ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.099
🏛️ Grondwettelijk Hof / Cour Constitutionnelle
📅 2025-06-26
🌐 FR
Arrest
Rechtsgebied
bestuursrecht
grondwettelijk
Geciteerde wetgeving
6 januari 1989, Constitution, GRONDWET, Grondwet, grondwet
Samenvatting
de vordering tot schorsing van de artikelen 53 en 67 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld door de vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones ».
Volledige tekst
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.099
JUPORTAL Openbare databank voor Belgische rechtspraak
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
Grondwettelijk Hof (Arbitragehof)
Vonnis/arrest van 26 juni 2025
ECLI nr:
ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.099
Arrest- Rolnummer:
99/2025
Rechtsgebied:
Constitutioneel recht
Invoerdatum:
2025-07-07
Raadplegingen:
111 - laatst gezien 2025-12-15 14:21
Versie(s):
Versie FR
Versie DE
Fiche
Verwerping van de vordering tot schorsing
Thesaurus CAS:
GRONDWETTELIJK HOF
UTU-thesaurus:
PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - GRONDWETTELIJK HOF
Vrije woorden:
de vordering tot schorsing van de artikelen 53 en 67 van het programmadecreet
van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen
betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld
door de vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones ». Onderwijs
- Franse Gemeenschap - Hoger onderwijs - Financierbaarheid van studenten
- Voorwaarden - Opeenvolging van normen - Ontstentenis van een overgangsregeling
Tekst van de beslissing
Grondwettelijk Hof
Arrest nr. 99/2025
van 26 juni 2025
Rolnummer : 8462
In zake : de vordering tot schorsing van de artikelen 53 en 67 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur », ingesteld door de vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones ».
Het Grondwettelijk Hof,
samengesteld uit de voorzitters Pierre Nihoul en Luc Lavrysen, en de rechters Joséphine Moerman, Sabine de Bethune, Emmanuelle Bribosia, Willem Verrijdt en Kattrin Jadin, bijgestaan door griffier Frank Meersschaut, onder voorzitterschap van voorzitter Pierre Nihoul,
wijst na beraad het volgende arrest :
I. Onderwerp van de vordering en rechtspleging
Bij verzoekschrift dat aan het Hof is toegezonden bij op 9 april 2025 ter post aangetekende brief en ter griffie is ingekomen op 11 april 2025, heeft de vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones », bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. François Belleflamme, advocaat bij de balie te Brussel, een vordering tot schorsing ingesteld van de artikelen 53 en 67 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 9 januari 2025).
Bij hetzelfde verzoekschrift vordert de verzoekende partij eveneens de vernietiging van dezelfde decreetsbepalingen.
Bij beschikking van 22 april 2025 heeft het Hof, na de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman te hebben gehoord, de terechtzitting voor de debatten over de vordering tot schorsing bepaald op 21 mei 2025, na de in artikel 76, § 4, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof bedoelde overheden te hebben uitgenodigd hun eventuele schriftelijke opmerkingen, in de vorm van een memorie, uiterlijk op
2
15 mei 2025 in te dienen en een afschrift ervan binnen dezelfde termijn aan de verzoekende partij over te zenden, alsook, via mail, op het mailadres griffie@const-court.be.
De Franse Gemeenschapsregering, bijgestaan en vertegenwoordigd door mr. Michel Karolinski en mr. Vanessa Rigodanzo, advocaten bij de balie te Brussel, heeft schriftelijke opmerkingen ingediend.
Op de openbare terechtzitting van 21 mei 2025 :
- zijn verschenen :
. mr. François Belleflamme en mr. Aymane Ralu, advocaat bij de balie te Brussel, voor de verzoekende partij;
. mr. Vanessa Rigodanzo loco mr. Michel Karolinski, voor de Franse Gemeenschapsregering;
- hebben de rechters-verslaggeefsters Emmanuelle Bribosia en Joséphine Moerman verslag uitgebracht;
- zijn de voornoemde advocaten gehoord;
- is de zaak in beraad genomen.
De bepalingen van de voormelde bijzondere wet van 6 januari 1989 met betrekking tot de rechtspleging en het gebruik van de talen werden toegepast.
II. In rechte
-A-
A.1. De vzw « Fédération des Étudiant·e·s francophones », verzoekende partij, vordert de schorsing van de artikelen 53 en 67 van het programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (hierna : het programmadecreet van 11 december 2024), dat betrekking heeft op de financiering van studentes en studenten in het hoger onderwijs.
A.2. De Franse Gemeenschapsregering verzoekt het Hof om zijn onderzoek, wat artikel 67 van het programmadecreet van 11 december 2024 betreft, te beperken tot het tweede lid, i), ervan, daar enkel die bepaling betrekking heeft op de inwerkingtreding van het bestreden artikel 53 van hetzelfde decreet.
Ten aanzien van het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel
A.3. Allereerst doet de verzoekende partij gelden dat de studentes en studenten die zich in de situaties bevinden die in de aangevoerde middelen zijn uiteengezet, een moeilijk te herstellen ernstig nadeel zullen lijden dat bestaat in een risico van een beslissing waarbij de inschrijving in de instellingen waar zij zich wensen in te schrijven, wordt geweigerd. Dat kan leiden tot het verlies van een of meerdere studiejaren voor de betrokken personen. Hoewel er administratieve beroepen openstaan tegen de beslissing van de examencommissies, maken die het niet mogelijk om het nadeel tijdig te voorkomen, temeer daar de Raad van State, in fine, wellicht ertoe zou worden gebracht aan het Hof een vraag te stellen over de grondwettigheid van de bestreden bepalingen. Evenzo
3
maakt de vernietigingsprocedure voor het Hof het niet mogelijk om de toepassing van de bestreden maatregelen te verhinderen, temeer daar net de ontstentenis van een overgangsregeling wordt aangeklaagd. Kortom, voor de verzoekende partij wordt aan de studentes en studenten een daadwerkelijk rechtsmiddel ontzegd indien de schorsing niet wordt uitgesproken.
Vervolgens voert de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voor zichzelf aan. Volgens de rechtspraak van het Hof mag een vereniging weliswaar niet worden verward met de personen die zij vertegenwoordigt en verdwijnt het morele nadeel in beginsel met de vernietiging. De verzoekende partij geeft evenwel aan dat de personen die zij vertegenwoordigt, te dezen wel degelijk het bestaan van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aantonen, in tegenstelling tot hetgeen gold in de zaken waarin het Hof de voormelde rechtspraak heeft ontwikkeld. Bovendien heeft de Raad van State herhaalde malen erkend dat de morele aantasting van de door een vzw behartigde collectieve belangen een moeilijk te herstellen ernstig karakter heeft.
A.4. De Franse Gemeenschapsregering voert in hoofdorde aan dat er geen moeilijk te herstellen ernstig nadeel bestaat dat de schorsing van de bestreden bepalingen zou verantwoorden. De verzoekende partij is immers een vereniging zonder winstoogmerk die de behartiging nastreeft van de belangen van de studentes en studenten die zijn ingeschreven in de instellingen voor hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap. Met toepassing van de vaste rechtspraak van het Hof mag haar situatie evenwel niet worden verward met die van de natuurlijke personen die worden geraakt, aangezien hun nadelen niet samenvallen. Voor de verzoekende partij is het nadeel uitsluitend een moreel nadeel en is het dus niet moeilijk te herstellen, aangezien het zou verdwijnen in geval van een vernietiging. Bovendien is de Franse Gemeenschapsregering van mening dat de rechtspraak van de Raad van State niet pertinent is. De schorsingsprocedures voor de Raad van State en voor het Hof zijn immers verschillend, hetgeen dat laatste herhaalde malen heeft erkend.
-B-
Ten aanzien van het bestreden decreet en de context ervan
B.1.1. Het beroep heeft betrekking op de regeling betreffende de financierbaarheid van de studentes en studenten in het hoger onderwijs van de Franse Gemeenschap, regeling die meermaals is gewijzigd. Daarin werd eerst voorzien bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 11 april 2014 « tot aanpassing van de financiering van de instellingen voor hoger onderwijs aan de nieuwe organisatie van de studies » (hierna : het decreet van 11 april 2014).
B.1.2. Die regeling werd vervolgens hervormd bij het decreet van de Franse Gemeenschap van 2 december 2021 « tot wijziging van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies en andere wetgevingen inzake hoger onderwijs » (hierna : het decreet van 2 december 2021), dat artikel 5 van het decreet van 11 april 2014 vervangt als volgt :
« Art. 5. § 1. Naast de in artikel 3 genoemde voorwaarden komt een student in aanmerking voor financiering :
4
1. of bij de inschrijving voor een studiecyclus, zonder dat hij/zij tijdens de vijf voorafgaande academiejaren reeds voor dezelfde studiecyclus was ingeschreven;
2. of wanneer hij/zij alle studiepunten verworven heeft bij zijn vorige inschrijving voor deze cursus met een minimum van 45 studiepunten van zijn jaarlijks programma, behalve in geval van vermindering;
3. of wanneer hij/zij voldoet aan voldoende academische slagenvereisten zoals beschreven in de volgende paragrafen.
§ 2. Een student die is ingeschreven voor een eerste studiecyclus die leidt tot een bepaalde academische graad van 180 studiepunten, voldoet niet langer aan de voldoende voorwaarden voor academisch welslagen als zich één van de volgende situaties voordoet :
1. aan het einde van zijn eerste inschrijving in deze cursus als de student de studiepunten verbonden aan ten minste één van de onderwijseenheden van het eerste jaarblok niet verworven of gevaloriseerd heeft;
2. na twee inschrijvingen in de eerste cyclus als de student de eerste 60 studiepunten van het eerste jaarblok van zijn/haar cursus niet verworven of gevaloriseerd heeft;
3. na vier inschrijvingen in de eerste cyclus als de student geen 120 studiepunten van zijn/haar cursus verworven of gevaloriseerd heeft;
4. na vijf inschrijvingen in de eerste cyclus als de student niet alle studiepunten van zijn cursus verworven of gevaloriseerd heeft.
Met uitzondering van het eerste lid, 2°, na twee inschrijvingen in de eerste cyclus, kan worden geacht aan voldoende voorwaarden voor succes te hebben voldaan, mits de examencommissie hiermee instemt :
1° de student bedoeld in artikel 100, § 1, vierde of vijfde lid, van het decreet van 7 november 2013 die 60 studiepunten heeft verworven of gevaloriseerd, waarvan ten minste 50 studiepunten uit het eerste jaarblok;
2° de student bedoeld in artikel 100, § 1, zesde lid, van hetzelfde decreet die ten minste 50 studiepunten van het eerste jaarblok heeft verworven of gevaloriseerd, onder voorbehoud van bijkomende voorwaarden bepaald door de examencommissie, die hem kan verplichten zich in te schrijven voor de succesondersteunende activiteiten bedoeld in artikel 148.
In deze gevallen moet het saldo van de studiepunten van het eerste jaarblok in het volgende academiejaar volledig worden behaald om te blijven voldoen aan de voldoende slaagvoorwaarden.
De examencommissie analyseert de resultaten van elke student die in aanmerking zou kunnen komen voor de uitzonderingen vermeld in het tweede lid, 1° en 2°.
5
Naast de voorwaarden bedoeld in het eerste lid, 1° tot 3°, voldoet een student die is ingeschreven in een eerste studiecyclus die leidt tot een bepaalde academische graad van 240 studiepunten niet langer aan de voldoende slaagvoorwaarden wanneer hij zich in een van de volgende situaties bevindt [:]
1. op het einde van zes inschrijvingen in de eerste cyclus als hij geen 180 studiepunten van zijn/haar programma heeft verworven of gevaloriseerd;
2. na zeven inschrijvingen in de eerste cyclus als hij niet alle studiepunten van zijn programma heeft verworven of gevaloriseerd.
Een student die is ingeschreven voor specialisatiestudies in de eerste cyclus voldoet niet langer aan de voldoende slaagvoorwaarden als hij na twee inschrijvingen in de eerste cyclus niet alle studiepunten van zijn cursus heeft verworven of gevaloriseerd.
§ 3. Een student die is ingeschreven voor een tweede studiecyclus die tot een bepaalde academische graad leidt, voldoet niet langer aan de voldoende slaagvoorwaarden als hij zich in één van de volgende situaties bevindt :
1. na twee inschrijvingen in de tweede cyclus als hij geen 60 studiepunten van zijn cursus heeft verworven of gevaloriseerd, met inbegrip, in voorkomend geval, van de studiepunten van het aanvullende programma bedoeld in artikel 111 van het voornoemde decreet van 7 november 2013;
2. na vier inschrijvingen in de tweede cyclus als hij geen 120 studiepunten van zijn cursus heeft verworven of gevaloriseerd;
3. na zes inschrijvingen in de tweede cyclus als hij niet alle studiepunten van zijn cursus heeft verworven of gevaloriseerd.
Wanneer in toepassing van artikel 111 van voornoemd decreet van 7 november 2013 in bijkomende toegangsvoorwaarden is voorzien, komt de student in aanmerking voor :
1. een bijkomende inschrijving waarbij deze bijkomende voorwaarden ten hoogste 30 bijkomende studiepunten vertegenwoordigen;
2. twee bijkomende inschrijvingen waarbij de bijkomende voorwaarden 31 tot 60 studiepunten vertegenwoordigen.
§ 4. Voor de toepassing van §§ 2 en 3 wordt geen rekening gehouden met de inschrijvingen tijdens de vorige academiejaren die aanleiding hebben gegeven tot het behalen van een academische graad.
§ 5. In geval van heroriëntering komt de student bedoeld in de paragrafen 2 en 3 in aanmerking voor een bijkomende inschrijving. Dit voordeel wordt echter slechts eenmaal toegekend voor de duur van de betrokken cyclus. In afwijking van paragraaf 2, eerste lid, 2°, moet een student die zich heroriënteert na de tweede inschrijving in de cyclus bachelor ten minste de eerste 50 studiepunten van zijn cursus verwerven of valoriseren na maximaal drie inschrijvingen in de cyclus, en de eerste 60 studiepunten van zijn cursus na maximaal vier inschrijvingen voor deze cursus.
6
Voor de toepassing van deze paragraaf wordt onder heroriëntatie verstaan de hypothese voorzien in artikel 102, § 3, van het decreet van 7 november 2013 of die waarbij een student zich bij het begin van het academiejaar inschrijft voor een studieprogramma dat tot een academische graad leidt zonder er reeds voor ingeschreven te zijn, maar wel reeds voor een ander studieprogramma ingeschreven te zijn geweest.
Bovendien, wanneer een student zich in een situatie van programmavermindering bevindt met toepassing van artikel 150 zonder heroriëntering of van artikel 151 van het decreet van 7 november 2013, geniet hij van een bijkomende halve inschrijving in de betrokken cyclus. Bij de berekening van de cyclus wordt de som van de extra inschrijvingen naar boven afgerond op het eerstvolgende gehele getal.
§ 6. De student die zich inschrijft voor een eerste studiecyclus op basis van de voorwaarden bedoeld in artikel 107 van het decreet van 7 november 2013, wordt geacht regelmatig ingeschreven te zijn geweest voor elk academiejaar volgend op het behalen van het diploma, het bekwaamheidsbewijs of het getuigschrift bedoeld in deze toegangsvoorwaarden, voor een jaarprogramma van 60 studiepunten van de bedoelde studies, met uitzondering van de jaren waarvoor hij het bewijs levert dat hij tijdens het bedoelde jaar niet was ingeschreven voor een activiteit van hoger onderwijs of een vergelijkend examen of een toegangsexamen zowel binnen als buiten de Franse Gemeenschap. Dit bewijs kan worden geleverd door elk officieel document of, bij gebreke van een naar behoren gemotiveerd document wegens overmacht, door een verklaring op erewoord van de student waaruit blijkt dat het materieel onmogelijk is een dergelijk document over te leggen.
§ 7. In afwijking van § 2, eerste lid, 2° tot 4°, heeft een student die voor het eerst is ingeschreven in een eerste jaar van de eerste cyclus en die op het einde van dit jaar ten minste 45 studiepunten van de eerste 60 studiepunten van het studieprogramma in de diergeneeskundige wetenschappen heeft verworven, maar die geen toegangsattest na het cyclusprogramma heeft verkregen, recht op een bijkomende inschrijving.
§ 8. Voor de studenten bedoeld in artikel 100, § 3 van het decreet van 7 november 2013
wordt de naleving van de voorwaarden om in aanmerking te komen voor financiering van de student in elk van de twee cycli afzonderlijk gecontroleerd ».
Dat decreet is in werking getreden met ingang van het academiejaar 2022-2023 (artikel 30).
Artikel 27 bevatte evenwel een overgangsbepaling die luidde :
« Studenten die bij de inwerkingtreding van dit decreet reeds ingeschreven zijn voor een studiecyclus in de Franse Gemeenschap, blijven onderworpen aan de bepalingen van het decreet van 11 april 2014 die van toepassing waren op de dag vóór de inwerkingtreding van dit decreet, zolang zij deze studiecyclus volgen en ten laatste tot en met het academiejaar 2023-2024 ».
B.1.3. Op 31 mei 2024 is het decreet van de Franse Gemeenschap « waarbij de toegankelijkheid tot studies vergroot wordt, de financierbaarheid van studenten gegarandeerd
7
wordt en een becijferde sturing ingevoerd wordt » (hierna : het decreet van 31 mei 2024)
aangenomen, dat de inwerkingtreding van het decreet van 2 december 2021 gedeeltelijk en tijdelijk opschort, en bepaalt :
« [...]
Art. 2. Artikel 27 van het decreet van […] 2 december 2021 tot wijziging van het decreet van 7 november 2013 tot bepaling van het hogeronderwijslandschap en de academische organisatie van de studies en andere wetgevingen inzake hoger onderwijs, wordt aangevuld met de volgende zin :
‘ Studenten die tijdens dit laatste academiejaar waren ingeschreven en in aanmerking kwamen voor financiering, worden geacht in aanmerking te komen voor financiering met het oog op hun inschrijving voor dezelfde cursus tijdens het academiejaar 2024-2025. ’.
Art. 3. Financierbare studenten die ingeschreven zijn tijdens het academiejaar 2023-2024
en die na twee inschrijvingen in de eerste cyclus de eerste 60 studiepunten van het eerste jaarblok van hun cursus niet hebben gewaardeerd of verworven, worden, in afwijking van artikel 5, § 2, eerste lid, 2., van het decreet van 11 april 2014 tot aanpassing van de financiering van de instellingen voor hoger onderwijs aan de nieuwe organisatie van de studies, zoals gewijzigd bij het decreet van 2 december 2021, geacht te beantwoorden aan de voldoende slaagvoorwaarden in de zin van artikel 5, § 1, 3. van het decreet van 11 april 2014 met het oog op hun inschrijving in het academiejaar 2024-2025, op voorwaarde dat ze ten minste 45 studiepunten van hun cursus hebben gewaardeerd of verworven.
Art. 4. In artikel 5, § 1, 2, van het decreet van 11 april 2014 tot aanpassing van de financiering van de instellingen voor hoger onderwijs aan de nieuwe organisatie van de studies, worden de woorden ‘ met een minimum van 45 studiepunten van zijn jaarlijks programma, behalve in geval van vermindering ’ opgeheven.
Art. 5. In artikel 5, § 5, eerste lid, van het decreet van 11 april 2014 tot aanpassing van de financiering van de instellingen voor hoger onderwijs aan de nieuwe organisatie van de studies, worden de volgende wijzigingen aangebracht :
1° de eerste zin wordt aangevuld met de volgende woorden ‘ of, als hij/zij zich [heroriënteert] na de tweede inschrijving in de eerste [cyclus], voor twee bijkomende inschrijvingen ’.
2° de laatste zin wordt opgeheven.
[...]
Art. 10. Dit decreet treedt in werking vanaf het academiejaar 2024-2025 ».
B.1.4. De financierbaarheidsregeling is opnieuw hervormd bij het bestreden programmadecreet van de Franse Gemeenschap van 11 december 2024 « houdende diverse bepalingen betreffende Onderwijs, schoolgebouwen, Onderzoek en cultuur » (hierna : het
8
programmadecreet van 11 december 2024). De verzoekende partij vordert de vernietiging van de artikelen 53 en 67 van het programmadecreet van 11 december 2024, die bepalen :
« Art. 53. Het decreet van 31 mei 2024 waarbij de toegankelijkheid tot studies vergroot wordt, de financierbaarheid van studenten gegarandeerd wordt en een becijferde sturing ingevoerd wordt, wordt opgeheven, met uitzondering van artikelen 4 en 10 ».
« Art. 67. [...]
i) [...] artikel 53 [treedt] in werking vanaf het academiejaar 2025-2026;
[...] ».
B.1.5. Ten slotte wijzigt het niet-bestreden decreet van de Franse Gemeenschap van 23 januari 2025 « houdende verschillende maatregelen inzake het hoger onderwijs en het onderzoek » het decreet van 11 april 2014 opnieuw.
Dat decreet heeft terugwerkende kracht met ingang van het academiejaar 2023-2024
(artikel 33). Het heeft geen weerslag op de voorliggende zaak.
B.2. Volgens de memorie van toelichting van het programmadecreet van 11 december 2024 beogen de bepalingen met betrekking tot de financierbaarheid van de studentes en studenten « het decreet van 31 mei 2024 waarbij de toegankelijkheid tot studies wordt vergroot, de financierbaarheid van studenten gegarandeerd wordt en een becijferde sturing ingevoerd wordt af te schaffen, met uitzondering van twee bepalingen. Het is de bedoeling terug te keren naar de regeling die is bepaald in het decreet van 2 december 2021 en zoals daarover was overlegd met de sector » (Parl. St., Parlement van de Franse Gemeenschap, 2024-2025, nr. 34/1, p. 13). Daaraan wordt toegevoegd :
« De in het voormelde decreet van 31 mei 2024 bepaalde wijzigingen dragen immers bij tot het verlengen van de studieduur, tot het vergroten van de bestaansonzekerheid voor studenten en tot het teweegbrengen van een risico dat studenten stagneren in het eerste blok, in een fase waar de behoeften in termen van steun voor het slagen, begeleiding en opvangcapaciteit net het grootst zijn. Bovendien houdt de door het voormelde decreet van 31 mei 2024 teweeggebrachte toename van de financierbare studentenbevolking rechtstreekse kosten ten laste van de Franse Gemeenschap in, namelijk wat betreft het bedrag van de sociale subsidies en de vermindering van het inschrijvingsgeld voor minvermogende studenten.
Bijgevolg zal de terugkeer naar de hervorming van 2021, indien die ertoe strekt de student de mogelijkheid te bieden zich zo snel mogelijk in te schrijven voor een succesvol traject, ook
9
een positieve budgettaire impact hebben op de financiën van de Franse Gemeenschap vanaf de begroting van 2025, door niet-tijdige heroriënteringen te vermijden en studenten op lange termijn binnen de studie te houden.
Ten slotte is het noodzakelijk om de studenten tijdens het academiejaar zo snel mogelijk te informeren over de regels die van toepassing zullen zijn bij de aanvang van het volgende academiejaar, teneinde hen aan te moedigen te slagen voor hun examens, vanaf de examenperiode in januari 2025.
In antwoord op het advies van de Raad van State nr. 77.160/2-4 van 4 november 2024 moet in herinnering worden gebracht dat de artikelen 2 en 3 van het decreet van 31 mei 2024
tijdelijke bepalingen zijn die enkel van toepassing zijn voor het academiejaar 2024-2025. In zoverre de opheffing van het decreet van 31 mei 2024 in werking treedt vanaf het academiejaar 2025-2026, zal die opheffing geen gevolgen hebben voor studenten die geldig zijn ingeschreven tijdens het academiejaar 2024-2025 krachtens dat decreet. Hetzelfde geldt voor de artikelen 6, 7 en 8 van het decreet van 31 mei 2024, die in een eenmalige en uitzonderlijke financiering in 2024 voorzien voor de instellingen voor hoger onderwijs. Wat de opheffing van artikel 5 van het decreet van 31 mei 2024 betreft, is het wel degelijk de bedoeling om terug te keren naar de regel van de heroriëntering zoals daarin was voorzien bij het decreet van 2 december 2021, vooraleer het decreet van 31 mei 2024 artikel 5 van het decreet van 11 april 2014 wijzigde. Vanaf de aanvang van het academiejaar 2025-2026 zal artikel 5, § 5, eerste lid, van het decreet van 11 april 2014, zoals vervangen bij het decreet van 2 december 2021, dus van toepassing zijn » (ibid., p. 35).
B.3. De verzoekende partij vordert de schorsing van de artikelen 53 en 67 van het programmadecreet van 11 december 2024. Haar grieven hebben betrekking op drie discriminerende gevolgen van de bestreden bepalingen, die het decreet van 2 december 2021
opnieuw van toepassing maken, namelijk de onmogelijkheid tot heroriëntering bij de aanvang van het academiejaar 2025-2026 na drie jaar binnen eenzelfde cyclus, de afschaffing van het dubbele jaar financierbaarheid, ingevoerd bij artikel 5, eerste lid, 1°, van het decreet van 31 mei 2024, en de voorwaarde voor de studente of student die zich heroriënteert na de tweede inschrijving in de cyclus van bachelor, om ten minste de eerste 50 studiepunten van zijn cursus te verwerven of te valoriseren na maximaal drie inschrijvingen in de cyclus, en de eerste 60 studiepunten van zijn cursus na maximaal vier inschrijvingen. De verzoekende partij wijst bovendien op de ontstentenis van een overgangsregeling voor de studentes en studenten die zich in 2024 hebben ingeschreven onder de gelding van het decreet van 31 mei 2024.
10
Ten aanzien van de voorwaarden voor de schorsing
B.4. Naar luid van artikel 20, 1°, van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof dient aan twee voorwaarden te zijn voldaan opdat tot schorsing kan worden besloten :
- de middelen die worden aangevoerd, moeten ernstig zijn;
- de onmiddellijke uitvoering van de bestreden maatregel moet een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kunnen berokkenen.
Daar de twee voorwaarden cumulatief zijn, leidt de vaststelling dat een van die voorwaarden niet is vervuld tot verwerping van de vordering tot schorsing.
B.5.1. Wat het risico van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, moet een schorsing van een wetsbepaling door het Hof kunnen voorkomen dat voor de verzoekende partij door de onmiddellijke toepassing van de bestreden norm een ernstig nadeel zou ontstaan dat bij een eventuele vernietiging van die norm niet of nog moeilijk zou kunnen worden hersteld.
B.5.2. Uit artikel 22 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 blijkt dat, om te voldoen aan de tweede voorwaarde van artikel 20, 1°, van die wet, de persoon die een vordering tot schorsing instelt, in zijn verzoekschrift concrete en precieze feiten moet uiteenzetten waaruit voldoende blijkt dat de onmiddellijke toepassing van de bepaling waarvan hij de vernietiging vordert, hem een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
Die persoon moet met name het bestaan van het risico van een nadeel, de ernst en de moeilijk te herstellen aard ervan en het verband tussen dat risico en de toepassing van de bestreden bepaling aantonen.
B.6. De verzoekende partij voert aan dat de bestreden bepalingen een belemmering vormen voor de heroriëntering voor de betrokken studentes en studenten. Volgens haar brengt dat het risico met zich mee dat die een of meerdere studiejaren verliezen. Zij voegt eraan toe dat de bestreden bepalingen haar een moeilijk te herstellen ernstig moreel nadeel berokkenen.
11
B.7. Om het ernstig en moeilijk te herstellen karakter van het nadeel te beoordelen, mag een vereniging zonder winstoogmerk die beginselen verdedigt of een collectief belang beschermt, niet worden verward met de natuurlijke personen die in hun persoonlijke situatie worden geraakt en op wie die beginselen of dat belang betrekking hebben.
B.8. De aangevoerde nadelen die de betrokken studentes en studenten zouden kunnen lijden, treffen de verzoekende partij niet persoonlijk. Het aangevoerde nadeel dat de verzoekende partij zelf zou kunnen lijden, betreft een louter moreel nadeel dat voortvloeit uit de aanneming en toepassing van wetsbepalingen die raken aan de collectieve belangen die zij behartigt. Een dergelijk nadeel is niet moeilijk te herstellen, aangezien het bij de vernietiging van de bestreden bepalingen zou verdwijnen.
B.9. Uit hetgeen voorafgaat, vloeit voort dat de verzoekende partij niet aantoont dat de onmiddellijke toepassing van de bestreden bepalingen haar een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
Aangezien een van de voorwaarden om tot schorsing te kunnen besluiten niet is vervuld, dient de vordering tot schorsing te worden verworpen.
12
Om die redenen,
het Hof
verwerpt de vordering tot schorsing.
Aldus gewezen in het Frans en het Nederlands, overeenkomstig artikel 65 van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Grondwettelijk Hof, op 26 juni 2025.
De griffier, De voorzitter,
Frank Meersschaut Pierre Nihoul
PDF document ECLI:BE:GHCC:2025:ARR.099
Print deze pagina
Afdrukformaat
S
M
L
XL
Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht
Sluit Tab
✉
info-JUPORTAL@just.fgov.be
© 2017-2025 ICT Dienst - FOD Justitie
Powered by PHP 8.5.0
Server Software Apache/2.4.65
== Fluctuat nec mergitur ==