Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.109

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-07-17 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

bestuursrecht grondwettelijk

Geciteerde wetgeving

1 juli 2006, 17 maart 2013, 31 maart 1987, 6 januari 1989, 6 juli 2007

Samenvatting

de prejudiciële vraag betreffende artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.109 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.109 Arrest- Rolnummer: 109/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-07-28 Raadplegingen: 178 - laatst gezien 2025-12-15 14:26 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche Geen schending (artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vraag betreffende artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Burgerlijk recht - Afstamming - Afstamming van vaderszijde - Erkenning van vaderschap - Vordering tot betwisting ingesteld door de moeder - Ontvankelijkheid - Gebrek in de toestemming Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 109/2025 van 17 juli 2025 Rolnummer : 8324 In zake : de prejudiciële vraag betreffende artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek, gesteld door de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt, Kattrin Jadin en Magali Plovie, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vraag en rechtspleging Bij vonnis van 18 september 2024, waarvan de expeditie ter griffie van het Hof is ingekomen op 23 september 2024, heeft de familierechtbank van de Rechtbank van eerste aanleg Namen, afdeling Namen, de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schendt artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek, in zoverre het voorschrijft dat de vordering van de moeder die partij is geweest bij een proces van vaderlijke erkenning omdat zij erin heeft toegestemd, die pas op gegronde wijze kan betwisten indien zij aantoont, in het stadium van de ontvankelijkheid, dat aan haar toestemming een gebrek kleefde, niet met name de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met andere, supranationale wetsbepalingen zoals het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en onder meer artikel 8 daarvan, alsook artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het tot gevolg heeft dat aan de rechter op absolute wijze de mogelijkheid wordt ontzegd om de belangen van alle betrokken partijen tegen elkaar af te wegen en dus om rekening te houden met het primordiale belang van het kind, in de omstandigheden van de aan hem voorgelegde zaak ? ». De Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Sébastien Depré, mr. Evrard de Lophem en mr. Juliette Van Vyve, advocaten bij de balie te Brussel, heeft een memorie ingediend. 2 Bij beschikking van 21 mei 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Magali Plovie en Willem Verrijdt te hebben gehoord, beslist dat de zaak in staat van wijzen was, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij de Ministerraad binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaak in beraad zou worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, is de zaak in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in het bodemgeschil In juni 2022 schenkt S.B. het leven aan een kind, dat is erkend door D. K.T., die dacht dat hij de vader was. S.B. heeft twijfels omtrent het biologische vaderschap van D. K.T., maar deelt die niet met D. K.T. In december 2022 dient D. K.T. een verzoekschrift tot spoedeisend geachte maatregelen in bij het verwijzende rechtscollege. S.B. vordert op tegenvordering de vernietiging van de erkenning van het vaderschap door D. K.T. Uit het door het verwijzende rechtscollege bevolen DNA-onderzoek blijkt dat D. K.T. niet de biologische vader van het kind is. D. K.T. verzoekt het verwijzende rechtscollege om vast te stellen dat hij bezit van staat heeft ten aanzien van het kind en om de voormelde erkenning van het vaderschap te bevestigen. Het verwijzende rechtscollege merkt allereerst op dat de voormelde feitelijke omstandigheden dat rechtscollege ertoe zouden moeten brengen een wilsgebrek vanwege D. K.T. vast te stellen, maar dat die laatste niet de vernietiging van de door hem gedane erkenning van het vaderschap vordert. Het verwijzende rechtscollege stelt vervolgens vast dat de in artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek bedoelde vereiste van een wilsgebrek een ontvankelijkheidsvoorwaarde is voor de vordering tot betwisting van de erkenning van vaderschap. Het merkt op dat het Hof, met name bij zijn arrest nr. 126/2015 van 24 september 2015 ( ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.126 ), heeft geoordeeld dat een dergelijke vereiste grondwettig is. Volgens het verwijzende rechtscollege wordt die vereiste echter opnieuw in het geding gebracht, zowel door de rechtsleer als door een arrest van het Hof van Beroep te Brussel van 22 april 2013, aangezien de rechter daardoor niet kan overgaan tot de afweging van de belangen van alle betrokken partijen en geen rekening kan houden met het hogere belang van het kind. Gelet op het feit dat bijna tien jaar is verstreken sedert de uitspraak van het voormelde arrest en op de ontwikkelingen op het gebied van het afstammingsrecht, stelt het verwijzende rechtscollege aan het Hof de hiervoor weergegeven prejudiciële vraag. III. In rechte -A- De Ministerraad doet gelden dat het Hof, in omstandigheden die soortgelijk zijn aan die welke aan het verwijzende rechtscollege zijn voorgelegd, reeds meermaals heeft geoordeeld dat de in het geding zijnde bepaling in overeenstemming is met de in de prejudiciële vraag beoogde referentienormen. Hij verwijst dienaangaande naar de arresten nrs. 139/2014 ( ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.139 ), 38/2015 ( ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.038 ) en 126/2015, voormeld. 3 Verwijzend naar de arresten nrs. 77/2016 ( ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.077 ) en 161/2016 ( ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.161 ), voert de Ministerraad bovendien aan dat de inachtneming van het belang van het kind niet telkens veronderstelt dat een zaak ten gronde moet worden onderzocht. De inachtneming van het belang van het kind is niet enkel voorbehouden aan de rechter. De wetgever heeft in casu zelf de bakens voor dat belang uitgezet, door te oordelen dat de rechtszekerheid deel ervan uitmaakt. Door de betwisting van de erkenning, wanneer zij wordt aangevraagd door de erkenner of door de persoon die erin heeft toegestemd, voor te behouden voor het geval van een wilsgebrek, wordt vermeden dat een stemmingswisseling aan de oorsprong ligt van een wijziging van de afstammingsband, zoals dat te dezen het geval is. Volgens de Ministerraad zou het in het bodemgeschil beoogde belang van het kind in het gedrang worden gebracht door het feit dat dat kind door zijn moeder wordt vertegenwoordigd, zonder dat een voogd ad hoc werd aangewezen overeenkomstig artikel 331sexies, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek. De Ministerraad doet voor het overige gelden dat de vereiste van een wilsgebrek bedoeld in de in het geding zijnde bepaling niet in de weg staat dat de procureur des Konings een vordering tot vernietiging van de erkenning van vaderschap instelt op grond van artikel 330/3 van het oud Burgerlijk Wetboek. Geen enkele pertinente overweging verantwoordt volgens de Ministerraad dat van de rechtspraak van het Hof wordt afgeweken. De verwijzingen door het verwijzende rechtscollege naar artikelen uit de rechtsleer waarin de rechtspraak van het Hof wordt bekritiseerd, leiden niet tot een andere conclusie. Het staat aan de wetgever, en niet aan het Hof, om te oordelen of het opportuun is een grondwettig bevonden bepaling te wijzigen of op te heffen. De Ministerraad besluit dat de prejudiciële vraag tot een vaststelling van niet-schending moet leiden. -B- B.1.1. De prejudiciële vraag heeft betrekking op de in artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek vervatte regel volgens welke de vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning ingesteld door de persoon die in die erkenning heeft toegestemd enkel ontvankelijk is indien die persoon bewijst dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde. B.1.2. Artikel 330, § 1, eerste en tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bepaalt : « Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het moederschap worden betwist voor de familierechtbank door de vader, het kind, de vrouw die het kind heeft erkend en de vrouw die het moederschap van het kind opeist. Tenzij het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend, kan de erkenning van het vaderschap worden betwist voor de familierechtbank door de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend, de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist. De erkenner en zij die de voorafgaande, in artikel 329bis vereiste of bedoelde toestemmingen hebben gegeven, zijn echter alleen gerechtigd de erkenning te betwisten, indien zij bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde ». B.1.3. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof of artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in 4 samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind, in zoverre het tot gevolg heeft dat aan de rechter op absolute wijze de mogelijkheid wordt ontzegd om de belangen van alle betrokken partijen tegen elkaar af te wegen « en dus om rekening te houden met het primordiale belang van het kind ». B.1.4. Het bodemgeschil heeft betrekking op een vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning ingesteld door de moeder die oorspronkelijk in die erkenning had toegestemd. Enkel het voormelde tweede lid van artikel 330, § 1, van het oud Burgerlijk Wetboek is bijgevolg in het geding, in het geval waarin de vaderlijke erkenning wordt betwist door de moeder die in die erkenning heeft toegestemd. B.1.5. Het bodemgeschil heeft betrekking op een situatie waarin (1) de moeder in de vaderlijke erkenning heeft toegestemd ondanks haar twijfels over het biologische vaderschap van de kandidaat-erkenner, (2) de erkenner, die op het ogenblik van de erkenning niet wist dat hij niet de biologische vader was, zich tegen een vernietiging van die erkenning verzet, (3) het erkende kind minder dan twaalf jaar oud is en (4) de biologische vader niet optreedt. B.2. Artikel 330 van het oud Burgerlijk Wetboek regelt de betwisting van de moederlijke en de vaderlijke erkenning. Het bepaalt welke de vorderingsgerechtigden zijn en welke termijnen op hen van toepassing zullen zijn. De betwisting van de vaderlijke erkenning kan uitgaan van de moeder, het kind, de man die het kind heeft erkend, de man die het vaderschap van het kind opeist en de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist (§ 1, eerste lid, tweede zin). De ontvankelijkheid van de vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning is evenwel onderworpen aan twee voorwaarden. De vordering is – voor alle vorderingsgerechtigden – onontvankelijk wanneer het kind bezit van staat heeft ten aanzien van degene die het heeft erkend (ibid.). Ze is tevens onontvankelijk – voor de erkenner en voor de personen die in de erkenning hebben toegestemd overeenkomstig artikel 329bis van het oud Burgerlijk Wetboek – wanneer zij niet bewijzen dat aan hun toestemming een gebrek kleefde (§ 1, tweede lid). 5 B.3. De artikelen 10 en 11 van de Grondwet hebben een algemene draagwijdte. Zij verbieden elke discriminatie, ongeacht de oorsprong ervan : de grondwettelijke regels van de gelijkheid en van de niet-discriminatie zijn toepasselijk ten aanzien van alle rechten en alle vrijheden, met inbegrip van die welke voortvloeien uit internationale verdragen die België binden. B.4.1. Artikel 22 van de Grondwet bepaalt : « Ieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé-leven en zijn gezinsleven, behoudens in de gevallen en onder de voorwaarden door de wet bepaald. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen de bescherming van dat recht ». Artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens bepaalt : « 1. Eenieder heeft recht op eerbiediging van zijn privé leven, zijn gezinsleven, zijn huis en zijn briefwisseling. 2. Geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan met betrekking tot de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving nodig is in het belang van 's lands veiligheid, de openbare veiligheid, of het economisch welzijn van het land, de bescherming van de openbare orde en het voorkomen van strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden, of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen ». B.4.2. De grondwetgever heeft gestreefd naar een zo groot mogelijke concordantie tussen artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens (Parl. St., Kamer, 1992-1993, nr. 997/5, p. 2). De draagwijdte van dat artikel 8 is analoog aan die van de voormelde grondwetsbepaling, zodat de waarborgen die beide bepalingen bieden, een onlosmakelijk geheel vormen. B.5.1. Artikel 22bis van de Grondwet bepaalt : « Elk kind heeft recht op eerbiediging van zijn morele, lichamelijke, geestelijke en seksuele integriteit. 6 Elk kind heeft het recht zijn mening te uiten in alle aangelegenheden die het aangaan; met die mening wordt rekening gehouden in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen. Elk kind heeft recht op maatregelen en diensten die zijn ontwikkeling bevorderen. Het belang van het kind is de eerste overweging bij elke beslissing die het kind aangaat. De wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel waarborgen deze rechten van het kind ». Artikel 3 van het Verdrag inzake de rechten van het kind bepaalt : « 1. Bij alle maatregelen betreffende kinderen, ongeacht of deze worden genomen door openbare of particuliere instellingen voor maatschappelijk welzijn of door rechterlijke instanties, bestuurlijke autoriteiten of wetgevende lichamen, vormen de belangen van het kind de eerste overweging. 2. De Staten die partij zijn, verbinden zich ertoe het kind te verzekeren van de bescherming en de zorg die nodig zijn voor zijn welzijn, rekening houdende met de rechten en plichten van zijn ouders, wettige voogden of anderen die wettelijk verantwoordelijk zijn voor het kind, en nemen hiertoe alle passende wettelijke en bestuurlijke maatregelen. 3. De Staten die partij zijn, waarborgen dat de instellingen, diensten en voorzieningen die verantwoordelijk zijn voor de zorg voor of de bescherming van kinderen voldoen aan de door de bevoegde autoriteiten vastgestelde normen, met name ten aanzien van de veiligheid, de gezondheid, het aantal personeelsleden en hun geschiktheid, alsmede bevoegd toezicht ». B.5.2. In zoverre artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind oplegt dat het hogere belang van het kind de eerste overweging is bij elke beslissing met betrekking tot dat kind, heeft die bepaling een draagwijdte die analoog is aan artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet, waarvan de toetsing tot de bevoegdheid van het Hof behoort. Het Hof houdt aldus rekening met die in de prejudiciële vraag vermelde verdragsbepaling. B.6. Bij zijn arrest nr. 126/2015 van 24 september 2015 ( ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.126 ) heeft het Hof artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek getoetst aan de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. 7 Het Hof heeft daarbij geoordeeld : « B.4.1. Het recht op de eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven, zoals het door de voormelde bepalingen wordt gewaarborgd, beoogt in wezen de personen te beschermen tegen inmengingen in hun privéleven en hun gezinsleven. Artikel 22, eerste lid, van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens sluiten een overheidsinmenging in het recht op eerbiediging van het privé- en gezinsleven niet uit, maar vereisen dat die inmenging wordt toegestaan door een voldoende precieze wettelijke bepaling, dat zij een wettig doel nastreeft en dat zij noodzakelijk is in een democratische samenleving. Die bepalingen houden voor de overheid bovendien de positieve verplichting in om maatregelen te nemen die een daadwerkelijke eerbiediging van het privéleven en het gezinsleven verzekeren, zelfs in de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen (EHRM, 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; grote kamer, 12 november 2013, Söderman t. Zweden, § 78; 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 42). B.4.2. De procedures met betrekking tot het vaststellen of betwisten van de vaderlijke afstamming raken het privéleven omdat de materie van de afstamming belangrijke aspecten van iemands persoonlijke identiteit omvat (EHRM, 28 november 1984, Rasmussen t. Denemarken, § 33; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 30; 12 januari 2006, Mizzi t. Malta, § 102; 16 juni 2011, Pascaud t. Frankrijk, §§ 48-49; 21 juni 2011, Krušković t. Kroatië, § 20; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 60; 12 februari 2013, Krisztián Barnabás Tóth t. Hongarije, § 28). De in het geding zijnde regeling voor het betwisten van de erkenning van het vaderschap valt derhalve onder de toepassing van artikel 22 van de Grondwet en van artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.4.3. De wetgever beschikt bij de uitwerking van een regeling die een overheidsinmenging in het privéleven inhoudt, over een appreciatiemarge om rekening te houden met een billijk evenwicht tussen de tegenstrijdige belangen van het individu en de samenleving in haar geheel (EHRM, 26 mei 1994, Keegan t. Ierland, § 49; 27 oktober 1994, Kroon e.a. t. Nederland, § 31; 2 juni 2005, Znamenskaya t. Rusland, § 28; 24 november 2005, Shofman t. Rusland, § 34; 20 december 2007, Phinikaridou t. Cyprus, §§ 51 tot 53; 25 februari 2014, Ostace t. Roemenië, § 33). Die appreciatiemarge van de wetgever is evenwel niet onbegrensd : om te oordelen of een wettelijke regeling verenigbaar is met het recht op de eerbiediging van het privéleven, moet worden nagegaan of de wetgever een billijk evenwicht heeft gevonden tussen alle rechten en belangen die in het geding zijn. Zulks vereist dat de wetgever niet alleen een afweging maakt tussen de belangen van het individu tegenover die van de samenleving in haar geheel, maar tevens tussen de tegenstrijdige belangen van de betrokken personen (EHRM, 6 juli 2010, Backlund t. Finland, § 46; 15 januari 2013, Laakso t. Finland, § 46; 29 januari 2013, Röman t. Finland, § 51). Bij het uitwerken van een wettelijke regeling inzake afstamming dient de wetgever de bevoegde overheden in beginsel de mogelijkheid te bieden om in concreto een afweging te 8 maken tussen de belangen van de verschillende betrokken personen, op gevaar af anders een maatregel te nemen die niet evenredig zou zijn met de nagestreefde wettige doelstellingen. Zowel artikel 22bis, vierde lid, van de Grondwet als artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind verplichten de rechtscolleges om in de eerste plaats het belang van het kind in aanmerking te nemen in de procedures die op het kind betrekking hebben. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens heeft verduidelijkt dat, bij het afwegen van de in het geding zijnde belangen, de belangen van het kind dienen te primeren (EHRM, 5 november 2002, Yousef t. Nederland, § 73; 26 juni 2003, Maire t. Portugal, §§ 71 en 77; 8 juli 2003, Sommerfeld t. Duitsland, §§ 64 en 66; 28 juni 2007, Wagner en J.M.W.L. t. Luxemburg, § 119; 6 juli 2010, Neulinger en Shuruk t. Zwitserland, § 135; 22 maart 2012, Ahrens t. Duitsland, § 63). Hoewel het belang van het kind de eerste overweging dient te zijn, heeft het geen absoluut karakter. Bij de afweging van de verschillende op het spel staande belangen, neemt het belang van het kind een bijzondere plaats in door het feit dat het kind de zwakke partij is in de familiale relatie. Uit die bijzondere plaats volgt evenwel niet dat met de belangen van de andere in het geding zijnde partijen geen rekening zou kunnen worden gehouden. B.5. De rust der families en de rechtszekerheid van de familiale banden, enerzijds, en het belang van het kind, anderzijds, zijn legitieme doelstellingen waarvan de wetgever kan uitgaan om de gevallen van betwisting van de erkenning van het vaderschap te beperken. In dat opzicht is het pertinent om de biologische werkelijkheid niet a priori te laten prevaleren op de socioaffectieve werkelijkheid van het vaderschap. B.6.1. De regel die is opgenomen in de in het geding zijnde wetsbepaling, volgens welke de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap ingesteld door de erkenner of door de moeder die in die erkenning heeft toegestemd, pas ontvankelijk is indien die laatste aantoont dat aan zijn of haar toestemming een gebrek kleefde, was reeds opgenomen in artikel 330, § 1, tweede lid, van het Burgerlijk Wetboek, zoals vervangen bij artikel 38 van de wet van 31 maart 1987 ‘ tot wijziging van een aantal bepalingen betreffende de afstamming ’. De aanneming van die regel drukte de wil uit om de betwisting van de erkenning van een kind te beperken tot ‘ zeer uitzonderlijke gevallen ’, teneinde ‘ inzake erkenning […] een zo groot mogelijk parallellisme met het vaderschap binnen het huwelijk ’ te verzekeren, zodat ‘ een zelfde stabiliteit als deze die bestaat ten aanzien van een kind dat binnen het huwelijk wordt geboren ’ kan worden bereikt (Parl. St., Senaat, 1984-1985, nr. 904-2, p. 101). Het is in die context dat de wetgever heeft beslist de erkenner het recht te weigeren om die erkenning te betwisten ‘ wanneer hij met kennis van zaken heeft gehandeld, ook […] wanneer hij niet de vader van dat erkende kind is ’, zonder daarom een dergelijke betwisting uit te sluiten wanneer zou vaststaan dat ‘ aan de toestemming een gebrek kleeft ’ (ibid., pp. 101 en 102). De wetgever heeft ervoor gekozen om alle personen die bij de erkenningsprocedure zijn betrokken, op dezelfde wijze te behandelen door hun het recht op betwisting te ontzeggen, ‘ tenzij er een gebrek is bij de toestemming ’ (ibid., p. 102). Er werd gepreciseerd : ‘ Zo de moeder haar toestemming heeft gegeven voor de erkenning, kan zij deze achteraf niet meer betwisten ’ (ibid., p. 103). 9 B.6.2. Die maatregel werd behouden bij de aanneming van de wet van 1 juli 2006, die verschillende wijzigingen van de regeling voor de betwisting van de afstamming bevatte teneinde ‘ de regels inzake betwisting van het [vermoeden van] vaderschap van de echtgenoot en betwisting van de afstamming door erkenning, nader tot elkaar te brengen ’, wijzigingen die als volgt zijn becommentarieerd : ‘ De wet van 1987 heeft de meeste vormen van discriminatie tussen kinderen wat de gevolgen van de afstamming betreft, weggewerkt. Nu is het de bedoeling om de verschillen in behandeling weg te werken met betrekking tot het betwisten van een afstamming die niet met de werkelijkheid overeenstemt. Alle kinderen worden zo op dezelfde manier behandeld. De wet van 1987 behoudt het recht om het vaderschap van de echtgenoot te betwisten voor aan de moeder, de echtgenoot (of de vorige echtgenoot) en het kind. De erkenning kan daarentegen door iedere belanghebbende worden betwist (artikel 330). Artikel 318 van het ontwerp bepaalt dat het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot dezelfde gevolgen heeft als de erkenning. Het nieuwe artikel 330 legt voor de betwisting van beide dezelfde voorwaarden op. In beide gevallen kan de afstamming worden betwist door de ouder ten aanzien van wie de afstamming al is vastgesteld (meestal : de moeder), door de echtgenoot (of de vorige echtgenoot), door de kandida(a)t(e) voor erkenning en door het kind ’ (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/7, p. 4). B.6.3. Artikel 329bis, § 2, van het Burgerlijk Wetboek, zoals ingevoegd bij artikel 15 van de wet van 1 juli 2006 en gewijzigd bij artikel 11 van de wet van 17 maart 2013, bepaalt : ‘ Indien het kind minderjarig en niet ontvoogd is, is de erkenning alleen ontvankelijk mits de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat of, indien de erkenning voor de geboorte van het kind gebeurt, de moeder, vooraf daarin toestemt. Bovendien is de voorafgaande toestemming van het kind vereist, indien het de volle leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Deze toestemming is niet vereist indien de rechtbank, op grond van feiten die vastgesteld zijn in een met redenen omkleed proces-verbaal, oordeelt dat het kind geen onderscheidingsvermogen heeft. Bij gebreke van die toestemmingen dagvaardt degene die het kind wil erkennen de personen wier toestemming vereist is voor de rechtbank. De partijen worden in raadkamer gehoord. De rechtbank poogt ze te verzoenen. Indien de rechtbank de partijen tot verzoening brengt, ontvangt zij de nodige toestemmingen. Bij gebreke van verzoening wordt het verzoek verworpen als vaststaat dat de verzoeker niet de biologische vader of moeder is. Als het verzoek een kind betreft dat op het tijdstip van de indiening van het verzoek een jaar of ouder is, kan de rechtbank bovendien de erkenning weigeren als ze kennelijk strijdig is met de belangen van het kind. Indien tegen degene die het kind wil erkennen een strafvordering is ingesteld wegens een in artikel 375 van het Strafwetboek bedoeld feit dat gepleegd is op de persoon van de moeder tijdens de wettelijke periode van verwekking, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt de in het vierde lid bedoelde termijn van één jaar opgeschort tot de beslissing over de strafvordering in kracht van gewijsde is gegaan. Als degene die het kind wil erkennen op grond daarvan schuldig wordt verklaard, kan de erkenning niet plaatsvinden en wordt het verzoek om toestemming tot erkenning verworpen ’. 10 In de parlementaire voorbereiding betreffende die bepaling wordt vermeld : ‘ De regels voor de erkenning door de vader en door de moeder zijn eenvormig gemaakt. Ze staan vervat in het nieuwe artikel 329bis. [...] Als het kind minderjarig is, is de toestemming vereist van de ouder van wie de afstamming vaststaat (alsook de toestemming van het kind zelf indien het ouder is dan 12 jaar). Mocht er onenigheid zijn, kan de persoon die de erkenning aanvraagt een gerechtelijke procedure opstarten ’ (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/7, pp. 2-3). B.7.1. Het Hof moet nagaan of objectief en redelijk kan worden verantwoord dat de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap die is ingesteld door de moeder die in die erkenning heeft toegestemd, alleen ontvankelijk is indien die persoon aantoont dat aan zijn toestemming een gebrek kleefde en of de in het geding zijnde bepaling, door van het bestaan van een wilsgebrek een voorwaarde voor de ontvankelijkheid van de vordering te maken, geen afbreuk doet aan de positieve verplichting voor de overheid om maatregelen te nemen die de daadwerkelijke eerbiediging van het privé- en gezinsleven verzekeren, zelfs binnen de sfeer van de onderlinge verhoudingen tussen individuen, die voortvloeit uit artikel 22 van de Grondwet en artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, zoals gepreciseerd in B.3 tot B.5. B.7.2. Uit de in B.6.1 aangehaalde parlementaire voorbereiding blijkt dat de wetgever de mogelijkheden om de erkenning van een kind te betwisten, heeft willen beperken omwille van de rechtszekerheid, en dat hij rekening ermee heeft gehouden dat de erkenner uitdrukkelijk heeft ingestemd met die erkenning. Hetzelfde geldt voor de ouder ten aanzien van wie de afstamming vaststaat - namelijk meestal de moeder - of voor de moeder wanneer de erkenning plaatsvindt vóór de geboorte, van wie de toestemming bij artikel 329bis, § 2, van het Burgerlijk Wetboek is vereist, indien de erkenning een minderjarig kind betreft. Alleen in de gevallen waarin aan die toestemming een gebrek kleefde, wordt die personen dus toegestaan het vaderschap te betwisten en aldus terug te komen op de gegeven toestemming. B.7.3. In tegenstelling tot de vaststelling van de afstamming van een kind dat binnen het huwelijk is geboren, die voortvloeit uit het vermoeden van vaderschap van de echtgenoot (artikel 315 van het Burgerlijk Wetboek), veronderstelt de erkenning van een minderjarig kind door een man dat die laatstgenoemde zijn wil uitdrukkelijk uit, en dat de moeder erin toestemt overeenkomstig artikel 329bis, § 2, van het Burgerlijk Wetboek. Ofschoon door die erkenning een afstammingsband tot stand komt, is het niet uitgesloten dat de betrokkene een kind erkent en dat de moeder erin toestemt terwijl zij beiden weten dat er tussen hen geen biologische band bestaat. B.7.4. De niet-naleving van een voorwaarde van ontvankelijkheid van een rechtsvordering belet de rechter in beginsel het geschil ten gronde te onderzoeken en dus de belangen af te wegen. Te dezen verhindert de in het geding zijnde bepaling evenwel niet dat de moeder die in de erkenning van haar kind heeft toegestemd omdat zij ertoe werd gedwongen door bedreigingen - waarvan de werkelijkheid door alle wettelijke middelen kan worden aangetoond -, die erkenning door een man die niet de biologische vader is en geen socioaffectieve relatie met zijn kind heeft gehad, betwist : in dat geval dient immers te worden aangenomen dat haar toestemming tot de erkenning gebrekkig was. 11 Wanneer de betrokkene een kind erkent in de wetenschap dat er tussen hen geen biologische band bestaat of de moeder vrij toestemt in die erkenning waarvan zij weet dat zij leugenachtig is, is zulks niet het geval. In die hypothese vermocht de wetgever er rekening mee te houden dat de erkenner en de moeder vrij en weloverwogen hebben gehandeld. B.7.5. De voorwaarde van ontvankelijkheid waarin de in het geding zijnde bepaling voorziet, geldt overigens niet in de gevallen waarin de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap zou zijn ingesteld door het erkende kind of door een andere man die het vaderschap van dat kind opeist. De wetgever maakt het in die gevallen de rechter dus mogelijk de grond van de betwisting van het vaderschap te onderzoeken en de belangen van de verschillende betrokken personen in concreto af te wegen ». Het Hof heeft bij dat arrest voor recht gezegd dat artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt in zoverre het bepaalt dat de vordering tot betwisting van de erkenning van het vaderschap ingesteld door de moeder, slechts ontvankelijk is indien zij aantoont dat aan haar toestemming een gebrek kleefde. B.7. Om de redenen die zijn aangegeven in het voormelde arrest nr. 126/2015 en die in B.6 in herinnering zijn gebracht, is artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar met de artikelen 10, 11 en 22 van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens. B.8. Hoewel het Hof bij zijn voormelde arrest nr. 126/2015 rekening heeft gehouden met artikel 22bis van de Grondwet, zoals onder meer blijkt uit B.4.3 van dat arrest, heeft het zich daarbij niet uitdrukkelijk uitgesproken over de bestaanbaarheid van artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek met die grondwetsbepaling, aangezien het daarover niet was ondervraagd. Het Hof moet bijgevolg nog onderzoeken of artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bestaanbaar is met artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind, met name in het geval waarin, zoals in het bodemgeschil, de vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning betrekking heeft op een kind dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt. 12 B.9.1. In dat opzicht heeft het Hof zich, bij zijn arrest nr. 87/2016 van 2 juni 2016 ( ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.087 ), uitgesproken over de bestaanbaarheid, met artikel 22bis van de Grondwet, van artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek. Die bepaling heeft betrekking op de vordering tot betwisting van het vermoeden van vaderschap, en luidt : « De vordering van de moeder moet worden ingesteld binnen een jaar na de geboorte. De vordering van de echtgenoot moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat hij niet de vader van het kind is, die van de man die het vaderschap van het kind opeist moet worden ingesteld binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader van het kind is en die van het kind moet worden ingesteld op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt en uiterlijk op de dag waarop het de leeftijd van tweeëntwintig jaar heeft bereikt of binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat de echtgenoot zijn vader niet is. De vordering van de vrouw die het meemoederschap van het kind opeist, moet worden ingesteld binnen een jaar na de ontdekking van het feit dat zij overeenkomstig artikel 7 van de wet van 6 juli 2007 betreffende de medisch begeleide voortplanting en de bestemming van de overtallige embryo’s en de gameten heeft toegestemd in de verwekking en de verwekking hiervan het gevolg kan zijn ». B.9.2. Bij zijn voormelde arrest nr. 87/2016 heeft het Hof geoordeeld : « B.9. Artikel 318, § 2, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek biedt het kind de mogelijkheid om een vordering tot betwisting van vaderschap in te stellen op zijn vroegst op de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt. Met die bepaling waarborgt de wetgever het recht op identiteit dat, volgens het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, het voorwerp moet uitmaken van een grondig onderzoek wanneer de aanwezige belangen worden vergeleken (EHRM, 3 april 2014, Konstantinidis t. Griekenland, § 47). Een kind dat de leeftijd van twaalf jaar niet heeft bereikt, kan daarentegen geen vordering tot betwisting van vaderschap instellen. B.10. Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 1 juli 2006 blijkt dat de wetgever niet heeft gewild dat de vader of de moeder van een kind ‘ het verval dat hij/zij heeft opgelopen met betrekking tot zijn eigen rechtsvordering, gewoon [zou kunnen] omzeilen door de rechtsvordering in te leiden namens het kind ’ (Parl. St., Senaat, 2005-2006, nr. 3-1402/4, p. 9). De wetgever heeft dan ook uitdrukkelijk bepaald dat de vordering van het kind niet kan worden ingesteld vóór de leeftijd van twaalf jaar. Die leeftijd wordt immers in aanmerking genomen als die waarop het kind een onderscheidingsvermogen heeft (ibid., nr. 3-1402/7, p. 52). De hoofdindiener verduidelijkt ‘ dat niet het kind zelf een vordering moet instellen maar dat dit moet geschieden door toedoen van een voogd ad hoc die kan oordelen over de wenselijkheid van de vordering van het kind ’ (ibid.). In zoverre zij het onderscheidingsvermogen van het kind in aanmerking neemt om het niet toe te staan een vordering tot betwisting van vaderschap in te stellen vóór de leeftijd van twaalf jaar, is de in het geding zijnde bepaling bestaanbaar met artikel 22bis van de Grondwet, dat uitdrukkelijk preciseert dat met de mening van het kind rekening wordt gehouden ‘ in overeenstemming met zijn leeftijd en zijn onderscheidingsvermogen ’. De wetgever heeft rekening gehouden met de ernst van de handeling die erin bestaat een rechtsvordering in te 13 stellen tegen een van zijn ouders, en met het feit dat het kind kan zijn beïnvloed door een van zijn ouders of verwanten. De wetgever wilde overigens niet dat de vordering van het kind zou worden ingesteld door een andere houder van de vordering tot betwisting - de wettige vader, de moeder of de man die het vaderschap opeist -, die niet in rechte is getreden binnen de termijn die hem bij de in het geding zijnde bepaling is opgelegd, wegens het mogelijke belangenconflict tussen het kind en die houder. Het is juist dat in het in B.2.2 beoogde geval de in het geding zijnde bepaling tot gevolg heeft dat aan het kind zijn recht op identiteit en de mogelijkheid om zijn belang in aanmerking te laten nemen bij de afweging, door de rechter, van de verschillende aanwezige belangen, tijdelijk worden ontzegd. Het belang van het kind moet evenwel de eerste overweging zijn, ook al heeft het geen absoluut karakter, omdat het kind de zwakke partij is in de familiale relatie. Die ontzegging is echter slechts tijdelijk omdat het kind een vordering tot betwisting van vaderschap zal kunnen instellen, waarbij het zal worden vertegenwoordigd door een voogd ad hoc, overeenkomstig artikel 331sexies van het Burgerlijk Wetboek ». Het Hof heeft bij dat arrest voor recht gezegd dat artikel 318, § 2, eerste lid, van het oud Burgerlijk Wetboek de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, al dan niet in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens, niet schendt in zoverre de man die het vaderschap van het kind opeist de vordering tot betwisting van vaderschap moet instellen binnen het jaar na de ontdekking van het feit dat hij de vader is van het kind. B.10. Te dezen kent artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek eveneens aan het kind het recht toe om, vanaf de dag waarop het de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, de erkenning van het vaderschap te betwisten, waarbij het wordt vertegenwoordigd door een voogd ad hoc overeenkomstig artikel 331sexies van het oud Burgerlijk Wetboek. Om mutatis mutandis dezelfde redenen als die welke zijn aangegeven in het voormelde arrest nr. 87/2016 en die in B.9.2 in herinnering zijn gebracht, is artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek bijgevolg bestaanbaar met artikel 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Die bepalingen verzetten zich niet ertegen dat de wetgever van het bestaan van een wilsgebrek een ontvankelijkheidsvoorwaarde maakt voor de vordering tot betwisting van de vaderlijke erkenning ingesteld door de moeder die in die erkenning heeft toegestemd, noch dat die ontvankelijkheidsvoorwaarde door de rechter niet terzijde kan worden geschoven op basis van een afweging in concreto van de aanwezige belangen, in het bijzonder het belang van het kind. 14 B.11. Artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek is niet onbestaanbaar met de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. 15 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : Artikel 330, § 1, tweede lid, van het oud Burgerlijk Wetboek schendt niet de artikelen 10, 11, 22 en 22bis van de Grondwet, in samenhang gelezen met artikel 8 van het Europees Verdrag voor de rechten van de mens en met artikel 3, lid 1, van het Verdrag inzake de rechten van het kind. Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juli 2025. De griffier, De voorzitter, Nicolas Dupont Pierre Nihoul PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.109 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:GHCC:2014:ARR.139 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.038 ECLI:BE:GHCC:2015:ARR.126 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.077 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.087 ECLI:BE:GHCC:2016:ARR.161 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot