ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.110
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-07-17
🌐 FR
Arrest
verworpen
Rechtsgebied
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
11 december 1998, 16 mei 2024, 19 juli 1991, 19 juli 1991, 6 januari 1989
Samenvatting
het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3, 6 en 7 van de wet van 16 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten », ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel en anderen.
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.110
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 17 juli 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.110
Arrest- Rolnummer:
110/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-07-28
Raadplegingen:
147 - laatst gezien 2025-12-15 14:27
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3, 6 en 7 van de wet van
16 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling
van een Rijksregister van de natuurlijke personen en de wet van 19 juli
1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten
en de verblijfsdocumenten », ingesteld door de Algemene Centrale van
het Militair Personeel en anderen. Veiligheid van de Staat - Toegang tot
registers van persoonsgegevens - Veiligheidsverificatie - Militairen -
Voorafgaande machtiging - Vrijstelling
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 110/2025
van 17 juli 2025
Rolnummer : 8345
In zake : het beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3, 6 en 7 van de wet van 16 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten », ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel en anderen.
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, voorzitter Pierre Nihoul, en de rechters Michel Pâques, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van het beroep en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 7 oktober 2024 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 8 oktober 2024, is beroep tot vernietiging van de artikelen 2, 3, 6 en 7 van de wet van 16 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en de wet van 19 juli 1991
betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 30 augustus 2024)
ingesteld door de Algemene Centrale van het Militair Personeel, Yves Huwart, Pascal Malumgré, Jonathan Drasutis en Dimitry Modaert, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Philippe Vande Casteele, advocaat bij de balie van Antwerpen.
De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Bart Martel en mr. Anneleen Van de Meulebroucke, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend en de verzoekende partijen hebben een memorie van antwoord ingediend.
2
Bij beschikking van 21 mei 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was en de dag van de terechtzitting bepaald op 18 juni 2025.
Op de openbare terechtzitting van 18 juni 2025 :
- zijn verschenen :
. mr. Philippe Vande Casteele, voor de verzoekende partijen;
. mr. Bart Martel en mr. Ellen Caen, advocate bij de balie te Brussel, loco mr. Anneleen Van de Meulebroucke, voor de Ministerraad;
- hebben de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
Ten aanzien van de ontvankelijkheid
A.1.1. De Ministerraad betwist het belang van de eerste en derde verzoekende partij. Daarnaast betwist de Ministerraad de ontvankelijkheid van de middelen bij gebrek aan uiteenzetting ten aanzien van een hele reeks aangevoerde referentienormen.
A.1.2. De verzoekende partijen antwoorden dat zij wel degelijk over het vereiste belang beschikken.
Ten gronde
Wat betreft het eerste middel
A.2.1. De verzoekende partijen leiden een eerste middel af uit de schending, door de artikelen 2, 3, 6 en 7
van de wet van 16 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten » (hierna : de wet van 16 mei 2024), van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, met de artikelen 7, 8, 12, 28 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, en met de artikelen 36, 51 en 57 van de verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 « betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) » (hierna : de AVG). Zij voeren aan dat de Gegevensbeschermingsautoriteit ten onrechte niet werd geraadpleegd.
3
A.2.2. De Ministerraad betwist de ontvankelijkheid van het middel, aangezien het Hof niet bevoegd is om de totstandkoming van een wet te beoordelen. Het middel bevat onvoldoende duidelijke elementen om het te begrijpen als een middel afgeleid uit de schending van artikel 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met de AVG.
Onder voorbehoud van die excepties, antwoordt de Ministerraad in ondergeschikte orde dat er in casu geen verplichting bestond om de Gegevensbeschermingsautoriteit te raadplegen. Ten eerste is artikel 36, lid 4, van de AVG niet van toepassing. Uit geen van de andere door de verzoekende partij aangehaalde referentienormen volgt een verplichting om de Gegevensbeschermingsautoriteit te raadplegen.
In uiterst ondergeschikte orde merkt de Ministerraad op dat het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen-
en veiligheidsdiensten in casu de bevoegde toezichthoudende autoriteit is die moest worden geraadpleegd, wat ook is gebeurd. Tot slot merkt de Ministerraad op dat het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de adviesaanvraag eveneens aan de Gegevensbeschermingsautoriteit heeft bezorgd.
Wat betreft het tweede middel
A.3.1. De verzoekende partijen leiden een tweede middel af uit een schending, door de artikelen 2, 3, 6 en 7
van de wet van 16 mei 2024, van de artikelen 10, 11, 13, 22, 23, 26 en 27 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met de artikelen 6, 8, 10, 11, 13 en 14 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met de artikelen 7, 8, 12, 28 en 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, doordat de vereiste van een voorafgaande ministeriële machtiging wordt afgeschaft. Daardoor kan de militaire inlichtingendienst niet enkel de militair maar ook diens omgeving onderzoeken zonder voorafgaande machtiging, in het kader van de veiligheidsverificatie. Bovendien geldt de nieuwe regeling ook voor contractuele agenten, hoewel die niet de eed hebben afgelegd, waardoor zij niet op dezelfde manier beschermd zijn tegen politieke beïnvloeding bij de uitoefening van hun zoekopdrachten.
A.3.2. De Ministerraad antwoordt dat het middel, voor zover ontvankelijk, ongegrond is. De verzoekende partijen gaan ten onrechte eraan voorbij dat de militaire inlichtingendiensten ook vóór de bestreden bepalingen toegang hadden tot de betrokken gegevens, voor de uitoefening van hun wettelijke opdrachten, maar na een machtiging van de minister. De verzoekende partijen zetten niet uiteen op welke wijze het wegvallen van de machtigingsvereiste op zich de aangevoerde referentienormen zou schenden. De bestreden bepalingen voorzien in een dwingende maatschappelijke behoefte en zijn evenredig aan de nagestreefde legitieme doelstellingen. Voor zover het middel eigenlijk betrekking heeft op de modaliteiten van het veiligheidsonderzoek, is het onontvankelijk omdat het niet tijdig is. In zoverre het middel veronderstelt dat de contractuele agenten geen eed afleggen, is het gebaseerd op een foutieve veronderstelling.
Wat betreft het derde middel
A.4.1. De verzoekende partijen leiden een derde middel af uit een schending van de artikelen 10, 11, 23, 26
en 27 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, omdat de bestreden bepalingen het beschermingsniveau dat door de bestaande regeling werd geboden, zouden verminderen. Doordat de toegang tot de persoonsgegevens in het kader van een veiligheidsverificatie van militairen en hun omgeving niet langer een machtiging vereist, wordt het beschermingsniveau ten aanzien van hun arbeidsvoorwaarden aanzienlijk verminderd.
A.4.2. Volgens de Ministerraad is het derde middel onontvankelijk bij gebrek aan uiteenzetting. In ondergeschikte orde is er geen sprake van enige achteruitgang, laat staan een aanzienlijke achteruitgang.
4
-B-
Ten aanzien van het belang van de verzoekende partijen
B.1.1. De Grondwet en de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof vereisen dat elke natuurlijke persoon of rechtspersoon die een beroep tot vernietiging instelt, doet blijken van een belang. Van het vereiste belang doen slechts blijken de personen wier situatie door de bestreden norm rechtstreeks en ongunstig zou kunnen worden geraakt;
bijgevolg is de actio popularis niet toelaatbaar.
B.1.2. De wet van 16 mei 2024 « tot wijziging van de wet van 8 augustus 1983 tot regeling van een Rijksregister van de natuurlijke personen en de wet van 19 juli 1991 betreffende de bevolkingsregisters, de identiteitskaarten, de vreemdelingenkaarten en de verblijfsdocumenten » (hierna : de wet van 16 mei 2024) beoogt het werk van de agenten van de Veiligheid van de Staat en de Algemene Dienst Inlichting en Veiligheid van de Krijgsmacht te vergemakkelijken, door hun bij de uitvoering van hun taken toegang te verstrekken tot verschillende registers van persoonsgegevens, zonder dat daarvoor een machtiging van de bevoegde minister nodig is (Parl. St., Kamer, 2023-2024, DOC 55-3922/001, p. 1). Bij de taken van de Algemene Dienst Inlichtingen en Veiligheid van de Krijgsmacht hoort onder andere de veiligheidsverificatie ten aanzien van militairen in de zin van artikel 22sexies/2 van de wet van 11 december 1998 « betreffende de classificatie, de veiligheidsmachtigingen, de veiligheidsadviezen en de publiek gereguleerde dienst » (hierna : de wet van 11 december 1998).
B.1.3. De tweede, vierde en vijfde verzoekende partij zijn militairen. In die hoedanigheid hebben zij belang bij de vernietiging van de wet van 16 mei 2024. Bijgevolg is het niet noodzakelijk om de exceptie van de Ministerraad met betrekking tot het belang van de overige verzoekende partijen te onderzoeken.
5
Ten aanzien van de ontvankelijkheid van de middelen
Wat betreft het eerste middel
B.2.1. In het eerste middel voeren de verzoekende partijen aan dat de Gegevensbeschermingsautoriteit niet werd geraadpleegd.
B.2.2. Conform het samenwerkingsprotocol van 24 november 2020 tussen de Belgische federale toezichthoudende autoriteiten op vlak van dataprotectie, heeft het Vast Comité van Toezicht op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten de adviesaanvraag met betrekking tot het wetsvoorstel dat aan de basis ligt van de wet van 16 mei 2024, doorgestuurd naar de Gegevensbeschermingsautoriteit. De Gegevensbeschermingsautoriteit heeft op 15 april 2024
advies uitgebracht met betrekking tot het wetsvoorstel. Het middel berust op een verkeerd uitgangspunt en is bijgevolg niet gegrond. De excepties met betrekking tot de ontvankelijkheid van het eerste middel behoeven geen antwoord.
Wat betreft het tweede en het derde middel
B.3.1. Uit de uiteenzetting van het tweede en het derde middel kan worden afgeleid dat zij in werkelijkheid grotendeels zijn gericht tegen artikel 22sexies/2 van de wet van 11 december 1998, zoals ingevoegd bij artikel 47 van de wet van 7 april 2023 « houdende wijziging van de wet van 11 december 1998 betreffende de classificatie en de veiligheidsmachtigingen, veiligheidsattesten en veiligheidsadviezen » (hierna : de wet van 7 april 2023).
B.3.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 3, § 1, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 moet een beroep tot vernietiging worden ingesteld binnen een termijn van zes maanden na de bekendmaking van de bestreden norm.
B.3.3. De wet van 7 april 2023 werd op 9 juni 2023 in het Belgisch Staatsblad bekendgemaakt. In zoverre het beroep gericht is tegen de in B.3.1 vermelde bepaling, is het niet tijdig en dus onontvankelijk.
6
B.4.1. Voor het overige zijn het tweede en het derde middel beperkt tot de opsomming van een groot aantal referentienormen en de vermelding dat de wet van 16 mei 2024 de voorafgaande machtigingsvereiste afschaft, zonder dat daarbij concreet wordt uiteengezet op welke wijze die wijziging de referentienormen schendt.
B.4.2. Om te voldoen aan de vereisten van artikel 6 van de bijzondere wet van 6 januari 1989, moeten de middelen van het verzoekschrift te kennen geven welke van de regels waarvan het Hof de naleving waarborgt, zouden zijn geschonden, alsook welke de bepalingen zijn die deze regels zouden schenden, en uiteenzetten in welk opzicht die regels door de bedoelde bepalingen zouden zijn geschonden.
B.4.3. Aangezien het tweede en het derde middel, voor zover zij zijn gericht tegen de artikelen 2, 3, 6 en 7 van de wet van 16 mei 2024, niet aan de in B.4.2 vermelde vereisten voldoen, zijn zij niet ontvankelijk.
7
Om die redenen,
het Hof
verwerpt het beroep.
Aldus gewezen in het Nederlands, het Frans en het Duits, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juli 2025.
De griffier, De wnd. voorzitster,
Nicolas Dupont Joséphine Moerman
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.110
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==