ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.112
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-07-17
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
21 maart 2022, 28 november 2000, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET
Samenvatting
de prejudiciële vraag betreffende artikel 417/6, §§ 1 en 2, van het Strafwetboek, gesteld door de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.112
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 17 juli 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.112
Arrest- Rolnummer:
112/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-07-28
Raadplegingen:
174 - laatst gezien 2025-12-15 14:28
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Schending (artikel 417/6, § 2, eerste lid, van het Strafwetboek in zoverre
het bepaalt dat een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar
heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd van zestien jaar, wordt geacht
niet uit vrije wil te kunnen toestemmen in het kader van een seksuele
relatie indien zijn partner meerderjarig is en het leeftijdsverschil met
die partner meer dan drie jaar bedraagt, terwijl dezelfde minderjarige
die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle
leeftijd van zestien jaar, uit vrije wil kan toestemmen in het kader van
een seksuele relatie met een meerderjarige partner indien het leeftijdsverschil
minder dan of gelijk aan drie jaar bedraagt)
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de prejudiciële vraag betreffende artikel 417/6, §§ 1 en 2, van het
Strafwetboek, gesteld door de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel.
Strafrecht - Seksuele misdrijven - Verkrachting - Minderjarige die de
volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd
van zestien jaar - Toestemming - Maximale leeftijdsverschil met een partner
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 112/2025
van 17 juli 2025
Rolnummer : 8400
In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 417/6, §§ 1 en 2, van het Strafwetboek, gesteld door de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging
Bij vonnis van 18 december 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 december 2024, heeft de Franstalige correctionele rechtbank te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld :
« Schendt artikel 417/6, §§ 1 en 2, van het Strafwetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd van zestien jaar, wordt geacht niet uit vrije wil te kunnen toestemmen in het kader van een seksuele relatie indien zijn partner meerderjarig is en het leeftijdsverschil met die partner meer dan drie jaar bedraagt, terwijl dezelfde minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd van zestien jaar, uit vrije wil kan toestemmen in het kader van een seksuele relatie met een meerderjarige partner indien het leeftijdsverschil minder dan of gelijk aan drie jaar bedraagt ? ».
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré en mr. Megi Bakiasi, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend.
Bij beschikking van 4 juni 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Kattrin Jadin en Danny Pieters te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen
2
terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen.
Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil
Een persoon geboren in april 2002 wordt vervolgd voor de correctionele rechtbank voor diverse feiten van seksuele aard gepleegd in 2020 en in 2021 ten nadele van een persoon geboren in juni 2005. De eerste persoon wordt met name verweten tussen 1 mei 2020 en 16 november 2020 te zijn overgegaan tot meerdere daden van seksuele penetratie op de tweede persoon met de toestemming van die laatste.
De rechtbank stelt vast dat de betrokken daden op het moment van die feiten, gelet op de leeftijd van die twee personen, een « aanranding van de eerbaarheid » vormden, die strafbaar is met vijf tot tien jaar opsluiting. De rechtbank stelt evenwel ook vast dat diezelfde daden sinds 1 juni 2022, datum waarop de artikelen 417/6 en 417/11
van het Strafwetboek in werking zijn getreden, een verkrachting vormen, die strafbaar is met een veel langere opsluiting. Zij merkt ook op dat het leeftijdsverschil tussen de twee voormelde personen iets meer dan drie jaar bedraagt en dat dezelfde daden, als dat verschil gelijk was aan of kleiner was dan drie jaar, niet strafbaar zouden zijn met toepassing van de voormelde bepalingen, zodat het in artikel 2, tweede lid, van het Strafwetboek vermelde beginsel de rechtbank ertoe zou verplichten geen straf uit te spreken. Met name rekening houdend met de toestemming van de voormelde minderjarige persoon en met de in de Grondwet vermelde rechten van het kind, beslist de rechtbank om het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag te stellen.
III. In rechte
-A-
A.1. De Ministerraad voert aan dat de prejudiciële vraag ontkennend dient te worden beantwoord.
A.2. In hoofdorde is hij van oordeel dat de twee in die vraag beschreven situaties niet vergelijkbaar zijn omdat een groot leeftijdsverschil tussen een minderjarige persoon en een meerderjarige persoon een verhouding van gezag, invloed of dwang kan doen ontstaan welke die eerste persoon kan beletten uit vrije wil toe te stemmen in een seksuele relatie gewenst door de tweede persoon.
A.3.1. In ondergeschikte orde zet de Ministerraad uiteen dat het in de prejudiciële vraag beoogde verschil in behandeling een legitieme doelstelling nastreeft en dat het geen onevenredige gevolgen heeft ten aanzien van die doelstelling.
A.3.2. Wat de nagestreefde doelstelling betreft, is de Ministerraad van oordeel dat artikel 417/6, §§ 1 en 2, van het Strafwetboek beoogt de seksuele autonomie van het kind te waarborgen en het tegelijk te beschermen tegen misbruik. Hij merkt op dat die wetsbepaling aan een minderjarige van minstens veertien jaar oud het recht toekent seksuele betrekkingen te hebben met een andere minderjarige, en tegelijk een kader schept voor dat recht wat de relaties betreft tussen een minderjarige van minder dan zestien jaar oud en een meerderjarige. Hij beklemtoont dat de in de prejudiciële vraag in het geding zijnde regel van het leeftijdsverschil de minderjarige beoogt te beschermen tegen elk misbruik van gezag of invloed vanwege een meerderjarige persoon, dat de geldigheid van de toestemming zou aantasten.
3
De Ministerraad voegt eraan toe dat de in het geding zijnde wetsbepaling voldoet aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en uit artikel 18, lid 1, b), van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, ondertekend op 25 oktober 2007 te Lanzarote, en dat zij bovendien in de lijn ligt van een aanbeveling van het Kinderfonds van de Verenigde Naties van 2022, van een aanbeveling van het Kinderrechtencomité van 2016 en van wetenschappelijk onderzoek naar seksueel misbruik. De Ministerraad beklemtoont ook dat een bevestigend antwoord op de prejudiciële vraag in strijd zou zijn met de bedoeling uitgedrukt door de Europese Commissie in een recent voorstel tot lichte wijziging van de richtlijn 2011/93/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 « ter bestrijding van seksueel misbruik en seksuele uitbuiting van kinderen en kinderpornografie, en ter vervanging van Kaderbesluit 2004/68/JBZ van de Raad », om de Staten van de Europese Unie ertoe aan te zetten seksuele betrekkingen tussen, enerzijds, een minderjarige persoon van een leeftijd waarop hij toestemming kan verlenen en, anderzijds, een veel oudere meerderjarige persoon, te bestraffen.
De Ministerraad herinnert ook eraan dat het Hof bij zijn arrest nr. 93/2009 van 4 juni 2009
(
ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.093
) heeft geoordeeld dat de wet de daad van seksuele penetratie op een persoon van veertien tot zestien jaar oud kan bestraffen zelfs wanneer die persoon daarin heeft toegestemd.
A.3.3. Wat de in de prejudiciële vraag aangevoerde gevolgen van het verschil in behandeling betreft, herinnert de Ministerraad eerst eraan dat de wetgevende macht over een ruime beoordelingsmarge beschikt wanneer zij de gedragingen bepaalt die zij strafbaar wil stellen.
Hij zet vervolgens uiteen dat het in de prejudiciële vraag in het geding zijnde leeftijdsverschil van drie jaar niet op onevenredige wijze afbreuk doet aan de seksuele autonomie van minderjarigen omdat dat verschil in een coherente wetgevende context past die seksuele betrekkingen van minderjarigen van meer dan zestien jaar oud ruimschoots toestaat, die de minderjarige van veertien tot zestien jaar oud niet verbiedt seksuele betrekkingen te hebben met een andere minderjarige van meer dan veertien jaar oud, en die, afgezien van de in artikel 417/6, § 3, van het Strafwetboek beschreven situaties, een relatie tussen een meerderjarige persoon en een minderjarige persoon van veertien tot zestien jaar oud slechts bestraft wanneer het leeftijdsverschil tussen hen groter is dan drie jaar.
De Ministerraad stelt ten slotte dat de Belgische regels ter zake soortgelijk zijn aan die welke in Frankrijk, Zwitserland en Canada van kracht zijn.
-B-
B.1. De wet van 21 maart 2022 « houdende wijzigingen aan het Strafwetboek en inzake de bevoegdheid om in rechte op te treden met betrekking tot het seksueel strafrecht » (hierna :
de wet van 21 maart 2022) voegt in het Strafwetboek nieuwe definities in van de « misdrijven tegen de seksuele integriteit ».
B.2.1. Verkrachting is elke « gestelde daad die bestaat of mede bestaat uit een seksuele penetratie [...] gepleegd op een persoon of met behulp van een persoon die daar niet in toestemt » (artikel 417/11 van het Strafwetboek, zoals ingevoegd bij artikel 12 van de wet van 21 maart 2022).
4
B.2.2. Artikel 417/6 van het Strafwetboek, met als opschrift « Beperkingen aan de mogelijkheid tot toestemming door de minderjarige », zoals ingevoegd bij artikel 6 van de wet van 21 maart 2022, bepaalt :
« § 1. Onder voorbehoud van paragraaf 2 wordt een minderjarige die de volle leeftijd van zestien jaar niet heeft bereikt, niet geacht uit vrije wil te kunnen toestemmen.
§ 2. Een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd van zestien jaar, kan uit vrije wil toestemmen indien het leeftijdsverschil met de andere persoon niet meer dan drie jaar bedraagt.
Er is geen misdrijf tussen minderjarigen die de volle leeftijd van veertien jaar hebben bereikt en die met wederzijdse toestemming handelen wanneer het onderlinge leeftijdsverschil meer dan drie jaar bedraagt.
§ 3. Een minderjarige kan nooit uit vrije wil toestemmen indien :
1° de dader een bloedverwant of aanverwant is in de rechte opgaande lijn of een adoptant of een bloedverwant of aanverwant in de zijlijn tot en met de derde graad of ieder ander persoon die een soortgelijke positie heeft in het gezin of ongeacht welke persoon die gewoonlijk of occasioneel met de minderjarige samenwoont en die over die minderjarige gezag heeft, of
2° de daad mogelijk is gemaakt doordat de dader gebruik heeft gemaakt van een erkende positie van vertrouwen, gezag of invloed ten aanzien van de minderjarige, of
3° de daad wordt beschouwd als een daad van ontucht of prostitutie als bedoeld in onderafdeling 2 van afdeling 2, luidende ‘ Seksuele uitbuiting van minderjarigen met het oog op prostitutie ’ ».
B.2.3. Een « minderjarige » in de zin van artikel 417/6 van het Strafwetboek is een « persoon [...] die de leeftijd van achttien jaar nog niet heeft bereikt » (artikel 100ter van het Strafwetboek, ingevoegd bij artikel 3 van de wet van 28 november 2000 « betreffende de strafrechtelijke bescherming van minderjarigen »). Een meerderjarige persoon is dus een persoon van achttien jaar oud of ouder.
B.2.4. De leeftijdsverschillen vermeld in de tweede paragraaf van artikel 417/6 van het Strafwetboek worden berekend op basis van de geboortedatum van de betrokken personen (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2141/006, pp. 59-60 en 348).
B.3. Uit hetgeen voorafgaat, blijkt dat de daad van seksuele penetratie op een toestemmend persoon die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd van zestien jaar, door een persoon die de volle leeftijd van veertien jaar maar niet de volle leeftijd
5
van achttien jaar heeft bereikt, niet als verkrachting kan worden gekwalificeerd, behalve in de in artikel 417/6, § 3, van het Strafwetboek beschreven situaties, terwijl de daad van penetratie op dezelfde persoon door een persoon van minstens achttien jaar oud als verkrachting moet worden gekwalificeerd indien het leeftijdsverschil tussen die personen meer dan drie jaar bedraagt.
B.4. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het Hof met name wordt verzocht uitspraak te doen over de bestaanbaarheid van artikel 417/6, § 2, eerste lid, van het Strafwetboek met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, in zoverre die wetsbepaling een verschil in behandeling doet ontstaan tussen twee categorieën van meerderjarige personen die nog geen negentien jaar oud zijn en die, afgezien van de in artikel 417/6, § 3, van dat Wetboek bedoelde situaties, een daad van seksuele penetratie stellen op personen die de volle leeftijd van veertien jaar maar niet de volle leeftijd van zestien jaar hebben bereikt, met de toestemming van die personen : enerzijds, de voormelde meerderjarige personen die met de voormelde minderjarigen een leeftijdsverschil van minder dan drie jaar vertonen en, anderzijds, de voormelde meerderjarige personen die met de voormelde minderjarigen een leeftijdsverschil van drie tot vier jaar vertonen.
Enkel de meerderjarige personen van de tweede hiervoor beschreven categorie kunnen voor verkrachting worden vervolgd met toepassing van de in samenhang gelezen artikelen 417/11 en 417/6 van het Strafwetboek.
B.5. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is.
Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel.
B.6. De laakbaarheid van bepaalde feiten en de beslissing om die strafbaar te stellen behoren tot de beoordelingsbevoegdheid van de wetgever.
6
Het Hof zou zich op het aan de wetgevende macht voorbehouden domein begeven indien het, bij de vaststelling dat een gedrag strafbaar wordt gesteld terwijl een vergelijkbaar gedrag dat niet wordt en bij de vraag naar de verantwoording van dat verschil, zou overgaan tot een onderzoek op grond van een waardeoordeel over de laakbaarheid van die gedragingen en zich niet zou beperken tot de gevallen waarin de keuze van de wetgevende macht dermate incoherent is dat zij leidt tot een kennelijk onredelijk verschil in behandeling.
B.7. Het wetsontwerp dat aan de basis ligt van de wet van 21 maart 2022 is geïnspireerd op de werkzaamheden van de Commissie tot hervorming van het strafrecht die is opgericht bij ministerieel besluit van 30 oktober 2015 (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-2141/001, pp. 4-6).
B.8. Het bepalen van de leeftijd vanaf welke een persoon in staat kan worden geacht uit vrije wil toe te stemmen in daden van seksuele aard, die is geregeld bij artikel 417/6 van het Strafwetboek, is een delicate kwestie (ibid., p. 11).
Die laatste wetsbepaling maakt deel uit van een reeks bepalingen die beogen een evenwicht te waarborgen tussen, enerzijds, de bescherming van minderjarigen tegen seksueel misbruik en, anderzijds, de eerbiediging van de seksuele autonomie van minderjarigen. De verantwoording van die bepaling herinnert eraan dat die laatste « in de eerste plaats » beoogt « misbruik » te voorkomen en te bestraffen, en « geenszins » beoogt om « consensuele seksuele handelingen te bestraffen » (ibid.). De wetgever beklemtoont ook dat krachtens artikel 18 van het Verdrag van de Raad van Europa inzake de bescherming van kinderen tegen seksuele uitbuiting en seksueel misbruik, ondertekend op 25 oktober 2007 te Lanzarote, de verplichting voor de verdragsluitende Staten om seksuele handelingen met een kind dat niet de bij wet vastgestelde leeftijd heeft bereikt om dergelijke handelingen te stellen, strafbaar te stellen, niet tot doel heeft vrijwillige seksuele betrekkingen tussen minderjarigen te regelen (ibid.).
B.9.1. Het voorontwerp van wet tot hervorming van boek 2 van het Strafwetboek, dat in 2018 tot stand kwam op basis van de werkzaamheden van de in B.7 bedoelde Commissie tot hervorming van het strafrecht, bepaalde dat een persoon die de volle leeftijd van veertien jaar maar nog niet de volle leeftijd van zestien jaar had bereikt, niet uit vrije wil kon toestemmen in
7
het stellen van een seksuele handeling met een persoon die meer dan vijf jaar ouder is (RvSt, advies nr. 64.121/1, 23 november 2018, pp. 2-3, 31 en 106).
B.9.2. Het voorontwerp van wet dat aan de basis ligt van de wet van 21 maart 2022 en dat in 2021 tot stand kwam op basis van de werkzaamheden van dezelfde Commissie, bepaalde dat een persoon die de volle leeftijd van zestien jaar niet had bereikt, nooit werd geacht uit vrije wil toestemming te kunnen verlenen (Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-2141/001, p. 95).
Met betrekking tot dat voorontwerp herinnerde de afdeling wetgeving van de Raad van State, in een advies van 25 mei 2021, aan de « ruime appreciatiemarge » van de wetgevende macht. Zij merkte evenwel op dat die in staat moest zijn de redenen uiteen te zetten waarom zij meende dat een seksuele handeling waarin een persoon van veertien tot zestien jaar oud uit vrije wil heeft toegestemd steeds als een misdrijf moest worden beschouwd. Volgens de Raad van State moest de wetgevende macht aantonen dat zij hieromtrent « alle relevante elementen » in overweging had genomen, zoals de « maatschappelijke evolutie dienaangaande » en de resultaten van « wetenschappelijk onderzoek », waaruit zou blijken dat de personen van die leeftijd, in de meeste gevallen, bewust handelen en « hun seksuele grenzen kunnen duiden »
(ibid., pp. 137-138).
B.9.3. Het wetsontwerp dat de Regering op 19 juli 2021 bij de Kamer heeft ingediend na dat advies van de Raad van State, bepaalde dat een persoon van veertien tot zestien jaar oud in staat was om toe te stemmen in een seksuele handeling voor zover het leeftijdsverschil met zijn partner niet groter is dan twee jaar (ibid., pp. 154-155).
Tal van personen en instellingen die door de Kamer zijn verzocht hun advies over dat wetsontwerp te geven tijdens de bespreking ervan in de parlementaire commissie hebben laten weten dat dat leeftijdsverschil te klein was (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2141/006, pp. 19, 35, 57, 208-209, 271-272 en 348; DOC 55-2141/002, p. 3; DOC 55-2141/005, p. 26), gelet op de « normale seksuele ontwikkeling van tieners » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2141/006, p. 181), op hun « psychologische [...] ontwikkeling » (ibid., p. 237), op de adviezen van deskundigen in het gedrag van minderjarigen, die zich niet verzetten tegen een verschil van vijf jaar (ibid., p. 210), op de bekommernis « te voorkomen dat een natuurlijke seksualiteitsbeleving strafbaar wordt gesteld, terwijl die beleving te verkiezen is boven een kunstmatige eerste kennismaking met seksualiteit [...] of via kinderpornografische beelden »,
8
of op het « seksueel gedrag van een aantal jongeren » (ibid., pp. 254 en 317). Sommige van die personen of instellingen suggereerden uitdrukkelijk aan de parlementsleden om het in het wetsontwerp vermelde leeftijdsverschil van twee jaar te vervangen door een leeftijdsverschil van drie, vier of vijf jaar (ibid., pp. 181, 209, 237, 254, 271-272).
B.9.4. Het is in het licht van die opmerkingen en suggesties dat de parlementaire commissie uiteindelijk heeft besloten om een leeftijdsverschil van drie jaar te aanvaarden « om te voorkomen dat adolescenten die seksuele betrekkingen hebben, in te ingewikkelde en te heikele situaties verzeilen » (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2141/002, p. 3;
DOC 55-2141/006, p. 60), maar ook om een groter leeftijdsverschil toe te laten voor betrekkingen met toestemming tussen minderjarigen van minstens veertien jaar oud (ibid., DOC 55-2141/005, p. 26; DOC 55-2141/006, pp. 59-60).
Het maximale leeftijdsverschil van drie jaar waarvan sprake in artikel 417/6, § 2, eerste lid, van het Strafwetboek, komt tegemoet aan de bekommernis « een betrekkelijk vergelijkbare ontwikkeling, een betrekkelijk vergelijkbare maturiteit [van de seksuele partners] te waarborgen » (Integraal Verslag, Kamer, 17 maart 2022, 170, p. 12), en beoogt te waarborgen dat de relatie bestaat met een partner die « dezelfde jeugdige geestesgesteldheid heeft en op ontdekking wil gaan » (ibid., p. 30). De ontstentenis van een leeftijdsbeperking tussen minderjarigen van meer dan veertien jaar oud, waarvan sprake in artikel 417/6, § 2, tweede lid, van het Strafwetboek, beoogt te vermijden dat « seksuele betrekkingen tussen consenterende jongeren [worden gecriminaliseerd] » (ibid., p. 20).
B.10.1. In die context, en afgezien van de gevallen beschreven in artikel 417/6, § 3, van het Strafwetboek, leidt de toepassing van artikel 417/6, § 2, eerste lid, van hetzelfde Wetboek tot incoherente situaties, waarvoor werd gewaarschuwd tijdens de parlementaire voorbereiding van de wet van 21 maart 2022 (Parl. St., Kamer, 2021-2022, DOC 55-2141/006, pp. 231-232, 286 en 326; DOC 55-2141/019, p. 11; Integraal verslag, Kamer, 17 maart 2022, 170, p. 55).
B.10.2. Met toepassing van artikel 417/6, § 2, tweede lid, van het Strafwetboek, en overeenkomstig de doelstelling « seksuele betrekkingen tussen consenterende jongeren niet te criminaliseren », pleegt een persoon die de dag vóór zijn achttiende verjaardag een daad van seksuele penetratie stelt op een persoon die net de leeftijd van veertien jaar heeft bereikt en in die daad toestemt geen misdrijf, terwijl het leeftijdsverschil tussen de twee partners slechts iets
9
kleiner is dan vier jaar. Ingevolge artikel 417/6, § 2, eerste lid, van het Strafwetboek pleegt dezelfde persoon die de volgende dag in dezelfde omstandigheden dezelfde daad stelt, een verkrachting, omdat hij meerderjarig is geworden en tussen de twee partners een leeftijdsverschil van meer dan drie jaar bestaat.
Met toepassing van dezelfde wetsbepaling pleegt een persoon die op de dag van zijn achttiende verjaardag een daad van seksuele penetratie stelt op een persoon van veertien jaar en elf maanden oud die in die daad toestemt een misdrijf, zelfs indien die twee personen reeds maandenlang seksuele betrekkingen met toestemming hadden die met toepassing van artikel 417/6, § 2, tweede lid, van het Strafwetboek niet konden worden bestraft.
B.11. Het Hof merkt op dat die incoherente situaties zich niet zouden kunnen voordoen indien het in artikel 417/6, § 2, eerste lid, van het Strafwetboek vermelde maximale leeftijdsverschil vier jaar zou bedragen in plaats van drie jaar of nog, indien de in artikel 417/6, § 2, eerste lid, vervatte regel niet samen zou bestaan met de in het tweede lid van dezelfde paragraaf vervatte regel.
B.12.1. Met betrekking tot de definitie van toestemming beklemtoont de memorie van toelichting bij het wetsontwerp dat aan de basis ligt van de wet van 21 maart 2022 het « cruciale » karakter van de « wetenschappelijke kennis [...] voor het seksueel strafrecht »
(Parl. St., Kamer, 2020-2021, DOC 55-2141/001, pp. 14-15).
B.12.2. De Commissie tot hervorming van het strafrecht, waarvan de werkzaamheden, zoals in B.7 is vermeld, het wetsontwerp hebben geïnspireerd dat aan de basis ligt van de in het geding zijnde wetsbepaling, merkte in 2019 op dat in de « juridische literatuur [...] ook meer en meer naar voren [wordt] geschoven dat de veertienjarige in staat is een eigen seksueel leven te ontwikkelen », dat « wetenschappelijk onderzoek [...] eveneens [aantoont] dat minderjarigen jonger dan 16 jaar beginnen te experimenteren met seksualiteit », dat « uit onderzoek blijkt dat minderjarigen uit de leeftijdscategorie 14- tot 16-jarigen in de meeste gevallen bewust handelen en hun seksuele grenzen kunnen duiden » en dat « de meeste 14- tot 18-jarigen [...] aldus vergelijkbare seksuele beslissingen [maken] » (Parl. St., Kamer, 2019-2020, DOC 55-1011/001, pp. 3-5 en 338).
10
Rekening houdend met die vaststellingen achtte de Commissie tot hervorming van het strafrecht het noodzakelijk om « meer ruimte [te creëren] voor gewilde seksuele handelingen »
(ibid., p. 339). Zij merkte op dat « uit wetenschappelijk onderzoek blijkt dat een verschuiving van de grens van 16 naar 14 jaar weinig tot geen reden tot ongerustheid veroorzaakt », en beval daarom aan om een « flexibel systeem » in te voeren voor de personen tussen veertien en zestien jaar oud (ibid.), met een « extra bescherming », om de seksuele daden strafbaar te kunnen stellen die een « reëel gevaar » vormen voor hun seksuele integriteit. Die Commissie stelde daarom voor te oordelen dat die personen nooit uit vrije wil konden toestemmen in een seksuele daad gesteld door een persoon met een leeftijdsverschil van meer dan vijf jaar (ibid., pp. 339-
340).
Dezelfde Commissie erkende dat over de « grens van vijf jaar » kon worden gediscussieerd, maar voerde ook aan dat die grens zich « alleszins [moest] situeren tussen de drie en vijf jaar » omdat « onderzoek [had] [...] aangetoond dat het risico op misbruik exponentieel toeneemt vanaf een leeftijdsverschil van drie tot vijf jaar » (ibid., p. 340).
B.13. In het licht van die vaststellingen van de Commissie tot hervorming van het strafrecht, van de algemene doelstelling van de wet van 21 maart 2022, die is vermeld in B.8, en van de doelstelling van de in het geding zijnde wetsbepaling, die is vermeld in B.9.4, zijn de in B.10.2 beschreven gevolgen van het leeftijdsverschil van drie jaar onevenredig ten aanzien van de door die bepaling nagestreefde doelstelling.
Het in B.4 beschreven verschil in behandeling is dus niet redelijk verantwoord.
11
Om die redenen,
het Hof
zegt voor recht :
Artikel 417/6, § 2, eerste lid, van het Strafwetboek schendt de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in zoverre het bepaalt dat een minderjarige die de volle leeftijd van veertien jaar heeft bereikt, maar niet de volle leeftijd van zestien jaar, wordt geacht niet uit vrije wil te kunnen toestemmen in het kader van een seksuele relatie indien zijn partner meerderjarig is en het leeftijdsverschil met die partner meer dan drie jaar bedraagt, terwijl dezelfde minderjarige uit vrije wil kan toestemmen in het kader van een seksuele relatie met een meerderjarige partner indien het leeftijdsverschil minder dan of gelijk aan drie jaar bedraagt.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juli 2025.
De griffier, De voorzitter,
Nicolas Dupont Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.112
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2009:ARR.093
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==