsmacht vallen.
A.6.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 erkennen dat de bestreden bepaling een legitieme doelstelling nastreeft. Zij beoogt immers het aantal titularissen van het voorrecht van rechtsmacht te beperken aan de hand van het criterium van het effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling. In zoverre de bestreden bepaling evenwel gevolg wil geven aan aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie, merken zij op dat dit orgaan slechts een adviesbevoegdheid heeft ten aanzien van leden van de rechterlijke orde, maar niet ten aanzien van de magistraten in het Grondwettelijk Hof. In zoverre de wetgever de bestreden hervorming heeft voorbereid in samenwerking met het College van procureurs-generaal en met de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie, merken zij op dat ook die organen geen bevoegdheid hebben ten aanzien van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof. Het Grondwettelijk Hof is op geen enkele manier betrokken geweest bij de hervorming van het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht.
A.6.3.1. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 is de bestreden bepaling evenwel niet pertinent in het licht van de nagestreefde doelstelling. De referendarissen bij het Grondwettelijk Hof zijn immers magistraten die effectief en permanent met de rechtsbedeling zijn belast. Hun statuut van magistraat vloeit vooreerst voort uit het feit dat zij worden aangeworven middels een vergelijkend examen, waarvan het Hof de voorwaarden bepaalt, door een jury die voor de helft uit rechters in het Grondwettelijk Hof bestaat. Zij worden vervolgens aangesteld voor een stage van drie jaar en hun benoeming wordt definitief na afloop van die stage, behoudens een andersluidende beslissing van het Hof tijdens het derde jaar van de stage.
Hun statuut van magistraat vloeit daarnaast voort uit hun takenpakket. Zij oefenen in wezen een rechterlijke taak uit wanneer zij de ontvankelijkheid van een zaak onderzoeken, de feiten en de standpunten van de partijen samenvatten, de zaak op objectieve en onpartijdige wijze onderzoeken en het ontwerparrest opstellen dat als basis dient voor de beraadslaging door de rechters. Voorts gelden voor hen dezelfde onverenigbaarheden als voor de rechters in het Grondwettelijk Hof. Het is dan ook evident dat het Hof de referendarissen zowel op zijn website als in jaarverslagen, andere publicaties en toespraken als magistraten aanduidt.
7
De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 wijzen tot slot op enkele normen die zouden aantonen dat de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof magistraten zijn. Krachtens artikel 3, § 3, eerste lid, 2°, van de wet van 5 april 1955 « inzake de wedden van de ambtsdragers bij de Raad van State en de magistraten en leden van de griffie van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen », wordt voor weddeverhogingen in de magistratuur rekening gehouden met de ervaring als referendaris bij het Grondwettelijk Hof. Krachtens artikel 2, § 2, van het besluit van de Waalse Regering van 9 juli 1998 « tot bepaling van de samenstelling en de werking van de Commissie voor inzage van bestuursdocumenten » moet de voorzitter van die commissie een magistraat of een eremagistraat zijn.
In het verleden is die functie al tweemaal toegewezen aan een referendaris bij het Grondwettelijk Hof.
A.6.3.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 wijzen ook erop dat de bijstand van de referendarissen essentieel is voor de werking van het Hof. Hun aantal is steeds verhoogd in functie van de toename van de bevoegdheden van het Hof en de complexiteit van de behandelde zaken. De bijdrage van de referendarissen waarborgt de partijen overigens een dubbel onderzoek, dat op geen enkele andere wijze kan worden gewaarborgd, aangezien het Hof geen parket en geen auditoraat heeft en zijn arresten niet vatbaar zijn voor hoger beroep.
De parlementaire voorbereiding van de bestreden bepaling vermeldt in dat verband dat de referendarissen niet nominatief - met naam en handtekening - optreden in de procedure en dat zij geen beslissingsmacht hebben.
Die omschrijving gaat evenwel eraan voorbij dat ook de auditeurs bij de Raad van State en de advocaten-generaal bij het Hof van Cassatie niet zetelen, niet delibereren en geen beslissingsmacht hebben. Overigens ondertekenen de referendarissen wel degelijk de ontwerparresten en nota’s die zij opstellen aan de hand van de vermelding van hun initialen op de eerste bladzijde ervan. Dat zijn weliswaar louter interne documenten, maar het illustreert de rechtstreekse betrokkenheid van de referendarissen bij de rechtsbedeling.
Dat hun naam niet wordt vermeld in de arresten van het Hof, sluit overigens niet uit dat de referendarissen kunnen worden blootgesteld aan de risico’s die het voorrecht van rechtsmacht beoogt te vermijden. De identiteit van de referendarissen is immers gekend, aangezien hun aantal beperkt is en hun namen en foto’s op de website van het Hof terug te vinden zijn.
A.6.3.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 verwijzen nog naar het arrest van het Hof nr. 117/98
van 18 november 1998 (
ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.117
), waarin het Hof heeft geoordeeld dat de toepassing van het voorrecht van rechtsmacht op de auditeurs bij de Raad van State gerechtvaardigd is wegens hun nauwe betrokkenheid bij de rechtsbedeling. Hoewel zij niet de uiteindelijke beslissing nemen die het geschil beslecht, oordeelde het Hof dat zij rechtstreeks meewerken aan het onderzoek van de zaken en aldus voldoende lijken op zetelende magistraten om onder hetzelfde statuut te vallen. Dat geldt volgens de verzoekende partijen evenzeer voor de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof : ook zij werken rechtstreeks mee aan het onderzoek van de zaken. De bestreden bepaling roept bijgevolg een niet te rechtvaardigen verschil in behandeling in het leven tussen de auditeurs bij de Raad van State, die aan het voorrecht van rechtsmacht onderworpen blijven, en de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof, die dat aspect van hun statuut verloren zijn.
A.6.4. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 voeren tot slot aan dat de bestreden bepaling onevenredige gevolgen heeft in het licht van de nagestreefde doelstelling. Uit de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat de samenstelling van grondwettelijke hoven de nodige waarborgen moet bieden op het vlak van onafhankelijkheid en onpartijdigheid. Uit een arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 29 augustus 2024 blijkt dat die vereisten niet alleen van toepassing zijn op de leden van een rechtscollege, maar ook op de medewerkers en referendarissen in zoverre zij rechterlijke taken op zich nemen, zoals het opstellen van ontwerparresten.
Die vereiste van onafhankelijkheid houdt krachtens diezelfde rechtspraak in dat de organieke wetgeving van de rechtscolleges waarborgen moet bevatten om de magistraten en hun medewerkers te beschermen tegen externe druk en beïnvloeding vanuit andere overheidsorganen zolang zij aan de rechtsbedeling meewerken. Het voorrecht van rechtsmacht is een dergelijke waarborg ter bescherming van de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van magistraten en hun medewerkers, en vormt aldus een essentieel aspect van de bescherming van de rechtsstaat. De situatie in sommige andere landen toont aan dat een erosie van de rechtsstaat stapsgewijs begint en plots heel snel in negatieve zin kan evolueren. Met name wanneer dergelijke omstandigheden zich in België zouden voordoen, vormen waarborgen zoals het voorrecht van rechtsmacht een nuttig instrument om die externe druk af te wenden.
Een inperking van het voorrecht van rechtsmacht schendt aldus artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
8
A.7.1. Het verweer van de Ministerraad komt grotendeels overeen met zijn verweer in de zaak nr. 8298. Hij voegt nog eraan toe dat, wanneer de wetgever redelijkerwijze vaststelt dat een bepaalde categorie van personen, te dezen de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof, niet effectief en permanent met de rechtsbedeling is belast, het onder zijn beoordelingsvrijheid valt om hen uit te sluiten van het voorrecht van rechtsmacht. Aangezien de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof geen enkele beslissingsmacht hebben, geen procedurestukken ondertekenen en niet deelnemen aan de beraadslaging, kon de wetgever redelijkerwijze oordelen dat zij niet effectief en permanent met de rechtsbedeling zijn belast.
A.7.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat, indien het Hof dit middel gegrond zou achten, het slechts kan overgaan tot een gedeeltelijke vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, namelijk slechts in zoverre de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet langer over het voorrecht van rechtsmacht beschikken.
Ten aanzien van het eerste middel in de zaak nr. 8373
A.8.1. In hun eerste middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven roept tussen de plaatsvervangende rechters en raadsheren, enerzijds, en de werkende magistraten, anderzijds.
A.8.2. Volgens de verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 doet de bestreden bepaling afbreuk aan de bestaande rechtsbescherming, op grond van het permanente karakter van het belast zijn met de rechtsbedeling. Het risico op tergende en roekeloze vorderingen waartegen het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht de magistraten wil beschermen, hangt nochtans niet samen met het permanente karakter van het werk als magistraat, maar enkel met het effectief belast zijn met de rechtsbedeling. In zoverre plaatsvervangende rechters en raadsheren rechtsgedingen beslechten, zijn zij vatbaar voor externe druk. Zij merken ook op dat zij geen bescherming nodig hebben tegen rechtmatige strafvervolgingen, daar zij niet voornemens zijn misdrijven te plegen en daar een voorrecht van rechtsmacht ook geen immuniteit oplevert. Zij hebben slechts, net zoals alle magistraten die effectief rechtsgedingen beslechten, nood aan bescherming tegen onrechtmatige strafvervolgingen, die als enige bedoeling hebben om druk te zetten op de uitoefening van hun rechterlijke opdracht.
A.8.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 wijzen erop dat het Hof bij zijn arrest nr. 134/2011 van 27 juli 2011 (
ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.134
) heeft geoordeeld dat plaatsvervangende rechters en raadsheren zich onderscheiden doordat zij zijn onderworpen aan dezelfde regels van onverenigbaarheid, met uitzondering van de mogelijkheid om het beroep van advocaat of notaris uit te oefenen. Plaatsvervangende rechters en raadsheren mogen bijgevolg aan andere regels inzake het voorrecht van rechtsmacht worden onderworpen dan die voor raadsheren in sociale zaken en rechters in handelszaken. Zij mogen enkel werkzaamheden uitoefenen die worden beheerst door een strikte deontologie waarop toezicht wordt uitgeoefend door een tuchtoverheid die hun de toegang tot het beroep kan ontzeggen.
A.9. De tussenkomende partij ontwikkelt geen argumentatie en geeft niet aan of zij het middel gegrond of niet gegrond acht.
A.10. Het verweer van de Ministerraad komt grotendeels overeen met zijn verweer in de zaken nrs. 8298 en 8360. Hij voegt nog eraan toe dat het effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling wel degelijk een objectief en pertinent criterium van onderscheid is dat toelaat de beperkte categorie van personen die het voorrecht van rechtsmacht moet genieten, af te bakenen. Het is immers bij de personen die permanent met de rechtspraak belast zijn, dat het gevaar het grootst is dat zij het voorwerp kunnen uitmaken van tergende en roekeloze vervolgingen die hen kunnen destabiliseren of hun optreden onmogelijk kunnen maken, of dat een schijn van partijdigheid ontstaat.
Ten aanzien van het tweede middel in de zaak nr. 8373
A.11.1. In hun tweede middel voeren de verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 aan dat de bestreden bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, doordat zij een ongerechtvaardigd verschil in behandeling in het leven roept tussen de plaatsvervangende rechters en raadsheren, enerzijds, en plaatsvervangende magistraten, zijnde de magistraten op rust die nog worden ingezet om geschillen te beslechten, anderzijds.
9
A.11.2. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 wijzen erop dat ook het advies van de Raad van State, afdeling wetgeving, bij het voorontwerp dat tot de bestreden bepaling heeft geleid, gewag maakte van die discriminatie. De Raad zag niet in waarom plaatsvervangende rechters en raadsheren niet onder het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht zouden moeten vallen, terwijl magistraten op rust die nog als plaatsvervangend magistraat optreden, wel onder dat stelsel blijven vallen, daar ook die laatste categorie van personen die functie niet op permanente wijze uitoefent. In antwoord op die opmerking heeft de wetgever dat verschil in behandeling trachten te verantwoorden door op te merken dat magistraten op rust tot aan hun inruststelling permanent met de rechtsbedeling waren belast, dat zij de eretitel van hun ambt mogen voeren en dat zij het statuut van magistraat behouden wanneer zij daar niet uitdrukkelijk afstand van hebben gedaan. Die verklaring neemt evenwel niet weg dat de plaatsvervangende rechters en raadsheren en de plaatsvervangende magistraten op dezelfde wijze worden geconfronteerd met het risico op tergende en roekeloze vervolgingen, namelijk in zoverre zij op niet-permanente maar effectieve wijze betrokken zijn bij de rechtsbedeling.
A.11.3. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 voeren ook aan dat het feit dat zij naast hun plaatsvervanging het beroep van advocaat of notaris uitoefenen, geen onderscheidende factor is. Het risico op tergende en roekeloze vervolgingen hangt immers samen met de mate waarin zij als plaatsvervangend rechter of raadsheer optreden, en staat los van hun andere beroep.
A.12. De tussenkomende partij ontwikkelt geen argumentatie en geeft niet aan of zij het middel gegrond of niet gegrond acht.
A.13. De Ministerraad wijst erop dat de bestreden bepaling ook de magistraten op rust in beginsel uitsluit van het voorrecht van rechtsmacht. Slechts de magistraten op rust bedoeld in de artikelen 156bis, 383, §§ 2 tot 4, en 383bis van het Gerechtelijk Wetboek blijven tijdelijk onder dat stelsel vallen. De magistraten bedoeld in artikel 383bis van het Gerechtelijk Wetboek blijven hun ambt uitoefenen na hun inruststelling, in dezelfde hoedanigheid als voordien, tot wanneer is voorzien in de invulling van het ambt dat als gevolg van de inruststelling vacant is geworden. Bijgevolg is het logisch dat ze in die periode aan het voorrecht van rechtsmacht onderworpen blijven. De magistraten bedoeld in de artikelen 156bis en 383, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek worden aangesteld om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen. Dat is een functie van effectieve rechtsbedeling voor een in de tijd beperkte periode.
De plaatsvervangende rechters en raadsheren bevinden zich volgens de Ministerraad in een andere situatie, daar zij geen beroepsmagistraten zijn en dus nooit effectief en permanent met de rechtsbedeling belast zijn geweest.
Bovendien kan aan een plaatsvervangend magistraat worden gevraagd om een assisenzaak of een andere belangrijke zaak voor te zitten, terwijl zulks voor een plaatsvervangend rechter of raadsheer ondenkbaar is. Het vrijstellen van die plaatsvervangende magistraat van het voorrecht van rechtsmacht zou die zaken ernstig kunnen verstoren. Ook zou bij plaatsvervangende magistraten een grotere objectieve onpartijdigheid aanwezig zijn dan bij plaatsvervangende rechters en raadsheren.
-B-
Ten aanzien van de bestreden bepaling en de context ervan
B.1. De beroepen viseren de beperking van het toepassingsgebied ratione personae van het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht. Die beperking is ingevoerd met de vervanging van artikel 479 van het Wetboek van strafvordering bij artikel 43 van de wet van 15 mei 2024
« houdende bepalingen inzake digitalisering van justitie en diverse bepalingen II » (hierna : de wet van 15 mei 2024), dat in werking is getreden op 28 november 2024.
10
De verzoekende partijen in de zaak nr. 8298 vorderen de vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, in zoverre het artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vervangt en in zoverre die laatste bepaling geen melding meer maakt van de leden van het Coördinatiebureau van de Raad van State. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8360 vorderen de vernietiging van artikel 479, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, in zoverre het de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet opneemt in de opsomming van de titularissen van het voorrecht van rechtsmacht. De verzoekende partijen in de zaak nr. 8373 vorderen de vernietiging van artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 zonder meer.
B.2.1. De artikelen 479 tot 489 van het Wetboek van strafvordering voorzien in een van het gemeen strafprocesrecht afwijkende rechtspleging, « voorrecht van rechtsmacht »
genoemd, voor de misdrijven gepleegd door bepaalde ambtsdragers. De parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 2024 vermeldt de doelstellingen van die afwijkende rechtspleging :
« Zoals blijkt uit de voorbereidende werken van het Wetboek van Strafvordering uit 1808
bestond de ratio legis van het voorrecht van rechtsmacht er geenszins in een privilege voor de leden van de magistratuur in het leven te roepen, maar wel om in het algemeen belang de onafhankelijkheid van het gerechtelijk ambt te waarborgen door :
- De magistraten enerzijds te beschermen tegen roekeloze of tergende vervolgingen die er op gericht zouden zijn hen te destabiliseren of hun optreden onmogelijk te maken, aangezien hun opdracht om medeburgers te vervolgen of recht te spreken hen in zeer sterke mate aan dergelijke aanvallen blootstelt;
- Anderzijds elk risico op straffeloosheid en elke mogelijke zweem van partijdigheid te vermijden, door ervoor te zorgen dat zaken betreffende in verdenking gestelde magistraten niet door hun rechtstreekse of ondergeschikte ambtgenoten afgehandeld moeten worden. Die laatsten zouden zich zo in een delicate of tweeslachtige positie bevinden met het risico dat zij hierbij blijk zouden geven van ‘ een al te grote mildheid of een overmatige strengheid. [...] die, om trouw te zijn aan zijn plichten, alle uitingen van haat het hoofd biedt, nooit het slachtoffer zal worden van onrechtvaardige wrok ’ » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, p. 16).
Rekening houdend met die doelstellingen, die verband houden met de goede werking van de rechtsbedeling, is het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van oordeel dat het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht bestaanbaar is met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (EHRM, 15 juli 2003, Ernst e.a. t. België,
ECLI:CE:ECHR:2003:0715JUD003340096
; beslissing, 7 november 2023, Bastiaens t. België
11
en Lernout e.a. t. België,
ECLI:CE:ECHR:2023:1107DEC002593012
). De specifieke regels inzake het onderzoek, de vervolging en de berechting strekken immers ertoe te voorkomen dat, enerzijds, roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen zouden worden ingesteld tegen de personen op wie die regeling van toepassing is en, anderzijds, diezelfde personen te streng of met te veel toegevendheid zouden worden behandeld (EHRM, 15 juli 2003, Ernst e.a.
t. België, voormeld, § 50). Wel vereist het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de rechten die het vermeende slachtoffer uit de gemeenrechtelijke strafprocedure put en die in het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht afwezig zijn, worden gecompenseerd door andere rechtsmiddelen die hem toelaten zijn rechten uit te oefenen (ibid., § 53).
De regels betreffende het voorrecht van rechtsmacht zijn dus ingesteld om redenen van algemeen belang en niet in het persoonlijke belang van de personen op wie de regeling van toepassing is. Door voor die personen in een afwijkende regeling te voorzien, beschermt de wetgever immers de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid, en vermijdt hij een aantasting van het vertrouwen van het publiek in het rechtssysteem.
Die regels zijn van openbare orde, zodat die personen niet eraan kunnen verzaken, ook niet wanneer zij oordelen dat de toepassing van de gewone regels van de strafrechtspleging voor hen gunstiger is.
B.2.2. Artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 vervangt hoofdstuk III (artikelen 479 tot 489) van titel IV van boek II van het Wetboek van strafvordering, dat de vervolging van en het onderzoek naar misdaden en wanbedrijven inzake magistraten regelt. Met die wijziging wil de wetgever het voorrecht van rechtsmacht in overeenstemming brengen met de hedendaagse maatschappelijke opvattingen en met de ontwikkelingen inzake strafprocesrechtelijke waarborgen. Hij houdt daarbij onder meer rekening met de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie (HRJ, Voorrecht van rechtsmacht in het kader van het dossier Jonathan Jacob (bijzonder onderzoek), 27 maart 2015, www.hrj.be), met het « Wetgevend verslag 2017 » van de procureur-generaal bij het Hof van Cassatie aan het Parlementair Comité belast met de wetsevaluatie, en met de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 15-28 en 88-103).
12
B.2.3. Een van die hervormingen heeft betrekking op de beperking van het toepassingsgebied ratione personae van het voorrecht van rechtsmacht. Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, bepaalt :
« Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder een bij een misdrijf betrokken magistraat verstaan hij die van het plegen van een misdaad of wanbedrijf verdacht, in verdenking gesteld, beklaagd of beschuldigd wordt en die op het moment van het misdrijf of op het moment van de vervolging een van volgende ambten bekleedt :
- vrederechter of rechter in de politierechtbank met uitzondering van de plaatsvervangende rechters;
- magistraat in of bij de rechtbank van eerste aanleg, de arbeidsrechtbank of de ondernemingsrechtbank, met uitzondering van de rechters in sociale zaken, de rechters in ondernemingszaken of de plaatsvervangende rechters;
- magistraat in of bij het Hof van Cassatie, het hof van beroep of het arbeidshof, met uitzondering van de raadsheren in sociale zaken of de plaatsvervangende raadsheren;
- elke andere magistraat van het openbaar ministerie;
- magistraat van het Grondwettelijk Hof, de Raad van State, het auditoraat bij de Raad van State, het Rekenhof of de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen.
Dit hoofdstuk is niet van toepassing op handelingen door de bij een misdrijf betrokken magistraat gesteld na zijn opruststelling, tenzij hij het ambt van plaatsvervangend magistraat bekleedt of zijn ambt verder uitoefent overeenkomstig de artikelen 156bis, 383, §§ 2 tot 4, en 383bis van het Gerechtelijk Wetboek ».
B.2.4. De parlementaire voorbereiding van de bestreden hervorming vermeldt daaromtrent :
« b) Ratione personae (art. 479 in ontwerp)
‘ Het staat in beginsel aan de wetgever om te beslissen voor welke overheidsambten dient te worden voorzien in van de gewone regels van de strafrechtspleging afwijkende regels teneinde de door hem nagestreefde doelstellingen van algemeen belang te bereiken (…). Het Grondwettelijk Hof kan de door de wetgever op dat vlak gemaakte keuzes slechts in het geding brengen indien ze kennelijk onredelijk zijn of indien ze leiden tot een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen ’.
De Hoge Raad voor de Justitie heeft aanbevolen om het voorrecht van rechtsmacht te beperken ‘ tot diegenen die effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling ’.
13
Er wordt bijgevolg voorgesteld om de volgende categorieën uit te sluiten :
1) De referendarissen bij het Hof van Cassatie of het Grondwettelijk Hof, de leden van het coördinatiebureau bij de Raad van State en de provinciegouverneurs. Deze categorieën horen niet meer thuis in deze van het gemeen recht afwijkende procedure dan bijvoorbeeld de generaals die het bevel voeren over een divisie. Deze verloren hun hoedanigheid al in 2003;
Er wordt om gevolg te geven aan de opmerking van de Raad van State (randnr. 2.3.1)
gepreciseerd ten aanzien van de referendarissen bij het Hof van Cassatie, het Grondwettelijk Hof en de leden van het coördinatiebureau bij de Raad van State dat zij weliswaar een belangrijke medewerking en bijstand verlenen maar niet zelf effectief met de rechtsbedeling belast zijn. Er is voor gekozen om voor de toepassing van de procedure van voorrecht van rechtsmacht ratione personae het criterium te hanteren van ‘ diegenen die effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling ’. De coherente toepassing van dit criterium heeft tot gevolg dat deze categorieën niet ‘ effectief belast ’ zijn met de rechtsbedeling. De procedure van voorrecht van rechtsmacht is om die reden niet op hen van toepassing.
In zijn advies wijst de Raad van State er terecht op dat de rechters en raadsheren in sociale zaken, de rechters in ondernemingszaken, de gerechtelijke stagiairs - zelfs indien in opdracht - de gerechtelijke attachés, de griffiers, de parketjuristen en referendarissen bedoeld in artikel 162 van het Gerechtelijk Wetboek, en de assessoren in de strafuitvoering of in de internering, de lege lata, uitgesloten zijn van het toepassingsgebied van het zogenaamde ‘ voorrecht van rechtsmacht ’.
Hij wijst er ook op dat het Grondwettelijk Hof heeft geoordeeld dat artikel 479 van het Wetboek van Strafvordering geen schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet inhoudt, aangezien deze bepaling niet van toepassing is op de raadsheer in sociale zaken of de rechter in ondernemingszaken.
In het bijzonder wil het ontwerp een einde maken aan het ongerechtvaardigde verschil in behandeling dat in dit opzicht bestaat tussen alle bovenvermelde categorieën enerzijds en de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof en het Hof van Cassatie anderzijds.
Hoewel deze laatsten ongetwijfeld betrokken zijn bij de behandeling van zaken, zijn ze er niet op dezelfde manier titularis van zoals een magistraat, aangezien ze niet nominatief in de procedure verschijnen door uitspraak te doen, te vorderen, te besluiten of een advies uit te brengen onder hun handtekening.
Er is dus geen reden om redelijkerwijs te vrezen dat een partij, zelfs als zij te weten is gekomen dat een zaak aan een van hen is toevertrouwd, ‘ roekeloze of tergende vervolgingen zal instellen die haar kunnen destabiliseren of hun optreden onmogelijk kunnen maken, of zijn taak om zijn medeburgers te vervolgen of te berechten hem in zeer sterke mate blootstelt aan dergelijke aanvallen ’, noch om ‘ het risico van straffeloosheid en een schijn van partijdigheid af te wenden, en te vermijden dat hij, wanneer hij wordt aangeklaagd, door naaste (directe of ondergeschikte) collega’s wordt berecht ’.
Geen van de twee ratio legis die in de toelichting worden genoemd, is daarom van toepassing op deze referendarissen.
14
En het feit dat ze geen ander beroep uitoefenen, betekent niet dat ze ‘ effectief en permanent belast zijn met de rechtsbedeling ’ op dezelfde manier als een magistraat, dat wil zeggen op een manier die zou rechtvaardigen dat op hen de procedure wordt toegepast die afwijkt van het gemene recht en die is voorzien voor magistraten.
2) De magistraten op rust met inbegrip voor de emeritus-magistraten en eremagistraten voor handelingen gesteld na het beëindigen van hun effectieve gerechtelijk ambt.
Momenteel is het voorrecht van rechtsmacht enkel van toepassing op de handelingen van een magistraat wanneer hij op rust werd gesteld wegens het bereiken van de leeftijdsgrens zolang hij het statuut van magistraat behoudt en dit onafhankelijk van zijn recht op het emeritaat of het dragen van de eretitel.
Deze magistraat op rust kan evenwel gemachtigd worden zijn ambt uit te oefenen totdat er voorzien is in de plaats opengevallen als gevolg van zijn inruststelling (artikel 383bis Ger. W.).
Sinds de inwerkingtreding van de wet van 19 oktober 2015 ‘behouden de magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt het statuut van magistraat wanneer zij daar niet uitdrukkelijk afstand van hebben gedaan, in voorkomend geval op een latere datum dan hun inruststelling ’.
Net als de magistraten die wegens hun leeftijd op rust werden gesteld, kunnen zij worden aangesteld om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen (artikelen 156bis en 383, § 2 Ger. Wb.).
De ratio legis van deze bijzondere procedure lijkt te rechtvaardigen dat deze ook kan worden toegepast op feiten gepleegd tijdens de uitoefening van dit ambt.
Er wordt om gevolg te geven aan de opmerking van de Raad van State (randnr. 2.3.2)
gepreciseerd met betrekking tot plaatsvervangende magistraten (art. 156bis Ger.W.), zoals de Raad van State opmerkt, dat de artikelen 64, lid 3, en 87, § 1, lid 1, Ger.W. bepalen dat de functie van plaatsvervangend rechter of raadsheer niet permanent is en dat zij ‘ worden benoemd om verhinderde rechters tijdelijk te vervangen ’. Deze laatste bepaling voegt, net als artikel 102 van hetzelfde wetboek met betrekking tot plaatsvervangende raadsheren, toe dat ze ‘ kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de hangende zaken te behandelen ’. Artikel 156bis, leden 1 en 2, van hetzelfde wetboek bevat zeker soortgelijke bepalingen voor de plaatsvervangende magistraat. In tegenstelling tot plaatsvervangende rechters en raadsheren zijn die plaatsvervangende magistraten echter beroepsmagistraten die ‘ tot de inruststelling zijn toegelaten ’, die hun ambt tot dan toe effectief en permanent hebben uitgeoefend, ‘ die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt ’, ‘ behouden het statuut van magistraat wanneer zij daar niet uitdrukkelijk afstand van hebben gedaan ’ (art. 383, §§ 1, lid 2, en 2, Ger.W.) en dus in de regel geen ander hoofdberoep uitoefenen. Bovendien kan die plaatsvervangend magistraat gevraagd worden om een hof van assisen of een andere belangrijke zaak voor te zitten, wat ondenkbaar is voor een plaatsvervangend rechter of raadsheer. Hen vrijstellen van het afwijkende regime voorzien in de artikelen 479 e.v. Sv. zou dan ook de behandeling van belangrijke zaken ernstig verstoren.
Elk van de twee bovengenoemde ratio legis rechtvaardigen daarom hun opname in het toepassingsgebied van de procedure van artikel 479 e.v. Sv. Wat betreft de magistraten die gemachtigd zijn om hun ambt uit te oefenen tot dat er voorzien is in de plaats die is opengevallen
15
in hun rechtscollege (art. 383bis Ger.W.), wordt gespecificeerd dat deze magistraten hun functie volledig blijven uitoefenen, in dezelfde hoedanigheid. Er is geen reden waarom de procedure voorzien in artikel 479 e.v. Sv. niet langer op hen van toepassing zou zijn gedurende deze periode.
3) De plaatsvervangende rechters en raadsheren
In 2015 stelde de minister van Justitie vast dat ‘ de pool van plaatsvervangende rechters, raadsheren waarover de rechterlijke macht thans beschikt, hoofdzakelijk bestaat uit advocaten aangevuld met enkele notarissen, professoren of emeritus-magistraten en eremagistraten die op de wettelijke leeftijd zijn toegelaten tot de inruststelling (…). Over de benoeming van advocaten als plaatsvervangende rechters en raadsheren is daarentegen kritiek gerezen in de gerechtelijke wereld wegens de rolonduidelijkheid die gecreëerd wordt wanneer men in hetzelfde rechtscollege de ene keer optreedt in de hoedanigheid van partij en de andere keer zijn opwachting maakt in de hoedanigheid van magistraat ’.
Geoordeeld werd al dat het voorrecht van rechtsmacht van de plaatsvervangende rechters niet indruist tegen de artikelen 13 van de Grondwet, 6, § 1 EVRM en 14, § 1 van het Internationaal Verdrag inzake Burgerrechten en Politieke Rechten.
In tegenstelling tot de categorie van de plaatsvervangende magistraten die uit emeritusmagistraten en eremagistraten bestaat zijn de plaatsvervangende rechters en raadsheren slechts in bijkomende orde, en niet effectief en permanent bij de rechtsbedeling betrokken – voor sommigen onder hen is dit zelfs amper sporadisch het geval – en de ratio legis van de afwijkende procedure rechtvaardigt niet dat deze procedure op hen van toepassing is.
In dit opzicht is het niet vanzelfsprekend aan een persoon die meent het slachtoffer te zijn van de handelingen van een advocaat of een notaris uit te leggen dat hij de strafvordering niet op gang kan brengen door zich burgerlijke partij te stellen gelet op de hoedanigheid van plaatsvervangend magistraat van deze. De medebeklaagde zou in een dergelijk geval evenmin moeilijk kunnen begrijpen waarom hij, wegens samenhang, geen hoger beroep kan aantekenen, terwijl hij wellicht niet eens op de hoogte was dat de betrokken plaatsvervangende rechter of raadsheer deze hoedanigheid bekleedde.
Overeenkomstig de aanbevelingen van de Hoge Raad voor de Justitie en naar analogie met het ontwerp van het wetboek van strafprocedure wordt er voorgesteld om de plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren van het toepassingsgebied van deze afwijkende procedure uit te sluiten.
Deze weglating zal, en dit is niet het minste van de voordelen ervan, het aantal toepassingsgevallen van deze procedure, die afwijkt van het gemeen recht, aanzienlijk verminderen.
Er wordt om gevolg te geven aan de opmerking van de Raad van State (randnr. 2.3.3.)
gepreciseerd dat enkel diegenen die vermeld worden in het ontworpen artikel 479 Sv. onder de van het gemeen recht afwijkende regeling vallen » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 89-94).
16
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
B.3.1. Krachtens artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof (hierna : de bijzondere wet van 6 januari 1989) dient elk verzoekschrift gedagtekend te zijn en dient het een uiteenzetting van de feiten en middelen te bevatten.
B.3.2. Het verzoekschrift in de zaak nr. 8360 bevat in dat verband slechts de vermelding « november 2024 », zonder nadere dagtekening. Uit de stukken van het rechtsplegingsdossier blijkt evenwel dat het verzoekschrift aangetekend is verzonden en ter griffie van het Hof is ontvangen binnen de termijn van zes maanden voorgeschreven bij artikel 3 van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989. Het is dus noodzakelijkerwijs gedagtekend en het louter formeel ontbreken van de vermelding van de datum op het verzoekschrift zelf doet geenszins afbreuk aan de rechtszekerheid. Om het recht van de verzoekende partijen in de zaak nr. 8360
op toegang tot de rechter niet op onevenredige wijze te beperken, kan die omstandigheid niet de onontvankelijkheid van het verzoekschrift met zich meebrengen.
B.3.3. Aangezien de tussenkomende partij zich in de zaak nr. 8298 louter aansluit bij het middel van de verzoekende partijen en zij in de zaak nr. 8373 geen standpunt inneemt, bestaat er geen aanleiding om te onderzoeken of haar tussenkomst ontvankelijk is.
Ten gronde
B.4. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan.
Wat de toetsing aan de bevoegdheidverdelende regels betreft
B.5. In het eerste middel in de zaak nr. 8360 voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 479, eerste lid, van het Wetboek van strafvordering, zoals vervangen bij artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, artikel 142, eerste en zesde lid, van de Grondwet schendt, doordat het niet met de bijzondere meerderheid bedoeld in artikel 4, laatste lid, van de Grondwet is
17
aangenomen, in zoverre het een essentieel aspect van het statuut van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof regelt.
B.6. Het Hof is bevoegd om te onderzoeken of een wetskrachtige norm met een bijzondere meerderheid diende te worden goedgekeurd, omdat die bijzonderemeerderheidsvereiste noodzakelijk deel uitmaakt van het systeem tot bepaling van bevoegdheden.
B.7.1. Artikel 142 van de Grondwet bepaalt :
« Er bestaat voor geheel België een Grondwettelijk Hof, waarvan de samenstelling, de bevoegdheid en de werking door de wet worden bepaald.
Dit Hof doet, bij wege van arrest, uitspraak over :
1° de in artikel 141 bedoelde conflicten;
2° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel, van de artikelen 10, 11 en 24;
3° de schending door een wet, een decreet of een in artikel 134 bedoelde regel, van de artikelen van de Grondwet die de wet bepaalt.
De zaak kan bij het Hof aanhangig worden gemaakt door iedere bij wet aangewezen overheid, door ieder die doet blijken van een belang of, prejudicieel, door ieder rechtscollege.
Het Hof doet bij wege van beslissing uitspraak over elke in artikel 39bis bedoelde volksraadpleging, voorafgaandelijk aan de organisatie ervan, onder de voorwaarden en op de wijze bepaald door de wet.
De wet kan, in de gevallen en onder de voorwaarden en op de wijze die zij bepaalt, het Hof de bevoegdheid toekennen om, bij wege van arrest, uitspraak te doen over de beroepen die worden ingesteld tegen de beslissingen van wetgevende vergaderingen of hun organen, betreffende de controle van de verkiezingsuitgaven voor de verkiezingen voor de Kamer van volksvertegenwoordigers.
De wetten bedoeld in het eerste lid, in het tweede lid, 3°, en in het derde tot het vijfde lid, worden aangenomen met de meerderheid bepaald in artikel 4, laatste lid ».
B.7.2. Toen de Grondwetgever op 15 juli 1988 het toenmalige artikel 107ter, § 2, van de Grondwet herzag, nam hij tevens een overgangsbepaling aan, die als volgt luidde :
18
« Tot de inwerkingtreding van de in § 2, eerste lid, bedoelde wet aangenomen overeenkomstig § 2, vierde lid, blijven de wet van 28 juni 1983 houdende de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Arbitragehof en de wet van 10 mei 1985 betreffende de gevolgen van de door het Arbitragehof gewezen vernietigende arresten van toepassing ».
Uit de samenlezing van die overgangsbepaling met artikel 142 van de Grondwet blijkt dat alle aspecten van de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Grondwettelijk Hof die in de voormelde wet van 28 juni 1983 en in de voormelde wet van 10 mei 1985 waren geregeld, sinds 19 juli 1988 slechts met een bijzonderemeerderheidswet konden worden gewijzigd.
B.7.3. Uit de parlementaire voorbereiding van de herziening van de Grondwet van 15 juli 1988 blijkt dat die bijzonderemeerderheidsvereiste is ingegeven door de plaats die het Hof inneemt in het Belgische staatsbestel. De verklarende nota bij het voorstel van de Regering vermeldt daaromtrent :
« Wegens zijn fundamentele rol in de Belgische Staatshervorming, inzonderheid de verhoudingen tussen de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, ligt het in de rede de uitvoeringswet op het Arbitragehof aan te nemen met een gekwalificeerde meerderheid.
Om de voor de hand liggende redenen van continuïteit wordt in de overgangsbepaling gepreciseerd dat tot aan deze omvorming van de thans bestaande wet van 28 juni 1983, evenals haar aanpassing aan de nieuwe bepalingen van artikel 107ter, § 2, deze wet van 28 juni 1983
verder van toepassing blijft » (Parl. St., Senaat, B.Z. 1988, 100-3/1°, p. 2).
Die bijzonderemeerderheidsvereiste vormt een essentiële waarborg voor de institutionele onafhankelijkheid van het Hof, dat niet tot een van de drie staatsmachten behoort. Zij waarborgt immers dat de regels met betrekking tot de inrichting, de bevoegdheid en de werking van het Hof slechts kunnen worden gewijzigd « met de meerderheid van de stemmen in elke taalgroep van elke Kamer, op voorwaarde dat de meerderheid van de leden van elke taalgroep aanwezig is en voor zover het totaal van de ja-stemmen in beide taalgroepen twee derden van de uitgebrachte stemmen bereikt » (artikel 4, derde lid, van de Grondwet). Aldus kan de federale wetgever die regels niet wijzigen met de meerderheid waarmee hij de gewone wetskrachtige normen aanneemt die het voorwerp van de toetsing door het Hof uitmaken.
B.8.1. De bepalingen inzake de inrichting van het Hof die slechts met de in artikel 4, derde lid, van de Grondwet bedoelde bijzondere meerderheid kunnen worden gewijzigd, zijn niet
19
alleen de bepalingen die het statuut van de rechters regelen. Zij omvatten alle aspecten van de inrichting van het Hof die waren geregeld in de wet van 28 juni 1983 en hebben dus ook betrekking op het statuut van de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof.
B.8.2. Zoals is vermeld in B.2.1 biedt het voorrecht van rechtsmacht een waarborg voor de onafhankelijkheid van de rechterlijke functie door alle personen die een dergelijke functie uitoefenen, te beschermen tegen onbehoorlijke druk vanwege de uitvoerende macht.
Artikel 109 van de wet van 28 juni 1983 verklaarde het voorrecht van rechtsmacht van toepassing op de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof, toen Arbitragehof, door die functietitel toe te voegen aan de toenmalige versie van de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van strafvordering. Die bepaling luidde als volgt :
« In de artikelen 479 en 483 van het Wetboek van Strafvordering worden de woorden ‘ een lid van het Arbitragehof, een referendaris bij dat Hof ’ toegevoegd na de woorden ‘ bij de Raad van State ’ ».
Het voorrecht van rechtsmacht diende niet te worden overgenomen in de bijzondere wet van 6 januari 1989, aangezien de inwerkingtreding van die bijzonderemeerderheidswet geen invloed had op de toepasselijkheid van de toenmalige artikelen 479 tot 503bis van het Wetboek van strafvordering op de rechters in en de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof. Dit neemt evenwel niet weg dat het om een element van de inrichting van het Grondwettelijk Hof gaat dat was geregeld in de wet van 28 juni 1983 en dat, gelet op hetgeen is vermeld in B.7.2, sinds 19 juli 1988 slechts met een bijzonderemeerderheidswet mag worden gewijzigd.
B.8.3. Aangezien de wetgever artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 met een gewone meerderheid heeft aangenomen, ook in zoverre het betrekking heeft op de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof, heeft hij in die mate de bevoegdheidverdelende regel bedoeld in artikel 142, eerste en zesde lid, van de Grondwet, geschonden.
Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering moet bijgevolg worden vernietigd in zoverre het de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet vermeldt als dragers van het voorrecht van rechtsmacht.
20
B.9. Aangezien het tweede middel in de zaak nr. 8360 niet tot een ruimere vernietiging kan leiden, dient het niet te worden onderzocht.
Wat de toetsing aan het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie betreft
De leden van het Coördinatiebureau van de Raad van State
B.10. In het enige middel in de zaak nr. 8298 voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 43 van de wet van 15 mei 2024, in zoverre het artikel 479 van het Wetboek van strafvordering vervangt, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat het voorrecht van rechtsmacht niet langer van toepassing is op de leden van het Coördinatiebureau van de Raad van State, terwijl het wel van toepassing blijft op de leden van en de auditeurs bij de Raad van State.
B.11.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie.
Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.11.2. Uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens blijkt dat de beginselen van rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid niet alleen moeten worden gewaarborgd ten aanzien van de rechters, maar ook ten aanzien van de medewerkers van een rechtscollege die een inhoudelijke bijdrage aan de totstandkoming van de rechtspraak leveren (EHRM, 29 augustus 2024, Tsulukidze en Rusulashvili t. Georgië,
ECLI:CE:ECHR:2024:0829JUD004468121
, § 52). Zo niet zou het vertrouwen van het publiek
21
in het rechtssysteem, dat in aanzienlijke mate afhangt van indrukken, in het gedrang kunnen komen (ibid., § 54).
B.11.3. Het staat in beginsel aan de wetgever te beslissen voor welke openbare ambten regels moeten worden vastgesteld die afwijken van de gewone regels van de strafrechtspleging teneinde de doelstellingen van algemeen belang te bereiken die in B.2.1 zijn vermeld.
De wetgever vermag evenwel niet op discriminerende wijze afbreuk te doen aan die doelstellingen door bepaalde rechters en medewerkers van rechtscolleges die een inhoudelijke bijdrage aan de totstandkoming van de rechtspraak leveren, uit te sluiten van het voorrecht van rechtsmacht. Zulks zou immers, in strijd met die doelstellingen van algemeen belang, bepaalde van die personen alsnog blootstellen aan « roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen » en zou het gevaar doen herleven dat diezelfde personen « hetzij te streng, hetzij met te veel toegevendheid zouden worden behandeld ». Dit zou de rechterlijke onafhankelijkheid in het gedrang brengen en het vertrouwen van het publiek in het rechtssysteem aantasten.
B.12.1. Zoals is vermeld in B.2.4, beoogde de wetgever met de bestreden bepaling om, in navolging van een suggestie van de Hoge Raad voor de Justitie, het toepassingsgebied van het voorrecht van rechtsmacht te beperken tot de personen die « effectief en permanent met de rechtsbedeling zijn belast ». Dit zijn, in de visie van de wetgever, alleen diegenen die « nominatief in de procedure verschijnen door uitspraak te doen, te vorderen, te besluiten of een advies uit te brengen onder hun handtekening » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 90-91). Die doelstelling is legitiem.
B.12.2. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de functie van de ambtsdrager bij de Raad van State. Artikel 479 van het Wetboek van strafvordering, gelezen in het licht van de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 mei 2024, verklaart het voorrecht van rechtsmacht van toepassing op de leden van de Raad van State en van het auditoraat, maar niet op de leden van het Coördinatiebureau.
B.12.3. Krachtens artikel 77 van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, hebben de leden van het Coördinatiebureau bij de Raad van State onder meer als taak de stand van de wetgeving bij te houden; de documentatie van het Bureau ter
22
beschikking te stellen van de beide afdelingen van de Raad; de documentatie van het Bureau betreffende de stand van de wetgeving ter beschikking te stellen van het publiek; de coördinatie, de codificatie en de vereenvoudiging van de wetgeving voor te bereiden; te zorgen voor het uitwerken en de verspreiding van de beginselen van de wetgevingstechniek.
Het gaat om zeer belangrijke opdrachten, die een hoge mate van juridische deskundigheid en een grote punctualiteit vereisen. De correcte vervulling ervan waarborgt dat zowel de Raad van State als het publiek over een betrouwbaar werkinstrument beschikken bij het vinden en analyseren van toepasselijke regelgeving. Het is dan ook vanzelfsprekend dat die opdrachten worden toevertrouwd aan de laureaten van een streng vergelijkend examen. Het gaat evenwel niet om opdrachten die rechterlijk van aard zijn, aangezien de uitoefening ervan niet rechtstreeks een inhoudelijke bijdrage aan de totstandkoming van rechtspraak levert. Er valt bijgevolg niet redelijkerwijze te vrezen dat de leden van het Coördinatiebureau het voorwerp zouden uitmaken van tergende en roekeloze vorderingen die als doel hebben hen te destabiliseren in de uitoefening van enige rechterlijke functie.
Die vrees kan wel bestaan ten aanzien van de leden van de Raad van State en van het auditoraat. De leden van de Raad van State zijn effectief belast met de rechtsbedeling. De leden van het auditoraat leveren een inhoudelijke bijdrage aan de totstandkoming van de rechtspraak door in eigen naam auditoraatsverslagen op te stellen die een groot gezag hebben in het licht van de oordeelsvorming door de Raad en door een standpunt in te nemen op de terechtzitting.
De omstandigheid dat sommige leden van de Raad van State zijn toegewezen aan de afdeling wetgeving, doet daaraan geen afbreuk, aangezien zij krachtens artikel 89, tweede lid, van de voormelde wetten op de Raad van State « kunnen worden opgeroepen om in de afdeling bestuursrechtspraak te zetelen telkens als daartoe aanleiding bestaat, hetzij om de tweetalige kamer te vormen, hetzij om een verhinderd lid van een Nederlandse of van een Franse kamer te vervangen, hetzij om aanvullende kamers te vormen ».
Het bestreden verschil in behandeling is bijgevolg pertinent in het licht van de door de wetgever nagestreefde doelstelling van een onafhankelijke en onpartijdige rechtspraak.
B.12.4. Het bestreden verschil in behandeling heeft evenmin onevenredige gevolgen voor het algemeen belang dat door het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht wordt beschermd,
23
aangezien een eventuele strafvervolging van leden van het Coördinatiebureau niet van dien aard is de rechterlijke onafhankelijkheid in het gedrang te brengen of het vertrouwen van het publiek in het rechtssysteem aan te tasten.
B.12.5. In zoverre het voorrecht van rechtsmacht niet van toepassing is op de leden van het Coördinatiebureau bij de Raad van State, schendt artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Het enige middel in de zaak nr. 8298 is niet gegrond.
De plaatsvervangende rechters
B.13. In het eerste middel in de zaak nr. 8373 voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet schendt, doordat plaatsvervangende rechters en raadsheren niet langer onder het voorrecht van rechtsmacht vallen, terwijl dat stelsel wel van toepassing blijft op de « werkende magistraten ».
In het tweede middel in die zaak voeren zij aan dat die bepaling niet bestaanbaar is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre de magistraten op rust die nog worden ingezet om geschillen te beslechten, wel onder het voorrecht van rechtsmacht blijven vallen.
Gelet op hun samenhang onderzoekt het Hof die middelen samen.
B.14.1. Het Gerechtelijk Wetboek maakt een onderscheid tussen, enerzijds, « plaatsvervangende rechters » en « plaatsvervangende raadsheren », en, anderzijds, « plaatsvervangende magistraten ».
Krachtens de artikelen 64, 87 en 102 van het Gerechtelijk Wetboek kunnen plaatsvervangende rechters respectievelijk plaatsvervangende raadsheren worden benoemd in de vredegerechten, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de ondernemingsrechtbanken, respectievelijk in de hoven van beroep en de arbeidshoven. Zij hebben geen permanente functie en worden benoemd om verhinderde rechters respectievelijk raadsheren tijdelijk te vervangen. Zij kunnen ook geroepen worden om zitting te nemen
24
wanneer de bezetting niet volstaat om de rechtbank respectievelijk het hof van beroep overeenkomstig de bepalingen van de wet samen te stellen. De artikelen 188, 192 en 207bis van het Gerechtelijk Wetboek bepalen de voorwaarden waaraan kandidaten voor die functies moeten voldoen : zij moeten houder zijn van een diploma van doctor, licentiaat of master in de rechten, geslaagd zijn voor bepaalde examens en een bepaald aantal jaren werkzaam zijn geweest in de in die wetsbepalingen opgesomde academische of rechterlijke functies, de advocatuur of het notarisambt.
Krachtens artikel 156bis van het Gerechtelijk Wetboek zijn er plaatsvervangende magistraten in het Hof van Cassatie, de hoven van beroep, de arbeidshoven, de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken, de ondernemingsrechtbanken, de vredegerechten en de politierechtbanken. Hiervoor komen de magistraten in aanmerking die wegens hun leeftijd op rust zijn gesteld en de magistraten die op eigen verzoek vóór de wettelijke leeftijd worden toegelaten tot de inruststelling en die bovendien werden gemachtigd tot het voeren van de eretitel van hun ambt. Zij hebben geen permanente functie en worden benoemd « om verhinderde magistraten of leden van het openbaar ministerie tijdelijk, naargelang van het geval en ieder wat hem betreft, te vervangen ». Zij kunnen geroepen worden om zitting te nemen wanneer de bezetting niet volstaat om de hangende zaken te behandelen. Krachtens artikel 383, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen zij door hun korpsoversten worden aangewezen om het ambt van plaatsvervangend magistraat uit te oefenen tot zij de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt, een aanstelling die vervolgens tot viermaal met telkens een jaar kan worden verlengd.
Krachtens artikel 383, § 4, van het Gerechtelijk Wetboek kunnen de vrederechters aangewezen voor de uitoefening van het ambt van plaatsvervangende magistraat, dat ambt ook uitoefenen in een ander kanton van het gerechtelijk arrondissement.
Daarnaast voorziet artikel 383bis van het Gerechtelijk Wetboek erin dat magistraten, met uitzondering van de magistraten van het Hof van Cassatie, die wegens hun leeftijd in rust zijn gesteld, door de Koning worden gemachtigd om hun ambt uit te oefenen tot er voorzien is in de plaats die is opengevallen in hun rechtscollege, en dit voor een periode van maximaal zes maanden die kan worden hernieuwd tot de magistraat de leeftijd van drieënzeventig jaar heeft bereikt.
B.14.2. Vóór de inwerkingtreding van de wet van 15 mei 2024 maakten de artikelen 479
en 483 van het Wetboek van strafvordering geen melding van de plaatsvervangende rechters en
25
plaatsvervangende raadsheren. Een vaste rechtspraak van het Hof van Cassatie verklaarde het voorrecht van rechtsmacht evenwel op hen van toepassing, omdat het limitatieve karakter van die bepalingen niet eraan in de weg staat dat « in de mate dat een plaatsvervangende rechter één van de in de artikelen 479 en 483 Wetboek van Strafvordering vermelde personen vervangt, hij ook aan deze wetsbepalingen is onderworpen » (Cass., 29 november 2011,
ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1
; zie in dezelfde zin Cass., 10 april 1843, Pas. 1843, I, 141; 11 september 1967, Arr.Cass. 1968, p. 52; 11 september 1987, Pas. 1988, I, p. 49;
12 maart 2013,
ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130312.7
).
Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft geoordeeld dat die vaste cassatierechtspraak, die op dezelfde lijn zat als de rechtspraak van het Grondwettelijk Hof (GwH, nr. 66/94, 14 juli 1994,
ECLI:BE:GHCC:1994:ARR.066
; nr. 60/96, 7 november 1996,
ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.060
; nr. 112/98, 4 november 1998,
ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.112
; nr. 117/98, 18 november 1998,
ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.117
), een afdoende rechtsbasis in het interne recht vormde.
Daaruit leidde het af dat de toepassing van het voorrecht van rechtsmacht op plaatsvervangende rechters en plaatsvervangende raadsheren bestaanbaar was met het door artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens gewaarborgde recht om te worden beoordeeld door een rechtbank ingesteld bij wet (EHRM, beslissing, 7 november 2023, Bastiaens t. België en Lernout e.a. t. België, voormeld, § 21).
B.14.3. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 15 mei 2024 is het voorrecht van rechtsmacht, wat de hoven en rechtbanken en de parketten betreft, van toepassing op de vrederechters en politierechters; de magistraten in de rechtbanken van eerste aanleg, de arbeidsrechtbanken en de ondernemingsrechtbanken, met uitzondering van de rechters in sociale zaken; de magistraten in of bij het Hof van Cassatie, het hof van beroep, of het arbeidshof, met uitzondering van de raadsheren in sociale zaken; en elke andere magistraat van het openbaar ministerie. Diezelfde bepaling sluit daarentegen de plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren uitdrukkelijk, en in afwijking van de voormelde cassatierechtspraak, uit van die bijzondere rechtspleging in strafzaken.
Krachtens diezelfde bepaling is het voorrecht van rechtsmacht niet van toepassing op magistraten die in rust zijn gesteld, tenzij wanneer zij het ambt van plaatsvervangend magistraat
26
bekleden of hun ambt verder uitoefenen overeenkomstig de voormelde artikelen 156bis, 383, §§ 2 tot 4, en 383bis van het Gerechtelijk Wetboek.
B.14.4. Thans is het voorrecht van rechtsmacht dus van toepassing op alle personen die als lid van de zetel in een rechtscollege van de rechterlijke macht geschillen beslechten, met uitzondering van de plaatsvervangende rechters, de plaatsvervangende raadsheren, de rechters in ondernemingszaken en de rechters en raadsheren in sociale zaken. Tevens roept die bepaling een verschil in behandeling in het leven tussen twee categorieën van personen die een niet-
permanente rechterlijke functie bekleden, doordat de plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren niet het voorrecht van rechtsmacht genieten, terwijl de plaatsvervangende magistraten en de magistraten die hun ambt verder uitoefenen overeenkomstig artikel 383bis van het Gerechtelijk Wetboek dat voorrecht wel genieten.
B.15.1. Uit de in B.2.4 weergegeven parlementaire voorbereiding blijkt dat de uitsluiting van de plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren van het toepassingsgebied van het voorrecht van rechtsmacht was ingegeven door de vaststelling dat die personen hun rechterlijke functie slechts in bijkomende orde uitoefenen, naast hun hoofdberoep, dat veelal het beroep van advocaat is. Daardoor zouden zij, aldus de parlementaire voorbereiding, « niet effectief en permanent bij de rechtsbedeling betrokken » zijn. Daarom achtte de wetgever het, in het licht van de in B.2.3 weergegeven ratio legis van de hervorming van het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht, niet langer gerechtvaardigd om die personen te onderwerpen aan een van het gemeen recht afwijkende strafrechtspleging. Hij was ook van oordeel dat het moeilijk te verantwoorden was dat een slachtoffer van door een advocaat gepleegde misdrijven de strafvordering niet op gang kon brengen met een burgerlijkepartijstelling enkel omdat die advocaat ook plaatsvervangend rechter of plaatsvervangend raadsheer is. Even moeilijk te verantwoorden is, aldus de wetgever, dat de medebeklaagde in dat geval niet over een hoger beroep beschikt, hoewel hij zelf niet onder het voorrecht van rechtsmacht valt (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3945/001, pp. 93-94).
Die doelstellingen zijn legitiem.
B.15.2. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk het statuut van hetzij plaatsvervangend rechter of plaatsvervangend raadsheer, hetzij plaatsvervangend magistraat. Dat criterium van onderscheid is ook pertinent in het licht van de in B.15.1 vermelde doelstellingen.
27
B.15.3. De uitsluiting van de plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren van het toepassingsgebied van het voorrecht van rechtsmacht heeft evenwel onevenredige gevolgen in het licht van de in B.2.1 vermelde doelstellingen van algemeen belang die het stelsel van het voorrecht van rechtsmacht beoogt te beschermen.
Plaatsvervangende rechters en plaatsvervangende raadsheren zijn niet permanent, maar wel effectief met de rechtsbedeling belast. Die effectieve uitoefening van de rechterlijke functie volstaat om hen, in zoverre zij recht spreken, bloot te stellen aan het risico op roekeloze, onverantwoorde of tergende vervolgingen die beogen hen te destabiliseren in de uitoefening van die rechterlijke functie. Dit brengt de rechterlijke onafhankelijkheid en onpartijdigheid in het gedrang in de zaken waarin ze recht spreken en is van dien aard het vertrouwen van het publiek in het rechtssysteem aan te tasten.
B.15.4. In zoverre het de plaatsvervangende rechters en de plaatsvervangende raadsheren uitsluit van het voorrecht van rechtsmacht, schendt artikel 43 van de wet van 15 mei 2024 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
Bijgevolg dienen in artikel 479, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van strafvordering de woorden « met uitzondering van de plaatsvervangende rechters », in artikel 479, eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden « of de plaatsvervangende rechters » en in artikel 479, eerste lid, derde streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden « of de plaatsvervangende raadsheren » te worden vernietigd.
28
Om die redenen,
het Hof
1. vernietigt artikel 479 van het Wetboek van strafvordering in zoverre het de referendarissen bij het Grondwettelijk Hof niet vermeldt als dragers van het voorrecht van rechtsmacht;
2. vernietigt in artikel 479, eerste lid, eerste streepje, van het Wetboek van strafvordering de woorden « met uitzondering van de plaatsvervangende rechters », in artikel 479, eerste lid, tweede streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden « of de plaatsvervangende rechters » en in artikel 479, eerste lid, derde streepje, van hetzelfde Wetboek de woorden « of de plaatsvervangende raadsheren »;
3. verwerpt de beroepen voor het overige.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 september 2025.
De griffier, De wnd. voorzitster,
Nicolas Dupont Joséphine Moerman
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.125
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:CASS:2011:ARR.20111129.1
ECLI:BE:CASS:2013:ARR.20130312.7
ECLI:BE:GHCC:1994:ARR.066
ECLI:BE:GHCC:1996:ARR.060
ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.112
ECLI:BE:GHCC:1998:ARR.117
ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.134
ECLI:BE:GHCC:2024:ARR.141
ECLI:CE:ECHR:2003:0715JUD003340096
ECLI:CE:ECHR:2023:1107DEC002593012
ECLI:CE:ECHR:2024:0829JUD004468121
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==