ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.121
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-09-18
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
fiscaal_recht
Geciteerde wetgeving
20 juli 2001, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Grondwet
Samenvatting
de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 23bis en 36ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.121
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 18 september 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.121
Arrest- Rolnummer:
121/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-09-29
Raadplegingen:
102 - laatst gezien 2025-12-15 14:32
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Schending (artikel 23bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen
gelijkgestelde belastingen, in zoverre het niet geldt voor de personen
die overgaan tot de inschrijving van een voertuig in het repertorium in
de loop van een aanslagjaar dat geheel of gedeeltelijk identiek is aan
het aanslagjaar tijdens hetwelk zij ambtshalve aan de verkeersbelasting
voor datzelfde voertuig werden onderworpen)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 23bis en 36ter van het
Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen,
zoals van toepassing in het Waalse Gewest, gesteld door de Rechtbank van
eerste aanleg te Namen, afdeling Namen. Fiscaal recht - Waals Gewest -
Verkeersbelasting op de autovoertuigen - In het buitenland ingeschreven
voertuig - Inschrijving in België - Teruggave van de belasting
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 121/2025
van 18 september 2025
Rolnummer : 8344
In zake : de prejudiciële vraag betreffende de artikelen 23bis en 36ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, zoals van toepassing in het Waalse Gewest, gesteld door de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, voorzitter Luc Lavrysen, en de rechters Yasmine Kherbache, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van rechter Thierry Giet,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 1 oktober 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 8 oktober 2024, heeft de Rechtbank van eerste aanleg te Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden de artikelen 23bis en 36ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, door de persoon die ambtshalve werd onderworpen aan de verkeersbelasting voor een niet-opsplitsbare periode van twaalf maanden wegens het feit dat uit een controle bleek dat hij een in het buitenland ingeschreven voertuig in het verkeer heeft gebracht op de openbare weg zonder een uitzondering te kunnen genieten op de verplichting om het voertuig in België in te schrijven (Waals Gewest), waarin artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001
betreffende de inschrijving van voertuigen voorziet, en die, tijdens de niet-opsplitsbare belastbare periode van twaalf maanden, hetzelfde voertuig op zijn naam zou hebben ingeschreven en van wie voor de tweede keer dezelfde belastingen zouden worden gevorderd voor geheel of gedeeltelijk dezelfde periode, terwijl hij reeds werd bestraft met een boete op grond van artikel 63, § 1, van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake Waalse gewestelijke belastingen en artikel 22bis van het
2
besluit van de Waalse Regering van 16 november 2000 tot uitvoering van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake Waalse gewestelijke belastingen, uit te sluiten van het voordeel van die artikelen 23bis en 36ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, die erin voorzien dat de verkeersbelasting verschuldigd is voor het aantal maanden begrepen tussen de eerste dag van de maand tijdens welke het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar op de openbare weg in gebruik werd genomen en 31 december van hetzelfde jaar, en dat, wanneer een voertuig in de loop van een aanslagjaar wordt afgevoerd van het repertorium of vrijstelling komt te genieten, de betaalde belasting wordt teruggegeven naar verhouding van de niet verstreken maanden, terwijl de persoon die een voertuig op zijn naam heeft ingeschreven bij de DIV vrij is om op elk ogenblik te doen overgaan tot de schrapping van de inschrijving en om de terugbetaling van 1 tot 11/12den van de verkeersbelasting die hij verschuldigd is, te genieten ? ».
De Waalse Regering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Vincent Delcuve, advocaat bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend.
Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Waalse Regering binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Tijdens een op 23 april 2021 uitgevoerde controle stellen de ambtenaren van de Waalse Overheidsdienst Fiscaliteit vast dat Vincenzo L’Erario, eiser voor het verwijzende rechtscollege, de bestuurder is van een in Frankrijk ingeschreven voertuig en dat hij geen van de in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001
« betreffende de inschrijving van voertuigen » bedoelde uitzonderingen kan doen gelden.
Na die controle wordt van Vincenzo L’Erario, voor het belastbare tijdperk van 1 april 2021 tot 31 maart 2022, de betaling gevorderd van meerdere belastingen op het verkeer (de belasting op de inverkeerstelling, de verkeersbelasting, de gemeentelijke opdeciemen, een boete en een ecomalus), voor een totaalbedrag van 3 015,28 euro. Die belastingen worden ingekohierd op 7 juni 2021.
Nadat Vincenzo L’Erario het betrokken voertuig heeft overgenomen, schrijft hij dat voertuig op zijn naam in op 22 september 2021. Hij wordt daarbij verzocht een bedrag van 1 781,39 euro te betalen voor het belastbare tijdperk van 1 september 2021 tot 31 augustus 2022.
Vincenzo L’Erario betwist de belastingen op het verkeer die van hem worden gevorderd naar aanleiding van de controle van 23 april 2021 bij de Directie Bestuursrechtspraak van de Waalse Overheidsdienst, die zijn bezwaarschrift verwerpt bij een beslissing van 10 januari 2022. Vincenzo L’Erario betwist vervolgens die beslissing voor het verwijzende rechtscollege. Hij voert aan dat hij het voorwerp uitmaakt van een dubbele aanslag voor de periode van 1 september 2021 tot 31 maart 2022, aangezien de op 7 juni 2021 ingekohierde belastingen op het verkeer, uitgezonderd de boete, 1 765,28 euro bedragen. Hij vordert de ontheffing (1) van een bedrag van
3
61,50 euro voor de belasting op de inverkeerstelling, aangezien die eenmalige belasting reeds werd betaald na de aankoop van het voertuig, (2) van een bedrag van 600 euro voor de ecomalus, om dezelfde reden, en (3) van een bedrag van 585,34 euro voor de verkeersbelasting en de opdeciemen, daar hij van mening is dat hij die belastingen slechts verschuldigd is voor de periode van 1 april 2021 tot 1 september 2021.
Het verwijzende rechtscollege oordeelt dat de betwisting van de belasting op de inverkeerstelling en de ecomalus die voor de periode van 1 september 2021 tot 31 augustus 2022 worden gevorderd, niet op regelmatige wijze aanhangig is gemaakt, omdat Vincenzo L’Erario heeft nagelaten daartegen een administratief beroep in te stellen.
Wat de verkeersbelasting en de opdeciemen betreft, stelt het verwijzende rechtscollege vast dat de belastingschuldige, die ambtshalve werd onderworpen aan die belastingen omdat hij een in het buitenland ingeschreven voertuig in het verkeer heeft gebracht zonder een uitzondering te kunnen genieten op de verplichting om het voertuig in België in te schrijven, en die dat voertuig vervolgens op zijn naam inschrijft binnen de periode van twaalf maanden na de ambtshalve onderwerping, zich in een minder gunstige situatie bevindt dan de belastingschuldige die van voertuig verandert of die beslist afstand te doen van een voertuig. De verkeersbelasting die werd betaald voor het voertuig waarvan de nummerplaat werd geschrapt, wordt immers enkel aan die laatste teruggegeven naar verhouding van de niet verstreken maanden of wordt aangerekend op de voor een ander voertuig verschuldigde belasting, overeenkomstig artikel 23bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen. Het verwijzende rechtscollege vraagt zich af of het feit dat de belastingschuldige die ambtshalve aan de belasting wordt onderworpen, van het voordeel van die bepaling wordt uitgesloten, geen onevenredige gevolgen met zich meebrengt. Het merkt op dat die uitsluiting de gebruiker van het voertuig ontmoedigt om zijn situatie te regulariseren, in zoverre zij tot gevolg heeft dat dezelfde belastingen hem tweemaal ten laste worden gelegd voor een gedeeltelijk identiek belastbaar tijdperk. Het vraagt zich bovendien af of die uitsluiting aan de verkeersbelasting niet hetzelfde gevolg toekent als de boete die wordt opgelegd overeenkomstig artikel 63, § 1, van het decreet van het Waalse gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen » en artikel 22bis van het besluit van de Waalse Regering van 16 november 2000 « tot uitvoering van het decreet van 6 mei 1999 betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake Waalse gewestelijke belastingen ». Daarop stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag.
III. In rechte
–A–
De Waalse Regering doet gelden dat de prejudiciële vraag geen antwoord behoeft in zoverre zij betrekking heeft op artikel 36ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, aangezien die bepaling van toepassing is op niet-geautomatiseerde voertuigen en dat het voertuig dat in het geding is in het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil, een geautomatiseerd voertuig is.
De Waalse Regering voert in hoofdorde aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. Enerzijds is de persoon die ambtshalve wordt onderworpen aan de verkeersbelasting voor een niet-opsplitsbare periode van twaalf maanden wegens het feit dat hij op de openbare weg reed met een in het buitenland ingeschreven voertuig zonder een beroep te kunnen op een van de in de wetgeving bedoelde uitzonderingen, een persoon die een voertuig vrijwillig in België moest inschrijven, maar dat niet heeft gedaan.
Anderzijds is de persoon die een voertuig op zijn naam heeft ingeschreven bij de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen (hierna : de DIV) een persoon die vrijwillig de procedure naleeft die de autoriteiten hebben ingevoerd voor het beheer van de aanzienlijke hoeveelheid in te schrijven voertuigen en de eruit voortvloeiende gevolgen inzake belastbaarheid.
De Waalse Regering is in ondergeschikte orde van mening dat het verschil in behandeling op een objectief criterium berust en redelijk verantwoord is. De doelstelling van de maatregel bestaat erin de inning van de belasting en de eventuele teruggave ervan te vereenvoudigen, zowel voor de administratie als voor de belastingplichtige.
Die vereenvoudiging kan enkel geschieden via een geautomatiseerd systeem dat wordt gecentraliseerd op het niveau van de DIV, die als enige gemachtigd is om voertuigen in te schrijven of te schrappen. Die automatisering is noodzakelijk gelet op de aanzienlijke hoeveelheid te behandelen voertuigen. De mogelijkheid om de teruggave
4
van de belasting te verkrijgen wanneer een voertuig in dat geautomatiseerde systeem wordt opgenomen, hangt af van factoren die gemakkelijk in dat systeem kunnen worden geïntegreerd (schrapping van de nummerplaat of aankoop van een nieuw voertuig en datum van de schrapping of van de aankoop van het nieuwe voertuig). De situatie van een voertuig dat in het buitenland is ingeschreven en dat in België zou moeten worden ingeschreven, is problematischer. Aangezien niet tot de inschrijving is overgegaan door de fout, de nalatigheid of de onwetendheid van de persoon die daartoe is gehouden, is geen vereenvoudiging mogelijk, daar de betrokken voertuigen « buiten het systeem » moeten worden behandeld, zonder dat zij evenwel voldoen aan de voorwaarden waarin is voorzien voor de niet-geautomatiseerde voertuigen, die een specifieke administratieve behandeling vereisen. Het zou ingaan tegen de door het geautomatiseerde systeem toegelaten vereenvoudiging om het voordeel van artikel 23bis toe te passen op de voor het verwijzende rechtscollege in het geding zijnde situatie. De in het geding zijnde situatie is heel zeldzaam, heeft een beperkte impact aangezien de belasting jaarlijks is en de op het spel staande bedragen niet overdreven hoog zijn, en raakt niet aan de kern of aan de essentie zelf van de grondrechten. Het in het geding zijnde verschil in behandeling heeft geen onevenredige gevolgen voor de persoon die ambtshalve aan de verkeersbelasting wordt onderworpen.
–B–
B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de gevallen waarin de verkeersbelasting gedeeltelijk kan worden teruggegeven aan de belastingschuldige.
B.1.2. Artikel 23bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, in de versie ervan die van toepassing is in het Waalse Gewest, bepaalt :
« Wanneer een voertuig in de loop van een aanslagjaar wordt afgevoerd van het repertorium of vrijstelling komt te genieten, wordt de betaalde belasting teruggegeven naar verhouding van de niet verstreken maanden of, in dezelfde mate, aangerekend op de belasting die door de belastingschuldige voor een ander voertuig is verschuldigd ».
Die bepaling maakt deel uit van titel II (« Verkeersbelasting op de autovoertuigen »), hoofdstuk VIII (« Ontstaan van de belastingschuld »), van het voormelde Wetboek.
B.1.3. Artikel 36ter, §§ 1 en 5, van hetzelfde Wetboek bepaalt :
« § 1. De belasting is verschuldigd voor het aantal maanden begrepen tussen de eerste dag van de maand tijdens dewelke het voertuig in de loop van een burgerlijk jaar in gebruik werd genomen op de openbare weg en 31 december van hetzelfde jaar.
Het verschuldigde bedrag is gelijk aan een twaalfde van de jaarlijkse belasting, vermenigvuldigd met het aantal maanden bepaald in het eerste lid.
[…]
5
§ 5. Als de beëindiging van het gebruik binnen een maand bij de bovengenoemde ambtenaar of dienst wordt gemeld, wordt de belasting die voor het overige van het jaar was betaald terugbetaald ten belope van het bedrag van de niet verstreken maanden.
Indien de beëindiging van het gebruik betrekking heeft op een aanhangwagen als bedoeld in paragraaf 4, wordt de belasting teruggegeven tegen inlevering van het fiscale kenteken ».
Die bepaling maakt deel uit van titel II (« Verkeersbelasting op de autovoertuigen »), hoofdstuk Xbis (« Bijzondere bepalingen »), van het voormelde Wetboek.
B.2. Het Hof wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van de artikelen 23bis en 36ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen met de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), in zoverre zij niet gelden voor de personen die overgaan tot de inschrijving van een voertuig in het repertorium in de loop van een aanslagjaar dat geheel of gedeeltelijk identiek is aan het aanslagjaar tijdens hetwelk zij ambtshalve aan de verkeersbelasting voor datzelfde voertuig werden onderworpen.
Uit de formulering van de prejudiciële vraag en de feiten die aan de verwijzingsbeslissing ten grondslag liggen, blijkt dat aan het Hof een vraag wordt gesteld over personen die ambtshalve werden onderworpen aan de verkeersbelasting voor een niet-opsplitsbare periode van twaalf maanden wegens het gebruik van een in het buitenland ingeschreven voertuig zonder een uitzondering te kunnen genieten op de verplichting om een voertuig in België in te schrijven overeenkomstig artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 « betreffende de inschrijving van voertuigen » (hierna : het koninklijk besluit van 20 juli 2001). Wanneer zij vervolgens, tijdens dezelfde niet-opsplitsbare periode van twaalf maanden, hetzelfde voertuig inschrijven, wordt van hen voor de tweede keer de verkeersbelasting gevorderd voor geheel of gedeeltelijk dezelfde periode en worden zij bestraft met een boete krachtens artikel 63, § 1, van het decreet van het Waalse Gewest van 6 mei 1999 « betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake de Waalse gewestelijke belastingen » en artikel 22bis van het besluit van de Waalse Regering van 16 november 2000 « tot uitvoering van het decreet van 6 mei 1999
betreffende de vestiging, de invordering en de geschillen inzake Waalse gewestelijke belastingen ».
Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie.
6
B.3.1. Volgens artikel 3, § 1, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 dienen de personen die in België verblijven de voertuigen die zij in het verkeer wensen te brengen in te schrijven in het repertorium van de voertuigen bedoeld in artikel 6 van dat koninklijk besluit, in beginsel zelfs als die voertuigen reeds in het buitenland zijn ingeschreven.
B.3.2. De inschrijving van een voertuig in het repertorium van de voertuigen brengt de onderwerping aan de verkeersbelasting op de autovoertuigen met zich mee (artikelen 3, 4 en 21
van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen).
B.3.3. Artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 voorziet in uitzonderingen op de in artikel 3, § 1, van hetzelfde Wetboek vervatte regel betreffende de verplichte inschrijving van voertuigen in het repertorium.
B.3.4. Wanneer is voldaan aan de in artikel 3, § 2, van het koninklijk besluit van 20 juli 2001 vermelde voorwaarden kan een persoon in België gebruikmaken van een voertuig dat niet is ingeschreven in het repertorium van de voertuigen. De vrijstelling van de verplichting tot inschrijving van een voertuig in dat repertorium brengt met zich mee dat de betrokken personen niet worden onderworpen aan de verkeersbelasting op de autovoertuigen.
B.4. Zoals de Waalse Regering opmerkt, is artikel 36ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen van toepassing op niet-geautomatiseerde voertuigen (artikel 36bis, tweede lid, van hetzelfde Wetboek).
Het voor het verwijzende rechtscollege hangende geschil heeft betrekking op de verkeersbelasting die voor een geautomatiseerd voertuig verschuldigd is.
De prejudiciële vraag, in zoverre zij betrekking heeft op artikel 36ter van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, behoeft bijgevolg geen antwoord.
Het Hof beperkt zijn onderzoek tot artikel 23bis van dat Wetboek.
B.5. Artikel 23bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen voorziet erin dat de betaalde verkeersbelasting wordt teruggegeven « wanneer een
7
voertuig in de loop van een aanslagjaar wordt afgevoerd van het repertorium of vrijstelling komt te genieten ». Die teruggave geschiedt naar verhouding van de niet verstreken maanden of wordt, in dezelfde mate, aangerekend op de belasting die door de belastingschuldige voor een ander voertuig verschuldigd is.
Daaruit volgt dat een teruggave van de voor een bepaald aanslagjaar reeds betaalde verkeersbelasting geschiedt, enerzijds, wanneer het betrokken voertuig wordt afgevoerd van het repertorium tijdens dat aanslagjaar en, anderzijds, wanneer het tijdens datzelfde aanslagjaar een vrijstelling van de belasting geniet.
B.6. Het verwijzende rechtscollege verzoekt het Hof om de in B.2 beoogde categorie van personen te vergelijken met de personen die een voertuig op hun naam inschrijven in het repertorium van de voertuigen en die « vrij [zijn] om op elk ogenblik te doen overgaan tot de schrapping van de inschrijving ». Die laatste personen genieten krachtens artikel 23bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen de teruggave van de verkeersbelasting die verschuldigd is voor het aanslagjaar tijdens hetwelk zij overgaan tot de schrapping van de inschrijving. Die teruggave geschiedt naar verhouding van de niet verstreken maanden of door een aanrekening op de belasting die voor een ander voertuig verschuldigd is.
De in B.2 beoogde personen genieten geen enkele teruggave van de belasting die verschuldigd is voor het aanslagjaar tijdens hetwelk zij het voertuig in het repertorium laten inschrijven, ook al zijn zij voor dat aanslagjaar reeds onderworpen aan de verkeersbelasting en aan een boete omdat zij een in het buitenland ingeschreven voertuig gebruikten zonder een van de uitzonderingen op de verplichting om een voertuig in België in te schrijven, te kunnen genieten.
B.7. In tegenstelling tot wat de Waalse Regering aanvoert, bevinden die categorieën van personen zich in vergelijkbare situaties wat betreft het al dan niet verkrijgen van het voordeel van een teruggave van de verkeersbelasting die zij verschuldigd zijn.
B.8.1. Artikel 21 van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen bepaalt dat de verkeersbelasting verschuldigd is door de natuurlijke of rechtspersoon die op het inschrijvingsbewijs « vermeld is of het moet zijn » zolang een voertuig op naam van die persoon « is of moet zijn ingeschreven » in het repertorium van de Directie voor de Inschrijving van de Voertuigen. Artikel 22 van hetzelfde Wetboek bepaalt dat de verkeersbelasting verschuldigd is per opeenvolgende tijdperken van twaalf achtereenvolgende
8
maanden, waarvan het eerste ingaat de eerste dag van de maand waarin het voertuig in bedoeld repertorium « is of moet worden ingeschreven ».
B.8.2. Artikel 23bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen voorziet in een teruggave van de reeds betaalde verkeersbelasting, naar verhouding van de niet verstreken maanden of door een aanrekening op de belasting die voor een ander voertuig verschuldigd is, en beoogt te voorkomen dat de belastingschuldige tweemaal onderworpen wordt aan dezelfde verkeersbelasting.
B.8.3. Zoals is vermeld in B.6, doet de in het geding zijnde regeling een verschil in behandeling ontstaan naargelang de belastingschuldigen hun voertuig in het repertorium hebben ingeschreven of zij ambtshalve aan de belasting worden onderworpen omdat zij niet tot die inschrijving zijn overgegaan terwijl ze dat hadden moeten doen.
Dat verschil berust op een objectief criterium en is ingegeven door de bezorgdheid van de Waalse decreetgever om de eventuele teruggave van de verkeersbelasting te vereenvoudigen, zowel voor de administratie als voor de belastingschuldige, door middel van een geautomatiseerd en gecentraliseerd systeem.
B.8.4. Hoewel de decreetgever in fiscale zaken de verscheidenheid aan situaties kan opvangen in categorieën die, noodzakelijkerwijze, slechts bij benadering met de werkelijkheid overeenstemmen, moeten het belastingtarief en de modaliteiten ervan op gelijke wijze worden toegepast ten aanzien van eenieder die zich ten opzichte van de maatregel en het nagestreefde doel in een soortgelijke positie bevindt.
B.8.5. Een dergelijke benadering van de werkelijkheid mag niet ertoe leiden dat personen die tweemaal onderworpen worden aan dezelfde verkeersbelasting en zich dus ten opzichte van de maatregel en het nagestreefde doel in een soortgelijke positie bevinden, van de teruggave van de reeds betaalde belasting worden uitgesloten louter omdat dit de automatische toekenning van die teruggave zou bemoeilijken. De bezorgdheid om de administratieve last van de overheid en de belastingplichtigen te verminderen door middel van automatisering, mag niet tot gevolg hebben dat een vergelijkbare categorie van belastingplichtigen dat systeem niet kan genieten.
Overigens blijkt geenszins dat hierdoor de huidige automatisering uitgehold zou worden.
9
B.9. De bezorgdheid van de Waalse decreetgever om de eventuele teruggave van de verkeersbelasting te vereenvoudigen, zowel voor de administratie als voor de belastingschuldige, via een geautomatiseerd en gecentraliseerd systeem, verantwoordt dan ook niet dat het voordeel van de teruggave onder geen enkele voorwaarde ten goede kan komen aan de in B.2 beoogde categorie van personen. Een dergelijk criterium van onderscheid is niet pertinent in het licht van de nagestreefde doelstelling om de belastingschuldigen niet tweemaal te onderwerpen aan dezelfde verkeersbelasting.
B.10. Artikel 23bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen, in zoverre het niet geldt voor de personen die overgaan tot de inschrijving van een voertuig in het repertorium in de loop van een aanslagjaar dat geheel of gedeeltelijk identiek is aan het aanslagjaar tijdens hetwelk zij ambtshalve aan de verkeersbelasting voor datzelfde voertuig werden onderworpen, is niet bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet.
De toetsing van de in het geding zijnde bepaling aan artikel 16 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol, leidt niet tot een andere conclusie.
10
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 23bis van het Wetboek van de met de inkomstenbelastingen gelijkgestelde belastingen schendt de artikelen 10, 11, 16 en 172 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, in zoverre het niet geldt voor de personen die overgaan tot de inschrijving van een voertuig in het repertorium in de loop van een aanslagjaar dat geheel of gedeeltelijk identiek is aan het aanslagjaar tijdens hetwelk zij ambtshalve aan de verkeersbelasting voor datzelfde voertuig werden onderworpen.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 september 2025.
De griffier, De wnd. voorzitter,
Nicolas Dupont Thierry Giet
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.121
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==