Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.113

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-07-17 🌐 FR Arrest vernietigd

Rechtsgebied

grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

18 mei 2024, 19 juli 1991, 2 oktober 2017, 6 januari 1989, Constitution

Samenvatting

het beroep tot vernietiging van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing », ingesteld door Filip Scheemaker.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.113 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.113 Arrest- Rolnummer: 113/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-07-28 Raadplegingen: 172 - laatst gezien 2025-12-15 14:28 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Schending (artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024, in zoverre die bepaling niet voorziet in een uitzondering op het verbod om les te geven aan een erkende opleidingsinstelling voor de in artikel 30, eerste lid, 6°, vermelde gewezen leden van de politiediensten) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: het beroep tot vernietiging van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing », ingesteld door Filip Scheemaker. Economisch recht - Private opsporing (privédetective) - Opleidingsinstelling - Lesgever - Uitsluiting - Gewezen lid van een politiedienst Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 113/2025 van 17 juli 2025 Rolnummer : 8401 In zake : het beroep tot vernietiging van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing », ingesteld door Filip Scheemaker. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, voorzitter Pierre Nihoul, en de rechters Thierry Giet, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 20 december 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 23 december 2024, heeft Filip Scheemaker, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Johan Vande Lanotte, advocaat bij de balie te Gent, beroep tot vernietiging ingesteld van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 december 2024). Bij afzonderlijk verzoekschrift vorderde de verzoekende partij eveneens de schorsing van dezelfde wetsbepaling. Bij het arrest nr. 38/2025 van 27 februari 2025 ( ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.038 ), bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 6 mei 2025, heeft het Hof de vordering tot schorsing verworpen. De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Nicolas Bonbled en mr. Junior Geysens, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend, de verzoekende partij heeft een memorie van antwoord ingediend en de Ministerraad heeft ook een memorie van wederantwoord ingediend. Bij beschikking van 4 juni 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Sabine de Bethune en Thierry Giet te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen 2 was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. In rechte -A- Ten aanzien van de ontvankelijkheid A.1. De verzoekende partij voert aan dat zij een gepensioneerde politiecommissaris is die tot op heden les gaf in de sector van de private opsporing aan de erkende opleidingsinstelling « Syntra West ». Ingevolge de bestreden bepaling moet zij die activiteit stopzetten van 16 december 2024 tot juli 2026, hetgeen ook wordt opgemerkt door de betrokken opleidingsinstelling in een e-mail gericht aan de verzoekende partij. Zij beschikt bijgevolg over een belang om de vernietiging van de bestreden bepaling te vragen. A.2. Volgens de Ministerraad is het beroep tot vernietiging niet ontvankelijk bij gebrek aan het rechtens vereiste belang. Het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel, zijnde de onmogelijkheid om les te geven in de sector van de private opsporing, vloeit immers niet voort uit de bestreden bepaling, maar uit de onverenigbaarheid die is bepaald bij artikel 30, eerste lid, 6°, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing » (hierna : de wet van 18 mei 2024). Bijgevolg kan de vernietiging de verzoekende partij geen enkel voordeel opleveren. Ten aanzien van het enige middel A.3. Het enige middel is afgeleid uit de schending van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. De verzoekende partij viseert het onderscheid dat wordt gemaakt tussen de voorwaarden voor het lesgeven aan de opleidingsinstellingen voor de private beveiligingsondernemingen en de voorwaarden voor het lesgeven aan de opleidingsinstellingen voor de private opsporing. Zij viseert eveneens het onderscheid dat, binnen de sector van de private opsporing, wordt gemaakt tussen de actieve en de gewezen leden van de politiediensten. Terwijl de actieve en de gewezen leden van de politiediensten krachtens de wet van 2 oktober 2017 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » (hierna : de wet van 2 oktober 2017) wel mogen lesgeven in de sector van de private veiligheid, maakt de bestreden bepaling het enkel voor de actieve leden van de politiediensten mogelijk om les te geven in de sector van de private opsporing, maar niet voor de gewezen leden van de politiediensten gedurende drie jaar na hun uitdiensttreding. Nochtans streefde de wetgever met de bestreden bepaling coherentie na tussen de sector van de private veiligheid en de sector van de private opsporing. Het feit dat de wet van 2 oktober 2017 eerder regulerend zou zijn en de wet van 18 mei 2024 eerder beperkend, kan het verschil in behandeling tussen lesgevers in de sector van de private veiligheid en lesgevers in de sector van de private opsporing niet verantwoorden. Voorts is de uitsluiting van (gewezen) leden van de politiediensten uit het beroep zelf van privédetective erop gericht elke vorm van of elk risico op ongewenste informatiedoorstroming te verhinderen. Om diezelfde reden wordt in een overstapverbod van drie jaar voorzien tussen politiediensten en de sector van de private opsporing. Gelet op die doelstellingen is er geen pertinente reden voor het onderscheid, enerzijds, tussen lesgevers in de sector van de private veiligheid en lesgevers in de sector van de private opsporing en, anderzijds, in de sector van de private opsporing zelf, tussen actieve en gewezen leden van de politiediensten. 3 Bijgevolg dient de bestreden bepaling te worden vernietigd in zoverre zij een lacune bevat doordat zij wel een uitzondering maakt voor de actieve leden van de politiediensten om les te geven in de sector van de private opsporing, maar niet voor de gewezen leden van de politiediensten. Die vernietiging dient aldus te worden geïnterpreteerd dat voor de gewezen leden van de politiediensten hetzelfde geldt als voor de actieve leden, namelijk dat ze wel degelijk kunnen lesgeven in de sector van de private opsporing. A.4.1. Naar het oordeel van de Ministerraad is het enige middel niet gegrond. De Ministerraad herhaalt vooreerst dat het aangevoerde nadeel niet voortvloeit uit de bestreden bepaling, maar uit de onverenigbaarheid die is bepaald bij artikel 30, eerste lid, 6°, van de wet van 18 mei 2024. Bijgevolg vloeit het bekritiseerde onderscheid niet voort uit de bestreden bepaling, zodat die bepaling niet strijdig is met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Voorts zijn personen die onder de toepassing van de wet van 18 mei 2024 ressorteren niet vergelijkbaar met personen die onder de toepassing van de wet van 2 oktober 2017 ressorteren, in zoverre beide wetten een verschillend toepassingsgebied en een verschillende finaliteit hebben. Aldus is de wet van 2 oktober 2017 in eerste instantie erop gericht de kwaliteit van de dienstverlening te garanderen teneinde de sector op die manier te kunnen integreren in het globale veiligheidsgebeuren, terwijl bij de wet van 18 mei 2024 de nadruk veeleer ligt op de bescherming van de fundamentele rechten, in het bijzonder de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, en het behoud van de noodzakelijke grenzen tussen private en publieke opsporingsactiviteiten. In ieder geval is het verschil in behandeling redelijk verantwoord. De Ministerraad verwijst ter zake naar het feit dat de persoonsvoorwaarden in de wet van 18 mei 2024 strenger zijn dan de persoonsvoorwaarden in de wet van 2 oktober 2017. Die verschillen dienen te worden geplaatst in het licht van de bovenvermelde verschillende doelstellingen van beide wetten. Wat het zogenaamde « overstapverbod » betreft, wordt in de parlementaire voorbereiding van de wet van 2 oktober 2017 meermaals aangegeven dat dat overstapverbod niet langer actueel is en daarom afgezwakt moet worden. Dat verklaart de toevoeging van de zin « waarbij het onmiddellijk erna uitoefenen van een functie in de private veiligheid een gevaar oplevert voor de Staat of voor de openbare orde ». Die overwegingen zijn evenwel niet van toepassing in het kader van de wet van 18 mei 2024. In de parlementaire voorbereiding van die wet wordt integendeel verduidelijkt dat de maatregelen tot voorkoming van bevoegdheidsoverschrijding of een ongewenste inmenging in de taken van politie of justitie behouden moeten blijven, net zoals de grenzen met betrekking tot de mogelijkheden van overstap of de ongewenste samenwerking tussen publieke veiligheidsactoren en private spelers. Het verschil in formulering tussen artikel 30, eerste lid, 6°, van de wet van 18 mei 2024 en artikel 61, eerste lid, 11°, van de wet van 2 oktober 2017 moet dus verklaard worden vanuit het verschil in nut van het overstapverbod, waarbij de wetgever ten aanzien van de sector van de private opsporing, uit overwegingen van voorzichtigheid en behoedzaamheid, heeft geoordeeld dat de wachtperiode dient te gelden ten aanzien van elke persoon die onder de toepassing van de wet van 18 mei 2024 valt. Die beoordeling is niet onredelijk of onzorgvuldig. A.4.2. In ondergeschikte orde voert de Ministerraad aan dat de vermeende discriminatie voortvloeit uit een extrinsieke lacune in de wetgeving, die enkel door de wetgever kan worden weggewerkt. Het komt immers niet aan het Grondwettelijk Hof maar aan de wetgever toe om een soortgelijke bepaling aan te nemen die is afgestemd op de sector van de private opsporing. -B- B.1.1. De verzoekende partij vordert de vernietiging van artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing » (hierna : de wet van 18 mei 2024). B.1.2. De wet van 18 mei 2024 regelt de sector van de private opsporing en vervangt de wet van 19 juli 1991 « tot regeling van het beroep van privé-detective ». 4 Krachtens artikel 3 van de wet van 18 mei 2024 wordt de activiteit van private opsporing uitgeoefend door een natuurlijke persoon in opdracht van een opdrachtgever en bestaat die activiteit uit het verzamelen van inlichtingen verkregen door de verwerking van informatie over natuurlijke of rechtspersonen of aangaande de toedracht van door hen begane feiten. Die activiteit heeft als doel de verzamelde inlichtingen te verschaffen aan de opdrachtgever om diens belangen in het kader van een effectief conflict of een mogelijk conflict te vrijwaren of om verdwenen personen of verloren of gestolen goederen op te sporen. B.1.3. Artikel 30 van de wet van 18 mei 2024 bevat de voorwaarden waaraan de in artikel 29 vermelde personen, onder wie de opdrachthouders, de private onderzoekers en de lesgevers van de opleidingsinstellingen die een opleiding aanbieden met betrekking tot activiteiten van private opsporing, moeten voldoen. Krachtens die bepaling mag een lid van een politiedienst of een inlichtingen- of veiligheidsdienst niet tegelijkertijd een functie in de sector van de private opsporing uitoefenen (artikel 30, eerste lid, 3°, a)). Voorts mogen de in artikel 29 vermelde personen « in de afgelopen drie jaar geen lid geweest zijn van een politiedienst of een inlichtingen- of veiligheidsdienst » (artikel 30, eerste lid, 6°). Krachtens artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « [geldt de] in het eerste lid, 3°, a), bepaalde onverenigbaarheid [...] niet voor de leden van de politiediensten die een functie uitoefenen van lesgever in een opleidingsinstelling ». B.2. De verzoekende partij bekritiseert het feit dat de in het bestreden artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 vermelde uitzondering op het verbod om les te geven aan een opleidingsinstelling in de sector van de private opsporing enkel geldt voor de in artikel 30, eerste lid, 3°, a), vermelde leden van een politiedienst, en niet voor de in artikel 30, eerste lid, 6°, vermelde personen die in de afgelopen drie jaar lid geweest zijn van een politiedienst. De bestreden bepaling heeft aldus tot gevolg dat de actieve leden van een politiedienst les mogen geven aan een opleidingsinstelling die een opleiding aanbiedt met betrekking tot activiteiten van private opsporing, terwijl zulks niet toegestaan is voor een gewezen lid van een politiedienst gedurende drie jaar na zijn uitdiensttreding. B.3.1. De Ministerraad voert aan dat de verzoekende partij niet beschikt over het vereiste belang en dat het beroep daarom onontvankelijk is. 5 B.3.2. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt. B.3.3. De verzoekende partij is een gewezen politiecommissaris die sinds 1 juli 2023 op pensioen is en die tot op het ogenblik van de inwerkingtreding van de bestreden bepaling lesgaf in de sector van de private opsporing aan een erkende opleidingsinstelling. Zij wordt rechtstreeks en ongunstig geraakt door de bestreden bepaling, die enkel voor een actief lid van een politiedienst voorziet in een uitzondering op het verbod om les te geven aan een opleidingsinstelling, en niet voor de personen die in de afgelopen drie jaar lid geweest zijn van een politiedienst. De verzoekende partij getuigt bijgevolg van een afdoende belang bij de vernietiging van de bestreden bepaling, in zoverre die bepaling niet voorziet in een uitzondering op het verbod om les te geven aan een erkende opleidingsinstelling voor de in artikel 30, eerste lid, 6°, vermelde gewezen leden van de politiediensten. B.4. De verzoekende partij voert in het enige middel een schending aan, door artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024, van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Zij viseert het onderscheid dat wordt gemaakt, enerzijds, tussen de voorwaarden voor het lesgeven aan de opleidingsinstellingen in de sector van de private veiligheid en de voorwaarden voor het lesgeven aan de opleidingsinstellingen in de sector van de private opsporing en, anderzijds, binnen de sector van de private opsporing, tussen de actieve en de gewezen leden van de politiediensten. Terwijl de actieve en de gewezen leden van de politiediensten krachtens de wet van 2 oktober 2017 « tot regeling van de private en bijzondere veiligheid » wel mogen lesgeven in de sector van de private veiligheid, maakt de bestreden bepaling het enkel voor de actieve leden van de politiediensten mogelijk om les te geven in de sector van de private opsporing, maar niet voor de gewezen leden van de politiediensten gedurende drie jaar na hun uitdiensttreding. B.5. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet waarborgen het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie. 6 Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.6.1. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 18 mei 2024 blijkt dat het in artikel 30, eerste lid, 3°, a), van die wet neergelegde verbod voor een lid van een politiedienst of een inlichtingen- of veiligheidsdienst om tegelijkertijd een functie in de sector van de private opsporing uit te oefenen ertoe strekt « elke vorm of elk risico op ongewenste informatiedoorstroming of uitwisseling van politionele of andere af te schermen informatie te verhinderen » (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3935/001, p. 32). Het in artikel 30, eerste lid, 6°, van die wet neergelegde verbod voor een gewezen lid van een politiedienst om binnen een termijn van drie jaar na de uitdiensttreding een functie in de sector van de private opsporing uit te oefenen, wordt verantwoord door het feit dat « private speurders [...] er alle belang bij [hebben] hun oude contacten aan te boren om toegang te hebben tot gegevens waar zij geen recht (meer) op hebben. Deze praktijk vormt een zeer reëel risico en vormt tevens een beschermingsbuffer ten aanzien van de politiemensen zelf » (ibid., p. 35). Aldus beogen beide bepalingen in essentie het risico op ongewenste informatiedoorstroming te verhinderen. B.6.2. Het dient te worden aangenomen dat de wetgever, in zoverre hij voor een actief lid van een politiedienst heeft voorzien in een uitzondering op het verbod om les te geven in de sector van de private opsporing, van oordeel was dat er in die situatie geen risico op ongewenste informatiedoorstroming voorhanden is. Het is niet redelijk verantwoord dat de uitzondering zoals bepaald in het bestreden artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 enkel geldt voor de in artikel 30, eerste lid, 3°, a), bedoelde actieve leden van een politiedienst, en niet voor de in artikel 30, eerste lid, 6°, bedoelde gewezen leden van een politiedienst. Er valt immers niet in te zien waarom er voor de ene categorie niet en voor de andere categorie wel een reëel risico op ongewenste 7 informatiedoorstroming zou bestaan. Overigens kan zulks evenmin worden afgeleid uit de parlementaire voorbereiding of uit de memories van de Ministerraad. B.6.3. Het enige middel is gegrond in zoverre het betrekking heeft op het onderscheid, binnen de sector van de private opsporing, tussen de actieve en de gewezen leden van de politiediensten. Bijgevolg dient artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 te worden vernietigd, in zoverre die bepaling niet voorziet in een uitzondering op het verbod om les te geven aan een erkende opleidingsinstelling voor de in artikel 30, eerste lid, 6°, vermelde gewezen leden van de politiediensten. B.6.4. Daar een onderzoek van het enige middel in zoverre het betrekking heeft op het onderscheid tussen de voorwaarden voor het lesgeven aan de opleidingsinstellingen in de sector van de private veiligheid en de voorwaarden voor het lesgeven aan de opleidingsinstellingen in de sector van de private opsporing niet kan leiden tot een ruimere vernietiging, is er geen aanleiding om het middel in dat opzicht te onderzoeken. 8 Om die redenen, het Hof vernietigt artikel 30, vierde lid, van de wet van 18 mei 2024 « tot regeling van de private opsporing », in zoverre die bepaling niet voorziet in een uitzondering op het verbod om les te geven aan een erkende opleidingsinstelling voor de in artikel 30, eerste lid, 6°, vermelde gewezen leden van de politiediensten. Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juli 2025. De griffier, De wnd. voorzitster, Nicolas Dupont Joséphine Moerman PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.113 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.038 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot