ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.100
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-06-26
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
15 december 1980, 3 augustus 1960, 6 januari 1989, Constitution, GRONDWET
Samenvatting
de vordering tot schorsing van artikel 50 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld door de vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones ».
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.100
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 26 juni 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.100
Arrest- Rolnummer:
100/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-07-07
Raadplegingen:
98 - laatst gezien 2025-12-15 14:22
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Verwerping van de vordering tot schorsing
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de vordering tot schorsing van artikel 50 van het programmadecreet van
de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen
betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld
door de vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones ». Onderwijs
- Franse Gemeenschap - Hoger onderwijs - Inschrijvingsgeld - Aanvullende
bijdrage - Buitenlandse student - Onderdaan van een derde Staat
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 100/2025
van 26 juni 2025
Rolnummer : 8463
In zake : de vordering tot schorsing van artikel 50 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld door de vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones ».
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Thierry Giet, Joséphine Moerman, Michel Pâques, Yasmine Kherbache en Danny Pieters, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 april 2025 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 april 2025, heeft de vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. François Belleflamme, advocaat bij de balie te Brussel, een vordering tot schorsing ingesteld van artikel 50 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 januari 2025).
Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepaling.
Bij beschikking van 22 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 21 mei 2025, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op 15 mei 2025 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be.
2
De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Karolinski en mr. Vanessa Rigodanzo, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend.
Op de openbare terechtzitting van 21 mei 2025 :
- zijn verschenen :
. mr. François Belleflamme en mr. Aymane Ralu, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij;
. mr. Vanessa Rigodanzo loco mr. Michel Karolinski, voor de Franse Gemeenschapsregering;
- hebben de rechters-verslaggevers Michel Pâques en Yasmine Kherbache verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
Ten aanzien van het belang
A.1.1. De verzoekende partij merkt op dat artikel 50 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (hierna : het programmadecreet van 11 december 2024) het bedrag van de bijkomende bijdrage die de studenten die niet voldoen aan een van de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 3, § 1, eerste lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot aanpassing van de financiering van de instellingen voor hoger onderwijs aan de nieuwe organisatie van de studies », in beginsel verschuldigd zijn, vaststelt op 4 175 euro. Zij doet gelden dat zij doet blijken van het vereiste belang om dat artikel te betwisten, aangezien zij de belangen van de studenten vertegenwoordigt en aangezien zij een negatief advies heeft uitgebracht bij de totstandkoming van het voormelde programmadecreet.
A.1.2. De Franse Gemeenschapsregering betwist het belang van de verzoekende partij niet.
Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel
A.2.1. De verzoekende partij voert allereerst aan dat de bestreden bepaling de betrokken studenten een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Zij doet gelden dat de bestreden bepaling een aanzienlijke verhoging met zich meebrengt van het bedrag dat die moeten betalen, aangezien dat bedrag stijgt van 2 505 euro naar 4 175 euro (naast het inschrijvingsgeld). Volgens haar lopen studenten het risico om een of meerdere studiejaren te verliezen, omdat zij de bijdrage niet zullen kunnen betalen of omdat zij hun studie met steeds meer
3
bezoldigde activiteiten zullen moeten combineren. Nog steeds volgens haar lopen studenten eveneens het risico om in financiële onzekerheid terecht te komen. Vervolgens voert de verzoekende partij aan dat zijzelf een moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel kan lijden. In dat verband, verwijzend naar de overweging in het arrest van het Hof nr. 169/2020 van 17 december 2020 (
ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.169
) volgens welke een vzw die beginselen verdedigt of een collectief belang beschermt, niet mag worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt, doet zij gelden dat die overweging te dezen niet kan worden overgenomen.
Ten eerste merkt zij op dat, in tegenstelling tot hetgeen in die zaak het geval was, de bestreden bepaling wel een moeilijk te herstellen ernstig nadeel berokkent aan de personen wier belangen worden vertegenwoordigd, in casu de studenten. Ten tweede, verwijzend naar de rechtspraak van de Raad van State, merkt zij op dat de morele aantasting van de door een vzw verdedigde collectieve belangen ernstig en moeilijk te herstellen kan zijn. Volgens haar is zulks te dezen het geval, temeer daar zijzelf werd gedenigreerd tijdens de parlementaire voorbereiding.
A.2.2. In hoofdorde voert de Franse Gemeenschapsregering aan dat de voorwaarde met betrekking tot het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel niet is vervuld. Volgens haar blijkt uit de rechtspraak van het Hof dat de situatie van een vzw die een collectief belang verdedigt, niet mag worden verward met die van de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt. Nog steeds volgens haar, gesteld dat het door de verzoekende partij aangevoerde nadeel vaststaat, raakt het de verzoekende partij niet persoonlijk maar raakt het de studenten wier belangen zij behartigt. Zij voert aan dat het met betrekking tot de verzoekende partij enkel om een moreel nadeel zou kunnen gaan, dat niet moeilijk te herstellen is. Vervolgens betwist zij de parallel die de verzoekende partij maakt met de rechtspraak van de Raad van State, aangezien de schorsingsprocedures voor het Hof en voor de Raad van State niet hetzelfde voorwerp hebben en niet dezelfde gevolgen met zich meebrengen.
Ten slotte beweert zij dat de verzoekende partij niet werd gedenigreerd bij de parlementaire voorbereiding van het programmadecreet van 11 december 2024.
-B-
Ten aanzien van de bestreden bepaling
B.1. De verzoekende partij vordert de schorsing van artikel 50 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (hierna : het programmadecreet van 11 december 2024), dat artikel 105 van het decreet van de Franse Gemeenschap van 7 november 2013 « tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies » (hierna : het decreet van 7 november 2013) wijzigt.
De bestreden bepaling wijzigt de regels met betrekking tot de financiële bijdrage die bepaalde categorieën van studenten die niet de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie hebben, moeten betalen. Vroeger bepaalde de « Académie de recherche et d’enseignement supérieur » (Academie Onderzoek en Hoger Onderwijs, hierna : de ARES) de bedragen van het inschrijvingsgeld van de betrokken studenten, zonder dat dat inschrijvingsgeld vijftien keer hoger mocht zijn dan het bedrag van het « normale » inschrijvingsgeld (artikel 105, § 1, vierde lid, van het decreet van 7 november 2013, zoals het van toepassing was vóór de opheffing ervan bij artikel 50 van het programmadecreet van 11 december 2024). Voortaan zijn de betrokken
4
studenten, naast het « normale » inschrijvingsgeld, een bijkomende bijdrage van 4 175 euro verschuldigd (artikel 105, § 3bis, van het decreet van 7 november 2013, ingevoegd bij artikel 50 van het programmadecreet van 11 december 2024).
B.2.1. Zoals het van toepassing was vóór de wijziging ervan bij artikel 50 van het programmadecreet van 11 december 2024, bepaalde artikel 105 van het decreet van 7 november 2013 :
« § 1. Het bedrag van het inschrijvingsgeld voor de studies wordt bij decreet bepaald.
Deze bedragen omvatten de inschrijving op de rol, de inschrijving voor het academiejaar en de inschrijving voor de proeven en examens ingericht gedurende dit academiejaar. Geen enkel aanvullend geld kan gevraagd worden.
In iedere instelling voor hoger onderwijs wordt een overlegcommissie belast met het opstellen van de lijst van de kosten geraamd in functie van de werkelijke kosten van de goederen en diensten geleverd aan de studenten en die niet beschouwd worden als inning van een aanvullend inschrijvingsgeld. Deze kosten worden in het studiereglement vermeld van elke instelling. Deze commissie wordt samengesteld, in gelijke delen, uit vertegenwoordigers van de academische autoriteiten, de vertegenwoordigers van de personeelsleden van de instelling en de vertegenwoordigers van de studenten. In de Hogere Kunstscholen en de hogescholen, komen de vertegenwoordigers van de studenten uit de Studentenraad. De Commissaris of Afgevaardigde van de Regering woont de werkzaamheden van deze commissie bij.
Voor de studenten die niet in aanmerking komen voor een financiering, met uitzondering van deze die afkomstig zijn uit landen van de Europese Unie of die voldoen aan ten minste één van de [voorwaarden bedoeld] in artikel 3, § 1, eerste lid, van het decreet van 11 april 2014 tot aanpassing van de financiering van de instellingen voor hoger onderwijs aan de nieuwe organisatie van de studies, uit minder gevorderde landen - opgenomen op de LDC (Least Developed Countries) lijst van de UNO - of uit landen waarmee de Franse Gemeenschap een overeenkomst heeft gesloten ertoe strekkend de gelijkheid te verklaren van het inschrijvingsgeld van die studenten met dat van studenten die voor financiering in aanmerking komen, bepaalt de ARES de bedragen van het inschrijvingsgeld, zonder dat dit geld vijf keer het bedrag van het inschrijvingsgeld bedoeld bij het eerste lid mag overschrijden. Vanaf het academiejaar 2017-2018, kan dat geld niet vijftien keer hoger zijn dan het bedrag van het in het eerste lid bedoelde inschrijvingsgeld voor de studenten voor wie de eerste inschrijving voor een studiecyclus werd verricht tijdens de academiejaren 2017-2018 of volgende.
Deze paragraaf is niet van toepassing op de studies die tot een gezamenlijke diplomering leiden ingericht in het kader van bijzondere cursussen bepaald door de Europese Unie.
§ 2. Wat betreft de studenten die een toelage genieten toegekend door de dienst voor studietoelagen van de Franse Gemeenschap krachtens het decreet van 18 november 2021 tot regeling van de studietoelagen […], alsook de studenten die houder zijn van een attest van bursaal uitgereikt door het algemeen bestuur van de Ontwikkelingssamenwerking, kan geen inschrijvingsgeld gevraagd worden.
5
Zo gaat het ook voor de leden van het personeel van een instelling voor hoger onderwijs of de navorsers waarvoor ze zorgt overeenkomstig artikel 5, § 2, wanneer ze zich inschrijven voor studies van de derde cyclus of specialisatiemasters.
§ 3. De minvermogende studenten genieten een gereduceerd inschrijvingsgeld dat bij decreet bepaald wordt.
De Regering bepaalt de voorwaarden waaraan voldaan moet worden door de kandidaten om als minvermogend te worden beschouwd.
§ 4. De instellingen voor hoger onderwijs kunnen aan sommige studenten, bij wijze van individuele maatregel, andere kortingen toestaan inzake inschrijvingsgeld ten laste van hun sociale toelagen of subsidies toegekend krachtens de wet van 3 augustus 1960 houdende toekenning van sociale voordelen aan de universiteiten en gelijkgestelde inrichtingen, de artikelen 36 tot 41 van het decreet van 21 februari 2019 tot vaststelling van de organisatie van het hoger onderwijs in de hogescholen of artikel 58 van het decreet van 20 december 2001 tot vaststelling van de regels die specifiek zijn voor het hoger kunstonderwijs georganiseerd in de hogere kunstscholen (organisatie, financiering, omkadering, statuut van het personeel, rechten en plichten van studenten). In geval van intrekking van de inschrijving door de student, worden deze bedragen naar de sociale begroting van de instelling overgedragen ».
B.2.2. Artikel 50 van het programmadecreet van 11 december 2024 wijzigt artikel 105 van het decreet van 7 november 2013 als volgt :
« In artikel 105 van [het decreet van 7 november 2013] worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° het vierde lid en het vijfde lid van § 1 worden opgeheven;
2° een § 3bis wordt ingevoegd, luidend als volgt :
‘ § 3bis. Studenten die niet voldoen aan één van de voorwaarden vastgelegd in artikel 3, § 1, eerste lid, van het voornoemde decreet van 11 april 2014 zijn een bijkomende bijdrage verschuldigd.
De volgende studenten zijn echter vrijgesteld van deze bijdrage :
1° studenten die onderdanen zijn van een land dat op de LDC-lijst (Least Developed Countries) van de VN staat;
2° studenten die ingeschreven zijn in een inrichting bedoeld in artikel 10 en die onderdaan zijn van een land dat niet staat op de LDC-lijst bedoeld in 1° en waarvan de lijst wordt opgesteld door de ARES;
3° studenten die houders zijn van een getuigschrift van het hoger secundair onderwijs uitgereikt door een inrichting voor secundair onderwijs met volledig leerplan of voor sociale
6
promotie georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap na twee jaar in het onderwijs georganiseerd of gesubsidieerd door de Franse Gemeenschap;
4° studenten die ingeschreven zijn in een studieprogramma van de derde cyclus;
5° studenten die ingeschreven zijn in een GHSO-programma of een masterprogramma in onderwijs dat dit vervangt;
6° studenten die begunstigden zijn van een beurs toegekend door Wallonie-Bruxelles International.
Het bedrag van deze bijdrage is vastgesteld op € 4175.
Deze paragraaf is niet van toepassing op studies die aanleiding geven tot een gezamenlijke diplomering die worden georganiseerd in het kader van bijzondere programma’s bepaald door de Europese Unie. ’;
3° in § 4 worden de woorden ‘ en/of de aanvullende bijdrage bedoeld in § 3bis ’ ingevoegd tussen de woorden ‘ andere kortingen toestaan inzake inschrijvingsgeld ’ en ‘ ten laste van hun sociale toelagen of subsidies ’ ».
B.2.3. Volgens het nieuwe artikel 105, § 3bis, van het decreet van 7 november 2013 is de bijkomende bijdrage niet van toepassing op de studenten die voldoen aan een van de voorwaarden die zijn vastgelegd in artikel 3, § 1, eerste lid, van het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot aanpassing van de financiering van de instellingen voor hoger onderwijs aan de nieuwe organisatie van de studies ». Die laatste bepaling heeft betrekking op de studenten die de nationaliteit van een lidstaat van de Europese Unie bezitten of die aan ten minste een van de volgende voorwaarden voldoen :
« 1° een toelating krijgen van de instelling of de status van langdurig ingezetene te hebben verworven overeenkomstig de bepalingen van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen;
2° beschouwd worden als vluchteling, staatloze of persoon die in aanmerking komt voor subsidiaire [of tijdelijke bescherming] overeenkomstig de bepalingen van de bovenvermelde wet van 15 december 1980, of, op basis van dezelfde wet, een asielaanvraag hebben ingediend waarover nog geen definitieve beslissing werd genomen of waarover nog geen administratief cassatieberoep, dat overeenkomstig de op 12 januari 1973 gecoördineerde wetten op de Raad van State toelaatbaar werd verklaard, werd ingediend, en dit tot op het ogenblik waarop een verwerpingsarrest inzake het toegelaten beroep is uitgesproken;
3° toegelaten worden om meer dan drie maanden in België te verblijven overeenkomstig de bepalingen van de bovenvermelde wet van 15 december 1980 en daar een werkelijke en effectieve beroepsactiviteit [uit] te oefenen of daar vervangingsinkomen te genieten;
7
4° ten laste worden genomen of onderhouden worden door de Openbare Centra voor Maatschappelijk Welzijn, in een huis dat deze [toebehoort] of in een huis waaraan hij toevertrouwd wordt;
5° als vader, moeder, wettelijke voogd, echtgenoot(e) of wettelijke samenwonende [een]
persoon hebben die de nationaliteit bezit van een lidstaat van de Europese Unie of die aan één van de voorwaarden bedoeld in 1° tot 4° hierboven beantwoordt;
6° aan de voorwaarden bedoeld in artikel 105, § 2, van het bovenvermelde decreet van 7 november 2013 beantwoorden;
7° in aanmerking komen voor een verblijfstitel overeenkomstig artikel 61/7 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen ».
De bijkomende bijdrage is evenmin van toepassing op de studenten die een vrijstelling genieten krachtens artikel 105, § 3bis, tweede lid, van het decreet van 7 november 2013.
Bovendien is zij niet van toepassing op studies die aanleiding geven tot een gezamenlijke diplomering en die worden georganiseerd in het kader van bijzondere programma’s die zijn bepaald door de Europese Unie (artikel 105, § 3bis, vierde lid, van het decreet van 7 november 2013).
Ten slotte, wat betreft de studenten die de bijkomende bijdrage verschuldigd zijn, kunnen de instellingen voor hoger onderwijs aan sommigen onder hen, bij wijze van individuele maatregel, een korting toestaan op de bijkomende bijdrage, ten laste van hun sociale toelagen of subsidies (artikel 105, § 4, van het decreet van 7 november 2013, zoals gewijzigd bij artikel 50 van het programmadecreet van 11 december 2024).
B.2.4. Uit de parlementaire voorbereiding blijkt dat het hoofddoel van de bestreden bepaling erin bestaat de « studenten van buiten de Europese Unie die een studie in de Franse Gemeenschap wensen te volgen », te onderwerpen aan een « billijkere bijdrage » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2024-2025, nr. 34/1, p. 12), gelet op de « werkelijke kosten » van het hoger onderwijs (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2024-2025, nr. 34/6, p. 7). De minister-presidente heeft aldus opgemerkt dat « de studenten die onderdaan zijn van derde landen, in geringe mate bijdragen tot de financiering van de Belgische openbare diensten, met name die van het hoger onderwijs », en dat de bijkomende bijdrage van 4 175 euro een van de maatregelen is om « hen meer te doen bijdragen » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2024-2025, C.R.I., nr. 8, p. 89).
8
B.2.5. Artikel 50 van het programmadecreet van 11 december 2024 is in werking getreden op 1 januari 2025 (artikel 67, eerste lid, van het programmadecreet van 11 december 2024), zodat de bijkomende bijdrage van toepassing is vanaf het academiejaar 2025-2026 (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2024-2025, nr. 34/1, p. 41).
Bovendien bevat artikel 66 van het programmadecreet van 11 december 2024 de volgende overgangsbepaling :
« De volgende studenten moeten de bijdrage bedoeld in artikel 105, § 3bis, van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies niet betalen en blijven de bedragen vastgesteld overeenkomstig artikel 105, § 1, vierde lid, van voormeld decreet van 7 november 2013 verschuldigd :
1° tot en met het academiejaar 2026-2027, studenten ingeschreven in de eerste cyclus die in 2024-2025 een verhoogd inschrijvingsgeld of een specifiek inschrijvingsgeld betaald hebben en die, onverminderd de mogelijkheid tot gelijkstelling in de zin van artikel 3, § 1, van het decreet van 11 april 2014 tot aanpassing van de financiering van de instellingen voor hoger onderwijs aan de nieuwe organisatie van de studies of tot vrijstelling op grond van artikel 105, § 3bis, tweede lid, voor dezelfde cursus ingeschreven blijven zonder hun studies te onderbreken;
2° tot en met het academiejaar 2025-2026, studenten ingeschreven in de 2de cyclus die een verhoogd inschrijvingsgeld of een specifiek inschrijvingsgeld betaald hebben in 2024-2025
die, onverminderd de mogelijkheid tot gelijkstelling in de zin van artikel 3, § 1, van voormeld decreet van 11 april 2014 of tot vrijstelling op grond van artikel 105, § 3bis, tweede lid, voor dezelfde cursus ingeschreven blijven zonder hun studies te onderbreken ».
Ten aanzien van de voorwaarden voor de schorsing
B.3. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :
- de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn;
- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.
9
Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat een van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing.
B.4.1. Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, moet de schorsing van een wetsbepaling door het Hof kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partij door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging van die norm niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld.
B.4.2. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepaling waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst en de moeilijk te herstellen aard ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepaling aantonen.
B.5. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepaling een aanzienlijke verhoging inhoudt van het bedrag dat door de betrokken studenten moet worden betaald. Volgens haar brengt dat het risico met zich mee dat studenten een of meerdere studiejaren verliezen en dat studenten in financiële onzekerheid terechtkomen. Zij voegt eraan toe dat de bestreden bepaling haar een moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel berokkent.
B.6. Om het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel te beoordelen, mag een vereniging zonder winstoogmerk die beginselen verdedigt of een collectief belang beschermt, niet worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en op wie die beginselen of dat belang betrekking hebben.
B.7. De aangevoerde nadelen die de betrokken studenten zouden kunnen lijden, treffen de verzoekende partij niet persoonlijk. Het aangevoerde nadeel dat de verzoekende partij zelf zou kunnen lijden, betreft een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming en toepassing van een wetsbepaling die raakt aan de collectieve belangen die zij behartigt. Een dergelijk
10
nadeel is niet moeilijk te herstellen, aangezien het bij de vernietiging van de bestreden bepaling zou verdwijnen.
B.8. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de verzoekende partij niet aantoont dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepaling haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
Aangezien een van de voorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen.
11
Om die redenen,
het Hof
verwerpt de vordering tot schorsing.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 juni 2025.
De griffier, De voorzitter,
Frank Meersschaut Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.100
Gerelateerde publicatie(s)
citeert:
ECLI:BE:GHCC:2020:ARR.169
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==