Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.124

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-09-25 🌐 FR Arrest verworpen

Rechtsgebied

burgerlijk_recht

Geciteerde wetgeving

13 juli 2001, 2 augustus 1974, 6 januari 1989, 8 augustus 1980, Constitution

Samenvatting

het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2024 « tot wijziging van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 », ingesteld door de ivzw « Internationale Vereniging Diyanet van België » en anderen.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.124 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 25 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.124 Arrest- Rolnummer: 124/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-10-06 Raadplegingen: 80 - laatst gezien 2025-12-15 14:34 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Vernietiging (artikelen 3 en 13 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2024) - Verwerping van het beroep voor het overige Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2024 « tot wijziging van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 », ingesteld door de ivzw « Internationale Vereniging Diyanet van België » en anderen. Publiek recht - Vlaams Gewest - Lokale geloofsgemeenschappen - Erkenningsvoorwaarden - Wedde van de bedienaars van de eredienst door de federale overheid Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 124/2025 van 25 september 2025 Rolnummer : 8297 In zake : het beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2024 « tot wijziging van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 », ingesteld door de ivzw « Internationale Vereniging Diyanet van België » en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Luc Lavrysen en Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 augustus 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 12 augustus 2024, is beroep tot gedeeltelijke vernietiging van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2024 « tot wijziging van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 mei 2024) ingesteld door de ivzw « Internationale Vereniging Diyanet van België », de vzw « Albanese culturele moslimvereniging van België », de vzw « Islamitische Federatie van België » en de vzw « Verzameling van Moslims van België », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Kursat Bilge, advocaat bij de balie te Brussel. De Vlaamse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel en mr. Kristof Caluwaert, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Vlaamse Regering heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 4 juni 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen 2 na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Ingevolge het verzoek van de verzoekende partijen om te worden gehoord, heeft het Hof bij beschikking van 18 juni 2025 de dag van de terechtzitting bepaald op 16 juli 2025. Op de openbare terechtzitting van 16 juli 2025 : - zijn verschenen : . mr. Venceslas Woronoff, advocaat bij de balie te Brussel, loco mr. Kursat Bilge, voor de verzoekende partijen; . mr. Bart Martel en mr. Kristof Caluwaert, voor de Vlaamse Regering; - hebben de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques verslag uitgebracht; - zijn de voornoemde advocaten gehoord; - is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- A.1. De verzoekende partijen leiden een enig middel af uit de schending, door de artikelen 3, 7, 13 en 17 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2024 « tot wijziging van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 » (hierna : het decreet van 26 april 2024), van de artikelen 10, 11, 19, 21 en 181, § 1, van de Grondwet, artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten en artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen. Het middel bestaat uit twee onderdelen. Wat het eerste onderdeel betreft A.2.1. Het eerste onderdeel van het enige middel viseert de artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024, die in het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 oktober 2021 « tot regeling van de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, de verplichtingen van de besturen van de eredienst en het toezicht daarop en tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten » (hierna : het decreet van 22 oktober 2021) een nieuw artikel 7, 9°, en een nieuw artikel 16, 8°, invoeren. A.2.2. In de eerste plaats betogen de verzoekende partijen, met verwijzing naar het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State nr. 69.114/3 van 17 mei 2021 bij het voorontwerp dat het decreet van 22 oktober 2021 is geworden en naar het arrest van het Hof nr. 113/2023 van 20 juli 2023 ( ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.113 ), dat het erkenningscriterium opgenomen in het nieuwe artikel 7, 9°, van het decreet van 22 oktober 2021 en de 3 verplichting van de besturen van de eredienst opgenomen in het nieuwe artikel 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021 niet tot de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest behoren. De verzoekende partijen werpen op dat het Vlaamse Gewest overeenkomstig artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is voor de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten. Het Vlaamse Gewest is volgens hen aldus niet bevoegd om rechtstreeks verplichtingen op te leggen aan de bedienaars van de eredienst, inzonderheid wat betreft hun wedde. Noch uit de bestreden bepalingen, noch uit de parlementaire voorbereiding blijkt op welke wijze de verplichting voor een lokale geloofsgemeenschap om zich ertoe te verbinden de wedden van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid, noodzakelijk zou zijn voor het goede beheer van de temporaliën. De wil om de buitenlandse invloed onder controle te houden, wordt verzekerd door de talrijke andere vereisten in artikel 7 van het decreet van 22 oktober 2021. Het wordt evenmin aangetoond dat de lokale geloofsgemeenschap niet financieel leefbaar zou zijn wanneer haar bedienaar van de eredienst niet wordt bezoldigd door de Belgische Staat, noch dat haar beheersautonomie in dat geval minder groot zou zijn. De in de bestreden bepalingen van het decreet van 26 april 2024 opgenomen vereiste ressorteert volgens hen dan ook niet binnen de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest. De decreetgever kan zich in onderhavig geval evenmin beroepen op de impliciete bevoegdheden. A.2.3. In de tweede plaats voeren de verzoekende partijen aan dat de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024 een onjuiste interpretatie geven aan artikel 181, § 1, van de Grondwet en die grondwetsbepaling schenden. Krachtens artikel 181, § 1, van de Grondwet is het ten laste nemen van de wedden van de bedienaars van een erkende eredienst immers een recht maar geen verplichting. Door bovendien een verschillende wedde voor te behouden aan de bedienaars van de erediensten van de lokale geloofsgemeenschappen die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest gevestigd zijn, namelijk door hun op te leggen dat hun wedde verplicht ten laste moet worden genomen door de federale overheid, wat niet het geval is voor de bedienaars van de erediensten van de lokale geloofsgemeenschappen gevestigd in de andere gewesten, schenden de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Er kan te dezen niet worden verwezen naar de autonomie van de decreetgevers, daar de decreetgevers geen autonomie hebben in een domein dat tot de bevoegdheid van de federale Staat behoort. A.2.4. In de derde plaats voeren de verzoekende partijen een schending aan van artikel 181, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 21 ervan, en van de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, in zoverre de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024 niet verduidelijken wat er gebeurt wanneer de federale Staat de wedde van de bedienaars van de erediensten van de betrokken lokale geloofsgemeenschap niet ten laste neemt. De verplichting om de bedienaars van de erediensten in dat geval zonder wedde te laten, zonder aan de lokale geloofsgemeenschap de mogelijkheid te laten om die wedde ten laste te nemen, vormt een inbreuk op de vrijheid van eredienst en van godsdienst en schendt het evenredigheidsbeginsel. A.2.5. In de vierde plaats voeren de verzoekende partijen aan dat het door de decreetgever nagestreefde doel, zijnde het waarborgen dat het bestuur in alle onafhankelijkheid de verplichtingen nakomt die worden vastgelegd in het decreet van 22 oktober 2021, niet legitiem is. In ieder geval zijn de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024 niet evenredig ten aanzien van het nagestreefde doel. Die bepalingen voeren in het decreet van 22 oktober 2021 immers bepalingen in die nog restrictiever zijn dan de bepalingen die bij het voormelde arrest van het Hof nr. 113/2023 werden vernietigd, in zoverre thans enkel het ten laste nemen van de wedde door de federale Staat wordt toegelaten en dus elke buitenlandse financiering verboden is. De verzoekende partijen zien de noodzaak van die verplichting niet in, temeer daar andere bepalingen (in het bijzonder de nieuwe artikelen 7, 3°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoerd bij de bestreden artikelen 3 en 13 van het decreet van 26 april 2024) de financiering uit het buitenland reeds verbieden. A.3.1. De Vlaamse Regering stelt vooreerst dat de bestreden bepalingen geen rechtstreekse verplichtingen opleggen aan de bedienaars van de erediensten, doch wel gericht zijn aan de lokale geloofsgemeenschappen die erkend willen worden of die de verkregen erkenning niet willen verliezen. De bestreden bepalingen, die een erkenningsvoorwaarde bevatten, houden onmiskenbaar verband met de uitoefening van de in artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bedoelde gewestbevoegdheid inzake de temporaliën van de erediensten, die de bevoegdheid omvat om de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erediensten te erkennen en de erkenningsvoorwaarden te 4 bepalen. Bovendien raken die bepalingen op geen enkele manier aan de bevoegdheid van de federale overheid om de wedden van de bedienaars van de erediensten vast te stellen en te betalen en de titularissen van dat recht te definiëren. In ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat de bestreden bepalingen noodzakelijk zijn om het goed beheer van de temporaliën van de erediensten te waarborgen. De inspanningsverbintenis om de wedde van de bedienaar van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid versterkt immers de financiële leefbaarheid van het bestuur van de eredienst als openbare instelling en draagt ertoe bij dat het bestuur van de eredienst zijn decretale taken en opdrachten in alle onafhankelijkheid kan uitoefenen. De bedienaar van de eredienst speelt immers een cruciale rol bij de vervulling van de decretale opdrachten, zodat de onafhankelijkheid van die persoon dient te worden gewaarborgd. Wanneer de bedienaar van de eredienst wordt bezoldigd door de federale overheid, zal de afhankelijkheid van andere financiële of materiële ondersteuning afnemen. Het kan bovendien niet worden beweerd dat de bij de bestreden bepalingen ingevoerde inspanningsverbintenis een disproportionele last zou invoeren, gelet op het feit dat de moskeeën die behoren tot de verzoekende partijen bijna alle gebruikmaken van de mogelijkheid tot federale bezoldiging. De bewering van de verzoekende partijen dat de bestreden bepalingen niets zouden bijdragen aan de andere vereisten in artikel 7 van het decreet van 22 oktober 2021 teneinde buitenlandse invloed te vermijden, betreft volgens de Ministerraad louter opportuniteitskritiek die bovendien ongegrond is. De bestreden bepalingen zijn overigens niet enkel ingegeven vanuit de doelstelling om de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen te vrijwaren, maar beogen ook de financiële leefbaarheid van het (toekomstige) bestuur van de eredienst te versterken. Daar de decreetgever op grond van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen bevoegd is om criteria te bepalen voor de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, is het onnodig voor de decreetgever om zich te beroepen op de impliciete bevoegdheden. A.3.2. De Vlaamse Regering vervolgt dat de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024 geen afbreuk doen aan artikel 181, § 1, van de Grondwet, daar zij niets wijzigen aan de verplichting voor de federale overheid om de wedden van de bedienaars van de erkende erediensten ten laste te nemen. Wat betreft de verwijzing, door de verzoekende partijen, naar een verschil in behandeling onder de bedienaars van de erediensten van de lokale geloofsgemeenschappen naargelang zij in het Vlaamse Gewest dan wel in de andere Gewesten gevestigd zijn, stelt de Ministerraad dat dat verschil in behandeling – in zoverre dat bestaat – voortvloeit uit de onderscheiden bevoegdheid van ter zake autonome wetgevers. A.3.3. Wat betreft de aangevoerde schending van artikel 181, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 19 en 21 ervan, en van de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, stelt de Ministerraad dat het middel steunt op een onjuist uitgangspunt. De verplichting voor het (toekomstige) bestuur van de eredienst om zich ertoe te verbinden de wedden van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid, is immers geen resultaatsverbintenis doch wel een inspanningsverbintenis. Dat vloeit voort uit het feit dat het al dan niet ten laste nemen van de wedde van de bedienaar van de eredienst een beslissing is die onafhankelijk is van de wil van het bestuur van de eredienst, daar de beslissingsbevoegdheid ter zake volledig bij de federale overheid ligt. Het bestuur van de eredienst is enkel verplicht om redelijke inspanningen te leveren om via het representatief orgaan een bedienaarskader aan te vragen bij de FOD Justitie en, indien een bedienaarskader werd vastgesteld, via het representatief orgaan de bedienaar van de eredienst voor te dragen voor bezoldiging bij de FOD Justitie. Indien het representatief orgaan weigert om een bedienaarskader aan te vragen of om een bedienaar van de eredienst voor te dragen, kan die weigering niet worden toegerekend aan het bestuur van de eredienst. Het bestuur van de eredienst vermag in dat geval ook een beroep te doen op andere financiering om de bedienaar van de eredienst te bezoldigen. Zelfs indien de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024 een inmenging zouden vormen in de vrijheid van godsdienst en eredienst, is die inmenging in ieder geval gerechtvaardigd. De bestreden bepalingen streven immers een legitieme doelstelling na en zijn proportioneel, aangezien zij louter een inspanningsverbintenis opleggen. De bestreden bepalingen verbieden bovendien niet dat de bedienaars van de eredienst, naast de wedde die zij desgevallend van de federale overheid zouden ontvangen, rechtstreeks of onrechtstreeks andere financiering zouden ontvangen van binnenlandse of buitenlandse entiteiten, voor zover die financiering geen afbreuk doet aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het (toekomstige) bestuur van de eredienst. Daarenboven komt de decreetgever met de bestreden bepalingen niet tussen in de benoeming van de bedienaars van de eredienst. 5 Wat het tweede onderdeel betreft A.4. Het tweede onderdeel van het enige middel viseert de artikelen 3 en 13 van het decreet van 26 april 2024, die in het decreet van 22 oktober 2021 een nieuw artikel 7, 3°, en een nieuw artikel 17, § 1, invoeren. De verzoekende partijen voeren aan dat het daarin neergelegde verbod op financiering of ondersteuning die afbreuk doet aan de onafhankelijkheid, de vrijheid van godsdienst en van eredienst schendt. Volgens de verzoekende partijen beantwoorden de bestreden bepalingen, die een inmenging vormen in het recht van erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen, niet aan de vereisten van voorzienbaarheid en rechtszekerheid. De verzoekende partijen verwijzen ter zake naar het feit dat, krachtens artikel 7, eerste zinsdeel, van het decreet van 22 oktober 2021, de lokale geloofsgemeenschap « kan » worden erkend indien ze voldoet aan alle vijftien erkenningscriteria vermeld in dat artikel 7. De overheid beschikt aldus over een beoordelingsbevoegdheid om de geloofsgemeenschap al dan niet te erkennen, zelfs indien wordt voldaan aan alle erkenningscriteria. Voorts wordt in de bestreden bepalingen vastgesteld dat de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het toekomstige bestuur van de eredienst in het gedrang « kan » worden gebracht « door onder meer, maar niet uitsluitend, de samenloop van twee of meer [...] elementen », waarbij er zeven elementen worden opgesomd en het zevende element is onderverdeeld in negen punten. Het gebruik van de woorden « kan », « onder andere », « niet uitsluitend » en « twee of meerdere elementen » geven volgens de verzoekende partijen aanleiding tot onvoorzienbaarheid en rechtsonzekerheid. Bovendien kunnen de leden van de informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen naar eigen goeddunken elementen toevoegen teneinde te bepalen of de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het (toekomstige) bestuur van de eredienst in het gedrang kan worden gebracht. Gelet op dat gebruik van een niet-limitatieve lijst van erkenningscriteria en elementen die naar believen kan worden aangevuld door een entiteit die geen wetgevende overheid is en die niet onder haar controle staat, en gelet op de ruime beoordelingsbevoegdheid die aan de overheid wordt toegekend, zijn de lokale geloofsgemeenschappen niet in staat de rechtsgevolgen van hun handelingen te voorzien. Voorts zijn de bestreden bepalingen volgens de verzoekende partijen niet evenredig ten opzichte van het nagestreefde doel, in zoverre de erkenning kan worden geweigerd, geschorst of opgeheven indien wordt voldaan aan twee van de zeven elementen die in het nieuwe artikel 7, 3°, en het nieuwe artikel 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021 worden opgesomd, waarbij het personeel van de informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen nieuwe elementen kan toevoegen, zelfs indien de lokale geloofsgemeenschap voldoet aan alle andere criteria. Bovendien wordt het verbod op buitenlandse financiering of ondersteuning in de voormelde bepalingen op dermate ruime wijze geformuleerd dat nagenoeg alle buitenlandse financiering of ondersteuning wordt verboden. Tot slot is het nagestreefde doel volgens de verzoekende partijen niet legitiem. De bestreden bepalingen beogen immers niet een van de doelstellingen die worden opgesomd in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, doch wel het waarborgen van de naleving van het decreet van 26 april 2024 en het decreet van 22 oktober 2021, die zelf inmengingen vormen in de vrijheid van godsdienst en van eredienst. A.5.1. De Vlaamse Regering voert aan dat het tweede onderdeel van het enige middel onontvankelijk is, in zoverre daarin grieven worden uiteengezet tegen artikel 7, eerste zinsdeel, van het decreet van 22 oktober 2021 en tegen artikel 7 van hetzelfde decreet in zijn geheel. A.5.2. Volgens de Vlaamse Regering vormt het bestreden verbod op financiering of ondersteuning die afbreuk doet aan de onafhankelijkheid een gerechtvaardigde inmenging in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen. De bestreden artikelen 3 en 13 van het decreet van 26 april 2024 voldoen immers aan de vereisten van voorzienbaarheid en rechtszekerheid. Zo wijst het gebruik van het woord « kan » in artikel 7, eerste zinsdeel, van het decreet van 22 oktober 2021 niet op het bestaan van een grenzeloze beoordelingsbevoegdheid van de Vlaamse Regering, doch louter op het feit dat een erkenning geen automatisme is indien voldaan is aan de erkenningscriteria in artikel 7 van het decreet van 22 oktober 2021. De lokale geloofsgemeenschap moet immers voldoen aan alle relevante decretale vereisten en desgevallend een wachtperiode succesvol doorlopen. Indien de geloofsgemeenschap aan alle erkenningsvoorwaarden voldoet, is er geen reden meer voor de Vlaamse Regering om de erkenning te weigeren. Voorts zorgt het gebruik van het woord « kan » in de artikelen 7, 3°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij de bestreden bepalingen, niet voor rechtsonzekerheid, maar creëert het een bijkomende waarborg in het licht van het recht van de erkende erediensten om hun werking 6 autonoom te regelen. Er zal immers steeds in concreto moeten worden aangetoond dat de aanwezigheid van twee of meer elementen die in die bepalingen zijn opgenomen, ook effectief een aantasting impliceren van de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het toekomstige bestuur van de eredienst. Tot slot komt de decreetgever met de invoeging van de lijst van elementen die kunnen wijzen op een gebrek aan onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen, tegemoet aan het voormelde arrest van het Hof nr. 113/2023. Het feit dat die lijst niet exhaustief is, impliceert niet dat de bestreden bepalingen onvoldoende precies of voorzienbaar zijn. Het is voor de decreetgever immers onmogelijk om op voorhand alle mogelijke situaties te bepalen waarin financiering of ondersteuning afbreuk zou doen aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het (toekomstige) bestuur van de eredienst. Bovendien zullen de personeelsleden van de informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen steeds in concreto moeten motiveren waarom een element dat niet staat opgesomd in de lijst met aanwijzingen, bewijst dat afbreuk wordt gedaan aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen. Tot slot wordt in verschillende waarborgen voorzien opdat de personeelsleden van de informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen hun taken kwaliteitsvol uitvoeren en kunnen zij aan een rechterlijke controle worden onderworpen wanneer zij hun onderzoeksbevoegdheden zouden overschrijden, zodat er geen risico is op willekeur. De bestreden artikelen 3 en 13 van het decreet van 26 april 2024 streven bovendien een wettig doel na, namelijk het waarborgen van de onafhankelijke uitoefening van decretale opdrachten en verplichtingen door het bestuur van de eredienst. Vanaf hun erkenning worden de lokale geloofsgemeenschappen openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid. Het is legitiem om de onafhankelijkheid van dergelijke openbare instellingen te waarborgen. Gelet op het belang van zijn decretale opdrachten en verplichtingen is het immers cruciaal dat het bestuur van de eredienst niet geïnstrumentaliseerd wordt door externe actoren om die taken op een welbepaalde manier uit te oefenen. De bestreden bepalingen zijn tot slot evenredig ten aanzien van de nagestreefde doelstellingen. Het (toekomstige) bestuur van de eredienst kan immers financiering blijven ontvangen van buitenlandse of binnenlandse actoren, voor zover die financiering geen afbreuk doet aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen. Bovendien gaat de erkenning als lokale geloofsgemeenschap ook gepaard met verscheidene financiële voordelen en dient het bestuur van de eredienst steeds financieel leefbaar te zijn. Een lokale geloofsgemeenschap is daarenboven nooit verplicht om zich te laten erkennen. Zij kan in voorkomend geval ervoor kiezen haar activiteiten verder uit te oefenen als een private vereniging. De evenredigheid wordt voorts versterkt door het feit, enerzijds, dat minstens twee van de elementen vermeld in de artikelen 7, 3°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021 aanwezig dienen te zijn vooraleer kan worden besloten dat de financiering of ondersteuning afbreuk doet aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen en, anderzijds, dat zowel de Vlaamse Regering als de informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen moeten motiveren waarom de aanwezigheid van twee of meer elementen in concreto afbreuk doet aan die onafhankelijkheid. Tot slot bevordert de uitgebreide lijst van aanwijzingen de rechtszekerheid en voorzienbaarheid van de bestreden bepalingen, daar het concrete handvaten aanreikt aan de Vlaamse Regering en de informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen wanneer zij moeten beoordelen of welbepaalde financiering of ondersteuning afbreuk doet aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale verplichtingen of taken van het (toekomstige) bestuur van de eredienst. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen en de context ervan B.1.1. De verzoekende partijen vorderen de vernietiging van de artikelen 3, 7, 13 en 17 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2024 « tot wijziging van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 » (hierna : het decreet van 26 april 2024). 7 B.1.2. De bestreden bepalingen werden aangenomen ingevolge het arrest van het Hof nr. 113/2023 van 20 juli 2023 ( ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.113 ), waarbij artikel 7, 3°, eerste zin, en 9°, artikel 16, 8°, en artikel 17, § 1, eerste zin, van het decreet van het Vlaamse Gewest van 22 oktober 2021 « tot regeling van de erkenning van lokale geloofsgemeenschappen, de verplichtingen van de besturen van de eredienst en het toezicht daarop en tot wijziging van het decreet van 7 mei 2004 betreffende de materiële organisatie en werking van de erkende erediensten » (hierna : het decreet van 22 oktober 2021) werden vernietigd. B.1.3. Artikel 7 van het decreet van 22 oktober 2021 maakt deel uit van hoofdstuk 2 (« Erkenning van lokale geloofsgemeenschappen »), afdeling 1 (« Erkenningscriteria »). Vóór de vernietiging ervan bij het voormelde arrest nr. 113/2023 bepaalde artikel 7, 3°, eerste zin, en 9° : « Art. 7. Een lokale geloofsgemeenschap kan worden erkend als ze voldoet aan al de volgende criteria : [...] 3° ze ontvangt noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning als die financiering of ondersteuning afbreuk doet aan haar onafhankelijkheid. [...] 9° ze heeft geen bedienaars van de eredienst en hun vervangers die rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd zijn door een buitenlandse overheid ». De artikelen 16 en 17 van het decreet van 22 oktober 2021 maken deel uit van hoofdstuk 3 (« Verplichtingen van de besturen van de eredienst »). Vóór de vernietiging ervan bij het voormelde arrest nr. 113/2023 bepaalden artikel 16, 8°, en artikel 17, § 1, eerste zin, van het decreet van 22 oktober 2021 : « Art. 16. Met behoud van de verplichtingen, vermeld in het decreet van 7 mei 2004, voldoet het bestuur van de eredienst aan al de volgende verplichtingen : [...] 8 8° zijn bedienaars van de eredienst en hun vervangers worden noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks bezoldigd door een buitenlandse overheid ». « Art. 17. § 1. Een bestuur van de eredienst ontvangt noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning als die financiering of ondersteuning afbreuk doet aan zijn onafhankelijkheid ». B.1.4. Bij zijn voormelde arrest nr. 113/2023 heeft het Hof geoordeeld : « B.20.1. De bestreden bepalingen zijn geen preventieve beperkingen van de godsdienstvrijheid. Zij houden geen verbod in om een geloofsgemeenschap te vormen, maar voeren een bijkomende voorwaarde in om als lokale geloofsgemeenschap te worden erkend. Artikel 7, 3°, eerste zin, van het bestreden decreet bepaalt als erkenningscriterium dat de lokale geloofsgemeenschap noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning ontvangt als die financiering of ondersteuning afbreuk doet aan haar onafhankelijkheid. Artikel 17, § 1, eerste zin, van hetzelfde decreet bepaalt dat de besturen van de eredienst geen dergelijke buitenlandse financiering of ondersteuning mogen ontvangen. Zoals vermeld in B.10.1, bepalen de artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het bestreden decreet dat het niet hebben van bedienaars van de eredienst of vervangers die rechtstreeks of onrechtstreeks bezoldigd zijn door een buitenlandse overheid een erkenningscriterium, respectievelijk, een verplichting voor het bestuur van de eredienst is. B.20.2. Een erkenning als lokale geloofsgemeenschap heeft aanzienlijke rechtsgevolgen. Zij brengt de oprichting van het bestuur van de eredienst, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zich mee en doet bovendien verscheidene verplichtingen voor de financierende overheid ontstaan, zoals de verplichting om in te staan voor de tekorten en de verplichting om bij te dragen bij investeringen in gebouwen van de eredienst. De voorwaarden om als lokale geloofsgemeenschap te worden erkend, vormen een inmenging in het recht van de geloofsgemeenschappen om hun werking autonoom te regelen. B.20.3. Met die bepalingen beoogt de decreetgever buitenlandse inmenging in het bestuur van de eredienst te weren, zodat op die manier ‘ geen maatschappijmodel kan worden gepromoot dat haaks staat op onze samenleving, waarbij de rechten en vrijheden van anderen in het gedrang komen ’, en de integratie en inclusie van de lokale geloofsgemeenschappen binnen de Vlaamse samenleving te bevorderen. Hij wil daarmee in het bijzonder ook het principe van de scheiding tussen kerk en staat waarborgen (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, p. 51) en verhinderen dat buitenlandse financiering en ondersteuning ‘ een kanaal vormen waarlangs nationalistisch, polariserend, segregerend of extremistisch en fundamentalistisch gedachtegoed (politiek en religieus) uit het buitenland op actieve wijze wordt opgedrongen en gepropageerd in Vlaamse lokale geloofsgemeenschappen ’ (ibid., p. 44). Die doelstellingen zijn legitiem en strekken ertoe de rechten en vrijheden van anderen te beschermen in de zin van artikel 9, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 18, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. 9 B.21. De inmenging dient evenwel ook te voldoen aan de in B.19.2 en B.19.3 vermelde vereisten van voorzienbaarheid en evenredigheid. De bestreden bepalingen viseren niet alle buitenlandse financiering of ondersteuning. Zij betreffen enkel buitenlandse financiering of ondersteuning ‘ die afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap ’ en bezoldigingen voor bedienaars van de eredienst afkomstig van buitenlandse overheden. Voor het overige is buitenlandse financiering of ondersteuning toegestaan voor zover ze niet rechtstreeks of onrechtstreeks verband houdt met terrorisme, extremisme, spionage of clandestiene inmenging (artikel 7, 3°, tweede zin, en artikel 17, § 1, tweede zin). De voorwaarde dat buitenlandse financiering of ondersteuning ‘ afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap ’ is onvoldoende precies. De parlementaire voorbereiding verduidelijkt dat het begrip betrekking heeft op ‘ buitenlandse financiering of ondersteuning die een dergelijke weerslag heeft op de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap of het bestuur van de eredienst dat deze niet op onafhankelijke wijze kan beslissen over de eigen organisatie, werking of beheer van de goederen of van de inkomsten ’ (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, p. 19). Noch die precisering, noch de ‘ aanwijzingen van buitenlandse financiering of ondersteuning ’ (ibid., p. 51), die overigens niet uit de bestreden bepalingen zelf blijken, laten toe op voldoende voorzienbare wijze te bepalen welke buitenlandse financiering of ondersteuning is toegestaan. B.22. Er is op geen enkele wijze aangetoond dat de beperking van de buitenlandse financiering of ondersteuning van geloofsgemeenschappen, met inbegrip van het vereiste dat de bedienaars van de eredienst en hun vervangers niet rechtstreeks of onrechtstreeks worden bezoldigd door een buitenlandse overheid, in een redelijk verband van evenredigheid staat tot de vrijwaring van de democratische rechtsstaat die ermee wordt nagestreefd. Dat maatschappijmodel wordt gekenmerkt door een geheel van rechtsregels, zowel van burgerrechtelijke als van strafrechtelijke aard, waaraan ook de geloofsgemeenschappen en hun leden zijn onderworpen en die in geval van niet-naleving voor de rechter kunnen worden afgedwongen. De bijkomende voorwaarde dat buitenlandse financiering of ondersteuning geen afbreuk mag doen aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap is een onevenredige inmenging in de vrijheid van eredienst. B.23. Artikel 7, 3°, eerste zin, en 9°, artikel 16, 8°, en artikel 17, § 1, eerste zin, van het bestreden decreet schenden bijgevolg de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het eerste onderdeel van het enige middel in de zaak nr. 7802 is gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van de vrijheid van godsdienst en van eredienst. Artikel 7, 3°, eerste zin, en 9°, artikel 16, 8°, en artikel 17, § 1, eerste zin, van het bestreden decreet moeten worden vernietigd ». 10 B.1.5. Met de bestreden artikelen 3, 7, 13 en 17 van het decreet van 26 april 2024, die de artikelen 7, 3° en 9°, 16, 8°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021 vervangen, beoogt de decreetgever tegemoet te komen aan het voormelde arrest van het Hof. Artikel 7, 3° en 9°, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals vervangen bij de bestreden artikelen 3 en 7 van het decreet van 26 april 2024, luidt : « Een lokale geloofsgemeenschap kan worden erkend als ze voldoet aan al de volgende criteria : [...] 3° ze ontvangt noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks financiering of ondersteuning die afbreuk doet aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het toekomstige bestuur van de eredienst, zoals is bepaald in dit decreet en het decreet van 7 mei 2004. De onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het toekomstige bestuur van de eredienst kan in het gedrang komen door onder meer, maar niet uitsluitend, de samenloop van twee of meer van de volgende elementen, die wordt vastgesteld door de personeelsleden van de bevoegde instantie bij de juridische structuur, vermeld in artikel 7, 1° : a) het ontvangen van herhaaldelijke financiële giften van dezelfde persoon of organisatie; b) het ontvangen van schenkingen van goederen die een aanzienlijke kostprijs hebben en noodzakelijk zijn voor de uitoefening van de eredienst; c) de rechtstreekse of onrechtstreekse terbeschikkingstelling van personeel door derden; d) de terbeschikkingstelling door derden van infrastructuur ten kosteloze titel of tegen een niet-marktconforme huurprijs; e) het bestaan van samenwerkingsverbanden met instellingen die rechtstreeks of onrechtstreeks gelinkt zijn aan organisaties en bewegingen die een extremistische en segregerende geloofsbeleving promoten en verspreiden; f) de opname in de statuten, oprichtingsakte of beginselverklaring van de juridische structuur, vermeld in artikel 7, 1°, van een band van ondergeschiktheid aan een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie; g) een nauwe band met een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie die blijkt uit het feit dat de juridische structuur, vermeld in artikel 7, 1° : 1) richtlijnen, ongeacht de aard ervan, ontvangt van een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie; 11 2) informatie over de eigen werking, over leden of over bepaalde personen of groepen bezorgt aan een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie; 3) structureel en prominent aanwezig is op bijeenkomsten die georganiseerd worden door een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie; 4) via de eigen communicatiekanalen activiteiten promoot van een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie; 5) verbonden is met structuren zoals verenigingen of koepelorganisaties die rechtstreeks of onrechtstreeks verbonden zijn aan of aangestuurd worden door een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie; 6) voor de eigen werking actief gebruikmaakt van officiële logo's van een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie; 7) gebruikmaakt van infrastructuur in eigendom van een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie, en waarvan het gebruiksrecht onvoldoende een onvoorwaardelijke en lange termijn van het gebruik garandeert; 8) binnen de eigen werking een structurele en prominente aanwezigheid van diplomatiek personeel toestaat; 9) via financiële stromen en constructies financieel verbonden is met een buitenlandse actor of een daaraan gelinkte binnenlandse organisatie; [...] 9° ze verbindt zich ertoe om de wedde van haar bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid conform artikel 181 van de Grondwet en de wet van 2 augustus 1974 betreffende de wedden van de titularissen van sommige openbare ambten, van de bedienaars van de erkende erediensten en van de afgevaardigden van de Centrale Vrijzinnige Raad; ». In dezelfde zin bepalen de artikelen 16, 8°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals vervangen bij de bestreden artikelen 13 en 17 van het decreet van 26 april 2024, dat het bestuur van de eredienst « zich ertoe [verbindt] om de wedde van haar bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid », respectievelijk dat dat bestuur « noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks financiering of ondersteuning [ontvangt] die afbreuk doet aan de onafhankelijke uitoefening van zijn decretale opdrachten en verplichtingen, vermeld in dit decreet en in het decreet van 7 mei 2004 », waarbij wordt verwezen naar dezelfde elementen als vermeld in artikel 7, 3°, waaruit kan blijken dat de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het bestuur van de eredienst in het gedrang kan komen. 12 B.1.6. De parlementaire voorbereiding vermeldt dat de nieuwe bepalingen « niet de vrijwaring van de democratische rechtsstaat beogen, maar meer specifiek de vrijwaring van de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen die rusten op het (toekomstige) bestuur van de eredienst, dat als Vlaamse openbare instelling deel uitmaakt van de Vlaamse publiekrechtelijke organisatie » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1974/1, p. 4). Meer in het bijzonder inzake de erkenningsvoorwaarde en verplichting die zijn neergelegd in de nieuwe artikelen 7, 3°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021, die het verbod van financiering of ondersteuning die afbreuk doet aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het (toekomstige) bestuur van de eredienst betreffen, vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Een bestuur van de eredienst is een Vlaamse openbare instelling. Het maakt deel uit van de Vlaamse publiekrechtelijke organisatie waarvan de opdrachten, verplichtingen, werking en financiering (tekortendekking) door de Vlaamse decreetgever zijn vastgelegd via het Eredienstendecreet van 7 mei 2004 en het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021. Daarom is het essentieel dat ook wordt gegarandeerd dat de openbare instelling op onafhankelijke wijze zijn door de decreetgever toebedeelde opdrachten en verplichtingen kan uitoefenen. Vanuit die doelstelling is het objectief gerechtvaardigd dat de decreetgever de nodige garanties inbouwt om decretaal te voorkomen dat buitenlandse of binnenlandse entiteiten via financiering en ondersteuning afbreuk kunnen doen aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen die rusten op het bestuur van de eredienst. Met de decretale bepalingen om de onafhankelijke werking van een bestuur van de eredienst als Vlaams publiekrechtelijke instelling te garanderen, wat zijn toebedeelde decretale opdrachten en verplichtingen betreft, geeft de Vlaamse decreetgever ook gevolg aan de door het Europees Parlement op 9 maart 2022 en 1 juni 2023 aangenomen resoluties over buitenlandse inmenging in alle democratische processen in de Europese Unie, met inbegrip van desinformatie, waarbij het Europees Parlement de lidstaten oproept om specifieke maatregelen te nemen ter voorkoming van buitenlandse invloeden die democratische beslissingsprocessen (onder meer van openbare instellingen en religieuze gemeenschappen) verstoren. Voor religieuze geloofsgemeenschappen stellen de resoluties in het bijzonder dat er maatregelen genomen moeten worden om de invloed vanuit bepaalde landen te weren. [...] Met dit artikel wordt tegemoetgekomen aan de opmerking van het Grondwettelijk Hof dat op voldoende voorzienbare wijze moet worden bepaald welke elementen afbreuk kunnen doen aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van de (toekomstige) openbare instelling, vastgelegd door de decreetgever. Concreet wordt gewerkt met een niet-exhaustieve lijst van twee of meer cumulatieve elementen. Daarbij wordt de notie 13 ‘ afbreuk aan onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van de (toekomstige) openbare instelling (het bestuur van de eredienst) ’ geconcretiseerd aan de hand van specifieke elementen waarvan de vaststelling wordt gedaan door de personeelsleden van de informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen (ISD) als bevoegde instantie. Die werkwijze biedt voldoende duidelijkheid aan de (toekomstige) openbare instelling voor het bewaren van haar onafhankelijke uitoefening van de opdrachten en verplichtingen die op haar rusten. Met het oog op de proportionaliteitsvereiste wordt bepaald dat financiering of ondersteuning alleen afbreuk kan doen aan de onafhankelijkheid van het (toekomstige) bestuur van de eredienst als een combinatie van minstens twee elementen voorhanden is. Op die manier wordt voor voldoende ‘ waarborgen ’ gezorgd om een al te ruime beoordelingsvrijheid bij de Vlaamse Regering te voorkomen, en wordt op die manier de vrijheid van godsdienst en eredienst gevrijwaard. [...] De evenredigheid van de bepaling (de proportionaliteitvereiste) in het licht van artikel 9 van het EVRM (godsdienstvrijheid), dat het Grondwettelijk Hof benadrukt in overweging B.22 van zijn arrest nr. 113/2023 van 20 juli 2023, komt tot uiting door volgende aspecten : – er wordt uitdrukkelijk in de bepaling opgenomen dat aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van de (toekomstige) openbare instelling alleen afbreuk kan worden gedaan als een combinatie van minstens twee elementen voorhanden is; – de combinatie van minstens twee elementen moet vastgesteld worden door de personeelsleden van de informatie- en screeningsdienst lokale geloofsgemeenschappen, die in het kader van de uitoefening van hun opdrachten hun bevoegdheden alleen aanwenden als dat voor de uitoefening van het toezicht passend en noodzakelijk is (artikel 19, vierde lid, van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021); – de Vlaamse Regering moet uitdrukkelijk geval per geval motiveren waarom een bepaalde combinatie van elementen de onafhankelijke uitoefening van de opdrachten en verplichtingen van de (toekomstige) openbare instelling in het gedrang brengt; – zoals is vermeld in artikel 4, 3°, van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021, is de ISD een instantie van de Vlaamse administratie, die als administratieve overheidsinstantie dan ook steeds gebonden is aan de algemene beginselen van behoorlijk bestuur bij het stellen van handelingen zoals vaststellingen. De ISD zal dus steeds uitdrukkelijk geval per geval moeten motiveren waarom een bepaalde combinatie van elementen de in dit artikel beoogde onafhankelijkheid in het gedrang brengt. Er wordt expliciet benadrukt dat de onafhankelijkheid die in dit artikel wordt beoogd, alleen betrekking heeft op de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen die rusten op het (toekomstige) bestuur van de eredienst, en geenszins op de organisatie of werking van de lokale geloofsgemeenschap (verzameling van de gelovigen of aanhangers), de parochiale verenigingen of de bedienaar van de eredienst in zijn hoedanigheid als religieuze voorganger van de lokale geloofsgemeenschap. Het is bijvoorbeeld niet toegestaan dat een bestuur van de eredienst richtlijnen ontvangt van een buitenlandse actor over hoe dat bestuur zijn door de decreetgever periodiek verplichte bestuursverkiezingen moet organiseren. Het bestuur van de eredienst zelf moet immers de bestuursverkiezingen organiseren conform de regeling die de Vlaamse decreetgever daarvoor heeft uitgewerkt in het 14 Eredienstendecreet van 7 mei 2004. Een lokale geloofsgemeenschap als groep van gelovigen of aanhangers kan wel richtlijnen ontvangen van een buitenlandse religieuze autoriteit over de manier waarop ze zich kan organiseren binnen de eigen werking, bijvoorbeeld voor religieuze aspecten. Het staat de lokale geloofsgemeenschap ook vrij om al dan niet deel te nemen aan bijeenkomsten van buitenlandse actoren zoals bedevaartexcursies, wereldjongerendagen enzovoort » (ibid., pp. 6-8). Wat betreft de voorwaarde en de verplichting voor het bestuur van de eredienst om zich ertoe te verbinden de wedde van zijn bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid, zoals bepaald in de nieuwe artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021, vermeldt de parlementaire voorbereiding : « Naar analogie van de regeling in artikel 4, 11°, van de Brusselse ordonnantie van 10 december 2021 betreffende het beheer van de materiële belangen van de erkende plaatselijke levensbeschouwelijke gemeenschappen wordt een nieuw erkenningscriterium ingevoerd waarbij de lokale geloofsgemeenschap zich ertoe verbindt om haar bedienaar van de eredienst te laten bezoldigen via de federale overheid krachtens artikel 181 van de Grondwet. De afdeling Wetgeving van de Raad van State heeft in haar advies 67.157/4 van 3 juni 2020 bij het voorontwerp van de voormelde Brusselse ordonnantie geen juridische bezwaren of opmerkingen bij dat erkenningscriterium geformuleerd » (ibid., p. 11). Ten gronde Wat betreft het eerste onderdeel van het enige middel B.2.1. Het eerste onderdeel van het enige middel is gericht tegen de nieuwe artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024, die als erkenningsvoorwaarde voor de lokale geloofsgemeenschap respectievelijk als verplichting voor het bestuur van de eredienst bepalen dat zij zich ertoe verbinden de wedde van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid. B.2.2. Het middel is deels afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels en deels uit de schending van meerdere bepalingen beoogd in artikel 1, 2°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof. 15 B.2.3. Het onderzoek van de overeenstemming van een wetskrachtige bepaling met de bevoegdheidverdelende regels moet in de regel dat van de bestaanbaarheid ervan met de bepalingen van titel II en met de artikelen 170, 172 en 191 van de Grondwet voorafgaan. Het Hof onderzoekt bijgevolg eerst de grief die is afgeleid uit de schending van de bevoegdheidverdelende regels. De aangevoerde schending van de bevoegdheidverdelende regels B.3. De verzoekende partijen voeren aan dat de nieuwe artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024, de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest te buiten gaan en bijgevolg afbreuk doen aan artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, in zoverre zij als erkenningsvoorwaarde voor de lokale geloofsgemeenschap respectievelijk als verplichting voor het bestuur van de eredienst bepalen dat zij zich ertoe verbinden om de wedde van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid. B.4.1. Artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen, zoals het is ingevoegd bij artikel 4 van de bijzondere wet van 13 juli 2001 houdende overdracht van diverse bevoegdheden aan de gewesten en de gemeenschappen, bepaalt : « VIII. Wat de ondergeschikte besturen betreft : [...] 6° de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, met uitzondering van de erkenning van de erediensten en de wedden en pensioenen van de bedienaars der erediensten; ». B.4.2. Krachtens die bepaling zijn de gewesten, sedert 1 januari 2002, bevoegd om hetgeen betrekking heeft op de kerkfabrieken en de andere instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, te regelen in het kader van hun bevoegdheden inzake de ondergeschikte besturen. Dezelfde bepaling behoudt aan de federale 16 overheid de bevoegdheid voor om de erediensten te erkennen en wedden en pensioenen toe te kennen aan de bedienaars van de erediensten, die eveneens worden beoogd in artikel 181, § 1, van de Grondwet. B.4.3. Krachtens hun bevoegdheid inzake kerkfabrieken en instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, zijn de gewesten bevoegd om alles met betrekking tot de temporaliën van de erkende erediensten te regelen, met andere woorden het beheer van de goederen en van de inkomsten van de erkende erediensten. Zij zijn eveneens bevoegd om de plaatselijke geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten en hun gebiedsomschrijving te erkennen teneinde de gebiedsomschrijving te bepalen van de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten. De aan de federale overheid voorbehouden bevoegdheid om de erediensten te erkennen, houdt de bevoegdheid in om de erediensten als dusdanig en de representatieve organen ervan te erkennen. De erkenning van een eredienst door de federale overheid brengt een overheidsfinanciering vanwege de Staat met zich mee. B.4.4. De bevoegdheid van de gewesten inzake het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten beperkt zich tot de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de door de federale overheid erkende erediensten. In het kader van de uitoefening van die bevoegdheid brengt de erkenning, door een gewest, van een plaatselijke geloofsgemeenschap, in beginsel, de oprichting van een openbare instelling die belast is met het beheer van de goederen en de inkomsten van die gemeenschap, met zich mee. B.5.1. Een lokale geloofsgemeenschap kan, krachtens artikel 7, 9°, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 7 van het decreet van 26 april 2024, alleen worden erkend als ze zich ertoe verbindt de wedde van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid overeenkomstig artikel 181 van de Grondwet. Bovendien dienen de besturen van de eredienst diezelfde verbintenis aan te gaan krachtens artikel 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 17 van het decreet van 26 april 2024. B.5.2. Die bepalingen voorzien niet in een verplichting voor bedienaars van de eredienst om hun wedde ten laste te laten nemen door de federale overheid, noch in een verbod voor die 17 personen om rechtstreeks of onrechtstreeks een bezoldiging te ontvangen van binnenlandse of buitenlandse entiteiten. Zij bepalen slechts dat een lokale geloofsgemeenschap niet in aanmerking komt voor een erkenning of dat de Vlaamse Regering kan beslissen tot opschorting of opheffing van de erkenning of tot opschorting of beperking van de financiële gevolgen daarvan indien zij zich niet ertoe verbindt de wedde van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid. Zoals de Vlaamse Regering beklemtoont, betreft het geen resultaatsverbintenis ten aanzien van de lokale geloofsgemeenschap en het bestuur van de eredienst, die ter zake over geen enkele beslissingsbevoegdheid beschikken. Het bestuur van de eredienst dient enkel redelijke inspanningen te leveren om, zodra de lokale geloofsgemeenschap is erkend, via het representatief orgaan een bedienaarskader aan te vragen en vervolgens een bedienaar van de eredienst voor bezoldiging voor te dragen bij de FOD Justitie. Een weigering door het representatief orgaan om ter zake het nodige te doen, kan niet aan de lokale geloofsgemeenschap en het bestuur van de eredienst worden toegerekend. B.6.1. Het erkenningscriterium en de verplichting om zich ertoe te verbinden de wedde van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid, beogen « de vrijwaring van de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen die rusten op het (toekomstige) bestuur van de eredienst » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1974/1, p. 4) en houden aldus rechtstreeks verband met het beheer van de temporaliën van de eredienst. B.6.2. De bestreden bepalingen vallen bovendien niet onder de federale voorbehouden bevoegdheid inzake de wedden en pensioenen van de bedienaars van de erediensten, in zoverre zij niet raken aan de vaststelling en de betaling van die wedden en pensioenen, noch aan de definiëring van de titularissen daarvan. De bestreden bepalingen leggen bovendien geen verplichting op aan de federale overheid om de wedden van de bedienaars van de erediensten ten laste te nemen. Die verplichting vloeit rechtstreeks voort uit artikel 181, § 1, van de Grondwet, dat bepaalt dat « de wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten [...] ten laste [komen] van de Staat ». B.7. De erkenningsvoorwaarde voor de lokale geloofsgemeenschap respectievelijk de verplichting voor het bestuur van de eredienst om zich ertoe te verbinden de wedde van de 18 bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid vallen derhalve onder de bevoegdheid van het Vlaamse Gewest inzake de kerkfabrieken en de instellingen die belast zijn met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten. Het eerste onderdeel van het enige middel is niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van artikel 6, § 1, VIII, eerste lid, 6°, van de voormelde bijzondere wet van 8 augustus 1980. De aangevoerde schending van de grondrechten B.8.1. De verzoekende partijen voeren aan dat de nieuwe artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024, artikel 181, § 1, van de Grondwet, in samenhang gelezen met de artikelen 10 en 11 ervan, schenden in zoverre zij de lokale geloofsgemeenschappen ertoe verplichten de wedde van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid. Zij voeren voorts een schending aan van de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 181, § 1, van de Grondwet, met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, en van de beginselen van rechtszekerheid en evenredigheid, in zoverre de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024 niet verduidelijken wat er gebeurt wanneer de federale overheid de wedde van de bedienaars van de erediensten van de betrokken lokale geloofsgemeenschap niet ten laste neemt. Voorts zouden de bestreden bepalingen geen legitiem doel nastreven en in ieder geval niet evenredig zijn ten aanzien van het nagestreefde doel. B.8.2. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de grieven van de verzoekende partijen in wezen betrekking hebben, enerzijds, op een schending van de artikelen 10, 11 en 181, § 1, van de Grondwet en, anderzijds, op het recht op vrijheid van godsdienst en eredienst. Het Hof onderzoekt eerst de grief die betrekking heeft op een schending van de artikelen 10, 11 en 181, § 1, van de Grondwet en vervolgens de grief die betrekking heeft op het recht op vrijheid van godsdienst en eredienst. 19 B.9. Artikel 181, § 1, van de Grondwet bepaalt : « De wedden en pensioenen van de bedienaren der erediensten komen ten laste van de Staat; de daartoe vereiste bedragen worden jaarlijks op de begroting uitgetrokken ». B.10.1. Krachtens artikel 142, tweede lid, van de Grondwet en artikel 1 van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 is het Hof bevoegd om uitspraak te doen op de beroepen tot vernietiging van een wet, een decreet of een in artikel 134 van de Grondwet bedoelde regel, wegens schending van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de federale overheid, de gemeenschappen en de gewesten en wegens schending van de artikelen van titel II (« De Belgen en hun rechten ») en van de artikelen 143, § 1, 170, 172 en 191 van de Grondwet. B.10.2. Het Hof is niet bevoegd om wetskrachtige normen rechtstreeks te toetsen aan artikel 181 van de Grondwet. In zoverre een rechtstreekse schending van artikel 181, § 1, van de Grondwet wordt aangevoerd, is het middel niet ontvankelijk. B.10.3. De verzoekende partijen voeren eveneens een schending aan van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 181, § 1, van de Grondwet, in zoverre de bestreden bepalingen een verschillende wedde voorbehouden aan de bedienaars van de erediensten van de lokale geloofsgemeenschappen die op het grondgebied van het Vlaamse Gewest gevestigd zijn, namelijk door hun op te leggen dat hun wedde ten laste wordt genomen door de federale overheid, wat niet het geval is voor de bedienaars van de erediensten van de lokale geloofsgemeenschappen gevestigd in de andere Gewesten. Het Hof is bevoegd om een dergelijke toetsing uit te voeren ten aanzien van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en kan in die zin de regels inzake gelijkheid en niet-discriminatie, vervat in die artikelen, in samenhang met artikel 181 van de Grondwet lezen. B.11. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. 20 Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.12. In de veronderstelling dat een verschil in behandeling bestaat onder de bedienaars van de erediensten van de lokale geloofsgemeenschappen naargelang zij op het grondgebied van het Vlaamse Gewest dan wel op het grondgebied van een ander gewest gevestigd zijn, zou zulks het resultaat zijn van twee verschillende wetgevingen, genomen door twee bevoegde wetgevers. Een verschil in behandeling in aangelegenheden waar de gemeenschappen en de gewesten over eigen bevoegdheden beschikken, is het mogelijke gevolg van een onderscheiden beleid, dat is toegelaten door de autonomie die hun door of krachtens de Grondwet is toegekend. Een zodanig verschil kan op zich niet geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Die autonomie zou geen betekenis hebben, mocht een verschil in behandeling tussen adressaten van regels die in eenzelfde aangelegenheid in de verschillende gemeenschappen en gewesten toepasselijk zijn, als zodanig geacht worden strijdig te zijn met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. B.13. Het eerste onderdeel van het enige middel is niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 181, § 1, ervan. B.14. Er moet worden nagegaan of de nieuwe artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024, de vrijheid van godsdienst en eredienst in acht nemen. 21 B.15. Artikel 19 van de Grondwet bepaalt : « De vrijheid van eredienst, de vrije openbare uitoefening ervan, alsmede de vrijheid om op elk gebied zijn mening te uiten, zijn gewaarborgd, behoudens bestraffing van de misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheden worden gepleegd ». Artikel 21 van de Grondwet bepaalt : « De Staat heeft niet het recht zich te bemoeien met de benoeming of de installatie der bedienaren van enige eredienst of hun te verbieden briefwisseling te houden met hun overheid en de akten van deze overheid openbaar te maken, onverminderd, in laatstgenoemd geval, de gewone aansprakelijkheid inzake drukpers en openbaarmaking. Het burgerlijk huwelijk moet altijd aan de huwelijksinzegening voorafgaan, behoudens de uitzonderingen door de wet te stellen, indien daartoe redenen zijn ». Artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op vrijheid van gedachte, geweten en godsdienst; dit recht omvat tevens de vrijheid om van godsdienst of overtuiging te veranderen, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging te belijden door de eredienst, door het onderwijzen ervan, door de praktische toepassing ervan en het onderhouden van de geboden en voorschriften. 2. De vrijheid zijn godsdienst of overtuiging te belijden kan aan geen andere beperkingen zijn onderworpen dan die welke bij de wet zijn voorzien, en die in een democratische samenleving nodig zijn voor de openbare orde, gezondheid, zedelijkheid of de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». Artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten bepaalt : « 1. Een ieder heeft het recht op vrijheid van denken, geweten en godsdienst. Dit recht omvat tevens de vrijheid een zelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden, alsmede de vrijheid hetzij alleen, hetzij met anderen, zowel in het openbaar als in zijn particuliere leven zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen door de eredienst, het onderhouden van de geboden en voorschriften, door praktische toepassing en het onderwijzen ervan. 2. Op niemand mag dwang worden uitgeoefend die een belemmering zou betekenen van zijn vrijheid een door hemzelf gekozen godsdienst of overtuiging te hebben of te aanvaarden. 22 3. De vrijheid van een ieder zijn godsdienst of overtuiging tot uiting te brengen kan slechts in die mate worden beperkt als wordt voorgeschreven door de wet en noodzakelijk is ter bescherming van de openbare veiligheid, de orde, de volksgezondheid, de goede zeden of de fundamentele rechten en vrijheden van anderen. 4. De Staten die partij zijn bij dit Verdrag verbinden zich de vrijheid te eerbiedigen van ouders of wettige voogden, de godsdienstige en morele opvoeding van hun kinderen of pupillen overeenkomstig hun eigen overtuiging te verzekeren ». B.16.1. De vrijheid van godsdienst, die met name in artikel 19 van de Grondwet is gewaarborgd, omvat onder meer de vrijheid om hetzij alleen, hetzij met anderen zijn godsdienst tot uiting te brengen. Geloofsgemeenschappen bestaan traditioneel in de vorm van georganiseerde structuren. De deelname aan het leven van de geloofsgemeenschap is een uiting van de geloofsovertuiging die de bescherming geniet van de vrijheid van godsdienst. Mede in het perspectief van de vrijheid van vereniging, houdt de vrijheid van godsdienst in dat de geloofsgemeenschap vreedzaam kan functioneren, zonder willekeurige inmenging van de overheid. De autonomie van de geloofsgemeenschappen is immers onmisbaar voor het pluralisme in een democratische samenleving en raakt derhalve de kern zelf van de vrijheid van godsdienst. Zij vertoont niet alleen een rechtstreeks belang voor de organisatie van de geloofsgemeenschap op zich, maar ook voor het daadwerkelijke genot van de vrijheid van godsdienst voor alle actieve leden van de geloofsgemeenschap. Indien de organisatie van het leven van de geloofsgemeenschap niet door artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens zou zijn beschermd, zouden alle andere aspecten van de vrijheid van godsdienst van het individu hierdoor kwetsbaar worden (EHRM, grote kamer, 26 oktober 2000, Hassan en Tchaouch t. Bulgarije, ECLI:CE:ECHR:2000:1026JUD003098596 , § 62; grote kamer, 26 april 2016, İzzettin Doğan e.a. t. Turkije, ECLI:CE:ECHR:2016:0426JUD006264910 , § 93). De in artikel 21, eerste lid, van de Grondwet gewaarborgde vrijheid van eredienst erkent diezelfde organisatorische autonomie van de godsdienstige gemeenschappen. Elke godsdienst is vrij zijn eigen organisatie in te richten. B.16.2. In zoverre zij het recht erkennen om hetzij alleen, hetzij met anderen zijn godsdienst tot uiting te brengen, hebben artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten 23 een draagwijdte die analoog is aan die van artikel 19 van de Grondwet, dat onder meer de vrijheid van godsdienst erkent. De bij die bepalingen geboden waarborgen vormen dan ook, in die mate, een onlosmakelijk geheel. Artikel 19 van de Grondwet verbiedt bovendien dat de vrijheid van eredienst aan preventieve beperkingen wordt onderworpen, maar niet dat misdrijven die ter gelegenheid van het gebruikmaken van die vrijheid worden gepleegd, worden bestraft. B.16.3. De vrijheid van godsdienst en eredienst staat niet eraan in de weg dat de overheid positieve maatregelen neemt waardoor de daadwerkelijke uitoefening van die vrijheid mogelijk wordt gemaakt. De regeling, door de bevoegde wetgever, van de erkenning van de plaatselijke geloofsgemeenschappen van de erkende erediensten en van de verplichtingen van de instellingen die zijn belast met het beheer van de temporaliën van de erkende erediensten, kan worden geacht bij te dragen tot het effectieve genot van de vrijheid van eredienst. Het voorgaande belet evenwel niet dat dergelijke maatregelen moeten worden beschouwd als inmengingen in het recht van de erkende erediensten om hun werking autonoom te regelen. Dergelijke inmengingen zijn aanvaardbaar op voorwaarde dat zij maatregelen uitmaken die in een democratische samenleving nodig zijn om te voldoen aan een in artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bedoelde dwingende maatschappelijke behoefte en op voorwaarde dat die maatregelen het voorwerp van een voldoende toegankelijke en precieze regeling uitmaken. Er dient een redelijk verband van evenredigheid te bestaan tussen het nagestreefde wettige doel, enerzijds, en de beperking van die vrijheid, anderzijds. Te dezen dient te worden nagegaan of aan die vereisten is voldaan. B.17.1. De bestreden bepalingen zijn geen preventieve beperkingen van de godsdienstvrijheid. Zij houden geen verbod in om een geloofsgemeenschap te vormen, maar voeren een bijkomende voorwaarde in om als lokale geloofsgemeenschap te worden erkend. Zoals is vermeld in B.5.1, bepalen de artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 7 en 17 van het decreet van 26 april 2024, dat de verbintenis om de wedde van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid een erkenningscriterium voor de lokale geloofsgemeenschap respectievelijk een verplichting voor het bestuur van de eredienst is. 24 B.17.2. Een erkenning als lokale geloofsgemeenschap heeft aanzienlijke rechtsgevolgen. Zij brengt de oprichting van het bestuur van de eredienst, een openbare instelling met rechtspersoonlijkheid, met zich mee en doet bovendien verscheidene verplichtingen voor de financierende overheid ontstaan, zoals de verplichting om in te staan voor de tekorten en de verplichting om bij te dragen bij investeringen in gebouwen van de eredienst. De voorwaarden om als lokale geloofsgemeenschap te worden erkend, vormen een inmenging in het recht van de geloofsgemeenschappen om hun werking autonoom te regelen. B.17.3. Zoals is vermeld in B.6.1, beoogt de decreetgever met de bestreden bepalingen de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het bestuur van de eredienst te waarborgen. Noch de decreetgever, noch de Vlaamse Regering verduidelijkt waarom die onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen noodzakelijk is met het oog op het verwezenlijken van de in artikel 9, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en artikel 18, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten vermelde doelstellingen. Het kan evenwel worden aangenomen dat de decreetgever met die onafhankelijkheid, zoals met de door het Hof bij het arrest nr. 113/2023 vernietigde artikelen 7, 9°, en 16, 8°, van het decreet van 22 oktober 2021, onder meer beoogt te vermijden dat « een maatschappijmodel kan worden gepromoot dat haaks staat op onze samenleving, waarbij de rechten en vrijheden van anderen in het gedrang komen » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, p. 51) en beoogt te verhinderen dat buitenlandse financiering en ondersteuning « een kanaal vormen waarlangs nationalistische, polariserende, segregerende of extremistische en fundamentalistische gedachtegoed (politiek en religieus) uit het buitenland op actieve wijze wordt opgedrongen en gepropageerd in Vlaamse lokale geloofsgemeenschappen » (ibid., p. 44). Die doelstellingen zijn legitiem en strekken ertoe de rechten en vrijheden van anderen te beschermen in de zin van artikel 9, lid 2, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 18, lid 3, van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. B.18. De inmenging dient evenwel ook te voldoen aan de in B.16.2 en B.16.3 vermelde vereisten van voorzienbaarheid en evenredigheid. 25 B.19.1. De bestreden erkenningsvoorwaarde respectievelijk verplichting om zich ertoe te verbinden de wedde van de bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid, is vastgesteld bij een wetskrachtige norm die voldoet aan de vereisten inzake toegankelijkheid en voorzienbaarheid. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat de wetgever niet heeft verduidelijkt wat er gebeurt wanneer de federale overheid de wedde van de bedienaars van de erediensten van de betrokken lokale geloofsgemeenschap niet ten laste neemt, volstaat de vaststelling dat de bestreden bepalingen uitsluitend bepalen dat de lokale geloofsgemeenschap en het bestuur van de eredienst « zich ertoe [verbinden] om de wedde van [hun] bedienaars van de eredienst ten laste te laten nemen door de federale overheid ». Zoals ook de Vlaamse Regering benadrukt, voorzien die bepalingen niet in een verbod voor de bedienaars van de eredienst om rechtstreeks of onrechtstreeks andere financiering te ontvangen. Indien de wedde van de bedienaars van de eredienst niet ten laste wordt genomen door de federale overheid, en dit ondanks het feit dat het bestuur van de eredienst daartoe alle redelijke inspanningen heeft geleverd, staat het laatstgenoemde dan ook vrij een beroep te doen op andere financiering om de bedienaar van de eredienst te bezoldigen. B.19.2. Gelet op het feit dat de bestreden bepalingen niet voorzien in een verbod voor de bedienaars van de eredienst om, desgevallend naast de wedde die zij van de federale Staat ontvangen, rechtstreeks of onrechtstreeks andere financiering te ontvangen en, zoals is vermeld in B.5.2, die bepalingen enkel in die zin kunnen worden begrepen dat zij een inspanningsverbintenis en geen resultaatsverbintenis ten aanzien van de lokale geloofsgemeenschap en het bestuur van de eredienst creëren, zijn de bestreden bepalingen niet onevenredig in het licht van de nagestreefde doelstelling. B.20. Het eerste onderdeel van het enige middel is niet gegrond in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 181, § 1, van de Grondwet. 26 Wat betreft het tweede onderdeel van het enige middel B.21. Het tweede onderdeel van het enige middel is gericht tegen de nieuwe artikelen 7, 3°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 3 en 13 van het decreet van 26 april 2024, die als erkenningsvoorwaarde voor de lokale geloofsgemeenschap respectievelijk als verplichting voor het bestuur van de eredienst bepalen dat zij noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks financiering of ondersteuning ontvangen die afbreuk doet aan de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen van het toekomstige bestuur. De verzoekende partijen voeren aan dat die bepalingen de vrijheid van godsdienst en eredienst schenden. B.22.1. Vóór de vernietiging ervan bij het arrest van het Hof nr. 113/2023, bepaalden de artikelen 7, 3°, eerste zin, en 17, § 1, eerste zin, van het decreet van 22 oktober 2021 als erkenningsvoorwaarde voor de lokale geloofsgemeenschap respectievelijk als verplichting voor het bestuur van de eredienst dat zij noch rechtstreeks, noch onrechtstreeks buitenlandse financiering of ondersteuning ontvangen als die financiering of ondersteuning afbreuk doet aan hun onafhankelijkheid. De parlementaire voorbereiding van het decreet van 22 oktober 2021 verduidelijkt dat het begrip « afbreuk doet aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap » betrekking heeft op « buitenlandse financiering of ondersteuning die een dergelijke weerslag heeft op de erkenningszoekende lokale geloofsgemeenschap of het bestuur van de eredienst dat deze niet op onafhankelijke wijze kan beslissen over de eigen organisatie, werking of beheer van de goederen of van de inkomsten » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2020-2021, nr. 854/1, pp. 18-19) en bevat « aanwijzingen van buitenlandse financiering of ondersteuning waaruit kan blijken dat er mogelijks buitenlandse invloed wordt uitgeoefend of ingekocht binnen een (erkende) lokale geloofsgemeenschap waardoor een afbreuk wordt gedaan aan haar onafhankelijkheid » (ibid., p. 51). Het Hof heeft geoordeeld : « B.21. [...] 27 Noch die precisering, noch de ‘ aanwijzingen van buitenlandse financiering of ondersteuning ’ (ibid., p. 51), die overigens niet uit de bestreden bepalingen zelf blijken, laten toe op voldoende voorzienbare wijze te bepalen welke buitenlandse financiering of ondersteuning is toegestaan. B.22. Er is op geen enkele wijze aangetoond dat de beperking van de buitenlandse financiering of ondersteuning van geloofsgemeenschappen, met inbegrip van het vereiste dat de bedienaars van de eredienst en hun vervangers niet rechtstreeks of onrechtstreeks worden bezoldigd door een buitenlandse overheid, in een redelijk verband van evenredigheid staat tot de vrijwaring van de democratische rechtsstaat die ermee wordt nagestreefd. Dat maatschappijmodel wordt gekenmerkt door een geheel van rechtsregels, zowel van burgerrechtelijke als van strafrechtelijke aard, waaraan ook de geloofsgemeenschappen en hun leden zijn onderworpen en die in geval van niet-naleving voor de rechter kunnen worden afgedwongen. De bijkomende voorwaarde dat buitenlandse financiering of ondersteuning geen afbreuk mag doen aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap is een onevenredige inmenging in de vrijheid van eredienst ». B.22.2. Los van de vraag of de gewijzigde artikelen 7, 3°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021 voldoen aan de vereiste van voorzienbaarheid in zoverre de precisering van het begrip « afbreuk aan de onafhankelijkheid van de lokale geloofsgemeenschap » en de aanwijzingen van financiering of ondersteuning thans in het decreet zelf zijn opgenomen en wordt vermeld dat de onafhankelijkheid in het gedrang kan komen « door onder meer, maar niet uitsluitend, de samenloop van twee of meer » van die aanwijzingen, ziet het Hof geen redenen om inzake de vereiste van evenredigheid anders te oordelen ten aanzien van die gewijzigde bepalingen. Het feit dat de nieuwe bepalingen volgens de decreetgever « niet de vrijwaring van de democratische rechtsstaat beogen, maar meer specifiek de vrijwaring van de onafhankelijke uitoefening van de decretale opdrachten en verplichtingen die rusten op het (toekomstige) bestuur van de eredienst, dat als Vlaamse openbare instelling deel uitmaakt van de Vlaamse publiekrechtelijke organisatie » (Parl. St., Vlaams Parlement, 2023-2024, nr. 1974/1, p. 4) leidt niet tot een ander resultaat, daar het laatstgenoemde doel in wezen een concretisering vormt van de vrijwaring van de democratische rechtsstaat. B.23. De artikelen 7, 3°, en 17, § 1, van het decreet van 22 oktober 2021, zoals ingevoegd bij de bestreden artikelen 3 en 13 van het decreet van 26 april 2024, schenden bijgevolg de artikelen 19 en 21 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 9 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 18 van het Internationaal Verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten. Het tweede onderdeel van het enige middel is gegrond. De bestreden artikelen 3 en 13 van het decreet van 26 april 2024 moeten worden vernietigd. 28 Om die redenen, het Hof - vernietigt de artikelen 3 en 13 van het decreet van het Vlaamse Gewest van 26 april 2024 « tot wijziging van het Erkenningsdecreet Lokale Geloofsgemeenschappen van 22 oktober 2021 »; - verwerpt het beroep voor het overige. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 25 september 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.124 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2023:ARR.113 ECLI:CE:ECHR:2000:1026JUD003098596 ECLI:CE:ECHR:2016:0426JUD006264910 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot