Naar hoofdinhoud

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.107

🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle 📅 2025-07-17 🌐 FR Arrest

Rechtsgebied

fiscaal_recht

Geciteerde wetgeving

1 juli 2016, 5 januari 1976, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET

Samenvatting

de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 333/2 en 358, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel.

Volledige tekst

ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.107 JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Grondwettelijk Hof (Arbitragehof) Vonnis/arrest van 17 juli 2025 ECLI nr: ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.107 Arrest- Rolnummer: 107/2025 Rechtsgebied: Constitutioneel recht Invoerdatum: 2025-07-28 Raadplegingen: 248 - laatst gezien 2025-12-15 14:25 Versie(s): Versie FR Versie DE Fiche - Schending (artikel 333/2 en artikel 358, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in die zin geïnterpreteerd dat de belastingadministratie de inkomsten van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin de buitenlandse inlichting is verkregen, systematisch kan onderzoeken en belasten, zelfs wanneer zij de periode van 24 maanden eerder, bij het ontvangen van eerdere buitenlandse inlichtingen, heeft laten verstrijken) - Geen schending (artikel 333/2 en artikel 358, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, in die zin geïnterpreteerd dat de belastingadministratie de inkomsten van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin de buitenlandse inlichting is verkregen, niet systematisch kan onderzoeken en belasten en niet kan onderzoeken en belasten wanneer zij de periode van 24 maanden eerder, bij het ontvangen van eerdere buitenlandse inlichtingen, heeft laten verstrijken) Thesaurus CAS: GRONDWETTELIJK HOF UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF Vrije woorden: de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 333/2 en 358, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Fiscaal recht - Inkomstenbelastingen - Buitenlandse inlichtingen - Niet-aangifte van belastbare inkomsten - Bijzondere aanslag- en onderzoekstermijn Tekst van de beslissing Grondwettelijk Hof Arrest nr. 107/2025 van 17 juli 2025 Rolnummers : 8310, 8311 en 8312 In zake : de prejudiciële vragen betreffende de artikelen 333/2 en 358, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992, gesteld door de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel. Het Grondwettelijk Hof, samengesteld uit rechter Joséphine Moerman, waarnemend voorzitster, voorzitter Pierre Nihoul, en de rechters Michel Pâques, Danny Pieters, Sabine de Bethune, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Nicolas Dupont, onder voorzitterschap van rechter Joséphine Moerman, wijst na beraad het volgende arrest : I. Onderwerp van de prejudiciële vragen en rechtspleging Bij drie vonnissen van 14 juni 2024, waarvan de expedities ter griffie van het Hof zijn ingekomen op 2 september 2024, heeft de Nederlandstalige Rechtbank van eerste aanleg te Brussel de volgende prejudiciële vraag gesteld : « Schenden de artikelen 333/2 WIB 92 en artikel 358, § 1, 2° WIB 92 de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet inzoverre het een verschil in behandeling doet ontstaan tussen de belastingplichtige die wordt geconfronteerd met een aanvullende aanslag binnen de gewone driejarige aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid WIB 92 na een fiscaal onderzoek binnen eenzelfde termijn enerzijds en de belastingplichtige die wordt geconfronteerd met een aanvullende aanslag o.b.v. de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 2° WIB 92 na een fiscaal onderzoek in toepassing van artikel 333/2 WIB 92 anderzijds ». Die zaken, ingeschreven onder de nummers 8310, 8311 en 8312 van de rol van het Hof, werden samengevoegd. 2 Memories en memories van antwoord zijn ingediend door : - Raphael Monten, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jonathan Himpe, advocaat bij de balie van Limburg (in de zaak nr. 8310); - Guy Janssens, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jonathan Himpe (in de zaak nr. 8311); - Wim Vanspringel en Patricia Vandenplas, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Jonathan Himpe (in de zaak nr. 8312); - de Ministerraad, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Koen Maenhout, advocaat bij de balie van Antwerpen. Bij beschikking van 21 mei 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Danny Pieters en Kattrin Jadin te hebben gehoord, beslist dat de zaken in staat van wijzen waren, dat geen terechtzitting zou worden gehouden, tenzij een partij binnen zeven dagen na ontvangst van de kennisgeving van die beschikking een verzoek om te worden gehoord, zou hebben ingediend, en dat, behoudens zulk een verzoek, de debatten na die termijn zouden worden gesloten en de zaken in beraad zouden worden genomen. Aangezien geen enkel verzoek tot terechtzitting werd ingediend, zijn de zaken in beraad genomen. De bepalingen van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast. II. De feiten en de rechtspleging in de bodemgeschillen In de zaken nrs. 8310, 8311 en 8312 verstuurt de belastingadministratie op 10 november 2020 een vraag om inlichtingen met betrekking tot de aanslagjaren 2014 tot 2020 naar de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege. Als bijlage voegt de belastingadministratie een FATCA-fiche (« Foreign Account Tax Compliance Act ») van 25 september 2019, waaruit blijkt dat de eisende partijen in 2018 beschikten over een aantal buitenlandse rekeningen in de Verenigde Staten waarop bepaalde inkomsten werden genoten. In de zaken nrs. 8310 en 8311 gaat de belastingadministratie op 27 juli 2021 over tot een kennisgeving van een bericht van wijziging van aangifte in de personenbelasting, waarbij wordt meegedeeld dat voor de aanslagjaren 2014, 2015 en 2016 bedragen worden toegevoegd aan de belastbare basis onder code 1250 (« wedden en lonen ») en onder code 1444 (« andere inkomsten zonder roerende voorheffing »). In de zaak nr. 8312 gaat de belastingadministratie op 5 augustus 2021 over tot de kennisgeving van een bericht van wijziging van aangifte in de personenbelasting, waarbij wordt meegedeeld dat voor de aanslagjaren 2014, 2015 en 2016 bedragen worden toegevoegd aan de belastbare basis onder code 1250 (« wedden en lonen ») alsook, voor de aanslagjaren 2014 en 2015, onder code 1444 (« andere inkomsten zonder roerende voorheffing »). De toegevoegde bedragen hebben volgens de belastingadministratie betrekking op bepaalde aandelengerelateerde beloningen die de betrokken belastingplichtigen zouden hebben ontvangen van de Amerikaanse moedervennootschap Intel Corporation voor hun beroepswerkzaamheden bij de Belgische dochtervennootschap Intel Corporation nv, alsook op de dividenden die zij hieruit zouden hebben verworven. Nadat de eisende partijen aan de belastingadministratie lieten weten hiermee niet akkoord te kunnen gaan, verstuurt de belastingadministratie op 9 september 2021 aan hen een kennisgeving van beslissing tot taxatie, 3 waarin zij te kennen geeft de vooropgestelde taxaties alsook een belastingverhoging van 50 % te behouden. Vervolgens gaat de belastingadministratie over tot de vestiging van de aanslagen. De eisende partijen stellen tegen die aanslagen een administratief bezwaar in, dat wordt verworpen. Daarop dienen zij een vordering tot vernietiging van de aanslagen in bij het verwijzende rechtscollege. Voor het verwijzende rechtscollege voeren de eisende partijen aan dat de belastingadministratie voor de bijkomende aanslagen heeft gesteund op de inlichtingen die zij heeft verkregen bij Amerikaanse bankinstellingen. Zij voeren aan dat de bijzondere onderzoeks- en aanslagtermijn van 24 maanden bepaald in artikel 333/2 respectievelijk artikel 358, § 1, 2°, en § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 te verregaande maatregelen zijn indien zij zo worden geïnterpreteerd dat de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin de informatie is verkregen, systematisch kunnen worden onderzocht en belast, waardoor de belastingadministratie elk jaar een nieuwe kans zou krijgen om de inkomsten van de voorbije vijf jaar te onderzoeken en te belasten, zelfs wanneer zij de periode van 24 maanden eerder, bij het ontvangen van eerdere buitenlandse inlichtingen, heeft laten verstrijken. Zij verzoeken het verwijzende rechtscollege om hierover een prejudiciële vraag te stellen aan het Hof. Bij drie vonnissen van 14 juni 2024 stelt het verwijzende rechtscollege de door de betrokken belastingplichtigen gesuggereerde prejudiciële vragen. III. In rechte -A- A.1. Met een verwijzing naar het arrest van het Hof nr. 214/2004 van 21 december 2004 (ECLI:BE:GHCC:2004:ARR.214) laten de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege gelden dat het in het geding zijnde verschil in behandeling op een objectief criterium steunt, namelijk de specifieke omstandigheden waarin een belasting of een aanvullende belasting kan worden gevestigd. Die omstandigheden betreffen het verkrijgen van inlichtingen uit het buitenland of het onderzoek als gevolg van het verkrijgen van dergelijke inlichtingen die uitwijzen dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven uiterlijk vijf jaar vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis werden gebracht van de Belgische belastingadministratie. Met verwijzing naar dat arrest zijn zij eveneens van mening dat het criterium van onderscheid pertinent is. Anders dan het Hof in het voormelde arrest heeft geoordeeld, heeft de in de voorliggende zaak aan de orde zijnde maatregel volgens de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege wel te verstrekkende gevolgen. De belastingadministratie beoogt immers een toepassing van de in het geding zijnde bepalingen in de situatie waarin de buitenlandse inlichtingen niet volstonden voor de vestiging van een aanslag en die inlichtingen niet uitwezen dat de eisende partijen voor het verwijzende rechtscollege voordelen uit alle aard niet zouden hebben aangegeven in België. Bovendien krijgt de belastingadministratie elk jaar, gedurende vijf jaar lang, een nieuwe kans om de inkomsten van een bepaald jaar te onderzoeken en te belasten, zelfs wanneer zij de periode van 24 maanden eerder al heeft laten verstrijken. Een dermate ruime interpretatie is onevenredig en is dan ook niet bestaanbaar met het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie, gewaarborgd bij de artikelen 10, 11 en 172 van de Grondwet. Om dezelfde redenen zijn de in het geding zijnde bepalingen niet verenigbaar met het fiscaal wettigheidsbeginsel gewaarborgd bij artikel 170 van de Grondwet, dat inhoudt dat de fiscale wetgeving strikt moet worden geïnterpreteerd. De in het geding zijnde bepalingen zijn dan ook enkel bestaanbaar met de voormelde grondwetsbepalingen, indien zij zo worden geïnterpreteerd dat enkel de nieuwe, nog niet eerder gekende gegevens, die de buitenlandse inlichting aan het licht heeft gebracht, kunnen worden onderzocht en tot een belasting aanleiding kunnen geven. A.2. De Ministerraad laat gelden dat de bijzondere aanslagtermijn van 24 maanden bepaald in artikel 358, § 1, 2°, en § 3, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992) reeds lang bestaat. De enige nieuwigheid is dat de programmawet van 1 juli 2016 aan die bijzondere aanslagtermijn een onderzoekstermijn heeft gekoppeld, in artikel 333/2 van het WIB 1992, teneinde de belastingadministratie toe te laten om een vraag om inlichtingen te versturen, aangezien er zeer vaak nog een onderzoek nodig is om het bedrag van de verschuldigde belasting te kunnen vaststellen. De in het geding zijnde bepalingen beogen dus het verzekeren van een correcte belastingheffing, wat een legitieme doelstelling is. Om de redenen vermeld in A.1, steunt het in het geding zijnde verschil in behandeling volgens de Ministerraad op een objectief criterium. 4 De Ministerraad is voorts van oordeel dat de bijzondere onderzoeks- en aanslagtermijn noodzakelijk is. Het opvragen van inlichtingen in het buitenland is een complexe aangelegenheid die veel tijd in beslag neemt. Vervolgens moet de belastingadministratie die inlichtingen verifiëren en moet zij op basis daarvan het correcte bedrag van de verschuldigde belasting bepalen. In dat opzicht is een duur van 24 maanden geenszins onredelijk. Volgens de Ministerraad hebben de in het geding zijnde bepalingen geen onevenredige gevolgen, aangezien de vestiging van de bijkomende aanslag maar mogelijk is tot 24 maanden na het verkrijgen van de inlichtingen en voor feiten die zich uiterlijk vijf jaar ervoor hebben voorgedaan, of zeven jaar, in geval van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. De Ministerraad volgt niet de ruime interpretatie die het verwijzende rechtscollege en de eisende partijen aan de in het geding zijnde bepalingen geven. De belastingadministratie beschikt ter zake over geen enkele keuze. Zodra zij op basis van de inlichtingen kennis krijgt van buitenlandse inkomsten die niet zijn aangegeven, is zij verplicht die te belasten. Wat ten slotte het bij artikel 170 van de Grondwet gewaarborgde fiscaal wettigheidsbeginsel betreft, is de Ministerraad van oordeel dat de in het geding zijnde bepalingen duidelijk en voorzienbaar zijn. -B- Ten aanzien van de in het geding zijnde bepalingen en de context ervan B.1. De prejudiciële vragen hebben betrekking op de toepassingsvoorwaarden van de bijzondere onderzoeks- en aanslagtermijn waarover de Belgische belastingadministratie beschikt wanneer zij inlichtingen heeft verkregen uit het buitenland die uitwijzen dat in België belastbare inkomsten niet werden aangegeven. B.2. In principe moet, overeenkomstig de artikelen 353 en 359 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 (hierna : het WIB 1992), de belasting worden gevestigd ten laatste op 30 juni van het jaar dat volgt op dat van het aanslagjaar. Dit betreft de gewone aanslagtermijn die van toepassing is ingeval de belastingplichtige tijdig aangifte heeft gedaan. Daarnaast kent artikel 354 van hetzelfde Wetboek de belastingadministratie een buitengewone aanslagtermijn toe van, in beginsel, drie jaar wanneer een hogere belasting verschuldigd is dan uit de aangifte blijkt en van vier jaar in geval geen of niet tijdig aangifte werd gedaan. B.3.1. Naast die gewone en buitengewone aanslagtermijnen voorziet artikel 358, § 1, 2°, en § 3, van het WIB 1992 in een bijzondere aanslagtermijn, die kan worden toegepast wanneer 5 de gewone en buitengewone aanslagtermijnen reeds zijn verstreken of niet dienstig zijn. Die bepaling luidt : « § 1. De belasting of de aanvullende belasting mag worden gevestigd, zelfs nadat de in artikel 354 bedoelde bepaalde termijn is verstreken ingeval : [...] 2° ofwel het bekomen van inlichtingen uit het buitenland, waarvoor een rechtsgrond bestaat die het uitwisselen van inlichtingen regelt in verband met een belasting waarop die rechtsgrond van toepassing is, ofwel het in artikel 333/2 bedoelde onderzoek ten gevolge van het bekomen van dergelijke inlichtingen uitwijst dat belastbare inkomsten, of verschuldigde roerende voorheffing of bedrijfsvoorheffing in België niet werden aangegeven : a) in de loop van één der vijf jaren vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht; b) ingeval van bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden, in de loop van één der zeven jaren vóór het jaar waarin de inlichtingen ter kennis van de Belgische administratie werden gebracht; [...] § 3. In het geval bedoeld in § 1, 2°, moet de belasting of de aanvullende belasting worden gevestigd binnen de vierentwintig maanden te rekenen vanaf de datum waarop de Belgische administratie kennis draagt van de inlichtingen bedoeld in § 1, 2° ». Artikel 333/2 van het WIB 1992 bepaalt : « Onverminderd de toepassing van artikel 333, kan de administratie binnen de aanslagtermijn van artikel 358, § 3, de in dit hoofdstuk bedoelde onderzoekingen verrichten voor de in artikel 358, § 1, 2°, vermelde jaren ». B.3.2. Artikel 358, § 1, 2°, van het WIB 1992 laat de belastingadministratie derhalve toe om, wanneer bepaalde inlichtingen verkregen uit het buitenland uitwijzen dat belastbare inkomsten door een belastingplichtige niet werden aangegeven, (aanvullende) aanslagen te vestigen met betrekking tot de vijf (of, in geval van fraude, zeven) jaren voorafgaand aan het jaar waarin de buitenlandse inlichtingen aan het licht zijn gekomen. Op grond van artikel 358, § 3, en artikel 333/2 van het WIB 1992 heeft de belastingadministratie vervolgens 24 maanden vanaf het moment waarop zij kennis heeft gekregen van de niet aangegeven belastbare inkomsten, om die buitenlandse inlichtingen, in voorkomend geval, te onderzoeken en de aanslagen te vestigen. 6 B.4.1. Artikel 358, § 1, 2°, van het WIB 1992 vindt zijn oorsprong in artikel 57 van de wet van 5 januari 1976 « betreffende de budgettaire voorstellen 1975-1976 ». Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat de in het geding zijnde maatregel deel uitmaakt van een aantal maatregelen die ertoe strekken belastingfraude te bestrijden (Parl. St., Senaat, 1975-1976, nr. 742/2, p. 9). B.4.2. Bij de programmawet van 1 juli 2016 werd de in het geding zijnde regeling grondig gewijzigd. Meer bepaald werd, met een wijziging van artikel 358, § 1, 2°, en § 3, van het WIB 1992, de in het geding zijnde regeling uitgebreid tot elke rechtsgrond die gegevensuitwisseling mogelijk maakt en werd de termijn verlengd tot zeven jaar in geval van bedrieglijk opzet of het oogmerk om te schaden. Daarnaast werd, met de invoeging van een artikel 333/2 in het WIB 1992, een onderzoekstermijn ingevoerd, parallel aan de aanslagtermijn van 24 maanden die is bepaald in artikel 358, § 3, van hetzelfde Wetboek. De parlementaire voorbereiding van de programmawet van 1 juli 2016 licht die wijzigingen als volgt toe : « In de huidige stand van de wetgeving bestaat er enkel een aanslagtermijn van 24 maanden (art. 358, § 3, WIB 92), wanneer een controle of een onderzoek door de bevoegde autoriteit van een land, waarmee België een overeenkomst tot het vermijden van dubbele belasting heeft gesloten in verband met een belasting waarop die overeenkomst van toepassing is, uitwijst dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven. Dit wil zeggen dat de uit het buitenland verkregen gegevens moeten volstaan om een aanslag te vestigen zonder het verrichten van bijkomende onderzoekdaden. Aangezien heel wat buitenlandse inlichtingen momenteel het resultaat zijn van een automatische gegevensuitwisseling waaraan geen enkel onderzoek is voorafgegaan, is het noodzakelijk van de bestaande aanslagtermijn voor buitenlandse inlichtingen van 24 maanden eveneens een onderzoekstermijn te maken, zodat er, indien nodig bijkomende onderzoekdaden kunnen worden verricht, zelfs als de gewone onderzoekstermijn van drie jaar reeds verlopen is. Het toepassingsveld wordt eveneens uitgebreid. Het gaat niet alleen meer over inlichtingen gebaseerd op een controle of onderzoek door de bevoegde autoriteit van een ander land. ‘ Buitenlandse inlichtingen ’ omvatten alle inlichtingen ontvangen vanuit het buitenland, zoals daar zijn de spontane, de verplichte, de automatische, de gestructureerde internationale uitwisselingen, de inlichtingen gebaseerd op een controle door de bevoegde autoriteit van de buitenlandse staat. Ook de rechtsgronden worden uitgebreid zodat elke vorm van internationale gegevensuitwisseling wordt gevat en niet langer alleen de overeenkomsten tot het vermijden 7 van dubbele belastingen, zoals daar zijn de multilaterale verdragen OESO/Raad van Europa inzake wederzijdse administratieve bijstand, TIEA’s (Tax Information Exchange Agreements), EU-richtlijnen (2011/16, 2014/107 en 2015/2376), CRS, FATCA, enz.. De bepaling onder paragraaf 1, 2° wordt dus op dit vlak eveneens aangepast. Naast de uitbreiding van de rechtsgronden wordt de termijn van 5 jaar in artikel 358, paragraaf 1, ten tweede verhoogd naar 7 jaar ingeval van bedrieglijk opzet of met het oogmerk om te schaden. Het spreekt voor zich dat in dit geval de betrokken belastingplichtige op de hoogte wordt gebracht van de aanwijzingen van fraude in zijnen hoofde » (Parl. St., Kamer, 2015-2016, DOC 54-1875/001, pp. 33-34). Ten gronde B.5.1. Het verwijzende rechtscollege vraagt het Hof de bestaanbaarheid na te gaan van artikel 333/2 en artikel 358, § 1, 2°, van het WIB 1992 met de artikelen 10, 11 en 170 van de Grondwet, in zoverre zij een verschil in behandeling doen ontstaan tussen, enerzijds, de belastingplichtige die wordt geconfronteerd met een aanvullende aanslag op basis van de bijzondere aanslagtermijn van artikel 358, § 1, 2°, van het WIB 1992 na een fiscaal onderzoek met toepassing van artikel 333/2 van hetzelfde Wetboek en, anderzijds, de belastingplichtige die wordt geconfronteerd met een aanvullende aanslag binnen de driejarige aanslagtermijn van artikel 354, eerste lid, van het WIB 1992 na een fiscaal onderzoek binnen dezelfde termijn. B.5.2. Uit de motieven van de verwijzingsbeslissing blijkt dat het verwijzende rechtscollege artikel 333/2 en artikel 358, § 1, 2°, van het WIB 1992 in die zin interpreteert dat de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin de inlichting is verkregen, systematisch kunnen worden onderzocht en belast, waardoor de belastingadministratie elk jaar een nieuwe kans zou krijgen om de inkomsten van de voorbije vijf jaar te onderzoeken en te belasten, zelfs wanneer zij de periode van 24 maanden eerder, bij het ontvangen van eerdere buitenlandse inlichtingen, heeft laten verstrijken. Het Hof onderzoekt de prejudiciële vragen in die interpretatie. B.6. Artikel 170 van de Grondwet legt het beginsel van wettigheid van de belasting vast. Uit de verwijzingsbeslissing blijkt niet in welk opzicht de in het geding zijnde bepalingen het wettigheidsbeginsel in fiscale zaken kunnen schenden. 8 In zoverre zij betrekking hebben op artikel 170 van de Grondwet, zijn de prejudiciële vragen niet ontvankelijk. B.7. Het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie sluit niet uit dat een verschil in behandeling tussen categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste maatregel en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het beginsel van gelijkheid en niet-discriminatie is geschonden wanneer vaststaat dat er geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. B.8. Het verschil in behandeling berust op een objectief criterium van onderscheid, namelijk de specifieke omstandigheden waarin een belasting of een aanvullende belasting kan worden gevestigd. B.9.1. Het komt de wetgever toe maatregelen te nemen die ertoe strekken belastingontwijking tegen te gaan en een correcte inning van de rechtmatig verschuldigde belastingen te verzekeren. Het creëren van de mogelijkheid van een aanvullend onderzoek en van een aanvullende aanslag en het openen van een bijkomende termijn voor dat onderzoek en de vestiging van die aanslag zijn pertinente maatregelen om die doelstelling te bereiken. Het vestigen van een aanslag in de gevallen waarin de belasting krachtens de wet verschuldigd is, vormt overigens een verplichting voor de administratie waardoor de gelijkheid van de burgers voor de fiscale wet wordt gewaarborgd. B.9.2. De wetgever dient evenwel een billijk evenwicht na te streven tussen het rechtmatige belang dat gebiedt dat een verschuldigde belasting moet worden betaald en de bekommernis om de belastingplichtige niet voor onbepaalde tijd over die aanslag in het ongewisse te laten. B.10. In de interpretatie van het verwijzende rechtscollege hebben de in het geding zijnde bepalingen evenwel onevenredige gevolgen, in zoverre de belastingadministratie elk jaar een nieuwe kans zou krijgen om de inkomsten van de voorbije vijf jaar systematisch te onderzoeken 9 en te belasten, zelfs wanneer zij de periode van 24 maanden eerder, bij het ontvangen van eerdere buitenlandse inlichtingen, heeft laten verstrijken, waardoor de belastingplichtige gedurende een lange tijd in het ongewisse blijft over het feit of hij kan worden geconfronteerd met een aanvullende aanslag. B.11. De in het geding zijnde bepalingen kunnen evenwel ook anders worden geïnterpreteerd. Uit de tekst van artikel 358, § 1, 2°, en § 3, van het WIB 1992 volgt immers dat de belastingadministratie enkel een (aanvullende) aanslag kan vestigen voor zover de uit het buitenland verkregen inlichtingen of het in artikel 333/2 bedoelde onderzoek dat ten gevolge van het verkrijgen van dergelijke inlichtingen werd gevoerd « uitwijst » dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven. De (aanvullende) aanslag dient derhalve steeds te worden gevestigd op basis van de uit het buitenland verkregen gegevens (zie reeds Parl. St., Kamer, 1975-1976, nr. 680/10, pp. 33-34). Het is de belastingadministratie dan ook geenszins toegestaan om naar aanleiding van de uit het buitenland verkregen inlichtingen de inkomsten van de voorbije vijf (of zeven) jaar systematisch te onderzoeken en te belasten. In gelijkaardige zin volgt uit artikel 358, § 1, 2°, en § 3, van het WIB 1992 dat de (aanvullende) aanslag en, in voorkomend geval, het onderzoek dat eraan is voorafgegaan, in beginsel beperkt zijn tot het aanslagjaar waarop de buitenlandse inlichtingen betrekking hebben. Evenwel zouden de inlichtingen met betrekking tot één aanslagjaar, in voorkomend geval, aanwijzingen kunnen bevatten die kunnen doen vermoeden dat ook voor andere aanslagjaren belastbare inkomsten niet werden aangegeven (vgl. Cass., 17 mei 2018, ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180517.8 ; 17 februari 2022, F.20.0147.N; 31 maart 2023, ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.9 ). Derhalve zouden die inlichtingen ook voor die andere aanslagjaren een onderzoek en een (aanvullende) aanslag op grond van de in het geding zijnde bepalingen kunnen rechtvaardigen, althans voor zover het onderzoek en de (aanvullende) aanslag niet verder teruggaan dan de vijf (of zeven) jaar voorafgaand aan het jaar waarin de buitenlandse inlichtingen aan het licht zijn gekomen. De in het geding zijnde bepalingen laten de belastingadministratie evenwel niet toe om een onderzoek te voeren naar en een aanslag te vestigen op niet aangegeven inkomsten uit de vijf (of zeven) voorbije jaren waarmee de uit de buitenlandse inlichtingen verkregen gegevens geen enkel verband houden. 10 Ten slotte bepaalt artikel 358, § 1, 2°, van het WIB 1992 uitdrukkelijk dat « het bekomen » van inlichtingen uit het buitenland of het in artikel 333/2 bedoelde onderzoek ten gevolge van het « bekomen » van dergelijke inlichtingen « uitwijst » dat belastbare inkomsten in België niet werden aangegeven, hetgeen impliceert dat de bijzondere aanslag- en onderzoekstermijn uitsluitend kan worden toegepast voor zover de belastingadministratie de niet aangegeven inkomsten nog niet kende. Wanneer de belastingadministratie reeds voordien op de hoogte was of behoorde te zijn van die inkomsten, bijvoorbeeld als gevolg van eerdere uit het buitenland verkregen inlichtingen, werden zij niet uitgewezen door de verkregen gegevens en kunnen de in het geding zijnde bepalingen niet worden toegepast. In voorkomend geval komt het de rechter toe om, rekening houdend met de concrete en feitelijke omstandigheden van het bij hem aanhangig gemaakte geschil, te oordelen over de bewijskracht van de uit het buitenland verkregen gegevens en om te bepalen wanneer de administratie kennis heeft gekregen van die gegevens. B.12. In de in B.11 vermelde interpretatie hebben de in het geding zijnde bepalingen geen onevenredige gevolgen. B.13. In de interpretatie dat de belastingadministratie de inkomsten van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin de buitenlandse inlichting is verkregen, niet systematisch kan onderzoeken en belasten en niet kan onderzoeken en belasten wanneer zij de periode van 24 maanden eerder, bij het ontvangen van eerdere buitenlandse inlichtingen, heeft laten verstrijken, zijn de in het geding zijnde bepalingen bestaanbaar met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. 11 Om die redenen, het Hof zegt voor recht : - In die zin geïnterpreteerd dat de belastingadministratie de inkomsten van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin de buitenlandse inlichting is verkregen, systematisch kan onderzoeken en belasten, zelfs wanneer zij de periode van 24 maanden eerder, bij het ontvangen van eerdere buitenlandse inlichtingen, heeft laten verstrijken, schenden artikel 333/2 en artikel 358, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. - In die zin geïnterpreteerd dat de belastingadministratie de inkomsten van de vijf jaren voorafgaand aan het jaar waarin de buitenlandse inlichting is verkregen, niet systematisch kan onderzoeken en belasten en niet kan onderzoeken en belasten wanneer zij de periode van 24 maanden eerder, bij het ontvangen van eerdere buitenlandse inlichtingen, heeft laten verstrijken, schenden artikel 333/2 en artikel 358, § 1, 2°, van het Wetboek van de inkomstenbelastingen 1992 de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet. Aldus gewezen in het Nederlands en het Frans, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 17 juli 2025. De griffier, De wnd. voorzitster, Nicolas Dupont Joséphine Moerman PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.107 Gerelateerde publicatie(s) citeert: ECLI:BE:CASS:2018:ARR.20180517.8 ECLI:BE:CASS:2023:ARR.20230331.1N.9 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab ✉ info-JUPORTAL@just.fgov.be ©  2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie Powered by PHP 8.5.0 Server Software Apache/2.4.65 == Fluctuat nec mergitur ==

Vragen over dit arrest?

Stel uw vragen aan onze juridische AI-assistent

Open chatbot