Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.118

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-09-18 🌐 FR Arrest verworpen

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

11 december 1998, 11 december 1998, 11 juli 1978, 16 juni 2024, 17 december 1990

Samenvatting

het beroep tot vernietiging van de artikelen 5, 3° en 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen », ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel en anderen.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.118 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 18 september 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.118 Arrest- Rolnummer: 118/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-09-29 Raadplegingen: 107 - laatst gezien 2025-12-15 14:31 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van de artikelen 5, 3° en 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen », ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel en anderen. Veiligheid van de Staat - Veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen - Negatief veiligheidsadvies - Beroepsorgaan - Beroepstermijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 118/2025 van 18 september 2025 Rolnummer : 8302 In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 5, 3° en 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen », ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel en anderen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit voorzitter Luc Lavrysen, rechter Thierry Giet, waarnemend voorzitter, en de rechters Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Emmanuelle Bribosia en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Luc Lavrysen, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 19 augustus 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 20 augustus 2024, is beroep tot vernietiging van de artikelen 5, 3° en 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 16 juli 2024) ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel, Yves Huwart, Vincent Bordignon, Wilfrid Decru, Wesley Claeys en Carine Flamend, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel en mr. Sietse Wils, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 18 juni 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Yasmine Kherbache en Michel Pâques te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van 2 wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid Wat het belang van de verzoekende partijen betreft A.1.1. De eerste verzoekende partij, de Algemene Centrale van het Militair Personeel, doet gelden dat zij bij koninklijk besluit van 17 december 1990 is erkend als vakorganisatie voor de toepassing van de wet van 11 juli 1978 « tot regeling van de betrekkingen tussen de overheid en de vakorganisaties van het militair personeel ». Zij voert aan dat zij beschikt over een functioneel belang bij de vernietiging van de artikelen 5, 3° en 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 16 juni 2024), in zoverre die wet werd aangenomen zonder naleving van de vereiste van de voorafgaande onderhandeling met de representatieve vakorganisaties. Zij doet gelden dat het recht op een daadwerkelijk rechtsmiddel zou worden geschonden indien haar de toegang tot het Hof zou worden ontzegd. Zij verzoekt het Hof om over de problematiek een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. A.1.2. De tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij treden op in hun hoedanigheid van burger en militair. Zij voeren aan dat zij benadeeld worden als adressaten van de bestreden bepalingen met betrekking tot het veiligheidsadvies. Wat in het bijzonder artikel 5, 4°, van de wet van 16 juni 2024 betreft, voeren zij aan dat die bepaling op retroactieve wijze geheel van toepassing zal zijn op de personeelsleden van Defensie na de gebeurlijke vernietiging van artikel 48 van de wet van 7 april 2023 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998, betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 7 april 2023) die wordt gevorderd in de zaak nr. 8118. A.1.3. De zesde verzoekende partij voert aan dat zij in haar hoedanigheid van advocaat belang heeft bij de vernietiging van de bestreden bepalingen. Zij verwijst naar het arrest van het Hof nr. 171/2011 van 10 november 2011 ( ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.171 ), waarin het Hof bevestigt dat de advocaten belang hebben bij de vernietiging van bepalingen die afbreuk doen aan de uitoefening van het beroep, inzonderheid door hun taak te bemoeilijken in zoverre zij een termijn van acht dagen voor het instellen van een beroep opleggen. Daar zij optreedt als advocaat van elke belanghebbende, en niet enkel van militairen, heeft zij belang bij de vernietiging van alle bestreden bepalingen, met inbegrip van de bepalingen die niet op militairen van toepassing zijn. A.2.1. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen niet beschikken over het rechtens vereiste belang bij de vernietiging van de artikelen 5, 3° en 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024. Wat de eerste verzoekende partij betreft, voert de Ministerraad aan dat de bestreden bepalingen, in het algemeen, geen afbreuk doen aan de wettelijke voorwaarden volgens welke zij, als vakorganisatie van de militairen, bij de uitvoering en de totstandkoming van de wet van 16 juni 2024 wordt betrokken. De bestreden bepalingen hebben niet tot gevolg dat aan de prerogatieven van de verzoekende partij wordt geraakt. Daarenboven 3 zijn de artikelen 4, § 4, en 11 van de wet van 11 december 1998 « tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen en veiligheidsadviezen » (hierna : wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan), die worden gewijzigd bij de bestreden artikelen 5, 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024, niet van toepassing op de personeelsleden van het ministerie van Defensie en dus niet op militairen. Bijgevolg zijn die bepalingen evenmin van toepassing op de leden van de verzoekende partij. Wat de tweede tot de vijfde verzoekende partij betreft, die optreden in hun hoedanigheid van militair werkzaam bij het ministerie van Defensie, voert de Ministerraad aan dat zij niet aantonen op welke wijze de bestreden bepalingen hen rechtstreeks en ongunstig in hun rechtssituatie zouden raken. Voorts herhaalt de Ministerraad dat de artikelen 4, § 4, en 11 van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, die worden gewijzigd bij de bestreden artikelen 5, 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024, niet op militairen en dus niet op de tweede tot de vijfde verzoekende partij van toepassing zijn. Bijgevolg kunnen zij geen nadeel van die bepalingen ondervinden. Wat tot slot de zesde verzoekende partij betreft, die optreedt in haar hoedanigheid van advocaat, voert de Ministerraad aan dat zij evenmin aantoont op welke wijze de bestreden bepalingen haar rechtstreeks en ongunstig in haar rechtssituatie zouden raken. In het bijzonder in zoverre de zesde verzoekende partij als advocaat van militairen optreedt, heeft zij in elk geval geen belang bij het beroep tot vernietiging van de artikelen 5, 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024, die immers niet op militairen van toepassing zijn. A.2.2. De Ministerraad voert ten slotte aan dat het beroep tot vernietiging enkel ontvankelijk kan zijn in zoverre de bestreden bepalingen op het militair personeel van het ministerie van Defensie betrekking hebben, daar de verzoekende partijen zich enkel door die bepalingen gegriefd achten in zoverre zij op het militair personeel van toepassing zijn. Wat de ontvankelijkheid van de aangevoerde middelen en grieven betreft A.3. De Ministerraad voert aan dat de aangevoerde middelen niet ontvankelijk zijn in zoverre ze zijn afgeleid uit de schending van referentienormen waaromtrent de verzoekende partijen niet uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen die referentienormen zouden schenden. A.4. De verzoekende partijen antwoorden dat de Ministerraad het belang bij het vernietigingsberoep verwart met het belang bij het middel. Zij doen bovendien gelden dat uit de memorie van de Ministerraad blijkt dat hij hun middelen wel degelijk heeft begrepen. Ten aanzien van de middelen Wat het eerste middel betreft A.5. Het eerste middel is afgeleid uit de schending, door de artikelen 4, §§ 3 en 4, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals gewijzigd, respectievelijk ingevoegd bij de bestreden artikelen 5, 3° en 4°, van de wet van 16 juni 2024, van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met het beginsel van rechtszekerheid. A.6.1. In het eerste onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 4, § 4, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 5, 4°, van de wet van 16 juni 2024, afbreuk doet aan het recht op toegang tot de rechter, het recht van verdediging en het rechtszekerheidsbeginsel, in zoverre de rechtzoekende een termijn van slechts acht dagen wordt toegekend om een beroep in te dienen bij het Beroepsorgaan wanneer van het veiligheidsadvies niet tijdig kennis is gegeven. Die beroepstermijn is problematisch omdat de rechtzoekende niet weet op welk tijdstip de termijn van 30 dagen om ter zake een beslissing te nemen overeenkomstig artikel 22sexies/3, § 3, (thans artikel 41) van de wet van 11 december 1998 « betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst » (hierna : de wet van 11 december 1998), een aanvang neemt. De tijdige instelling van het beroep bij het Beroepsorgaan hangt bijgevolg niet af van de handelingen van de betrokken militair, doch wel van het – voor de rechtzoekende ongekende – antwoord op de vraag wanneer precies de bevoegde veiligheidsofficier het individuele verzoek inzake een veiligheidsadvies heeft gericht aan het hoofd van de Algemene Dienst 4 Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht (hierna : de ADIV). Indien het beroep niet tijdig wordt ingesteld, wordt het beroep als niet verricht beschouwd, hetgeen afbreuk doet aan de essentie zelf van het recht op toegang tot het Beroepsorgaan, zijnde een rechtscollege. A.6.2. In het tweede onderdeel van het eerste middel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024 de beroepstermijn van acht dagen uitbreidt naar eenieder die het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies. De doelstelling van de wetgever om dezelfde beroepsprocedure toe te passen als voor veiligheidsmachtigingen en veiligheidsattesten zou niet kunnen verantwoorden dat aan alle personen een korte beroepstermijn van acht dagen wordt opgelegd. Die procedurele beperking gaat des te minder op omdat al die benadeelde personen geen kennis hebben van het misschien behandelde veiligheidsdossier, daar de ADIV zich in stilzwijgen hult, en zij dus niet met kennis van zaken beroepsgrieven kunnen opwerpen bij het Beroepsorgaan. A.6.3. In het derde onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan, door artikel 5, 3° en 4°, van de wet van 16 juni 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het recht op toegang tot de rechter, doordat in een algemene beroepstermijn van acht dagen wordt voorzien voor de betwisting van een negatief veiligheidsadvies, terwijl de algemene beroepstermijn 30 dagen bedraagt voor de betwisting van de weigering van een veiligheidsmachtiging. De scenario’s van het weigeren van respectievelijk een veiligheidsmachtiging en een veiligheidsadvies zijn nochtans vergelijkbaar, hetgeen wordt bevestigd door het feit dat de houder van een veiligheidsmachtiging krachtens artikel 22sexies/2 (thans artikel 40) van de wet van 11 december 1998 is vrijgesteld van een veiligheidsadvies. Voor dat verschil in behandeling tussen de veiligheidsmachtiging en het veiligheidsadvies wordt in de memorie van toelichting geen enkele verantwoording gegeven. De aard van de ernstige statutaire gevolgen van het gekregen negatief veiligheidsadvies verantwoordt niet dat aan de benadeelde persoon een korte beroepstermijn van acht dagen wordt opgelegd. Die procedurele beperking gaat des te minder op omdat al die benadeelde personen geen kennis hebben van het misschien behandelde veiligheidsdossier, daar de ADIV zich in stilzwijgen hult, en zij dus niet met kennis van zaken beroepsgrieven kunnen opwerpen bij het Beroepsorgaan, noch weten wanneer precies de beroepstermijn is aangevangen. A.6.4. In het vierde onderdeel van het eerste middel voeren de verzoekende partijen een schending aan, door artikel 5, 3° en 4°, van de wet van 16 juni 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het recht op toegang tot de rechter, in zoverre die bepalingen niet voorzien in een verlenging van de beroepstermijnen die in de gerechtelijke vakantie beginnen te lopen en verstrijken, terwijl dat wel is bepaald in de gemeenrechtelijke regeling van artikel 50 van het Gerechtelijk Wetboek en in artikel 91, tweede lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 « tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State ». De keuze van de wetgever om bij artikel 41 van de wet van 11 december 1998 het Beroepsorgaan als bevoegd rechtscollege aan te wijzen in plaats van de Raad van State, verantwoordt niet dat afbreuk wordt gedaan aan de algemene waarborg van de termijnverlengingen. A.7. In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen daaraan toe dat de verwijzing naar artikel 27 van de Grondwet een materiële vergissing betreft. Het middel is echter wel ontvankelijk in zoverre de schending wordt aangevoerd van het recht op toegang tot de rechter dat wordt gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet, bij de artikelen 6 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en bij artikel 47 van het Handvest. Voorts betreffen geschillen inzake veiligheidsadviezen de bescherming van het privéleven, zoals gewaarborgd bij artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zodat de schending van die bepalingen op ontvankelijke wijze wordt aangevoerd. A.8. De Ministerraad voert allereerst aan dat het middel, bij gebrek aan uiteenzetting, niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 22, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest en met het beginsel van rechtszekerheid. A.9.1. Wat het eerste onderdeel van het eerste middel betreft, voert de Ministerraad voorts aan dat artikel 5, 4°, van de wet van 16 juni 2024 niet op de personeelsleden van het ministerie van Defensie en dus ook niet op militairen van toepassing is. Het middel mist dan ook elke grondslag in zoverre het tegen artikel 5, 4°, van de wet van 16 juni 2024 is gericht. 5 Vervolgens stelt de Ministerraad dat de in die bepaling neergelegde beroepstermijn van acht dagen niet problematisch is. Een beroepstermijn van acht dagen is weliswaar een relatief korte termijn, maar het Hof heeft reeds erop gewezen dat andere wetgevingen eveneens in korte termijnen voorzien die van het gemeen recht afwijken en dat dit op zich genomen geen ongrondwettigheid uitmaakt. De wetgever kan in een korte beroepstermijn voorzien wanneer die termijn ertoe strekt zo snel mogelijk rechtszekerheid te verzekeren. De beroepstermijn werd op acht dagen bepaald om een evenwicht te vinden tussen de hogere belangen van de Staat en de fundamentele rechten en vrijheden. Gelet op het belang van een veiligheidsadvies maakt de betrokken beroepstermijn van acht dagen het mogelijk om de periode van onzekerheid ten aanzien van het uitblijven van een veiligheidsadvies tot een minimum te beperken, en aldus zowel ten aanzien van de rechtzoekende als ten aanzien van de overheid zo snel mogelijk de rechtszekerheid te verzekeren. Bovendien tonen de verzoekende partijen niet aan dat die beroepstermijn hun zou verhinderen om de beschikbare rechtsmiddelen te doen gelden. Voorts merkt de Ministerraad op dat de termijn van 30 dagen waarbinnen het veiligheidsadvies moet worden verstrekt, krachtens artikel 33, § 1, van de wet van 11 december 1998 begint te lopen vanaf het ogenblik dat de overheid die bevoegd is om het advies te verstrekken, over het volledig ingevulde toestemmingsformulier beschikt. Bijgevolg kan een rechtzoekende wel degelijk op voldoende geïnformeerde wijze het aanvangspunt van de beroepstermijn van acht dagen bepalen, aangezien hij zelf het volledig ingevulde toestemmingsformulier heeft bezorgd aan de overheid die voor het veiligheidsadvies bevoegd is. A.9.2. Wat het tweede onderdeel van het eerste middel betreft, wijst de Ministerraad erop dat artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024, voorzag in een beroepsmogelijkheid bij het Beroepsorgaan voor de persoon die overeenkomstig artikel 22quinquies/1, § 2, tweede lid, en § 5, van de wet van 11 december 1998 het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies. Aangezien bij de wet van 7 april 2023 specifieke regels inzake veiligheidsadviezen voor personeelsleden van het ministerie van Defensie werden ingevoegd in artikel 22sexies/3 van de wet van 11 december 1998, heeft de wetgever de eerdere verwijzing in artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan verruimd naar een algemene verwijzing naar veiligheidsadviezen die met toepassing van de wet van 11 december 1998 worden verstrekt. De in artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan voorziene beroepstermijn van acht dagen is bovendien verantwoord om de redenen die zijn uiteengezet in het antwoord op het eerste onderdeel van het eerste middel. A.9.3. Wat het derde en het vierde onderdeel van het eerste middel betreft, voert de Ministerraad aan dat de aangevoerde kritiek inzake het verschil in behandeling tussen een negatief veiligheidsadvies en een negatieve veiligheidsmachtiging en de ontstentenis van een termijnverlenging voor beroepstermijnen die tijdens de gerechtelijke vakantie aanvangen en aflopen, louter opportuniteitskritiek betreft waarvoor het Hof niet bevoegd is. Voorts is de Ministerraad van oordeel dat de te vergelijken categorieën van beslissingen, te weten de veiligheidsmachtiging en het veiligheidsadvies, niet vergelijkbaar zijn. Er bestaat een verschil tussen veiligheidsmachtigingen en veiligheidsadviezen, zoals blijkt uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 april 2023. Bovendien is een veiligheidsonderzoek, dat aan een veiligheidsmachtiging voorafgaat, uitgebreider dan een veiligheidsverificatie die tot een veiligheidsadvies aanleiding geeft en hebben ze een verschillende finaliteit. Wat tot slot de kritiek inzake het ontbreken van een termijnverlenging tijdens de gerechtelijke vakantie betreft, merkt de Ministerraad op dat het Beroepsorgaan geen gerechtelijke vakantie kent. Er is bijgevolg geen noodzaak om in een termijnverlenging tijdens de gerechtelijke vakantie te voorzien. Wat het tweede middel betreft A.10. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 10 van de wet van 16 juni 2024, van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest. A.11.1. In het eerste onderdeel van het tweede middel voeren de verzoekende partijen aan dat artikel 11, eerste lid, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals vervangen bij het bestreden artikel 10 6 van de wet van 16 juni 2024, verwijst naar artikel 4, § 4, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals gewijzigd bij het eveneens bestreden artikel 5, 4°, van de wet van 16 juni 2024. Gelet op de ongrondwettigheid van de laatstgenoemde bepaling dient artikel 10 van de wet van 16 juni 2024 bij wijze van gevolgtrekking te worden vernietigd. A.11.2. In het tweede onderdeel van het tweede middel bekritiseren de verzoekende partijen het feit dat de mogelijkheid van het Beroepsorgaan om een positief veiligheidsadvies te geven, is beperkt tot, enerzijds, het scenario van « het uitblijven van een veiligheidsadvies van de overheid binnen de termijn bepaald overeenkomstig artikel 33 van de wet van 11 december 1998 » (artikel 11, eerste lid, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan) en, anderzijds, het scenario dat « de overheid, binnen de termijn bepaald door het beroepsorgaan overeenkomstig het eerste lid, geen veiligheidsadvies heeft uitgebracht » (artikel 11, tweede lid, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan). Wanneer de overheid, binnen de termijn bepaald door het Beroepsorgaan overeenkomstig het eerste lid, een negatief veiligheidsadvies heeft uitgebracht, moet het Beroepsorgaan eveneens een positief veiligheidsadvies kunnen toekennen wanneer het meent dat niets zich ertegen verzet. A.12. In hun memorie van antwoord voegen de verzoekende partijen daaraan toe dat het middel, om dezelfde redenen als die welke zijn uiteengezet bij het eerste middel, ontvankelijk is in zoverre daarin de schending wordt aangevoerd van de artikelen 13 en 22 van de Grondwet, van de artikelen 6, 8 en 13 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en van artikel 47 van het Handvest. Voorts zou ook de toepasbaarheid van artikel 23 van de Grondwet in het tweede middel voldoende zijn gestaafd. A.13. De Ministerraad voert allereerst aan dat het tweede middel, bij gebrek aan uiteenzetting, niet ontvankelijk is in zoverre het is afgeleid uit de schending van de artikelen 22, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest. A.14.1. Voorts herhaalt de Ministerraad dat artikel 10 van de wet van 16 juni 2024, net zoals artikel 5, 4°, van die wet, niet op de personeelsleden van het ministerie van Defensie en dus ook niet op militairen van toepassing is. Het tweede middel mist dan ook elke grondslag. A.14.2. Wat in het bijzonder het eerste onderdeel van het tweede middel betreft, verwijst de Ministerraad naar zijn verweer inzake het eerste onderdeel van eerste middel. A.14.3. Wat het tweede onderdeel van het tweede middel betreft, benadrukt de Ministerraad dat de wetgever van de vroegere procedure is afgestapt, enerzijds, omdat ze complex is doordat ze afhankelijk is van het reactievermogen van de administratieve overheid en, anderzijds, omdat ze kan leiden tot een automatisch positief veiligheidsadvies, hetgeen gevaarlijk is vanuit het oogpunt van de nationale veiligheid. Er werd besloten om te voorzien in een recht op beroep teneinde de veiligheid van de fundamentele belangen van de Staat te garanderen en tegelijkertijd het Beroepsorgaan in staat te stellen de redenen voor de termijnoverschrijding te beoordelen alvorens een weloverwogen beslissing te nemen over de te ondernemen actie. -B- Ten aanzien van de bestreden bepalingen B.1. Het beroep tot vernietiging is gericht tegen de artikelen 5, 3° en 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 16 juni 2024), die de artikelen 4 en 11 van de wet 7 van 11 december 1998 « tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan) hebben gewijzigd. B.2.1. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024 bepaalde artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan : « De persoon die met toepassing van artikel 22quinquies/1, § 2, tweede lid, en § 5, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies, kan binnen acht dagen na ontvangst van het advies bij aangetekend schrijven het beroepsorgaan vatten ». Bij het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024 worden de woorden « artikel 22quinquies/1, § 2, tweede lid en § 5 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » vervangen door de woorden « de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst ». Artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan luidt thans : « De persoon die met toepassing van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies, kan binnen acht dagen na ontvangst van het advies bij aangetekend schrijven het beroepsorgaan vatten ». De parlementaire voorbereiding verduidelijkt : « De aangebrachte wijzigingen zijn noodzakelijk met het oog op de uitgevoerde hernummering en het schrappen van de veiligheidsattesten » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3938/001, p. 45). B.2.2. Het bestreden artikel 5, 4°, van de wet van 16 juni 2024 voegt in artikel 4 van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan een vierde paragraaf in, die luidt : « Behoudens in het geval bedoeld in artikel 41, § 5, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, kan de persoon voor wie een veiligheidsadvies vereist is, wanneer van dat 8 advies niet binnen de voorgeschreven termijn werd kennis gegeven, binnen de acht dagen na het verstrijken van die termijn een beroep indienen bij het beroepsorgaan ». Het bestreden artikel 10 van de wet van 16 juni 2024 vervangt artikel 11 van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan als volgt : « Overeenkomstig artikel 4, § 4, wanneer het beroep volgt op het uitblijven van een veiligheidsadvies van de overheid binnen de termijn bepaald overeenkomstig artikel 33 van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst, eist het beroepsorgaan, na de bevoegde overheid voor het afleveren van het veiligheidsadvies gehoord te hebben, dat de veiligheidsverificatie zich voltrekt binnen een termijn die het bepaalt. Wanneer de overheid, binnen de termijn bepaald door het beroepsorgaan overeenkomstig het eerste lid, geen veiligheidsadvies heeft uitgebracht, kan het beroepsorgaan, indien het, na de eiser of zijn advocaat gehoord te hebben, meent dat niets zich ertegen verzet, een positief veiligheidsadvies toekennen ». Die bepalingen voorzien aldus in een beroepsmogelijkheid bij het Beroepsorgaan voor de persoon voor wie een veiligheidsadvies vereist is indien de overheid haar advies niet binnen de voorgeschreven termijn ter kennis heeft gebracht. Dat beroep dient te worden ingesteld binnen acht dagen na het verstrijken van de voorgeschreven termijn. In dat geval eist het Beroepsorgaan, na de overheid die bevoegd is voor het verlenen van het veiligheidsadvies gehoord te hebben, dat de veiligheidsverificatie zich voltrekt binnen een termijn die het bepaalt. Wanneer de overheid binnen de aldus bepaalde termijn geen veiligheidsadvies heeft uitgebracht, kan het Beroepsorgaan, indien het meent dat niets zich ertegen verzet, een positief veiligheidsadvies toekennen. In de parlementaire voorbereiding worden die bepalingen als volgt verantwoord : « Voorheen bestond er een procedure waarbij de administratieve overheid de voor het uitbrengen van veiligheidsadviezen bevoegde autoriteit in gebreke stelde, wat ertoe leidde dat automatisch een positief veiligheidsadvies werd uitgebracht als de nieuwe termijn voor het uitbrengen van het veiligheidsadvies werd overschreden zonder dat een advies werd uitgebracht. Deze procedure is niet alleen complex omdat ze afhankelijk is van het reactievermogen van de administratieve overheid, maar kan ook leiden tot een automatisch positief advies, wat gevaarlijk lijkt vanuit het oogpunt van de nationale veiligheid. Daarom wordt voorgesteld om dezelfde beroepsprocedure toe te passen als voor veiligheidsmachtigingen en veiligheidsattesten, waarbij het aan het beroepsorgaan wordt overgelaten om de zaak op haar eigen niveau te analyseren » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3938/001, p. 45). 9 Ten aanzien van de ontvankelijkheid B.3.1. De Ministerraad betwist het belang van alle verzoekende partijen. B.3.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.3. Wat betreft het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024, dat artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan wijzigt, voert de Ministerraad aan dat de tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij hun belang bij de vernietiging van die bepaling niet hebben aangetoond. B.3.4. De tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij zijn allen als militair werkzaam bij het ministerie van Defensie. Zij kunnen in die hoedanigheid rechtstreeks en ongunstig worden geraakt door het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024, dat de in artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan neergelegde mogelijkheid om binnen acht dagen na ontvangst van een negatief veiligheidsadvies een beroep in te stellen bij het Beroepsorgaan, van toepassing maakt op elke persoon die in het kader van de wet van 11 december 1998 « betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst » (hierna : de wet van 11 december 1998) het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies, met inbegrip van de personeelsleden van het ministerie van Defensie. B.3.5. Daar het belang van de tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij bij de vernietiging van artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024 vaststaat, is het niet nodig om het belang van de eerste en de zesde verzoekende partij te onderzoeken. B.3.6. Wat betreft de bestreden artikelen 5, 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024, die de artikelen 4, § 4, en 11 van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan invoegen, respectievelijk vervangen, stelt de Ministerraad dat die bepalingen niet op de personeelsleden 10 van het ministerie van Defensie van toepassing zijn. Bijgevolg zouden die bepalingen evenmin op de tweede, derde, vierde en vijfde verzoekende partij van toepassing zijn. B.3.7. Aangezien de exceptie van niet-ontvankelijkheid verband houdt met de draagwijdte van de artikelen 4, § 4, en 11 van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals ingevoegd, respectievelijk vervangen bij de bestreden artikelen 5, 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024, valt het onderzoek van die exceptie samen met dat van de grond van de zaak. Het belang van de eerste en de zesde verzoekende partij bij het vorderen van de vernietiging van de artikelen 5, 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024 dient derhalve niet te worden onderzocht. B.4.1. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partijen in hun middelen niet steeds uiteenzetten in welke zin de bestreden bepalingen de in de desbetreffende middelen vermelde referentienormen zouden schenden. Hij is van oordeel dat het beroep slechts ontvankelijk is in zoverre wordt uiteengezet in welke zin de bestreden bepalingen de in de middelen vermelde referentienormen zouden schenden. B.4.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden. B.4.3. Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die referentienormen waarvan in het verzoekschrift wordt uiteengezet in welk opzicht ze zouden zijn geschonden. Ten gronde Wat het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024 betreft B.5. De verzoekende partijen voeren in het eerste middel de schending aan, door artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals gewijzigd bij het 11 bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024, van de artikelen 10, 11, 13, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (hierna : het Handvest) en met het beginsel van rechtszekerheid. De verzoekende partijen bekritiseren het feit dat het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024 de beroepstermijn van acht dagen van toepassing maakt op eenieder die het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies. Voorts voeren zij aan dat de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het recht op toegang tot de rechter worden geschonden, doordat in een beroepstermijn van acht dagen wordt voorzien voor het aanvechten van een negatief veiligheidsadvies, terwijl de beroepstermijn 30 dagen bedraagt voor het aanvechten van de weigering van een veiligheidsmachtiging. B.6. In hun verzoekschrift zetten de verzoekende partijen niet uiteen in welk opzicht de bestreden bepaling de artikelen 22 en 23 van de Grondwet, de artikelen 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, artikel 47 van het Handvest en het beginsel van rechtszekerheid zou schenden. Overeenkomstig met wat is vermeld in B.4.3, is het eerste middel niet ontvankelijk in zoverre het is afgeleid uit de schending van die referentienormen. B.7.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. B.7.2. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt : « Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ». B.7.3. Artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens waarborgt het recht op toegang tot een rechter voor geschillen over burgerlijke rechten en verplichtingen en bij het vaststellen van de gegrondheid van een strafvervolging. Het recht op toegang tot de rechter kan worden onderworpen aan ontvankelijkheidsvoorwaarden. Die voorwaarden mogen echter niet ertoe leiden dat het recht op toegang tot de rechter dermate wordt beperkt dat afbreuk wordt gedaan aan de essentie zelf ervan. Dat zou het geval zijn wanneer de beperkingen geen wettig doel nastreven en indien er 12 geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel. De verenigbaarheid van die beperkingen met het recht op toegang tot de rechter hangt af van de bijzonderheden van de in het geding zijnde procedure en wordt beoordeeld in het licht van het proces in zijn geheel (EHRM, 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L. t. België, ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 , § 36; 17 juli 2018, Ronald Vermeulen t. België, ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 , § 43). De regels mogen de rechtzoekenden echter niet verhinderen de beschikbare rechtsmiddelen aan te wenden. « Het recht op toegang tot een rechter wordt immers aangetast wanneer de reglementering ervan niet langer de doelstellingen van de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient en een soort van hinderpaal vormt die de rechtzoekende verhindert zijn geschil ten gronde door het bevoegde rechtscollege beslecht te zien » (EHRM, 13 januari 2011, Evaggelou t. Griekenland, ECLI:CE:ECHR:2011:0113JUD004407807 , § 19). B.8.1. De beroepstermijn van acht dagen na ontvangst van een negatief veiligheidsadvies die is neergelegd in artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan werd initieel ingevoerd bij artikel 5 van de wet van 3 mei 2005 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 tot oprichting van een beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen » (hierna : de wet van 3 mei 2005). De parlementaire voorbereiding van de wet van 3 mei 2005 vermeldt : « Aangezien de veiligheidsattesten en –adviezen binnen een zeer korte termijn moeten worden afgeleverd, zou het eveneens passend zijn dat men de termijnen binnen welke de beroepen moeten worden ingesteld en beoordeeld zou inkorten » (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1598/004, p. 12). B.8.2. Vóór de wijziging ervan bij het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024 was artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan van toepassing op « de persoon die met toepassing van artikel 22quinquies/1, § 2, tweede lid, en § 5, van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies ». 13 Ingevolge de wijziging van de wet van 11 december 1998 bij de wet van 2 juni 2024 moet, krachtens artikel 25, tweede lid, van de wet van 2 juni 2024, de verwijzing naar artikel 22quinquies/1, § 2, tweede lid, en § 5, van de wet van 11 december 1998 worden vervangen door de verwijzing naar de artikelen 36, § 4, 37 en 38, § 2, van de wet van 11 december 1998. Die bepalingen bevatten de algemene regels inzake het uitbrengen van negatieve veiligheidsadviezen. Het bestreden artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024 vervangt de voormelde verwijzing, in artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, door een verwijzing naar « de persoon die met toepassing van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst het voorwerp uitmaakt van een negatief veiligheidsadvies ». Zoals wordt benadrukt door de Ministerraad wordt die wijziging verantwoord door de invoering, bij de wet van 7 april 2023 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998, betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 7 april 2023), van specifieke regels inzake veiligheidsadviezen voor het ministerie van Defensie in afdeling 6 van hoofdstuk IV van de wet van 11 december 1998. B.9. Het Hof dient na te gaan of de artikelen 10 en 11 van de Grondwet en het recht op toegang tot de rechter worden geschonden, doordat de beroepstermijn acht dagen bedraagt voor het aanvechten van een negatief veiligheidsadvies, terwijl de beroepstermijn krachtens artikel 4, § 1, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan 30 dagen bedraagt voor het aanvechten van de weigering van een veiligheidsmachtiging. B.10. Een « veiligheidsadvies » is « de conclusie van de bevoegde overheid over het risico dat een persoon vormt voor een van de fundamentele belangen van de Staat [en] is het resultaat van een veiligheidsverificatie [...] » (artikel 1bis, 23°, van de wet van 11 december 1998). Een « veiligheidsverificatie » is een « evaluatie, in het licht van het specifieke doeleinde van het verzoek om een verificatie, van het risico dat een persoon vormt voor de veiligheid van de infrastructuur en de inhoud daarvan, en/of voor de fysieke integriteit van de aanwezige personen en/of voor de veiligheid van de aanwezige informatie » (artikel 1bis, 24°, van de wet van 11 december 1998). 14 Een « veiligheidsmachtiging » is een officiële beslissing, opgesteld na een « veiligheidsonderzoek » dat wordt uitgevoerd door een inlichtingen- en veiligheidsdienst, naar luid waarvan, om toegang te krijgen tot gegevens waaraan een zekere graad van vertrouwelijkheid is toegekend, een natuurlijke persoon voldoende waarborgen biedt inzake geheimhouding, loyauteit en integriteit en een rechtspersoon voldoende garanties biedt inzake geheimhouding, loyauteit en integriteit van zijn organen en aangestelden die in aanmerking komen om toegang te hebben tot die gegevens (artikel 1bis, 10°, van de wet van 11 december 1998). Zoals benadrukt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 7 april 2023 zijn het veiligheidsadvies en de veiligheidsmachtiging « twee verschillende maatregelen met verschillende doelstellingen » : het veiligheidsadvies dient « in hoofdzaak om er zich van te vergewissen dat een persoon, in het kader van de uitoefening van een gevoelige functie, geen potentiële dreiging vormt voor een van de fundamentele belangen van de Staat of voor de openbare veiligheid », terwijl de veiligheidsmachtiging « in hoofdzaak [dient] om er zich van te vergewissen dat een persoon voldoende waarborgen biedt op het gebied van discretie, loyauteit en integriteit om toegang te kunnen hebben tot geclassificeerde gegevens of hiermee verband houdende gebouwen, lokalen of sites » (Parl. St., Kamer, 2022-2023, DOC 55-2443/002, pp. 6 en 7). B.11. Het verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen dat voortvloeit uit de toepassing van verschillende procedureregels in verschillende omstandigheden houdt op zich geen discriminatie in. Van discriminatie zou slechts sprake zijn indien het verschil in behandeling dat voortvloeit uit de toepassing van die procedureregels een onevenredige beperking van de rechten van de daarbij betrokken personen, te dezen het recht op toegang tot de rechter, met zich zou meebrengen. B.12. Met het invoeren van een beroepsprocedure bij het Beroepsorgaan werd gepoogd een evenwicht te bereiken tussen de hogere belangen van de Staat, enerzijds, en de fundamentele rechten en vrijheden, anderzijds (Parl. St., Kamer, 2004-2005, DOC 51-1598/004, p. 12). De korte beroepstermijn van acht dagen voor het bestrijden van een negatief veiligheidsadvies strekt ertoe de rechtszekerheid zo snel mogelijk te verzekeren. Gekoppeld aan 15 de termijn van 30 dagen waarover de bevoegde overheid beschikt om een veiligheidsadvies uit te brengen (artikel 33, § 1, van de wet van 11 december 1998) en de termijn van 30 dagen waarbinnen het Beroepsorgaan bij meerderheid van stemmen over het beroep dient te beraadslagen (artikel 9bis van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan), maakt die beroepstermijn het mogelijk om de periode van onzekerheid ten aanzien van het veiligheidsadvies te beperken. B.13.1. Het is juist dat een termijn van acht dagen om een beroepsakte op te stellen, die onder meer een uiteenzetting van de omstandigheden van de zaak en de ingeroepen redenen moet bevatten (artikel 3, 2°, van het koninklijk besluit van 24 maart 2000 « tot regeling van de rechtspleging voor het beroepsorgaan inzake veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : het koninklijk besluit van 24 maart 2000)), en om die beroepsakte aangetekend te versturen naar het Beroepsorgaan, een bijzonder korte termijn is. Er dient niettemin te worden opgemerkt dat andere wetgevingen eveneens voorzien in korte termijnen, die afwijken van het gemeen recht, om een beroep voor een administratief rechtscollege in te stellen. De termijn van acht dagen waarin de bestreden bepaling voorziet, is een pertinente maatregel om de door de wetgever nagestreefde doelstelling van snelheid te bereiken. B.13.2. Artikel 4, § 4, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan is in duidelijke en voorzienbare bewoordingen opgesteld en maakt het de betrokkene mogelijk zijn verweer te organiseren, doordat hij vanaf het begin van de procedure voor het verkrijgen van een veiligheidsadvies de termijn om desgevallend een beroep in te stellen bij het Beroepsorgaan kent. Die beroepstermijn van acht dagen gaat in de dag na ontvangst van het negatieve veiligheidsadvies, dat eveneens de redenen voor dat negatieve advies bevat. Indien de termijn verstrijkt op een zaterdag, een zondag of een wettelijke feestdag, dan wordt die vervaldag verschoven naar de eerstvolgende werkdag (artikel 1 van het koninklijk besluit van 24 maart 2000). In die omstandigheden is de beroepstermijn van acht dagen te rekenen vanaf de kennisgeving van het gemotiveerde veiligheidsadvies niet van dien aard dat hij de uitoefening van het beschikbare rechtsmiddel onmogelijk of overdreven moeilijk maakt. 16 B.13.3. De grief van de verzoekende partijen dat die bepaling niet voorziet in een verlenging van de beroepstermijnen die in de gerechtelijke vakantie beginnen te lopen en verstrijken, doet geen afbreuk aan het voorgaande, temeer daar het Beroepsorgaan geen gerechtelijke vakantie kent. B.13.4. Het eerste middel is ongegrond in zoverre het is gericht tegen artikel 5, 3°, van de wet van 16 juni 2024. Wat de bestreden artikelen 5, 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024 betreft B.14. Het eerste middel is eveneens afgeleid uit de schending, door artikel 4, § 4, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 5, 4°, van de wet van 16 juni 2024, van de artikelen 10, 11, 13, 22 en 23 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met artikel 47 van het Handvest en met het beginsel van rechtszekerheid. Het tweede middel is afgeleid uit de schending, door artikel 11 van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals vervangen bij het bestreden artikel 10 van de wet van 16 juni 2024, van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 47 van het Handvest. B.15.1. Uit de uiteenzetting van die middelen blijkt dat zij zijn gebaseerd op de veronderstelling dat de artikelen 4, § 4, en 11 van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals ingevoegd, respectievelijk vervangen bij de bestreden artikelen 5, 4°, en 10 van de wet van 16 juni 2024, van toepassing zijn op militairen. Zoals de Ministerraad opmerkt, is dat uitgangspunt niet correct. B.15.2. Artikel 4, § 4, van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij het bestreden artikel 5, 4°, van de wet van 16 juni 2024, voorziet in een beroepsmogelijkheid bij het 17 Beroepsorgaan voor de persoon voor wie een veiligheidsadvies vereist is indien de overheid haar advies niet binnen de voorgeschreven termijn ter kennis heeft gebracht. Krachtens de bewoordingen ervan is die bepaling van toepassing « behoudens in het geval bedoeld in artikel 41, § 5, van de wet van 11 december 1998 ». Laatstgenoemde bepaling maakt deel uit van hoofdstuk IV (« Veiligheidsadviezen »), afdeling 6 (« Specifieke regels voor het ministerie van Defensie ») van de wet van 11 december 1998, en bepaalt dat « indien bij het verstrijken van de termijn bedoeld in paragraaf 3 geen veiligheidsadvies werd verleend, [...] het geacht [wordt] positief te zijn totdat een nieuw advies wordt uitgebracht ». Voor de personeelsleden van het ministerie van Defensie, met inbegrip van militairen, geldt aldus dat het advies wordt geacht positief te zijn wanneer geen veiligheidsadvies wordt verleend binnen de gestelde termijn van 30 dagen. Daar artikel 11 van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, zoals vervangen bij het bestreden artikel 10 van de wet van 16 juni 2024, de bevoegdheid van het Beroepsorgaan regelt wanneer daarbij overeenkomstig artikel 4, § 4, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan een beroep wordt ingesteld inzake het uitblijven van een veiligheidsadvies, is die bepaling evenmin van toepassing op militairen. B.15.3. Het eerste middel, in zoverre het is gericht tegen artikel 4, § 3, van de wet van 11 december 1998 inzake het Beroepsorgaan, en het tweede middel berusten op een verkeerd uitgangspunt en zijn derhalve niet gegrond. 18 Om die redenen, het Hof verwerpt het beroep. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 september 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Luc Lavrysen PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.118 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2011:ARR.171 ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007 ECLI:CE:ECHR:2011:0113JUD004407807 ECLI:CE:ECHR:2018:0717JUD000547506 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot