ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.114
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-07-17
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
10 november 1967, 10 november 2009, 15 december 2004, 15 december 2004, 2 januari 1991
Samenvatting
de prejudiciële vraag over artikel 9 van de wet van 28 april 1999 « houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen » en artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 « betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten », gecoördineerd bij het koninklijk besluit va
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.114
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 17 juli 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.114
Arrest- Rolnummer:
114/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-07-28
Raadplegingen:
191 - laatst gezien 2025-12-15 14:29
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag over artikel 9 van de wet van 28 april 1999 «
houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende
het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties
in betalings- en afwikkelingssystemen » en artikel 11 van het gecoördineerd
koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 « betreffende de bewaargeving
van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties
op deze instrumenten », [gecoördineerd bij koninklijk besluit van 27
januari 2004 en] bekrachtigd bij artikel 70 van de wet van 15 december
2004 « betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale
bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking
tot financiële instrumenten », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel.
Gerechtelijk recht - Beslag - Derdenbeslag - Krachtens internationale
sancties bevroren of geïmmobiliseerde activa - Absolute niet-vatbaarheid
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 114/2025
van 17 juli 2025
Rolnummer : 8418
In zake : de prejudiciële vraag over artikel 9 van de wet van 28 april 1999 « houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen » en artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 « betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten », gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 27 januari 2004 en bekrachtigd bij artikel 70 van de wet van 15 december 2004 « betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten », gesteld door het Hof van Beroep te Brussel.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij beschikking waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 21 januari 2025, heeft het Hof van Beroep te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schenden artikel 9 van de wet van 28 april 1999 houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en artikel 11 van het (gecoördineerd) koninklijk besluit van 10 november 1967 betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten, zoals bekrachtigd bij artikel 70 van de wet van 15 december 2004 betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten, de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met het recht op
2
tenuitvoerlegging, gewaarborgd bij artikel 13 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (en ook in samenhang gelezen met het eigendomsrecht, gewaarborgd bij artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het Verdrag), in zoverre zij in die zin worden geïnterpreteerd dat zij een absolute niet-vatbaarheid voor beslag verankeren die ook de krachtens internationale sancties bevroren of geïmmobiliseerde activa beschermt die - daardoor - de facto niet of niet meer deelnemen in het afwikkelingssysteem dat die wetsbepalingen beogen te beschermen, zelfs al zouden die activa vatbaar zijn voor beslag in België in het kader van een beslag onder derden in handen van elke andere derde-beslagene ? ».
Memories en memories van antwoord zijn ingediend door :
- de vennootschap « X » en de vennootschap « Y », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Hakim Boularbah, mr. Olivier van der Haegen, mr. Michel Kaiser en mr. Marc Verdussen, advocaten bij de balie te Brussel;
- de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bruno Lombaert, mr. Marc Fyon, mr. Sophie Brenard en mr. Nicolas Cariat, advocaten bij de balie te Brussel.
Bij beschikking van 21 mei 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was en de dag van de terechtzitting bepaald op 18 juni 2025.
Op de openbare terechtzitting van 18 juni 2025 :
- zijn verschenen :
. mr. Hakim Boularbah, mr. Olivier van der Haegen en mr. Michel Kaiser, voor de vennootschap « X » en de vennootschap « Y »;
. mr. Marc Fyon en mr. Nicolas Cariat, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Een eenzijdig verzoekschrift om toelating te vragen voor een uitvoerend derdenbeslag in handen van een centrale effectenbewaarinstelling, ter uitvoering van een schuldvordering die voortvloeit uit scheidsrechterlijke beslissingen die in België uitvoerbaar zijn, wordt ingediend voor de beslagrechter van de Franstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het verzoekschrift heeft betrekking op de activa van een buitenlandse mogendheid
3
die zijn bevroren of geïmmobiliseerd krachtens internationale sancties, en strekt tot de toepassing van artikel 1412quinquies, § 2, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
De beslagrechter acht de oorspronkelijke vordering ontvankelijk naar niet gegrond op grond van het feit dat de bijzondere immuniteit die de derde-beslagene geniet absoluut elk beslag verbiedt, ongeacht of dit door een rechter is toegestaan, en dat het bestaan van een bevriezing van de activa, aangezien die de aard van de rekeningen waarop die activa worden aangehouden niet wijzigt, geen invloed heeft op de niet-vatbaarheid voor beslag van de betrokken activa.
In hoger beroep merkt het verwijzende rechtscollege op dat artikel 9 van de wet van 28 april 1999 « houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen » (hierna : de wet van 28 april 1999 en de richtlijn 98/26/EG) en artikel 11 van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967
« betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten », bekrachtigd bij artikel 70 van de wet van 15 december 2004 « betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten », een absolute niet-vatbaarheid voor beslag vastleggen die ook geldt voor activa die krachtens internationale sancties zijn bevroren of geïmmobiliseerd.
Het verwijzende rechtscollege merkt op dat, volgens de afdeling wetgeving van de Raad van State, artikel 9
van de wet van 28 april 1999 geen loutere omzetting is van de richtlijn 98/26/EG. De afdeling wetgeving van de Raad van State had daarover opgemerkt dat « die bepaling [...] echter zeer ruim [lijkt], in elk geval veel ruimer dan wat wordt aangekondigd in de memorie van toelichting, waarin het volgende staat : ‘ Het is niet de bedoeling van artikel 9 van het ontwerp van wet een veralgemeende onbeheerbaarheid van rekeningen van financiële tussenpersonen uit te vaardigen maar wel ontijdige, of zelfs abusieve beslagen te verhinderen die de hele vereffening van een betalings- of effectenclearingsysteem kunnen stilleggen ’ », en gepreciseerd dat, binnen de korte termijn die haar was toebedeeld, het voor haar niet mogelijk was geweest « zich ervan te vergewissen of [de]
toevoeging van die bepaling wel bestaanbaar is [...] met het gelijkheids- en het evenredigheidsbeginsel ». Het verwijzende rechtscollege is van oordeel dat de Regering haar antwoord op die opmerking niet heeft verantwoord, en stelt het Hof bijgevolg de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag.
III. In rechte
-A-
A.1.1. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat artikel 13 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens het recht op toegang tot een bevoegde rechter, dat het recht omvat om de uitvoering van rechterlijke beslissingen en van scheidsrechterlijke uitspraken te verkrijgen, waarborgen. Een beperking van dat recht is slechts mogelijk indien zij ertoe strekt een legitiem doel te verwezenlijken en er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Overigens dient het recht op de uitvoering van rechterlijke beslissingen te worden geïnterpreteerd in het licht van het beginsel van de algemene onderwerping van het vermogen van de schuldenaar dat is vastgelegd bij artikel 3.36 van het nieuw Burgerlijk Wetboek en krachtens hetwelk een schuldeiser zijn vordering kan verhalen op alle goederen van zijn schuldenaar. Tot slot vormt een schuldvordering ten laste van een buitenlandse mogendheid die is vastgesteld bij een definitieve rechterlijke beslissing, een eigendom die is beschermd bij artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij het voormelde Verdrag.
A.1.2. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat, in de interpretatie dat zij een absolute niet-vatbaarheid voor beslag invoeren voor afwikkelingsrekeningen, die geldt voor alle activa op een dergelijke rekening die wordt gehouden bij een Belgische afwikkelende instantie (of (internationale) centrale effectenbewaarinstelling), zelfs wanneer die activa niet of niet meer deelnemen aan het door die instantie georganiseerde afwikkelingssysteem, artikel 9 van de wet van 28 april 1999 « houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen » (hierna : de wet van 28 april 1999 en de richtlijn 98/26/EG) en artikel 11 van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967
« betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze
4
instrumenten », bekrachtigd bij artikel 70 van de wet van 15 december 2004 « betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten » (hierna : het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62), ongrondwettig zijn. Daaruit vloeit een verschil in behandeling voort tussen, enerzijds, de schuldeisers die hun titels ten uitvoer leggen tegen schuldenaars van wie de financiële activa in België zijn ondergebracht bij een effectenafwikkelende instantie en, anderzijds, de schuldeisers die hun titels ten uitvoer leggen tegen schuldenaars van wie de financiële activa in België zijn ondergebracht op rekeningen bij elke andere derde-beslagene.
Volgens de appellanten voor het verwijzende rechtscollege wordt de in het geding zijnde maatregel in de parlementaire voorbereiding niet naar behoren verantwoord, temeer daar de richtlijn 98/26/EG niet in een dergelijk algemeen en absoluut verbod op inbeslagneming van afwikkelingsrekeningen voorziet. Daaruit volgt dat de in het geding zijnde maatregel verder gaat dan hetgeen noodzakelijk is om de doelstellingen te bereiken die worden nagestreefd met de richtlijn 98/26/EG en met de in het geding zijnde bepalingen.
De appellanten voor het verwijzende rechtscollege wijzen vervolgens, ter vergelijking, erop dat het faillissement van een deelnemer geen terugwerkende kracht heeft. Een faillissement heeft ten aanzien van de deelnemers van een afwikkelingssysteem ten vroegste uitwerking vanaf de uitspraak van het vonnis en uiterlijk op het ogenblik dat daadwerkelijk wordt kennisgenomen van het faillissement, en maakt de overboekingsopdrachten die daarna plaatsvinden onmiddellijk niet-tegenstelbaar. Het is niet redelijk verantwoord de inbeslagneming strenger te behandelen in zoverre zij op absolute wijze is verboden bij de wet van 28 april 1999, die evenmin terugwerkende kracht heeft.
De appellanten voor het verwijzende rechtscollege beklemtonen dat in de parlementaire voorbereiding enkel het geval van een ontijdige en onrechtmatige inbeslagneming wordt beoogd, terwijl de tekst van de wet veel ruimer is, hetgeen de afdeling wetgeving van de Raad van State eveneens had opgemerkt. Bovendien heeft de wetgever niet onderzocht of er minder extreme maatregelen voorhanden waren, bijvoorbeeld een verplichting voor de schuldeiser om de voorafgaande toelating van de beslagrechter te verkrijgen.
A.1.3. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege doen gelden dat, gelet op het doel van een vlotte uitwisseling en van « finaliteit » van de afwikkelingsopdrachten, een absoluut verbod op de inbeslagneming van activa die op afwikkelingsrekeningen zijn ondergebracht, niet noodzakelijk is. In het bijzonder heeft het geen zin activa te beschermen die, krachtens Europese sancties, niet meer deelnemen aan een afwikkelingsysteem en derhalve zijn ondergebracht op rekeningen die niet meer beantwoorden aan de definitie van een afwikkelingsrekening in de zin van artikel 2, l), van de richtlijn 98/26/EG. Te dezen, onder voorbehoud van de gevallen van administratieve toelating om activa te deblokkeren, verbieden de Europese sancties vrijwel elke beweging of manipulatie, alsook elke transactie met betrekking tot die activa, zodat die laatste niet meer kunnen deelnemen aan het afwikkelingsysteem. Voor het overige creëert de inbeslagneming van bevroren of geïmmobiliseerde activa geen risico op het verlies van vertrouwen bij de deelnemers aan het afwikkelingssysteem, aangezien de laatstgenoemden perfect op de hoogte zijn van het bestaan van de sancties en de gevolgen ervan, noch bijgevolg een systeemrisico of een risico dat het afwikkelingssysteem wordt lamgelegd.
A.1.4. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren ten slotte aan dat de in het geding zijnde maatregel op onevenredige wijze afbreuk doet aan de grondrechten van de schuldeiser. Sommige schuldenaars kunnen hun financiële activa vrijwaren van elke uitvoeringsmaatregel door ze onder te brengen in een in België gevestigd afwikkelingssysteem. Bovendien is het illusoir te beweren dat de niet-vatbaarheid voor beslag van de afwikkelingsrekeningen niet het recht van de schuldeisers op tenuitvoerlegging belemmert om reden dat zulk een niet-vatbaarheid voor beslag zich niet uitstrekt tot de bankrekeningen die worden gehouden bij de deelnemers zelf.
Wanneer deelnemers activa onderbrengen op afwikkelingsrekeningen bij een afwikkelende instantie, kunnen zij dat zowel voor rekening van hun cliënt als voor eigen rekening doen. In het tweede geval is er geen inbeslagneming mogelijk en heeft de niet-vatbaarheid voor beslag van de afwikkelingsrekeningen tot gevolg dat een immuniteit wordt verleend aan een mogelijk zeer aanzienlijk gedeelte van het vermogen van de deelnemer. Bovendien is het in beide gevallen, wanneer, zoals te dezen, de andere activa van de deelnemer of van de uiteindelijke cliënt zich in een jurisdictie bevinden die schuldeisers geen toegang biedt tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie, voor de laatstgenoemden onmogelijk om hun rechten te doen gelden.
A.2.1. De Ministerraad doet vooraf gelden dat de memorie van toelichting van de wet van 28 april 1999 een afdoende antwoord biedt op de bekommernis van de afdeling wetgeving van de Raad van State. Overeenkomstig die memorie van toelichting voert artikel 9 van de voormelde wet geen algemene niet-vatbaarheid voor beslag in voor de rekeningen van financiële tussenpersonen, omdat het enkel van toepassing is op de afwikkelingsrekeningen die worden gehouden in de krachtens de wet van 28 april 1999 aangewezen systemen.
5
Overigens wordt in de memorie van toelichting van de wet van 26 september 2011 « tot omzetting van Richtlijn 2009/44/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot wijziging van Richtlijn 98/26/EG
betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen en Richtlijn 2002/47/EG betreffende financiële zekerheidsovereenkomsten wat gekoppelde systemen en kredietvorderingen betreft » verduidelijkt dat de huidige regeling tot doel heeft elke inbeslagneming te verhinderen, gelet op het grote aantal gerechtelijke procedures die een efficiënte werking van de betalingssystemen belemmeren.
A.2.2. Volgens de Ministerraad erkent het Europees Hof voor de Rechten van de Mens dat de stabiliteit van het bankensysteem een verhoogde bescherming verdient en dat de nationale maatregelen die ertoe strekken de controle en de goede werking ervan te waarborgen, legitieme doelstellingen nastreven. Elke Staat beschikt over een ruime beoordelingsmarge zowel wat betreft de keuze van de wettelijke maatregelen die dat doel nastreven als wat betreft de afweging ervan tegenover de grondrechten. Te dezen wordt met de in het geding zijnde bepalingen een legitiem doel nagestreefd, namelijk vermijden dat de goede werking van een afwikkelingssysteem waarvan de beheerder is gevestigd op het Belgische grondgebied, wordt verlamd of gehinderd door een maatregel van beslag, sekwester of rechterlijk bevel tot blokkering, met de systeemrepercussies die daaruit zouden voortvloeien voor de bank- en betalingssystemen op wereldniveau.
A.2.3. De Ministerraad voert aan dat de maatregelen van niet-vatbaarheid voor beslag adequaat zijn in het licht van het nagestreefde doel. Maatregelen van derdenbeslag of andere blokkeringsmaatregelen die worden genomen met betrekking tot afwikkelingsrekeningen die worden gehouden op het niveau van de centrale effectenbewaarinstellingen, kunnen de werking van die systemen ernstig verstoren in zoverre zij het saldo van die rekeningen geheel of gedeeltelijk onbeschikbaar maken voor de afwikkeling van de in het systeem ingevoerde transacties, wat leidt tot een annulatie van die transacties. De annulatie van die transacties heeft op haar beurt tot gevolg dat de contanten en effecten die bestemd zijn om andere deelnemers van financiële middelen te voorzien, niet zijn overgeboekt, wat kan leiden tot de annulatie van andere in het systeem ingevoerde instructies, in een mogelijk verwoestende kettingreactie.
Het verhinderen van de vereffening van geld- of effectentransacties van een deelnemer kan met andere woorden leiden tot betalingsmoeilijkheden bij andere deelnemers die de eerder verwachte betalingen in effecten of contanten niet zouden verkrijgen en bijgevolg in gebreke zouden blijven voor de daarop volgende transacties.
Het Luxemburgse recht voorziet overigens in een identieke regel (artikel 111, § 5, van de wet van 10 november 2009 « relative aux services de paiement, à l’activité d’établissement de monnaie électronique et au caractère définitif du règlement dans les systèmes de paiement et les systèmes de règlement des opérations sur titres […] »
(betreffende de betalingsdiensten, de activiteit van instellingen voor elektronisch geld en het definitieve karakter van de afwikkeling in betalingssystemen en systemen voor de afwikkeling van effectentransacties). Clearstream Banking Luxembourg oefent activiteiten uit die erg vergelijkbaar zijn met die van Euroclear Bank, en is in de architectuur van de effectenafwikkelingssystemen op wereldniveau in dezelfde mate systeemrelevant.
A.2.4. De Ministerraad beklemtoont dat, naargelang van het geval en onder voorbehoud van andere internationale of nationale normen die eraan in de weg staan, schuldeisers de uitvoering van de betaling van hun schuldvorderingen kunnen vorderen op de andere activa van hun schuldenaars, in België of in het buitenland. De omstandigheid dat systeemrelevante financiële instellingen in België gevestigd zijn, impliceert niet dat België, ten koste van de integriteit en stabiliteit van de betalings- en effectenafwikkelingssystemen op wereldniveau en van de entiteiten die de stabiliteit ervan waarborgen, de toepassing van uitvoeringsprocedures op Belgisch grondgebied en in handen van de exploitanten van afwikkelingsrekeningen moet garanderen voor elke entiteit (waar ook ter wereld) die houder zou zijn van een schuldvordering ten aanzien van de houder van een afwikkelingsrekening.
De Ministerraad beklemtoont dat de thans geldende bepalingen het resultaat zijn van een evolutie in de wetgeving die concreet noodzakelijk is gebleken om de werking van de betalings- en effectenafwikkelingssystemen te garanderen tegenover de talrijke en veelvormige gerechtelijke vorderingen die voor de Belgische rechtscolleges worden gebracht.
A.2.5. De Ministerraad voert ten slotte aan dat de regeling van niet-vatbaarheid voor beslag die algemeen geldt voor alle activa die door de in het geding zijnde bepalingen worden beoogd, niet kan worden geneutraliseerd of afgezwakt voor activa die krachtens internationale sancties zijn bevroren of geïmmobiliseerd. De centrale effectenbewaarinstellingen moeten de activa die zijn ondergebracht op de rekeningen van door zulke sancties beoogde personen of entiteiten, bevriezen. De omstandigheid dat de betrokken activa (die niet vatbaar zijn voor beslag als gevolg van de in het geding zijnde bepalingen) zijn bevroren of geïmmobiliseerd door internationale sancties, kan niet tot gevolg hebben dat zij vatbaar worden voor beslag. Wanneer meerdere juridische normen
6
opleggen dat bepaalde activa niet vatbaar zijn voor beslag, versterken de gevolgen van die normen elkaar zonder dat zij elkaar onderling opheffen.
De Ministerraad oordeelt dat die bevriezing of immobilisering in elk geval geen uitvoerend beslag toelaat.
Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft de geldigheid aanvaard van een verbodsmaatregel om een bewarend beslag te leggen op krachtens Europese sancties bevroren tegoeden (HvJ, 11 november 2021, C-340/20, Bank Sepah,
ECLI:EU:C:2021:903
). De lering van dat arrest geldt a fortiori voor het uitvoerend beslag. Wanneer een bevriezings- of immobiliseringsmaatregel van kracht is, kan de beheerder van een afwikkelingsrekening (behoudens een restrictief te interpreteren afwijking waarin de bevriezings- of immobiliseringsregeling voorziet)
de betrokken activa niet vrijgeven. Hij zou voor een dergelijke vrijgave strafrechtelijk en burgerrechtelijk aansprakelijk worden gesteld, en België zou daarvoor internationaal aansprakelijk worden gesteld.
De Ministerraad voert dus aan dat de beperkingen van het recht op uitvoering niet uitsluitend volgen uit de in het geding zijnde bepalingen, maar ook uit verschillende internationale, Europese of hogere nationale bepalingen. Te dezen kan de onmogelijkheid om over te gaan tot een uitvoerend derdenbeslag voortvloeien, afzonderlijk en a fortiori cumulatief, uit talrijke juridische normen, waaronder de geldende internationale en Europese sanctiemaatregelen, die geen uitvoeringsmaatregelen – zelfs geen bewarende maatregelen – op de betrokken activa toelaten, behalve bij inachtneming van de uitzonderingen en de voorwaarden waarin eventueel is voorzien door de sanctiemaatregel zelf, de regels inzake immuniteit van rechtsmacht die voortvloeien uit het internationaal gewoonterecht en de internationale verdragen, en de regels inzake uitvoeringsimmuniteit die voortvloeien uit het internationaal gewoonterecht, de internationale verdragen en het Gerechtelijk Wetboek. De specifieke situatie die door de prejudiciële vraag wordt beoogd, kan zich in de praktijk dus enkel voordoen in het uitzonderlijke geval dat de beslagleggende schuldeiser voor de beslagrechter aantoont dat geen enkele andere norm van een hogere rangorde (een internationale of Europese norm), noch een nationale norm met een algemenere draagwijdte (zoals bijvoorbeeld de regels inzake niet-vatbaarheid voor beslag die voortvloeien uit de artikelen 1408 tot 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek) een derdenbeslag belet. Wanneer dat niet wordt aangetoond, vloeien de eventuele beperkingen van het recht op uitvoering niet voort uit de in het geding zijnde bepalingen.
A.3.1. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege antwoorden dat het Hof over het bodemgeschil geen beoordelingen kan geven die onder de bevoegdheid van het verwijzende rechtscollege vallen. Bovendien kan het Hof de draagwijdte van de prejudiciële vraag niet uitbreiden. De regels inzake immuniteit van rechtsmacht of van uitvoering die buitenlandse Staten zouden genieten, alsook de overwegingen betreffende het verkrijgen van een toelating tot deblokkering van de door de sancties beoogde activa bij de bevoegde nationale instantie overeenkomstig de Europese verordeningen, staan los van de gestelde prejudiciële vraag. Hoe dan ook, indien het verwijzende rechtscollege de prejudiciële vraag heeft gesteld, is dat per definitie omdat zij onontbeerlijk is voor de oplossing van het geschil. Er is voor het verwijzende rechtscollege aangetoond dat artikel 1412quinquies, § 2, van het Gerechtelijk Wetboek te dezen van toepassing is en derhalve het gevraagde derdenbeslag toelaat.
Vervolgens is de immuniteit van rechtsmacht te dezen niet relevant, omdat het gaat om een verzoek tot toelating om beslag te leggen op activa die zich in België bevinden, op basis van een uitvoerbare titel naar Belgisch recht.
Tot slot verzet het arrest Bank Sepah van het Hof van Justitie zich niet ertegen dat een uitvoerend derdenbeslag naar Belgisch recht (dat niet dezelfde gevolgen heeft als een bewarend beslag naar Frans recht) wordt gelegd in een lidstaat van de Europese Unie, op bevroren activa die zich op het grondgebied van die lidstaat bevinden.
A.3.2. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren vervolgens aan dat, bij de wetswijzigingen van 2004 en 2011, geen geldige verantwoording werd gegeven, a posteriori, voor het reeds bestaande algemeen verbod op inbeslagneming. De door de Ministerraad geciteerde Luxemburgse wetsbepalingen zijn hernemingen van de in het geding zijnde bepalingen, die op een later tijdstip werden aangenomen; zij leveren geenszins het bewijs van de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen naar Belgisch recht.
A.3.3. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege doen gelden dat een beslag geen systeemrisico doet ontstaan of groter maakt wanneer de beoogde activa de facto niet of niet meer deelnemen aan het afwikkelingssysteem. De door de Ministerraad geïdentificeerde risico’s stemmen niet overeen met enig risico dat door de richtlijn 98/26/EG of de wet van 28 april 1999 als systeemrisico werd geïdentificeerd, en zijn niet vanuit enige bron gedocumenteerd. Bovendien berusten zij stuk voor stuk op de hypothese dat de beoogde activa deelnemen aan het afwikkelingssysteem, wat te dezen niet het geval is. Immers, een derdenbeslag op bevroren of geïmmobiliseerde activa kan de « finaliteit » van lopende transacties binnen een afwikkelingssysteem niet negatief beïnvloeden, aangezien die activa niet langer het voorwerp kunnen uitmaken van een transactie.
7
A.3.4. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren vervolgens aan dat het Europees Hof voor de Rechten van de Mens nooit heeft ingestemd met een algemene niet-vatbaarheid voor beslag voor activa die zijn ondergebracht op bankrekeningen. Integendeel, het arrest Süzer en Eksen Holding A.S. t. Turkije van 23 oktober 2012 (
ECLI:CE:ECHR:2012:1023JUD000633405
) bevestigt dat het recht op uitvoering van rechterlijke beslissingen fundamenteel is en een wezenlijk onderdeel is van het recht op een eerlijk proces, en dat het doel om een goede werking van het bancaire of financiële systeem te waarborgen niet uitsluit dat de betrokken maatregelen adequaat, verantwoord en evenredig moeten zijn, rekening houdend met de aanzienlijke belemmeringen die zij kunnen inhouden voor de grondrechten — belemmeringen die een striktere toetsing van de evenredigheid van de betrokken maatregelen met zich meebrengen, alsook de verplichting voor de Staat om het bestaan na te gaan van minder extreme maatregelen of maatregelen die de getroffen grondrechten in mindere mate aantasten.
A.3.5. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat de onmogelijkheid tot uitvoering in België te dezen niet voortvloeit uit de beginselen van immuniteit van rechtsmacht of van uitvoering die buitenlandse soevereine Staten in het internationale en het Belgische recht in bepaalde gevallen en niet onbeperkt genieten, maar enkel uit de maatregel van verbod op inbeslagneming van de afwikkelingsrekeningen die worden gehouden in een in België gevestigde afwikkelende instantie.
A.3.6. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege voeren aan dat de regeling van de Europese sancties en de regeling inzake de niet-vatbaarheid voor beslag waarin de in het geding zijnde bepalingen voorzien, verschillend zijn wat de draagwijdte en het doel ervan betreft; zij zijn niet bedoeld om elkaar te versterken, noch om te worden samengevoegd. De bevriezing van activa waarin de verordening (EU) nr. 269/2014 van de Raad van 17 maart 2014 « betreffende beperkende maatregelen met betrekking tot acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen » (hierna : de verordening (EU) nr. 269/2014) voorziet, beoogt bepaalde personen te bestraffen die verantwoordelijk zijn voor acties die de territoriale integriteit, soevereiniteit en onafhankelijkheid van Oekraïne ondermijnen of bedreigen.
Zij heeft niet tot doel en kan niet tot gevolg hebben dat schuldeisers van de Russische Federatie worden bestraft.
Artikel 5, lid 1, van de voormelde verordening staat overigens de bevoegde autoriteiten van de lidstaten toe om toestemming te verlenen voor de vrijgave van bepaalde bevroren tegoeden of economische middelen. Er is voor het verwijzende rechtscollege aangetoond dat de voorwaarden die bij die bepaling zijn vastgelegd, te dezen zijn vervuld, zodat het bestaan van de bevriezing die is opgelegd bij de verordening (EU) nr. 269/2014 voor de activa die worden beoogd door het gevorderde derdenbeslag op Belgisch grondgebied, geen obstakel vormt dat boven op het uit de in het geding zijnde bepalingen voortvloeiende obstakel zou komen. Daarnaast voorziet de verordening (EU) nr. 833/2014 van de Raad van 31 juli 2014 « betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren » (hierna : de verordening (EU) nr. 833/2014) in maatregelen tot immobilisering van activa, alsook in maatregelen die de financiering van Rusland, zijn regering en zijn centrale bank verbieden. Ook zij leidt niet tot een niet-vatbaarheid voor beslag van de betrokken activa in het nadeel van de schuldeisers van de Russische Federatie.
A.4.1. De Ministerraad wijst erop dat de in het geding zijnde regeling van niet-vatbaarheid voor beslag in België niet alleen betrekking heeft op het Euroclear-systeem. Artikel 9 van de wet van 28 april 1999 is van toepassing op alle systemen in de zin van die wet, waaronder het betalingssysteem dat wordt beheerd door de Nationale Bank van België (NBB), dat hoofdzakelijk betrekking heeft op de gedematerialiseerde effecten van de Belgische staatsschuld, krachtens de wet van 2 januari 1991 « betreffende de markt van de effecten van de overheidsschuld en het monetair beleidsinstrumentarium ». Artikel 10 van die wet bevat voor de effectenrekeningen die zijn geopend bij een instelling die rekeningen bijhoudt in het effectenafwikkelingssysteem van de NBB een regeling van absolute niet-vatbaarheid voor beslag die identiek is aan de in het geding zijnde regeling. Een beperking van de in het geding zijnde regeling zou dus ook de markt van de instrumenten van de Belgische staatsschuld aantasten.
De Ministerraad beklemtoont eveneens dat elke cliënt voor wiens rekening die deelnemer effecten onderbrengt in het Euroclear-systeem, op zijn beurt houder is van een effectenrekening in de boeken van die deelnemer (en niet in die van Euroclear Bank). Die effectenrekening maakt geen deel uit van het Euroclear-systeem aangezien Euroclear Bank geen contractuele relatie met de cliënten van zijn deelnemers heeft, noch kan hebben.
Die effectenrekening van een cliënt in de boeken van de deelnemer is niet onderworpen aan de regeling inzake niet-vatbaarheid voor beslag waarin het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 voorziet. Dezelfde redenering geldt mutatis mutandis voor geldrekeningen.
De Ministerraad herinnert overigens eraan dat de prejudiciële vraag specifiek de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen op, krachtens internationale sancties, bevroren of geïmmobiliseerde activa beoogt. Hoe
8
dan ook dient de draagwijdte van de prejudiciële vraag, in tegenstelling tot hetgeen de appellanten voor het verwijzende rechtscollege trachten te doen, niet te worden uitgebreid tot de grondwettigheid van de in het geding zijnde bepalingen in abstracto.
A.4.2. De Ministerraad voert aan dat het recht op uitvoering niet het fundamentele karakter heeft dat de appellanten voor het verwijzende rechtscollege eraan geven, waardoor dat recht in beginsel boven elke andere doelstelling zou moeten worden gesteld. De door die partijen geciteerde rechtspraak leidt niet tot een dergelijke conclusie. Voor het overige wordt aan de appellanten voor het verwijzende rechtscollege geen uitvoeringsmaatregel tegen hun schuldenaar ontzegd, in tegenstelling tot de personen waarop die rechtspraak betrekking heeft. Afwikkelingsrekeningen bevatten immers van nature slechts een beperkt gedeelte van het vermogen van de deelnemers of van hun cliënten. De deelnemers kunnen overigens de rekeningen, geopend bij de Euroclear Bank, niet gebruiken als depositorekeningen (overeenkomstig de verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 « betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 » kunnen die rekeningen enkel worden gebruikt in samenhang met de dienstverrichting door Euroclear Bank in haar hoedanigheid van centrale effectenbewaarinstelling). Die rekeningen worden overigens niet vergoed. Tot slot dient de toepassing van de in het geding zijnde bepalingen te berusten op objectieve en dus onbetwistbare criteria. Die toepassing mag niet variëren naargelang van feitelijke omstandigheden en criteria die dermate vaag en subjectief zijn dat de feitenrechter ze niet zou kunnen toepassen met inachtneming van het rechtszekerheidsbeginsel. De appellanten voor het verwijzende rechtscollege betwisten echter het evenredige karakter van de in het geding zijnde bepalingen in specifieke feitelijke situaties, namelijk wanneer een aanzienlijk gedeelte van het vermogen van de schuldenaar is ondergebracht in afwikkelingsrekeningen van een afwikkelingssysteem dat wordt geëxploiteerd door een in België gevestigde entiteit, wanneer er als logische keerzijde elders ter wereld weinig (of onvoldoende) andere activa zouden zijn waarop beslag kan worden gelegd, of wanneer de activa die in theorie vatbaar zijn voor beslag zich niet zouden bevinden in Staten die schuldeisers toegang verlenen tot een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie.
Die criteria zijn ongedefinieerd, onwerkbaar en niet pertinent.
De Ministerraad voert aan dat de vergelijking van de in het geding zijnde maatregel met het mechanisme dat het faillissement van een deelnemer aan een afwikkelingssysteem regelt, onbegrijpelijk is en dat zij buiten de prejudiciële vraag valt, aangezien zij betrekking heeft op categorieën die niet in de vraag worden beoogd. Voor het overige heeft een beslag een individueel karakter, in tegenstelling tot een faillissement, dat een collectieve vereffeningsprocedure is en dat als zodanig alle activa van de deelnemer definitief onbeschikbaar maakt ter voldoening van zijn schuldeisers. Het is derhalve gerechtvaardigd dat de regelingen niet identiek zijn.
De Ministerraad voert aan dat een wettelijke bepaling niet onevenredig is louter omdat zij een hypothese beoogt die niet door een Europese richtlijn is geregeld. Artikel 9 van de wet van 28 april 1999 heeft een ander en algemener doel dan het doel van de richtlijn 98/26/EG, te weten elke verstoring van de goede werking van de afwikkelingssystemen die zou kunnen voortvloeien uit maatregelen van beslag, sekwester of uit een rechterlijk bevel tot blokkering verhinderen, rekening houdend met, overigens, de aanwezigheid van Euroclear Bank op het Belgische grondgebied.
A.4.3. De Ministerraad is van oordeel dat de betrokken rekeningen nog steeds beantwoorden aan de juridische definitie van « afwikkelingsrekening » in de zin van artikel 2, l), van de richtlijn 98/26/EG. Vooreerst valt die kwestie onder de bevoegdheid van het verwijzende rechtscollege, dat heeft geoordeeld dat de betrokken rekeningen afwikkelingsrekeningen zijn. Het feit dat de activa tijdelijk onbeschikbaar worden gemaakt (als gevolg van omkeerbare sancties), doet niets af aan de omstandigheid dat die activa waren ondergebracht in afwikkelingsrekeningen op het ogenblik dat de maatregel tot bevriezing of immobilisering werd aangenomen; dat zij op de betrokken rekeningen blijven staan, zonder dat de aard van die activa alsook de aard of de bestemming van de afwikkelingsrekeningen worden gewijzigd; dat zij op dezelfde afwikkelingsrekening ondergebracht zullen blijven op het moment van de eventuele opheffing van de maatregel tot bevriezing of immobilisering, waardoor zij opnieuw beschikbaar komen voor hun eigenaar en voor de uitvoering van transacties. Alle rekeningen die bij Euroclear Bank zijn geopend, zijn (en blijven) afwikkelingsrekeningen in de zin van de richtlijn 98/26/EG.
Euroclear Bank houdt in haar boeken geen enkele klassieke zicht- of depositorekening bij. De banklicentie van Euroclear Bank laat haar overigens niet toe andere bankactiviteiten uit te oefenen dan die welke verbonden zijn aan haar activiteit van beheerder van een afwikkelingssysteem in de zin van de richtlijn 98/26/EG. Vervolgens toont overweging 16 van de verordening (EU) nr. 2024/576 van de Raad van 12 februari 2024 « tot wijziging van Verordening (EU) nr. 833/2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van de acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren » aan dat de betrokken rekeningen nog kunnen worden gecrediteerd, zodat zij een afwikkelingsfunctie blijven vervullen. Overigens zijn de betrokken sanctiemaatregelen hoe dan ook
9
van nature tijdelijk en omkeerbaar. Het volstaat dus dat de rekening een afwikkelingsfunctie heeft en niet dat zij de facto op elk ogenblik wordt gebruikt voor de afwikkeling van transacties, om te beantwoorden aan de definitie van « afwikkelingsrekening » in de zin van de richtlijn 98/26/EG en van de wet van 28 april 1999. Bij twijfel zou een prejudiciële vraag moeten worden gesteld aan het Hof van Justitie van de Europese Unie. Tot slot zijn de betrokken activa, zolang de internationale sancties van kracht zijn, in elk geval niet vatbaar voor beslag, als gevolg van die sancties.
Wat betreft de vergelijking die de appellanten voor het verwijzende rechtscollege maken tussen de schuldeisers ten aanzien van wie de activa van de schuldenaar zijn ondergebracht bij een effectenafwikkelingsinstantie in België en de schuldeisers ten aanzien van wie de activa zijn ondergebracht bij elke andere derde-beslagene in België, wijst de Ministerraad erop dat zij verschillende situaties betreft en dat zij de draagwijdte van de prejudiciële vraag overschrijdt. Hoe dan ook bestaat er, in geval van bevriezing of immobilisering, wegens de sancties geen enkel verschil in behandeling tussen de categorieën van schuldeisers, aangezien de betrokken activa voor niemand vatbaar zijn voor beslag.
A.4.4. De Ministerraad leidt uit het verwijzingsvonnis en de memorie van de appellanten voor het verwijzende rechtscollege af dat de schuldenaar van laatstgenoemden de Russische Federatie is. De pertinentie, te dezen, van de verordening (EU) nr. 269/2014 wordt ter discussie gesteld aangezien de Russische Federatie niet is opgenomen in de lijst van de rechtspersonen die worden beoogd door de maatregelen tot bevriezing van vermogensbestanddelen. De verordening (EU) nr. 269/2014 bepaalt dat een specifiek aangewezen nationale autoriteit (in België : de algemene administratie van de Thesaurie, binnen de FOD Financiën) de vrijgave van bevroren vermogensbestanddelen in bepaalde gevallen kan toestaan. De verordening (EU) nr. 833/2014 voorziet overigens in slechts één uitzondering op de erin vastgelegde verbodsmaatregelen : wat betreft het verbod op transacties met betrekking tot het beheer van reserves en van activa van de Russische Centrale Bank, bepaalt artikel 5 van de verordening (EU) nr. 833/2014 dat de bevoegde autoriteiten toestemming kunnen verlenen voor een transactie op voorwaarde dat die strikt noodzakelijk is om de financiële stabiliteit van de Unie in haar geheel of van de betrokken lidstaat te waarborgen, na voorafgaande kennisgeving aan de andere lidstaten en aan de Europese Commissie. Het is duidelijk dat die uitzondering te dezen niet van toepassing is.
De Ministerraad beklemtoont dat, op basis van algemeen beschikbare informatie (en zoals ook de formulering van artikel 5bis, lid 4, van de voormelde verordening (EU) nr. 833/2014 lijkt te bevestigen), de geïmmobiliseerde activa in de rekeningen van Euroclear Bank geen activa van de Russische Federatie zijn (waaruit redelijkerwijs kan worden afgeleid dat zij te dezen de schuldenaar is), maar wel activa van de Russische Centrale Bank. De aanvraag van de appellanten voor het verwijzende rechtscollege is echter uitsluitend gegrond op artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, dat betrekking heeft op de activa « van een buitenlandse mogendheid die zich bevinden op het grondgebied van het Koninkrijk », en niet op artikel 1412quater van hetzelfde Wetboek, dat « de tegoeden van gelijk welke aard, waaronder wisselreserves, die buitenlandse centrale banken of internationale monetaire autoriteiten in België aanhouden of beheren voor eigen rekening of voor rekening van derden » beoogt. Bijgevolg is de geldigheid van de juridische grondslag waarop te dezen de aanvraag voor een uitvoerend beslag berust, twijfelachtig.
Volgens de Ministerraad zijn de voorwaarden bepaald in artikel 1412quinquies van het Gerechtelijk Wetboek, gesteld dat het te dezen pertinent is, niet vervuld. Wat de in die bepaling beoogde derde hypothese betreft, kan niet ervan worden uitgegaan dat de activa die te dezen door de aanvraag tot inbeslagneming worden beoogd, « in het bijzonder [zouden] worden gebruikt of beoogd [zouden] zijn voor gebruik door de buitenlandse mogendheid voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden ». Artikel 21 van het Verdrag van de Verenigde Naties van 2 december 2004 « inzake de immuniteit van rechtsmacht van staten en hun eigendommen »
brengt immers « eigendommen van de centrale bank of een andere monetaire autoriteit van de staat » onder bij de eigendommen die niet kunnen worden aangemerkt als « eigendommen die in het bijzonder worden gebruikt of beoogd zijn voor gebruik door de staat voor andere dan niet-commerciële overheidsdoeleinden », zodat zij hoe dan ook vallen onder de regel van internationaal gewoonterecht inzake uitvoeringsimmuniteit, die de inbeslagneming ervan verhindert.
10
-B-
B.1. Het verwijzende rechtscollege stelt aan het Hof een vraag over de bestaanbaarheid van artikel 9 van de wet van 28 april 1999 « houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen » (hierna : de wet van 28 april 1999
en de richtlijn 98/26/EG) en van artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 « betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten », gecoördineerd bij het koninklijk besluit van 27 januari 2004 en bekrachtigd bij artikel 70 van de wet van 15 december 2004 « betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-
zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten » (hierna :
het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62) met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 13 van de Grondwet en artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, en met artikel 16 van de Grondwet en artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag (hierna : het Eerste Aanvullend Protocol), « in zoverre zij in die zin worden geïnterpreteerd dat zij een absolute niet-vatbaarheid voor beslag verankeren die ook de krachtens internationale sancties bevroren of geïmmobiliseerde activa beschermt die – daardoor - de facto niet of niet meer deelnemen in het afwikkelingssysteem dat die wetsbepalingen beogen te beschermen, zelfs al zouden die activa vatbaar zijn voor beslag in België in het kader van een beslag onder derden in handen van elke andere derde-beslagene ».
B.2.1. De Ministerraad voert aan dat de bevriezing of immobilisering van activa krachtens internationale sancties hoe dan ook een uitvoerend beslag op die activa belet, en dat de beperkingen van het recht op uitvoering van een rechterlijke beslissing te dezen ook voortvloeien uit verschillende internationale, Europese of hogere nationale bepalingen.
B.2.2. In de regel komt het het verwijzende rechtscollege toe te oordelen of het antwoord op de prejudiciële vraag nuttig is voor het oplossen van het geschil. Alleen indien dat klaarblijkelijk niet het geval is, kan het Hof beslissen dat de vraag geen antwoord behoeft.
11
B.2.3. Uit de motivering van het verwijzingsarrest blijkt dat de procedure ten gronde betrekking heeft op een eenzijdig verzoekschrift om toelating te vragen voor een derdenbeslag bij een centrale effectenbewaarinstelling op grond van artikel 1412quinquies, § 2, 3°, van het Gerechtelijk Wetboek.
Het Hof beperkt zijn onderzoek tot die situatie.
Overigens, hoewel dit niet duidelijk blijkt uit het verwijzingsarrest, steunt de prejudiciële vraag impliciet op het uitgangspunt dat de maatregelen tot bevriezing of immobilisering die krachtens de erin beoogde Europese verordeningen zijn opgelegd, kunnen worden gedeblokkeerd. Die internationale sancties sluiten met andere woorden een deblokkering van de betrokken bevroren of geïmmobiliseerde activa niet geheel uit.
Het Hof antwoordt op de prejudiciële vraag op basis van dat uitgangspunt, dat niet kennelijk onjuist is. Voor het overige antwoordt het Hof op de prejudiciële vraag zoals zij door het verwijzende rechtscollege werd gesteld, waarbij niets erop wijst dat zij kennelijk zonder nut zou zijn voor de oplossing van het geschil.
B.3.1. Artikel 9 van de wet van 28 april 1999, dat is opgenomen in hoofdstuk VII van die wet, met als titel « Niet vatbaarheid voor beslag van de afwikkelingsrekeningen », bepaalt :
« Een afwikkelingsrekening van de systeemexploitant of de afwikkelende instantie gebruikt voor het houden van geld, alsmede elke overdracht van gelden via een kredietinstelling naar Belgisch of buitenlands recht, over te schrijven op een dergelijke afwikkelingsrekening, is niet vatbaar voor beslag, sekwester of blokkering op enigerlei wijze door een deelnemer, een tegenpartij of een derde verschillend van de systeemexploitant of de afwikkelende instantie ».
B.3.2. Artikel 11 van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 bepaalt :
« Derden-beslag op de rekeningen-courant van financiële instrumenten geopend in de boeken van de centrale effectenbewaarinstelling is niet toegestaan. Derden-beslag op de financiële instrumenten die in bewaring worden gegeven door de centrale effectenbewaarinstelling is evenmin toegestaan.
Onverminderd de toepassing van de artikelen 12 en 13 kunnen, bij faillissement of iedere andere samenloop, de schuldeisers van de eigenaar van de financiële instrumenten hun rechten laten gelden op het beschikbaar saldo van de op naam en voor rekening van hun schuldenaar op rekening gestorte financiële instrumenten, na aftrekking of toevoeging van de financiële
12
instrumenten die, ingevolge voorwaardelijke of naar omvang onbepaalde verbintenissen of verbintenissen op termijn tot levering van financiële instrumenten, op de dag van het faillissement of van de samenloop, in voorkomend geval zijn opgenomen in een afzonderlijk deel van die effectenrekening, en waarvan de opname in het beschikbaar saldo wordt uitgesteld tot de voorwaarde verwezenlijkt, het bedrag bepaald of de termijn verstreken is.
De in het tweede lid bedoelde voorwaardelijke of naar omvang onbepaalde verbintenissen of verbintenissen op termijn zijn beperkt tot de verbintenissen die voortvloeien uit een rechtsverhouding tussen de houder van de betrokken effectenrekening en de instelling die deze rekening inhoudt ».
B.4.1. De memorie van toelichting van de wet van 28 april 1999 vermeldt :
« Dit artikel is het enige van het ontwerp van wet dat niet de rechtstreekse omzetting is van een overeenstemmende bepaling van richtlijn 98/26/EG, hoewel de toevoeging van een analoge bepaling ter sprake is geweest tijdens de voorbereidende besprekingen van de richtlijn.
Het betreft hier het invoeren van het niet-vatbaar zijn voor beslag van om het even welke contantenvereffeningsrekening bij de Nationale Bank van België evenals bij om het even welke instelling die fungeert als systeembeheerder of vereffeningsinstantie van een systeem.
Artikel 9 van koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 ter bevordering van het effectenverkeer bepaalt reeds dat ‘ geen enkel derdenbeslag zal mogen worden gelegd op de rekeningen-courant van effecten geopend in de boeken van het interprofessioneel organisme [de CIK] ’. Evenzo bepaalt artikel 10 van de wet van 2 januari 1991 met betrekking tot de markt van de effecten van de overheidsschuld dat ‘ geen enkel derdenbeslag is toegelaten op de effectenrekeningen geopend op naam van een rekeninghouder ’ (in het effectenclearingsysteem van de NBB).
Het is niet de bedoeling van het artikel 9 van het ontwerp van wet een veralgemeende onbeheerbaarheid van rekeningen van financiële tussenpersonen uit te vaardigen maar wel ontijdige, of zelfs abusieve beslagen te verhinderen die de hele vereffening van een betalings-
of effectenclearingsysteem kunnen stilleggen, via een beslag op het (eventuele) creditsaldo van een vereffeningsrekening van een financiële instelling bij de Nationale Bank van België of bij het vereffeningsorganisme van een door de wet bedoeld systeem.
Zo heeft de ervaring uitgewezen dat het bijvoorbeeld kan voorvallen dat een voormalig verantwoordelijke van een financiële instelling beslag laat leggen op het geheel van rekeningen van deze laatste bij de NBB, dit om de invordering te waarborgen van een overigens betwiste eis tot ontslagvergoeding. Een dergelijk abusief en meestal enkele uren later of de volgende dag opgeheven beslag heeft niettemin de onmiddellijke blokkering voor gevolg van de werking van de vereffeningsrekening van de betrokken financiële instelling bij de NBB, met als resultaat dat de globale afwikkeling in het gedrang komt van de betalings- of effectenclearingsystemen die gebeurt via debitering van de contantenrekening van elke debetstaande deelnemer. Een dergelijk beslag op de vereffeningsrekeningen zou ook de meest kwalijke gevolgen kunnen hebben voor de internationale betalingssystemen in euro zoals Target (bij beslag op een vereffeningsrekening van en opdrachtgever of begunstigde van een transactie) of het systeem ‘ EURO 1 ’ beheerd door de interbancaire vereniging Eurobanking (de opvolger van de ecu clearing).
13
Deze voorbeelden moeten de enge samenhang verhelderen tussen deze problematiek en die van ‘ het definitieve karakter van de afwikkeling ’ bedoeld door richtlijn 98/26/EG en onderhavig ontwerp van wet, wat de toevoeging van artikel 9 lijkt te rechtvaardigen.
Nog afgezien van de hypothese van een derdenbeslag, mag de vereffeningsrekening bij de Nationale Bank of elke andere beheerder van een vereffeningssysteem evenmin worden verlamd ten gevolge van een analoge maatregel, zoals het sekwester of eender welke blokkeringopdracht, behalve indien de maatregel (een afsluiting bijvoorbeeld) wordt beslist door de beheerder van het systeem in de boeken waarin de concrete vereffeningsrekening zou zijn geopend, bijvoorbeeld in geval van faillissement van de deelnemer titularis van de rekening.
Buiten deze hypothese moeten de schuldeisers van een deelnemer in het vermogen van laatstgenoemde de nodige activa kunnen aantreffen die de recuperatie van hun rechten mogelijk maken zonder dat het noodzakelijk moet zijn de (meestal niet vergoede) vereffeningrekening in beslag te nemen, die vrij dient te blijven van elke belemmering, precies om de goede eindvereffening van het systeem toe te laten in het belang van alle deelnemers.
Om te antwoorden op de vraagstellingen van de Raad van State op dit vlak kan de regering stellen dat dergelijke bepaling volledig verzoenbaar is met de richtlijn en de beginselen van gelijkheid en proportionaliteit (om de reeds in de inleiding uiteengezette redenen) en op generlei wijze de doeltreffendheid van de waarborgen bedreigt (het weze op effecten - wat vanzelfsprekend is - of op speciën), die door artikel 8 van het ontwerp worden georganiseerd »
(Parl. St., Kamer, 1998-1999, nr. 1999/1, pp. 24-26; zie eveneens Parl. St., Kamer, 2003-2004, DOC 51-1157/001, pp. 63-64).
B.4.2. Het verslag aan de Koning dat voorafgaat aan het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967, vermeldt :
« Ten einde de overschrijvingen van de ene rekening op de andere zonder hinder te laten verlopen, voorziet artikel 9 dat geen enkel derden-beslag zal mogen gelegd worden op de rekeningen-courant van effecten geopend in de boeken van het interprofessioneel organisme.
Deze bepaling verbiedt geenszins het derden-beslag gelegd in de handen van de aangesloten leden » (Belgisch Staatsblad, 14 november 1967, p. 11797).
B.5.1. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden.
14
B.5.2. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.6.1. Artikel 13 van de Grondwet bepaalt :
« Niemand kan tegen zijn wil worden afgetrokken van de rechter die de wet hem toekent ».
B.6.2. Artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt :
« Bij het vaststellen van zijn burgerlijke rechten en verplichtingen of bij het bepalen van de gegrondheid van een tegen hem ingestelde strafvervolging heeft eenieder recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie welke bij de wet is ingesteld. Het vonnis moet in het openbaar worden gewezen maar de toegang tot de rechtszaal kan aan de pers en het publiek worden ontzegd gedurende het gehele proces of een deel daarvan, in het belang van de goede zeden, van de openbare orde of ‘s lands veiligheid in een democratische samenleving, wanneer de belangen van minderjarigen of de bescherming van het privé leven van partijen bij het proces dit eisen of, in die mate als door de rechter onder bepaalde omstandigheden strikt noodzakelijk wordt geoordeeld, wanneer openbaarmaking de belangen van de rechtspraak zou schaden ».
B.6.3. Die twee bepalingen waarborgen het recht op toegang tot een bevoegde rechter, dat zonder discriminatie moet worden toegekend en dat het recht omvat om de uitvoering van het gewezen vonnis of arrest te verkrijgen (EHRM, 19 maart 1997, Hornsby t. Griekenland,
ECLI:CE:ECHR:1997:0319JUD001835791
, § 40). Het recht op de daadwerkelijke uitvoering van rechterlijke uitspraken behoort tot de fundamentele grondslagen waarop een rechtsstaat is gebaseerd. Het geldt eveneens voor scheidsrechterlijke uitspraken die ten uitvoer mogen worden gelegd.
B.6.4. Het recht op toegang tot een rechterlijke instantie is evenwel niet absoluut. Het kan worden beperkt voor zover die beperkingen de toegang niet zodanig of dermate beperken dat
15
het recht in zijn wezen wordt aangetast, zij een wettig doel nastreven en er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en dat doel (EHRM, 28 november 2006, Apostol t. Georgië,
ECLI:CE:ECHR:2006:1128JUD004076502
, § 57; 9 april 2015, Tchokontio Happi t. Frankrijk,
ECLI:CE:ECHR:2015:0409JUD006582912
, § 48).
B.7.1. Artikel 16 van de Grondwet bepaalt :
« Niemand kan van zijn eigendom worden ontzet dan ten algemenen nutte, in de gevallen en op de wijze bij de wet bepaald en tegen billijke en voorafgaande schadeloosstelling ».
B.7.2. Artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bepaalt :
« Alle natuurlijke of rechtspersonen hebben recht op het ongestoord genot van hun eigendom. Niemand zal van zijn eigendom worden beroofd behalve in het algemeen belang en met inachtneming van de voorwaarden neergelegd in de wet en in de algemene beginselen van het internationaal recht.
De voorgaande bepalingen zullen echter op geen enkele wijze het recht aantasten dat een Staat heeft om die wetten toe te passen welke hij noodzakelijk oordeelt om toezicht uit te oefenen op het gebruik van eigendom in overeenstemming met het algemeen belang of om de betaling van belastingen of andere heffingen en boeten te verzekeren ».
B.7.3. Het begrip « eigendom » in de zin van die bepaling omvat niet alleen de bestaande eigendommen maar ook de schuldvorderingen, voor zover zij een voldoende grondslag in het interne recht hebben, bijvoorbeeld omdat zij bij een definitief vonnis worden bevestigd (EHRM, 3 oktober 2013, Giavi t. Griekenland,
ECLI:CE:ECHR:2013:1003JUD002581609
, §§ 39-40; 4 februari 2014, Staibano e.a. t. Italië,
ECLI:CE:ECHR:2014:0204JUD002990707
, §§ 40-41). Een schuldvordering ten laste van een buitenlandse mogendheid die bij een definitieve rechterlijke uitspraak is vastgesteld, kan eigendom in die zin uitmaken, zodat artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol erop van toepassing is.
B.7.4. Elke inmenging in het eigendomsrecht moet een billijk evenwicht vertonen tussen de vereisten van het algemeen belang en die van de bescherming van het recht op het ongestoord genot van de eigendom. Er moet een redelijk verband van evenredigheid bestaan tussen de aangewende middelen en het nagestreefde doel.
16
B.8. In zoverre zij elk beslag op afwikkelingsrekeningen en op rekeningen-courant van financiële instrumenten geopend in de boeken van een centrale effectenbewaarinstelling verbieden, brengen de in het geding zijnde bepalingen een inmenging met zich mee in het recht op de daadwerkelijke uitvoering van een rechterlijke beslissing, dat deel uitmaakt van het recht op toegang tot een bevoegde rechter, alsook in het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de schuldeisers die de uitvoering vorderen van een schuldvordering op de op die rekeningen ondergebrachte activa. Daaruit volgt eveneens een verschil in behandeling tussen, enerzijds, die schuldeisers en, anderzijds, de schuldeisers die beslag wensen te leggen op dezelfde activa in het kader van een derdenbeslag in handen van elke andere derde-beslagene.
Het Hof dient na te gaan of de in het geding zijnde maatregel een legitieme doelstelling nastreeft en of er een redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en die doelstelling.
B.9. De wet van 28 april 1999 zet de richtlijn 98/26/EG (ook de « Finaliteitsrichtlijn »
genoemd) om in Belgisch recht. Die richtlijn strekt ertoe te waarborgen dat de overdracht van financiële producten en betalingsopdrachten kunnen worden afgehandeld, vooral door problemen te beperken die voortvloeien uit de insolventie van een deelnemer. Zoals de in B.4.1
geciteerde memorie van toelichting vermeldt, is artikel 9 van de wet van 28 april 1999 « niet de rechtstreekse omzetting [...] van een overeenstemmende bepaling van richtlijn 98/26/EG ».
Artikel 9 van de wet van 28 april 1999 verbiedt elke vorm van blokkering van afwikkelingsrekeningen die worden gebruikt voor het houden van contanten en effecten van een systeem in de zin van die wet. Een systeem in de zin van die wet is een formele overeenkomst tussen deelnemers, met gemeenschappelijke regels en standaardprocedures voor de clearing of het uitvoeren van overboekingsopdrachten tussen de deelnemers, waarop het recht van een door de deelnemers gekozen lidstaat van toepassing is, en die als systeem is aangemerkt en bij de Europese Autoriteit voor effecten en markten is aangemeld door de lidstaat waarvan het recht toepasselijk is (artikel 1/1, 1°, van de wet van 28 april 1999).
Effectenafwikkelingssystemen zijn systemen die enkel overboekingsopdrachten voor effecten alsook de betalingen die uit die opdrachten voortvloeien, uitvoeren. Zij maken transacties van aankoop of verkoop mogelijk zonder fysieke verplaatsing van het betrokken financiële instrument, en dat via – overeenkomstige – debet- of creditverrichtingen van de
17
effectenrekeningen en kasrekeningen die deelnemers aan het systeem bezitten in de boeken van de beheerder van dat systeem. De effectenafwikkelingssystemen naar Belgisch recht zijn opgesomd in artikel 2, § 1, b), van de wet van 28 april 1999.
Artikel 2, lid 1, 1), van de verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 « betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 » definieert een « centrale effectenbewaarinstelling » als « een rechtspersoon die een effectenafwikkelingssysteem als bedoeld in punt 3 van afdeling A van de bijlage exploiteert en ten minste één andere kerndienst als bedoeld in afdeling A van de bijlage verstrekt ». Een centrale effectenbewaarinstelling exploiteert dus een systeem dat als zodanig is aangemerkt in de zin van de richtlijn 98/26/EG en de wet van 28 april 1999 waarbij die richtlijn wordt omgezet.
Tot slot is een afwikkelingsrekening « een rekening bij een centrale bank, een afwikkelende instantie of een centrale tegenpartij die gebruikt wordt voor het houden van contanten of effecten en waarmee ook transacties tussen deelnemers aan een systeem worden afgewikkeld »
(artikel 1/1, 13°, van de wet van 28 april 1999).
Artikel 11 van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 verbiedt op zijn beurt een derdenbeslag op effectenrekeningen die zijn geopend in de boeken van een centrale effectenbewaarinstelling.
B.10. Uit de memorie van toelichting van de wet van 28 april 1999 blijkt dat artikel 9 van die wet beoogt te vermijden dat de goede werking van een afwikkelingssysteem waarvan de beheerder gevestigd is op het Belgische grondgebied, zou worden verlamd of gehinderd door een maatregel van beslag, sekwester of rechterlijk bevel tot blokkering. Het gaat erom de goede werking van de systemen voor betaling en effectenafwikkeling te waarborgen, in het belang van alle deelnemers aan het systeem. Met artikel 11 van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 wordt een analoog doel nagestreefd.
De Ministerraad doet eveneens gelden dat, in zoverre zij van toepassing zijn op Euroclear Bank, die een in België gevestigde centrale effectenbewaarinstelling is waarvan de rol op de
18
wereldwijde financiële markten van wezenlijk belang is, de in het geding zijnde bepalingen toelaten de mogelijke systemische gevolgen van een disfunctioneren van dat afwikkelingssysteem, voor de bank- en betalingssystemen op wereldniveau, te voorkomen.
B.11. Die doelstellingen zijn legitiem. Het verbod op beslag op afwikkelingsrekeningen en op rekeningen-courant van financiële instrumenten geopend in de boeken van een centrale effectenbewaarinstelling is overigens noodzakelijk en pertinent met het oog op het waarborgen van de rechtszekerheid, het vertrouwen van alle deelnemers in de betrokken systemen en, in fine, de stabiliteit van de betrokken bank- en betalingssystemen in het algemeen.
Rekening houdend met de ruime beoordelingsbevoegdheid waarover hij beschikt wat betreft de keuze van de wettelijke maatregelen die ertoe strekken de goede werking van het bankensysteem te waarborgen (EHRM, 2 juni 2016, International Bank for Commerce and Development AD e.a. t. Bulgarije,
ECLI:CE:ECHR:2016:0602JUD000703105
, § 124);
16 maart 2021, Karahasanoğlu t. Turkije,
ECLI:CE:ECHR:2021:0316JUD002139208
, § 150), kan de wetgever in dat verband niet worden verweten dat hij niet heeft voorzien in een uitzondering op het principieel verbod op beslag voor de activa die niet of niet meer deelnemen aan een afwikkelingssysteem, in het bijzonder voor de krachtens internationale sancties bevroren of geïmmobiliseerde activa, gelet op de eventuele moeilijkheid om in concreto vast te stellen of bepaalde activa niet of niet meer deelnemen aan het betrokken afwikkelingssysteem, en op het risico en de onzekerheid die een dergelijke moeilijkheid kan veroorzaken, waardoor de rechtszekerheid en de stabiliteit van de betrokken afwikkelingssystemen aldus in het gedrang komen.
B.12. De in het geding zijnde bepalingen hebben geen onevenredige gevolgen voor de betrokken schuldeisers, aangezien zij de uitvoering van de betaling van hun schuldvorderingen kunnen vorderen op de andere activa van hun schuldenaars in België en in het buitenland.
B.13. De in het geding zijnde bepalingen doen bijgevolg niet op onevenredige wijze afbreuk aan het recht op de daadwerkelijke uitvoering van een rechterlijke beslissing en aan het recht op het ongestoord genot van de eigendom van de betrokken schuldeisers, en het in B.8
vermelde verschil in behandeling is redelijk verantwoord.
19
Artikel 9 van de wet van 28 april 1999 en artikel 11 van het gecoördineerd koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 zijn bestaanbaar met de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol.
20
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 9 van de wet van 28 april 1999 « houdende omzetting van Richtlijn 98/26/EG van 19 mei 1998 betreffende het definitieve karakter van de afwikkeling van betalingen en effectentransacties in betalings- en afwikkelingssystemen » en artikel 11 van het koninklijk besluit nr. 62 van 10 november 1967 « betreffende de bewaargeving van vervangbare financiële instrumenten en de vereffening van transacties op deze instrumenten », gecoördineerd bij koninklijk besluit van 27 januari 2004 en bekrachtigd bij artikel 70 van de wet van 15 december 2004 « betreffende financiële zekerheden en houdende diverse fiscale bepalingen inzake zakelijke-zekerheidsovereenkomsten en leningen met betrekking tot financiële instrumenten », schenden niet de artikelen 10, 11, 13 en 16 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 6, lid 1, van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 1 van het Eerste Aanvullend Protocol bij dat Verdrag.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juli 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.114
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:CE:ECHR:1997:0319JUD001835791
ECLI:CE:ECHR:2006:1128JUD004076502
ECLI:CE:ECHR:2012:1023JUD000633405
ECLI:CE:ECHR:2013:0409DEC000633405
ECLI:CE:ECHR:2013:1003JUD002581609
ECLI:CE:ECHR:2014:0204JUD002990707
ECLI:CE:ECHR:2015:0409JUD006582912
ECLI:CE:ECHR:2016:0602JUD000703105
ECLI:CE:ECHR:2021:0316JUD002139208
ECLI:EU:C:2021:903
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==