ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.116
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-09-18
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
vennootschapsrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
23 maart 2019, 6 januari 1989, 7 februari 2024, Burgerlijk Wetboek, Constitution
Samenvatting
de prejudiciële vraag betreffende artikel 2:143, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, gesteld door het Hof van Cassatie.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.116
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 18 september 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.116
Arrest- Rolnummer:
116/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-09-29
Raadplegingen:
144 - laatst gezien 2025-12-15 14:30
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Geen schending (artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen )
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag betreffende artikel 2:143, § 1, van het Wetboek
van vennootschappen en verenigingen, gesteld door het Hof van Cassatie.
Vennootschapsrecht - Rechtsvorderingen tegen vennoten - Verjaringstermijn
van vijf jaar - Aanvangspunt
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 116/2025
van 18 september 2025
Rolnummer : 8229
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 2:143, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, gesteld door het Hof van Cassatie.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij arrest van 26 april 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 6 juni 2024, heeft het Hof van Cassatie de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in zoverre het het aanvangspunt van de vijfjarige verjaring van de rechtsvordering van de curator tegen een lid van het bestuursorgaan van een vennootschap, wegens verrichtingen in verband met zijn taak, bepaalt op basis van artikel 262 (tekortkoming in het bestuur) of artikel 263 (schending van het Wetboek of van de statuten) van het Wetboek van vennootschappen, vóór de opheffing ervan bij de wet van 23 maart 2019, of op basis van zijn bij artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek vastgestelde buitencontractuele aansprakelijkheid, te rekenen vanaf die verrichtingen, behalve het geval waarin zij met opzet verborgen zijn gehouden, terwijl alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid overeenkomstig artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, verjaren na verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon ? ».
2
Memories zijn ingediend door :
- mr. Béatrice Versie en mr. Jean-François Derroitte, advocaten bij de balie Luik-Hoei, handelend in de hoedanigheid van curatoren van het faillissement van de bvba « TJE
Construct »;
- Richard Gérôme, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jean Lempereur, advocaat bij de balie Luik-Hoei;
- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Evrard de Lophem en mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel.
Mr. Béatrice Versie en mr. Jean-François Derroitte hebben ook een memorie van antwoord ingediend.
Bij beschikking van 21 mei 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was en de dag van de terechtzitting bepaald op 18 juni 2025.
Op de openbare terechtzitting van 18 juni 2025 :
- zijn verschenen :
- mr. Evrard de Lophem en mr. Megi Bakiasi, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers Thierry Giet en Sabine de Bethune verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
De bvba « TJE Construct », die actief is in de bouwsector, is opgericht door Richard Gérôme, toen enige zaakvoerder. Richard Gérôme was eveneens enige vennoot en zaakvoerder van de nv naar Luxemburgs recht « C.I.B.E. ». Beide vennootschappen stelden dezelfde werknemers tewerk. Bij vonnis van de Rechtbank van Koophandel te Luik, afdeling Luik, van 10 juni 2014, werd de bvba « TJE Construct » toegelaten tot de procedure tot gerechtelijke reorganisatie met een opschorting van vier maanden. Vanaf die datum hebben de werknemers van de voormelde bvba slechts een deel van hun loon ontvangen. Op 31 december 2014 heeft de bvba « TJE Construct » het grootste deel van haar activa aan de nv « C.I.B E. » overgedragen. Op 4 februari 2015
heeft Richard Gérôme, in zijn hoedanigheid van zaakvoerder van de voormelde bvba, aangifte van faillissement gedaan. Het vonnis tot faillietverklaring is uitgesproken op 9 februari 2015 en de datum van staking van betaling werd vastgesteld op 9 augustus 2014.
Op 10 februari 2020 hebben de curatoren van het faillissement een aansprakelijkheidsvordering strekkende tot de vergoeding van de aan de schuldeisers berokkende schade ingesteld tegen Richard Gérôme, omdat hij heeft verzuimd aangifte van faillissement te doen, een verlieslatende activiteit heeft voortgezet, bepaalde schuldeisers
3
bij voorrang heeft betaald en institutionele schuldeisers niet heeft betaald. De Ondernemingsrechtbank te Luik, afdeling Luik, heeft geoordeeld dat de rechtsvordering verjaard was met toepassing van artikel 2:143 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, daar de dagvaarding meer dan vijf jaar na de aangifte van faillissement werd ingesteld. Het Hof van Beroep te Luik heeft dat vonnis in hoger beroep bevestigd.
De curatoren van het faillissement hebben een cassatieberoep aangetekend tegen het arrest van het Hof van Beroep te Luik, omdat zij aanklagen dat dat arrest niet heeft geantwoord op het argument volgens hetwelk zij pas kennis konden hebben van de elementen die nodig zijn om de zaakvoerder aansprakelijk te stellen op het ogenblik van het proces-verbaal van verificatie van de schuldvorderingen, zodat de verjaringstermijn pas op dat ogenblik had moeten ingaan. Zij voeren aan dat artikel 2:143 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen discriminerend is. Alvorens uitspraak te doen over de gegrondheid van het aangevoerde cassatiemiddel, oordeelt het Hof van Cassatie dat de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag aan het Hof dient te worden gesteld.
III. In rechte
-A-
A.1.1. De eisers voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat de in artikel 2:143 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde verjaringstermijn van vijf jaar discriminerend is. Uit historisch oogpunt strekte die termijn ertoe het hogere belang van het handelsverkeer te dienen door te vermijden dat personen worden ontmoedigd verantwoordelijke taken in een vennootschap op zich te nemen. Bij de aanneming van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is de wetgever echter afgeweken van de visie die in het verleden doorslaggevend was en heeft hij een evenwicht tot stand gebracht tussen, enerzijds, flexibiliteit voor de vennootschap en haar aandeelhouders en, anderzijds, adequate bescherming van de belangen van derden, en in de eerste plaats van de schuldeisers. Volgens de eisers voor het verwijzende rechtscollege zou dat nieuwe evenwicht in het gedrang komen indien de curatoren de belangen van de schuldeisers niet konden verdedigen omdat de feiten verjaard zijn vooraleer zij zelf kennis hebben van de schade of de dader van de fout. Dat zou het hogere belang van het handelsverkeer schaden doordat kapitaalverschaffers of andere potentiële medecontractanten worden ontmoedigd om krediet te verlenen aan vennootschappen. De eisers voor het verwijzende rechtscollege zijn bijgevolg van mening dat de voormelde termijn van vijf jaar, in zoverre de bestuurders van een vennootschap worden begunstigd ten nadele van institutionele schuldeisers en medecontractanten, geen adequate maatregel is ten aanzien van het doel van de wetgever om het algemeen belang van het handelsverkeer te dienen.
A.1.2. De eisers voor het verwijzende rechtscollege doen bovendien gelden dat de voormelde termijn geen noodzakelijke maatregel is in het licht van het nagestreefde doel, aangezien nooit is nagegaan of de vennootschappen, zonder die korte termijn, moeite zouden hebben om bestuurders te vinden, de meeste in België opgerichte vennootschappen besloten vennootschappen zijn met een enige vennoot en een enige bestuurder, en de doelstelling die erin bestaat het door de bestuurder van de vennootschap genomen risico te beperken, door andere middelen kan worden bereikt, zoals de mogelijkheid om zijn aansprakelijkheid te verzekeren, naast de in de artikelen 2:56 en 2:57 van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen bedoelde aansprakelijkheidsbeperking.
A.1.3. Volgens de eisers voor het verwijzende rechtscollege is de voormelde termijn bovendien onevenredig omdat de positieve gevolgen, voor zover er zijn, geringer zijn dan de nefaste gevolgen ervan, aangezien die termijn tot gevolg kan hebben dat de door de gezamenlijke schuldeisers geleden schade niet wordt vergoed, waardoor aan de curatoren de doeltreffendheid van het recht op toegang tot een rechter wordt ontzegd.
Zij zetten uiteen dat de schuldeisers, behoudens uitzonderlijke gevallen, beschikken over een jaar om hun schuldvordering te doen gelden, hetgeen inhoudt dat de curator ten vroegste een jaar na het vonnis van faillietverklaring kennis kan hebben van de door de boedel geleden schade en kan beoordelen of de aangifte van faillissement niet tijdig is en of een verlieslatende activiteit onredelijk werd voortgezet. In de praktijk is de boekhouding van gefailleerde vennootschappen bovendien slecht gevoerd en niet betrouwbaar, zodat de schuldeisers zich slechts geleidelijk bekendmaken. De curatoren bevinden zich wel degelijk in dezelfde situatie als de andere in de prejudiciële vraag beoogde schuldeisers, die mogelijk niet onmiddellijk weten dat er sprake is van schade, dan wel niet in staat zijn de daarvoor aansprakelijke persoon te identificeren.
4
Bij wijze van voorbeeld gaan zij in op hun situatie in de zaak die heeft geleid tot de verwijzingsbeslissing :
zij hebben een rechtsvordering ingesteld die ertoe strekt de datum van staking van betaling uit te stellen teneinde de niet tijdige indiening van de aangifte van faillissement te doen vaststellen. Die rechtsvordering werd pas in hoger beroep ingewilligd. Zij voeren aan dat, vóór het arrest van het Hof van Beroep, de bestuurder geen enkel verzuim om aangifte van faillissement te doen, kon worden verweten.
Zij zijn ten slotte van mening dat uit de parlementaire voorbereiding van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen blijkt dat de wetgever de bestuurders en de andere actoren op gelijke voet heeft willen stellen ten aanzien van hun buitencontractuele aansprakelijkheid.
A.2.1. De Ministerraad voert aan dat de in de prejudiciële vraag beoogde categorieën van personen niet vergelijkbaar zijn. De algemene draagwijdte van de aansprakelijkheidsvordering die elke persoon die schade heeft geleden wegens een verrichting van een derde kan uitoefenen, houdt in dat de personen die houder ervan zijn mogelijk niet onmiddellijk weten dat er sprake is van schade, of mogelijk niet in staat zijn de aansprakelijke onmiddellijk te identificeren. Omgekeerd is het voor de schuldeisers, de organen en de curatoren van een vennootschap, hetzij wegens hun commerciële of structurele banden met de zaakvoerders, hetzij wegens de opdracht die hun bij wet wordt toegewezen, gemakkelijker om het bestaan van een fout van de zaakvoerders te vernemen en om de aansprakelijke te identificeren teneinde een aansprakelijkheidsvordering tegen hem in te stellen.
A.2.2. De Ministerraad voert in ondergeschikte orde aan dat, zelfs indien de voormelde categorieën van personen vergelijkbaar zouden zijn, het verschil in behandeling toch een legitiem doel nastreeft, namelijk, enerzijds, de zaakvoerders niet te lang in onzekerheid laten verkeren omdat personen die verantwoordelijke taken op zich willen nemen, zouden kunnen worden ontmoedigd en, anderzijds, voorkomen dat potentiële kapitaalverschaffers, door een te lange onzekerheid na het beëindigen van de hoedanigheid van vennoot, minder geneigd zouden zijn om te investeren in nieuwe vennootschappen.
De Ministerraad is van mening dat het verschil in behandeling pertinent is ten aanzien van dat doel en dat het daarmee evenredig is. Het aanvangspunt van de vijfjarige verjaringstermijn is niet absoluut, aangezien die termijn in geval van opzet pas begint te lopen op het ogenblik dat de verrichtingen zijn ontdekt en niet op het ogenblik waarop zij zich voordoen. Bovendien kan, in het geval van een strafrechtelijk misdrijf, de verjaring niet intreden vóór de strafvordering. Ten slotte belet die verjaringstermijn de houder van de rechtsvordering niet om gebruik te maken van het beroep dat voor hem beschikbaar is.
A.3. De verweerder voor het verwijzende rechtscollege verwijst naar het arrest van het Hof nr. 47/2007 van 21 maart 2007 (
ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.047
) en voegt daaraan toe dat de regel volgens welke de vijfjarige verjaringstermijn begint te lopen bij de fout, niet absoluut is, aangezien de termijn in geval van opzet pas begint te lopen op het ogenblik dat de verrichtingen zijn ontdekt. Hij besluit daaruit dat het verschil in behandeling dat het voorwerp van de prejudiciële vraag uitmaakt, niet discriminerend is.
A.4. De eisers voor het verwijzende rechtscollege doen gelden dat het onjuist is dat, zoals de Ministerraad meent, de curatoren gemakkelijker kunnen vernemen of een verrichting heeft plaatsgevonden. De curatoren staan volledig buiten de vennootschap en haar bestuursorgaan en hebben geen enkele commerciële of organieke band ermee. Hun opdracht begint op de dag van het faillissement en het is pas wanneer de passiva zijn gekend, dit wil zeggen nadat de aangiften van schuldvordering zijn neergelegd, dat zij kennis kunnen hebben van de door de schuldeisers geleden schade en kunnen nagaan of die schade werd veroorzaakt door de fout van de zaakvoerder of het bestuursorgaan. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, zijn de in de prejudiciële vraag geïdentificeerde categorieën van personen wel degelijk vergelijkbaar.
-B-
B.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de vijfjarige verjaringstermijn voor rechtsvorderingen tegen bestuurders van een vennootschap, zoals vastgesteld in artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
5
B.2.1. Artikel 2:143, § 1, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen maakt deel uit van titel 9 (« Rechtsvorderingen en verjaring ») van boek 2 (« Bepalingen gemeenschappelijk aan de rechtspersonen geregeld in dit wetboek ») van deel 1 (« Algemene bepalingen ») van dat Wetboek. Het bepaalt :
« Met betrekking tot vennootschappen verjaren door verloop van vijf jaren :
- alle rechtsvorderingen tegen oprichters, te rekenen vanaf de oprichting;
- alle rechtsvorderingen tegen vennoten of aandeelhouders, te rekenen van de bekendmaking hetzij van hun uittreding hetzij van de akte van ontbinding van de vennootschap, hetzij, voor de vorderingen als bedoeld in artikel 2:104, §§ 2 en 3, van de bekendmaking van de sluiting van de vereffening, of te rekenen van het verstrijken van de overeengekomen duur;
- alle rechtsvorderingen van derden tot teruggave van ten onrechte uitgekeerde dividenden, te rekenen van de uitkering;
- alle rechtsvorderingen tegen leden van het bestuursorgaan, dagelijks bestuurders, commissarissen, vereffenaars, tegen de vaste vertegenwoordigers van rechtspersonen die één van de voornoemde functies bekleden, of tegen alle andere personen die ten aanzien van de vennootschap werkelijke bestuursbevoegdheid hebben gehad wegens verrichtingen in verband met hun taak, te rekenen vanaf die verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking ervan;
- alle rechtsvorderingen tegen de vereffenaars als zodanig, of bij ontstentenis van vereffenaars, tegen de personen die krachtens artikel 2:85 als vereffenaars worden beschouwd, te rekenen van de bekendmaking voorgeschreven bij artikel 2:102;
- alle rechtsvorderingen tot nietigverklaring van een naamloze vennootschap, een Europese vennootschap, een Europese coöperatieve vennootschap, een besloten vennootschap of een coöperatieve vennootschap, gegrond op een vormgebrek, te rekenen van de bekendmaking, indien het vennootschapscontract gedurende ten minste vijf jaar is uitgevoerd, onverminderd de schadevergoeding, zo daartoe grond zou bestaan ».
B.2.2. Artikel 2262bis van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt :
« § 1. Alle persoonlijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van tien jaar.
In afwijking van het eerste lid verjaren alle rechtsvorderingen tot vergoeding van schade op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon.
6
De in het tweede lid vermelde vorderingen verjaren in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.
§ 2. Indien een in kracht van gewijsde gegane beslissing over een vordering tot vergoeding van schade enig voorbehoud heeft erkend, dan is de eis die strekt om over het voorwerp van dat voorbehoud vonnis te doen wijzen, ontvankelijk gedurende twintig jaar na de uitspraak ».
B.3.1. De artikelen 262 en 263 van het Wetboek van vennootschappen van 7 mei 1999
(hierna : het Wetboek van vennootschappen), dat is opgeheven bij de wet van 23 maart 2019
« tot invoering van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen en houdende diverse bepalingen », maakten deel uit van afdeling III (« Aansprakelijkheid ») van hoofdstuk I
(« Organen van bestuur en vertegenwoordiging ») van titel IV (« Organen ») van boek VI (« De besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid ») van dat Wetboek.
Die artikelen bepaalden :
« Art. 262. De zaakvoerders zijn overeenkomstig het gemeen recht verantwoordelijk voor de vervulling van de hun opgedragen taak en aansprakelijk voor de tekortkomingen in hun bestuur.
Art. 263. De zaakvoerders zijn, hetzij jegens de vennootschap, hetzij jegens derden, hoofdelijk aansprakelijk voor alle schade die het gevolg is van overtreding van de bepalingen van dit wetboek of van de statuten van de vennootschap.
Ten aanzien van de overtredingen waaraan zij geen deel hebben gehad, worden zij van die aansprakelijkheid slechts ontheven indien hun geen schuld kan worden verweten en zij die overtredingen hebben aangeklaagd op de eerste algemene vergadering nadat zij er kennis van hebben gekregen ».
B.3.2. Krachtens artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek, vóór de opheffing ervan bij de wet van 7 februari 2024 « houdende boek 6 ‘ Buitencontractuele aansprakelijkheid ’ van het Burgerlijk Wetboek », verplicht « elke daad van de mens, waardoor aan een ander schade wordt veroorzaakt, […] degene door wiens schuld de schade is ontstaan, deze te vergoeden ».
B.4. Het verwijzende rechtscollege stelt het Hof een vraag over het verschil in behandeling tussen twee categorieën van personen die een rechtsvordering instellen, wat betreft het aanvangspunt van de verjaringstermijn waaraan die vorderingen zijn onderworpen.
7
Enerzijds gaat het om de curatoren die in het kader van het faillissement van een vennootschap een rechtsvordering instellen tegen een bestuurder van die vennootschap wegens verrichtingen in verband met zijn taak, op basis van de artikelen 262 of 263 van het Wetboek van vennootschappen dan wel artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek. Dergelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de verrichtingen of, indien ze met opzet verborgen zijn gehouden, te rekenen vanaf de ontdekking ervan, overeenkomstig artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen.
Anderzijds gaat het om de houders van een rechtsvordering tot schadevergoeding op grond van buitencontractuele aansprakelijkheid waarop de gemeenrechtelijke verjaringstermijn van artikel 2262bis, § 1, tweede en derde lid, van toepassing is. Dergelijke rechtsvorderingen verjaren door verloop van vijf jaar vanaf de dag volgend op die waarop de benadeelde kennis heeft gekregen van de schade of van de verzwaring ervan en van de identiteit van de daarvoor aansprakelijke persoon, en in ieder geval door verloop van twintig jaar vanaf de dag volgend op die waarop het feit waardoor de schade is veroorzaakt, zich heeft voorgedaan.
B.5.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.
B.5.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.6.1. Het recht op toegang tot de rechter, zoals het onder meer is gewaarborgd door artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, is niet absoluut en kan worden
8
onderworpen aan beperkingen, onder meer wat de ontvankelijkheidsvoorwaarden van een beroep betreft, voor zover dergelijke beperkingen de essentie van dat recht niet aantasten en voor zover zij in een evenredige verhouding staan met een legitieme doelstelling. Het recht op toegang tot de rechter wordt geschonden indien de regeling ervan niet langer de rechtszekerheid en de goede rechtsbedeling dient, maar veeleer een soort barrière vormt die de rechtsonderhorige verhindert dat zijn geschil ten gronde door de bevoegde rechter wordt beoordeeld (EHRM, 27 juli 2006, Efstathiou e.a. t. Griekenland,
ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802
, § 24; 24 februari 2009, L’Érablière A.S.B.L.
t. België,
ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007
, § 35).
B.6.2. De aard van een verjaringstermijn of de manier waarop hij wordt toegepast, zijn in strijd met het recht op toegang tot de rechter indien zij de rechtsonderhorige verhinderen om een rechtsmiddel aan te wenden dat in beginsel beschikbaar is (EHRM, 12 januari 2006, Mizzi t. Malta,
ECLI:CE:ECHR:2006:0112JUD002611102
, § 89; 7 juli 2009, Stagno t. België,
ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207
, § 28), indien de haalbaarheid ervan afhankelijk is van omstandigheden buiten de wil van de verzoeker (EHRM, 22 juli 2010, Melis t. Griekenland,
ECLI:CE:ECHR:2010:0722JUD003060407
, § 28) of indien zij als gevolg hebben dat elke vordering bij voorbaat tot mislukken is gedoemd (EHRM, 11 maart 2014, Howald Moor e.a. t. Zwitserland,
ECLI:CE:ECHR:2014:0311JUD005206710
, § 74).
B.6.3. Het recht op toegang tot de rechter verzet zich evenwel niet tegen absolute verjaringstermijnen. Dat recht moet immers worden verzoend met het streven naar rechtszekerheid en de zorg om het recht op een eerlijk proces, die elke verjaringsregel kenmerken. De omstandigheid dat een verjaringstermijn kan verstrijken vooraleer de schuldeiser kennis heeft van alle elementen die nodig zijn om zijn vorderingsrecht uit te oefenen, is bijgevolg op zichzelf niet in strijd met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens.
B.7. Inzake verjaring is er een zodanige verscheidenheid aan situaties dat uniforme regels in het algemeen niet haalbaar zouden zijn en dat de wetgever moet kunnen beschikken over een ruime beoordelingsvrijheid wanneer hij die aangelegenheid regelt.
9
B.8.1. Artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen neemt in essentie de regeling over waarin was voorzien bij artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen (zie ook Parl. St., Kamer, 2017-2018, DOC 54-3119/001, pp. 106 en 107).
B.8.2. Met het instellen van de korte verjaringstermijn van vijf jaar in artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen was het de bedoeling van de wetgever de in die bepaling bedoelde personen niet te lang in onzekerheid te laten omtrent hun eventuele aansprakelijkheid voor fouten begaan in de uitoefening van hun opdracht. Hij vreesde dat anders slechts weinig personen bereid zouden worden gevonden verantwoordelijke taken op zich te nemen. Tevens meende hij dat van degenen die een aansprakelijkheidsvordering zouden willen instellen, redelijkerwijze mag worden gevraagd dat ze dat doen op een tijdstip dat niet te ver verwijderd ligt van het ogenblik waarop de schadeveroorzakende handelingen werden gesteld, zodanig dat de aangesproken personen zich die handelingen nog kunnen herinneren en zich daarop kunnen verdedigen.
De wetgever heeft bijgevolg, door een van het gemeen recht afwijkende termijn op te leggen in een algemene en imperatieve bepaling die wordt geacht te voldoen in alle gevallen, de privébelangen van de schuldeisers ondergeschikt gemaakt aan de hogere belangen van het handelsverkeer (zie ook Cass., 27 mei 1994,
ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940527.8
).
B.8.3. Bij zijn arrest nr. 47/2007 van 21 maart 2007 (
ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.047
)
heeft het Hof voor recht gezegd dat artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen de artikelen 10 en 11 niet schendt, « in zoverre die bepaling tot gevolg heeft dat de rechtsvordering op grond van artikel 530, § 1, van hetzelfde Wetboek vijf jaar na de kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement, verjaart ». Artikel 530, § 1, van het Wetboek van vennootschappen, waarvan de inhoud grotendeels is overgenomen in artikel XX.225 van het Wetboek van economisch recht, betrof de aansprakelijkheid van de bestuurder van een naamloze vennootschap in geval van een kennelijk grove fout die heeft bijgedragen tot het faillissement.
B.9. In tegenstelling tot wat de Ministerraad aanvoert, bevinden de in de prejudiciële vraag beoogde personen zich, wat de aanvangsdatum van de verjaringstermijn betreft, niet in situaties die dermate uiteenlopend zijn dat zij niet vergelijkbaar zouden zijn.
10
B.10. Het is pertinent ten aanzien van de doelstellingen van de wetgever, zoals vermeld in B.8.2, dat de verjaringstermijn van een rechtsvordering tegen een bestuurder van een vennootschap wegens verrichtingen in verband met zijn taak, in tegenstelling tot wat het gemeen recht bepaalt in artikel 2262bis, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek, in beginsel een aanvang neemt vanaf die verrichtingen en dat er derhalve geen rekening wordt gehouden met de kennisname door de benadeelde van het schadeverwekkende feit of van de schade.
B.11.1. Een dergelijke maatregel heeft bovendien geen onevenredige gevolgen.
B.11.2. Artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen heeft immers specifiek betrekking op de verrichtingen van de bestuurders van een vennootschap in verband met hun taak, waaronder de in de prejudiciële vraag beoogde tekortkomingen in het bestuur (artikel 262 van het Wetboek van vennootschappen), overtredingen van de bepalingen van het Wetboek van vennootschappen en van de statuten van de vennootschap (artikel 263 van hetzelfde Wetboek), en overtredingen van de algemene zorgvuldigheidsnorm waarvoor de bestuurder aansprakelijk kan worden gehouden (artikel 1382 van het oud Burgerlijk Wetboek). Gelet op die specifieke aard en mede in het licht van de wettelijke controlemechanismen waaraan de bestuurders van een vennootschap zijn onderworpen, kon de wetgever redelijkerwijs ervan uitgaan dat de schade die uit die verrichtingen voortvloeit zich in de meeste gevallen binnen een relatief korte tijdsspanne zou manifesteren en niet pas talrijke jaren nadien. In die omstandigheden is een verjaringstermijn van vijf jaar, ook al begint die te lopen vanaf de verrichting zelf, in beginsel niet dermate kort dat het voor een benadeelde onevenredig moeilijk wordt gemaakt om het bestaan van eventuele rechtsvorderingen te onderzoeken en die vorderingen desgevallend uit te oefenen.
B.11.3. Zoals het Hof reeds bij zijn voormelde arrest nr. 47/2007 heeft geoordeeld met betrekking tot artikel 198, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen (B.8.3), is de regel dat de vijfjarige verjaringstermijn begint te lopen vanaf de verrichting daarenboven niet absoluut.
11
Allereerst voorziet artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen in een uitzondering in het geval dat de verrichtingen met opzet verborgen zijn gehouden : in dat geval begint de verjaringstermijn pas te lopen op het ogenblik dat de verrichtingen zijn ontdekt.
Wanneer de aansprakelijkheidsvordering tegen bestuurders is gebaseerd op een ondeelbaar geheel van feiten, vangt de verjaringstermijn pas aan wanneer de fout is voltrokken door het laatste van die ondeelbare feiten (Cass., 14 februari 1935, Arr.Cass., 1935, I, 159). Het ondeelbaar karakter van die feiten wordt door de feitenrechter soeverein vastgesteld.
Ten slotte, indien de aansprakelijkheidsvordering die wordt ingesteld tegen een van de personen vermeld in artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen, de burgerlijke rechtsvordering is die strekt tot het herstel van de schade veroorzaakt door een misdrijf dat door een van die personen in de uitoefening van zijn taak zou zijn begaan, verjaart die vordering eveneens na vijf jaar, maar niet vóór de strafvordering (Cass., 27 mei 1994,
ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940527.8
).
B.12. Aan het voorgaande wordt geen afbreuk gedaan door de omstandigheid dat, wanneer de vennootschap in staat van faillissement is, sommige van de rechtsvorderingen tegen bestuurders uitsluitend aan de curator toekomen en dat die laatste, zoals de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege aanvoeren, mede als gevolg van de in het kader van de faillissementsprocedure toepasselijke termijnen, mogelijk pas kennis kan nemen van alle relevante elementen met betrekking tot de aansprakelijkheid van de bestuurders nadat de verjaringstermijn is verstreken. De curator treedt niet op voor eigen rekening, maar is een gerechtelijk mandataris die de boedel vertegenwoordigt en het faillissement in het belang van zowel de schuldeisers als de gefailleerde beheert. Ten aanzien van de in B.8.2 vermelde doelstellingen is het niet onredelijk dat artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen niet in een uitzondering voorziet in geval van het faillissement van de vennootschap.
B.13. Artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen is bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet.
12
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 2:143, § 1, vierde streepje, van het Wetboek van vennootschappen en verenigingen schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 18 september 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.116
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:CASS:1994:ARR.19940527.8
ECLI:BE:GHCC:2007:ARR.047
ECLI:CE:ECHR:2006:0112JUD002611102
ECLI:CE:ECHR:2006:0727JUD003699802
ECLI:CE:ECHR:2009:0224JUD004923007
ECLI:CE:ECHR:2009:0707JUD000106207
ECLI:CE:ECHR:2010:0722JUD003060407
ECLI:CE:ECHR:2014:0311JUD005206710
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==